Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:7697

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
15-08-2018
Datum publicatie
06-09-2018
Zaaknummer
6936518 \ OA VERZ 18-64
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Werkgever heeft arbeidsovereenkomst opgezegd met toestemming UWV. Verzoek werknemer om herstel arbeidsovereenkomst / billijke vergoeding afgewezen. Aannemelijk dat sprake is van redelijke grond wegens verval arbeidsplaats vanwege bedrijfseconomische omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-1009
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 6936518 \ AO VERZ 18-64 BL

Uitspraakdatum: 15 augustus 2018

Beschikking in de zaak van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats]

verzoekende partij

verder te noemen: [verzoekster]

gemachtigde: P.P.M. [verzoekster] (echtgenoot van [verzoekster] )

tegen

de besloten vennootschap Bravilor Bonamat B.V.,

gevestigd te Heerhugowaard

verwerende partij

verder te noemen: Bravilor

gemachtigde: mr. R.A.A. Kool

1 Het procesverloop

1.1.

[verzoekster] heeft een verzoek gedaan, primair om de werkgever te veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen, subsidiair tot wedertewerkstelling in een passende functie en meer subsidiair om ten laste van Bravilor een billijke vergoeding toe te kennen. Bij brief van 18 juni 2018 heeft [verzoekster] haar verzoek aangevuld en aanvullende stukken overgelegd. Bravilor heeft een verweerschrift ingediend.

1.2.

Op 18 juli 2018 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft [verzoekster] bij brief van 11 juli 2018 nog stukken toegezonden.

2 De feiten

2.1.

Bravilor is een producent van drankbereidingssystemen, met filialen in Europa en de Verenigde Staten van Amerika, en een uitgebreid dealernetwerk. Het hoofdkantoor van Bravilor is gevestigd in Heerhugowaard, waar 229 medewerkers in dienst zijn, waarvan 50 op de afdeling Assembly.

2.2.

[verzoekster] , geboren op [geboortedag] 1976, is op 4 september 2000 als productiemedewerker in dienst getreden bij Bravilor. Met ingang van 1 januari 2010 vervult [verzoekster] de functie van Assembly Assistent. Het actuele salaris van [verzoekster] bedraagt € 1.988,01 bruto per maand bij een arbeidsomvang van 32 uur per week.

2.3.

In een gesprek op 9 december 2016 heeft Bravilor aan [verzoekster] verteld dat de functie van Assembly Assistent in de nabije toekomst zal worden herzien, in die zin dat het bestellen en regelen van bedrijfskleding wordt overgeheveld naar de afdeling Warehouse, omdat dit organisatorisch en bedrijfseconomisch een meer logische plek is.

2.4.

In een gesprek op 22 december 2016 heeft Bravilor met [verzoekster] besproken dat de functie van Assembly Assistent op termijn verdwijnt, omdat de resterende werkzaamheden (eveneens wegens organisatorische en bedrijfseconomische redenen) worden geautomatiseerd en herverdeeld over de verschillende productielocaties. Daarbij heeft Bravilor aan [verzoekster] gevraagd of zij met behoud van salaris en uren de functie van Assembly Worker (voormontage en inpakwerkzaamheden) wilde bekleden. Gelet op haar armklachten zou dat wellicht niet mogelijk zijn. [verzoekster] heeft vervolgens aangegeven de terugkoppeling van de bedrijfsarts te willen afwachten. Verder heeft Bravilor aangegeven dat als [verzoekster] de functie van Assembly Worker niet wil of kan accepteren onderzocht moet worden of er mogelijkheden zijn buiten Bravilor, omdat er binnen Bravilor geen ander passend werk beschikbaar is.

2.5.

Vervolgens heeft de bedrijfsarts een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) verstrekt.

2.6.

Op 3 februari 2017 heeft Bravilor aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: UWV) toestemming gevraagd voor opzegging van de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] . Daarbij heeft Bravilor gesteld dat de functie van [verzoekster] vanwege bedrijfseconomische omstandigheden komt te vervallen. [verzoekster] heeft verweer gevoerd tegen deze ontslagaanvraag.

2.7.

In een beslissing van 22 maart 2017 heeft het UWV de door Bravilor gevraagde toestemming geweigerd, op basis van – samengevat – de overweging dat gezien het ontbreken van een concreet gedocumenteerd (reorganisatie)plan niet is vast te stellen of de door Bravilor gewenste wijzigingen noodzakelijk zijn voor een doelmatige bedrijfsvoering, zodat niet duidelijk is geworden waarom de functie van Assembly Assistent zou moeten komen te vervallen.

2.8.

Lopende de UWV procedure is [verzoekster] op 27 februari 2017 uitgevallen voor haar werk wegens ziekte, bestaande uit spanningsklachten.

2.9.

Bravilor heeft op 19 mei 2017 een verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische redenen ingediend bij de kantonrechter. Dit verzoek heeft Bravilor ingetrokken op 19 juni 2017.

2.10.

Op 29 september 2017 heeft [verzoekster] zich hersteld gemeld bij Bravilor. De bedrijfsarts heeft [verzoekster] op 11 oktober 2017 hersteld verklaard. [verzoekster] heeft Bravilor vervolgens gevraagd om toegelaten te worden tot het werk, maar Bravilor heeft dit geweigerd vanwege het vervallen van de functie. [verzoekster] heeft sindsdien haar werk niet hervat.

2.11.

Bravilor heeft op 15 december 2017 bij de kantonrechter een verzoek ingediend tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van een verstoorde arbeidsverhouding. Bij beschikking van 6 februari 2018 heeft de (ambtgenoot)kantonrechter dit verzoek afgewezen, omdat – samengevat – naar zijn oordeel sprake was van een primair zakelijke discussie tussen partijen over de vraag of de functie en arbeidsplaats van [verzoekster] zijn vervallen, welke discussie een ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een verstoorde arbeidsverhouding niet rechtvaardigt. Daarbij is het tegenverzoek van [verzoekster] om Bravilor op straffe van een dwangsom te veroordelen tot wedertewerkstelling toegewezen. Aan die veroordeling heeft de kantonrechter een termijn verbonden van twee maanden, om Bravilor de gelegenheid te geven om ofwel alsnog toestemming van het UWV te verkrijgen voor opzegging van de arbeidsovereenkomst, dan wel de werkhervatting van [verzoekster] voor te bereiden en mogelijk te maken.

2.12.

Op 13 februari 2018 heeft Bravilor opnieuw toestemming aan het UWV gevraagd voor opzegging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen, wegens bedrijfseconomische redenen. [verzoekster] heeft opnieuw verweer gevoerd tegen de ontslagaanvraag.

2.13.

Bij besluit van 27 maart 2018 heeft het UWV de gevraagde toestemming verleend. Daarbij heeft het UWV – samengevat – overwogen dat de organisatorische veranderingen nu wel door Bravilor zijn onderbouwd, dat aan de hand daarvan is komen vast te staan dat de functie van Assembly Assistent per 3 april 2017 definitief is opgeheven en dat aannemelijk is gemaakt dat sprake is van bedrijfseconomische redenen waardoor het noodzakelijk is dat de arbeidsplaats van [verzoekster] structureel is komen te vervallen. Verder heeft het UWV aannemelijk geoordeeld dat de functie van Assembly Assistent een unieke functie is, zodat het afspiegelingsbeginsel niet aan de orde is, en dat binnen de redelijke termijn herplaatsing van [verzoekster] in een passende functie, al dan niet met behulp van scholing, niet mogelijk is.

2.14.

Bij brief van 29 maart 2018 heeft Bravilor de arbeidsovereenkomst opgezegd met ingang van 1 juli 2018, waarbij Bravilor heeft medegedeeld dat zij een transitievergoeding aan [verzoekster] toekent van € 15.208,00 bruto.

2.15.

Bravilor heeft [verzoekster] vervolgens op 6 april 2018 in kort geding gedagvaard. Bij vonnis van 24 april 2018 heeft de (ambtgenoot)kantonrechter bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat de looptijd en de verschuldigdheid van de dwangsom waartoe Bravilor bij beschikking van 6 februari 2018 is veroordeeld wordt geschorst of opgeschort, totdat in een bodemprocedure over een vordering op grond van artikel 611d Rv is geoordeeld. Daartoe overwoog de kantonrechter – samengevat – dat naar zijn voorlopig oordeel sprake is van een onmogelijkheid voor Bravilor om te voldoen aan de veroordeling om [verzoekster] toe te laten tot het verrichten van de overeengekomen werkzaamheden, omdat (gezien het besluit van het UWV van 27 maart 2018) voldoende aannemelijk is dat die werkzaamheden inmiddels niet meer bestaan en dat de functie van [verzoekster] is vervallen, zodat het in strijd zou zijn met de redelijkheid en billijkheid indien Bravilor desondanks een dwangsom zou verbeuren.

3 Het verzoek

3.1.

[verzoekster] verzoekt de kantonrechter Bravilor te veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen, op grond van artikel 7:682 lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Aan dit verzoek legt [verzoekster] ten grondslag – kort gezegd – dat de opzegging door Bravilor in strijd is met artikel 7:669 lid 3, onderdeel a, BW en dat geen sprake is van een situatie waarin ontslag wegens een bedrijfseconomische reden gerechtvaardigd is. In dat kader heeft [verzoekster] het volgende aangevoerd. Het UWV heeft procedurefouten gemaakt en Bravilor heeft voor de tweede ontslagaanvraag bij het UWV geen nieuwe feiten aangevoerd. De functie van [verzoekster] is niet vervallen. Haar taken zijn slechts herverdeeld. Verder zijn de door Bravilor getroffen organisatorische maatregelen niet effectief, is de ondernemingsraad ten onrechte niet geraadpleegd en zijn er mogelijkheden voor herplaatsing van [verzoekster] .

3.2.

Voor het geval de kantonrechter beslist dat de door het UWV verleende toestemming op doorslaggevende en overtuigende feiten is gegrond verzoekt [verzoekster] (subsidiair) om Bravilor te veroordelen tot wedertewerkstelling van [verzoekster] in een functie (al dan niet na bijscholing) passend bij haar opleiding en niveau, rekening houdend met de beperkingen aan haar rechterarm en tegen minimaal gelijkblijvend salaris.

3.3.

Voor het geval de kantonrechter beslist dat wedertewerkstelling niet mogelijk is heeft [verzoekster] (meer subsidiair) een verzoek gedaan om (naast de uit te betalen transitievergoeding) ten laste van Bravilor een billijke vergoeding toe te kennen van € 75.000,00 dan wel een nader te bepalen rechtvaardig bedrag, op grond van artikel 7:682 lid 1, onderdeel b, BW.

3.4.

Daarnaast verzoekt [verzoekster] veroordeling van Bravilor tot betaling van een redelijke vergoeding voor de door [verzoekster] en haar gezin geleden immateriële schade.

4 Het verweer

4.1.

Bravilor verweert zich en stelt dat het verzoek om haar te veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen, moet worden afgewezen. Bravilor voert verder aan dat ook het (meer) subsidiaire verzoek tot wedertewerkstelling en om toekenning van een billijke vergoeding moet worden afgewezen. Op het verweer van Bravilor wordt – voor zover relevant – hieronder bij de beoordeling nader ingegaan.

5 De beoordeling

5.1.

De kantonrechter overweegt vóór alles het navolgende. [verzoekster] heeft een verzoekschrift ingediend van 85 pagina’s met daaraan toegevoegd honderden producties. In haar verzoekschrift gaat zij in detail in op, en bekritiseert zij tot in detail alle aspecten met betrekking tot het geschil dat partijen inmiddels ruim 1,5 jaar verdeeld houdt. Het moge zo zijn dat [verzoekster] met betrekking tot een aantal punten van kritiek het gelijk aan haar zijde heeft, maar dit betekent niet dat haar verzoek moet worden toegewezen. Immers, een groot aantal van de door [verzoekster] aangedragen kritiekpunten zijn niet mede bepalend voor de toets die de kantonrechter moet aanleggen op grond van het bepaalde in artikel 7:682 BW. In dit verband geeft de kantonrechter als voorbeeld de mogelijk terechte kritiek van [verzoekster] op de rapportage van de bedrijfsarts, die een FML heeft opgesteld en naar [verzoekster] stelt in feite een aanstellingskeuring in de zin van de Wet medische keuringen heeft uitgevoerd terwijl niet aan de daaraan gestelde eisen is voldaan. Dit aspect is echter niet van doorslaggevende betekenis voor de beslissing in deze zaak. Dit geldt ook voor tal van overige, daarom niet nader te bespreken, kritiekpunten van [verzoekster] .

Herstel van de arbeidsovereenkomst

5.2.

Het primaire verzoek van [verzoekster] is gebaseerd op artikel 7:682 lid 1, onderdeel a, BW. Daarin is bepaald dat de kantonrechter op verzoek van een werknemer van wie de arbeidsovereenkomst is opgezegd met de toestemming van het UWV, de werkgever kan veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen indien de opzegging in strijd is met artikel 7:669, lid 1 of lid 3, onderdeel a of b, BW.

5.3.

Uit deze wettelijke bepalingen vloeit voort – kort gezegd – dat een werkgever de arbeidsovereenkomst kan opzeggen indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, niet mogelijk is. Daarbij wordt onder een redelijke grond (onder meer) verstaan het vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van het wegens bedrijfseconomische omstandigheden treffen van maatregelen voor een doelmatige bedrijfsvoering. Verder moet de werkgever aannemelijk maken dat de juiste volgorde voor ontslag is vastgesteld. Tussen partijen is echter niet in geschil dat de functie van Assembly Assistent uniek en niet uitwisselbaar is, zodat het afspiegelingsbeginsel in deze zaak niet aan de orde is.

5.4.

De kern van deze zaak is dus de vraag of Bravilor voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij op grond van bedrijfseconomische motieven heeft mogen besluiten tot het vervallen van de functie van Assembly Assistent, en dat herplaatsing van [verzoekster] binnen een redelijke termijn niet mogelijk is. De kantonrechter beantwoordt deze vragen bevestigend en overweegt daartoe, naar aanleiding van het door [verzoekster] gestelde, als volgt.

Procedure(fouten) UWV / (geen) nieuwe feiten

5.5.

[verzoekster] beklaagt zich – samengevat – over de snelheid waarmee het UWV de beslissing heeft genomen en voert aan dat Bravilor in de tweede UWV procedure geen nieuwe feiten naar voren heeft gebracht. Wat daar ook van zij, dit leidt op zichzelf niet tot de conclusie dat de arbeidsovereenkomst moet worden hersteld. De kantonrechter moet in de onderhavige, op artikel 7:682 BW gebaseerde procedure zelfstandig toetsen of Bravilor terecht heeft opgezegd wegens het bestaan van een redelijke grond voor ontslag zoals hiervoor omschreven, en of herplaatsing in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Daarbij worden ook in aanmerking genomen de nadere regels die gelden met betrekking tot een redelijke grond voor ontslag, zoals de Ontslagregeling en nadere uitvoeringsregels. De kantonrechter toetst in de artikel 7:682 BW procedure niet of de procedure bij het UWV volgens de regels en naar behoren is verlopen.

5.6.

Overigens is nergens uit gebleken dat de snelheid van de procedure bij het UWV heeft geleid tot een foutieve beslissing of daarop anderszins van invloed is geweest. Verder is de kantonrechter van oordeel dat tussen het eerste en het tweede verzoek wel nieuwe feiten aannemelijk zijn geworden c.q. dat het tweede verzoek van Bravilor beter is onderbouwd. Onbetwist is dat Bravilor bij de tweede UWV procedure nieuwe stukken in het geding heeft gebracht, waaronder het document ‘Professionalisering Operations’. Hoewel dit stuk dateert van vóór de eerste ontslagaanvraag stond het Bravilor vrij dit alsnog in het geding te brengen. Verder is er voor de kantonrechter geen reden om aan te nemen dat dit document later is opgemaakt dan gedateerd, en dus vals is, zoals [verzoekster] suggereert. Bovendien betwist [verzoekster] niet dat de inhoud van dit document op zichzelf juist is.

Vervallen arbeidsplaats wegens bedrijfseconomische omstandigheden

5.7.

Vooropgesteld wordt dat bij de beoordeling van de bedrijfseconomische noodzaak van de door Bravilor genomen beslissing een zekere mate van terughoudendheid past. De werkgever moet zijn onderneming immers zo kunnen inrichten dat het voortbestaan daarvan ook op langere termijn verzekerd is. Dat is niet alleen in zijn eigen belang, maar ook in het belang van het behoud van werkgelegenheid in meer algemene zin. Er moet dan ook ruimte voor de werkgever zijn een beslissing te kunnen nemen tot het vervallen van arbeidsplaatsen wegens bedrijfseconomische redenen (Kamerstukken II 2013/14, 33818, 3, p. 43). Er is dus sprake van een situatie waarin Bravilor een zekere vrijheid heeft om beleidskeuzes te maken, ook als deze de individuele rechtsbetrekking met [verzoekster] als werknemer treffen.

5.8.

Uit de ontslagaanvraag blijkt dat de bedrijfseconomische noodzaak volgens Bravilor is gelegen in organisatorische en/of technologische veranderingen. Het ligt daarmee op de weg van Bravilor om de oorzaak en achtergrond van deze veranderingen duidelijk te maken. De noodzaak daartoe omschrijft Bravilor – samengevat – als volgt. Door toenemende internationale concurrentie en producenten in ‘lage loon landen’ zijn de uitgangspunten voor Bravilor in 2017 om een doelmatige bedrijfsvoering te realiseren bij de business unit Operations, waaronder de afdeling Assembly valt: (1.) een efficiëntere en plattere organisatie met minder supervisors en voormannen, (2.) het zoveel mogelijk verplaatsen van indirecte werkzaamheden naar het primaire productie- en logistieke proces, (3.) het waar mogelijk automatiseren van werkzaamheden en (4.) herinrichting van de productievloer (reducering van het aantal productielocaties). Het beoogde resultaat is een daling van de loonkosten, kostprijsreductie, optimalisatie van logistieke stromen en concurrentievoordeel. Dit heeft er volgens Bravilor voor de afdeling Assembly toe geleid dat (a.) de functie van Assembly Assistent is komen te vervallen, (b.) het aantal voormannen is teruggebracht van vier naar twee en (c.) de afdelingen Assembly, Metal Shop en Mould Shop worden aangestuurd door de Supervisor Productions (voorheen Supervisor Assembly en Supervisor Metal Shop & Mould Shop). Bravilor heeft een organogram overgelegd van vóór en na de veranderingen. Ten aanzien van de functie Assembly Assistent geldt dat het takenpakket gedeeltelijk is geautomatiseerd en onderverdeeld binnen het primaire productie- en logistieke proces, aldus Bravilor. Dienaangaande is een stappenplan overgelegd.

5.9.

In een brief van 22 februari 2018 schrijft de DGA van Bravilor ( [naam 1] ) in het kader van de ontslagaanvraag aan het UWV dat het besluit om de operationele afdelingen te optimaliseren eind 2016 door hemzelf is genomen. Verder schrijft [naam 1] dat dit besluit in belangrijke mate is gebaseerd op eerdergenoemd document ‘Professionalisering Operations’ van 25 november 2016, waarin de toenmalig Manager Operations ( [naam 2] ) aanbevelingen heeft gedaan tot het optimaliseren van de operationele afdelingen. Zoals hiervoor reeds is overwogen ziet de kantonrechter geen aanleiding aan de echtheid van dit document te twijfelen.

5.10.

[naam 2] schrijft in de inleiding van zijn rapport dat door het produceren in West-Europa binnen Bravilor sprake is van een relatief hoge, stijgende kostenstructuur die niet meer door te vertalen is naar de verkoopprijs van de geproduceerde producten, zodat optimalisaties nodig zijn die leiden tot een meer flexibele organisatie tegen zo laag mogelijke kosten. Dit uitgangspunt wordt als zodanig door [verzoekster] niet betwist. Vervolgens formuleert [naam 2] in zijn rapport per afdeling (Assemblage, Metal Shop en Production Engeineering) een aantal uitgangs- en actiepunten, waaronder voor de afdeling Assemblage: een bezetting van 75%, sturen op het aantal medewerkers, het verplaatsen van de activiteiten naar één productielocatie (in plaats van drie), reductie van de leiding en het opheffing van de administratiefunctie assemblage (Assembly Assistent) door het verplaatsen / automatiseren van werkzaamheden.

5.11.

[verzoekster] betwist op zichzelf niet dat de werkzaamheden die zij tot 27 februari 2017 als Assembly Assistent heeft verricht inmiddels worden uitgevoerd door Assembly Workers (en bij afwezigheid van deze productiemedewerkers door hun leidinggevenden), medewerkers van de afdeling Warehouse (met name taken verband houdend met bedrijfskleding) en van de afdeling Metal Shop. Verder is onbetwist dat de facturatie-afhandeling inzake bedrijfskleding verder is geautomatiseerd. Daarmee kan [verzoekster] niet worden gevolgd in haar stelling dat haar functie van Assembly Assistent niet is komen te vervallen. Verder weerspreekt [verzoekster] niet dat ook de functies van de Supervisor en twee voormannen binnen de afdeling Assembly zijn komen te vervallen, in overeenstemming met de door Bravilor geformuleerde doelstelling. De omstandigheid dat de betreffende medewerkers intern zijn herplaatst naar een andere afdeling doet daaraan niet af.

5.12.

Ook de stelling van [verzoekster] dat de reorganisatie niet effectief is kan haar niet baten. Ten aanzien van de voorlopige resultaten van de organisatorische veranderingen stelt Bravilor in de ontslagaanvraag dat binnen de kostenplaats Assembly de bezettingsgraad (zijnde het percentage dat een medewerker declarabel is) is verhoogd van 54% in 2016 naar 70% in 2017. Voor 2018 is de doelstelling het bereiken van een bezettingsgraad van 75%, zoals in het rapport van [naam 2] reeds als uitgangspunt is geformuleerd, hetgeen de gewenste winstgevendheid oplevert, aldus Bravilor. Verder stelt Bravilor dat voor de afdeling Assembly in januari 2018 sprake is van een loonkostenbesparing van € 19.250,00 per maand ten opzichte van januari 2017, zijnde op jaarbasis een positief verschil van € 231.000,00, en dat de kostprijs is verlaagd van € 37,49 per uur in januari 2017 naar € 35,29 per uur in januari 2018. Deze resultaten betwist [verzoekster] niet.

5.13.

Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat Bravilor in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het aanpassen van haar ondernemingsstructuur. Bravilor heeft voldoende inzichtelijk gemaakt dat de functie van Assembly Assistent is komen te vervallen vanwege maatregelen die om bedrijfseconomische redenen nodig zijn voor een doelmatige bedrijfsvoering. Bravilor heeft haar stellingen gemotiveerd en aan de hand van stukken onderbouwd. Daarnaast herhaalt de kantonrechter dat Bravilor als werkgeefster een zekere keuzevrijheid toekomt in hoe zij haar werkprocessen en verdeling van taken in functies wenst in te richten. Bravilor heeft daarbij voldoende inzicht verschaft en de gemaakte keuzes voldoende verantwoord. Daarmee is de redelijke grond van opzegging als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 onder a BW voldoende komen vast te staan.

Herplaatsing

5.14.

In de Ontslagregeling is een nadere uitwerking gegeven met betrekking tot herplaatsing en de redelijke termijn als bedoeld in artikel 7:669 lid 1 BW. Artikel 9 lid 1 sub a van de Ontslagregeling bepaalt dat bij de beoordeling of binnen de onderneming een passende functie beschikbaar is voor de werknemer die voor ontslag in aanmerking komt arbeidsplaatsen worden betrokken waarvoor een vacature bestaat of binnen de redelijke termijn zal ontstaan. Daarbij moeten ook worden betrokken passende functies die worden bezet door – kort gezegd – uitzendkrachten, oproepkrachten, ingeleend personeel, werknemers die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die van rechtswege eindigt binnen de redelijke termijn en zelfstandigen (artikel 9 lid 1 sub b Ontslagregeling). Onder een passende functie wordt in dit verband verstaan een functie die (met behulp van scholing binnen een redelijke termijn) aansluit bij de opleiding, ervaring en capaciteiten van een werknemer (artikel 9 lid 3 Ontslagregeling). Uit de toelichting volgt dat het aan de werkgever is om te beoordelen welke werknemer het meest geschikt is voor het vervullen van eventuele vacatures, waarbij hij zijn keuze uiteraard wel moet verantwoorden als die ter discussie wordt gesteld.

5.15.

Artikel 10 van de Ontslagregeling bepaalt dat de redelijke herplaatsingstermijn gelijk is aan de wettelijke opzegtermijn, tenzij sprake is van een werknemer met een arbeidshandicap. [verzoekster] heeft weliswaar een beperking aan haar rechterarm, maar niet is gesteld of gebleken dat zij moet worden beschouwd als een werknemer met een arbeidshandicap zoals bedoeld in artikel 10 lid 3 Ontslagregeling. Tussen partijen is niet in geschil dat de wettelijke opzegtermijn en daarmee de redelijke termijn voor herplaatsing in dit geval 4 maanden bedraagt. Deze termijn vangt aan op de dag waarop wordt beslist op het verzoek om toestemming voor de opzegging. Dat is in deze zaak op 27 maart 2018, zodat de redelijke termijn voor herplaatsing inmiddels is verstreken.

5.16.

[verzoekster] stelt zich op het standpunt dat Bravilor onvoldoende inspanningen heeft verricht om haar te herplaatsen. In dat verband heeft [verzoekster] desgevraagd ter zitting verklaard niet te weten of er thans een voor haar passende functie vacant is. Bravilor stelt dat een dergelijke functie momenteel niet beschikbaar is en dit is ook anderszins niet gebleken. Verder staat vast dat externe herplaatsing voor [verzoekster] onbespreekbaar is.

5.17.

De kritiek van [verzoekster] richt zich op de periode van september 2016 tot november 2017. [verzoekster] stelt dat in deze periode verschillende functies binnen Bravilor aan anderen zijn gegeven, terwijl deze functies voor haar passend, althans met behulp van scholing passend te maken waren. [verzoekster] benoemt specifiek de functies van Logistic Buying Assistent, Sales & Marketing Assistent, Jr. Quality Assurance Specialist en Marketing Assistent. Bravilor stelt onbetwist dat deze functies thans niet vacant zijn c.q. dat deze worden vervuld door medewerkers met een vast contract, dat de functie Sales & Marketing Assistent inmiddels is gewijzigd in de functie Sales / Data analist en dat de functie Marketing Assistent met het vertrek van [naam 3] in april 2017 is vervallen. Verder betwist Bravilor gemotiveerd dat de betreffende functies voor wat betreft inhoud en opleidingsniveau aansluiten bij de kennis en kunde van [verzoekster] , en dat [verzoekster] daarvoor binnen redelijke tijd door middel van scholing geschikt te maken is.

5.18.

Zowel in de eerste als in de tweede UWV procedure heeft Bravilor een overzicht verstrekt van de op dat moment beschikbare vacatures, van de contracten voor bepaalde tijd / uitzendkrachten en van de pensioengerechtigde medewerkers. Ten tijde van de aanvraag van 13 februari 2018 bestonden vacatures voor de functies Electrical Worker Engineering, (Junior) Development Engineer, Business Application Manager en ERP Applicatiebeheerder, en waren er contracten voor bepaalde tijd (eindigend op 31 mei 2018) betreffende de functies Assembly Worker, Warehouse Worker, Development Engineer en Sr. Buyer. Bravilor heeft van de betreffende functies wervingsprofielen overgelegd. De inhoud daarvan betwist [verzoekster] niet.

5.19.

Op basis van deze wervingsprofielen kan naar het oordeel van de kantonrechter niet worden aangenomen dat deze functies voor [verzoekster] passend zijn, omdat zij niet beschikt over de daarvoor vereiste vooropleiding en werkervaring. [verzoekster] geeft zelf ter zitting ook aan dat ze misschien niet de juiste diploma’s heeft. [verzoekster] is afkomstig uit Colombia. Onbetwist moet worden aangenomen dat zij daar een opleiding levensmiddelentechnologie heeft gedaan vergelijkbaar met twee jaar HBO. In Nederland heeft [verzoekster] een opleiding tot administratief medewerkster op MBO 2-niveau gevolgd. [verzoekster] heeft in Colombia werkervaring opgedaan als lerares filosofie en vervangend filiaalleidster in een restaurant. In Nederland heeft [verzoekster] gewerkt als productiemedewerkster en Assembly Assistent.

5.20.

Bravilor betwist verder dat [verzoekster] binnen een redelijke termijn door scholing kan voldoen aan de eisen die gesteld worden voor bovengenoemde functies. [verzoekster] heeft daartegenover onvoldoende concreet aangevoerd hoe zij daarvoor wel ‘geschikt te maken’ is.

Ter zitting heeft [verzoekster] verklaard dat haar kennis van de Nederlandse taal nog flink moet worden bijgespijkerd, maar dat ze geen laag denkniveau heeft. Verder heeft zij slechts in algemene bewoordingen gezegd dat ze graag wil leren om verder te komen.

5.21.

Alleen de functies Assembly Worker en Warehouse Worker sluiten volgens Bravilor aan bij de opleiding, kennis en werkervaring van [verzoekster] . Onbetwist moet echter worden aangenomen dat deze functies niet aansluiten bij de wensen van [verzoekster] en de functionele beperkingen aan haar arm.

5.22.

Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de kantonrechter voldoende komen vast te staan dat herplaatsing van [verzoekster] binnen een redelijke termijn onmogelijk is.

Raadplegen ondernemingsraad

5.23.

Vast staat dat Bravilor alleen voor [verzoekster] toestemming aan het UWV heeft gevraagd voor opzegging van de arbeidsovereenkomst. In die zin betreft het ontslag van [verzoekster] een individueel geval, waarvoor het niet nodig is de ondernemingsraad te raadplegen. Het feit dat het vervallen van de arbeidsplaats van [verzoekster] verband houdt met een grotere herstructurering maakt dit niet anders. Niet is gebleken dat sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 25 van de Wet op de ondernemingsraden, waarvoor Bravilor het advies van de ondernemingsraad had moeten vragen. Daarbij neemt de kantonrechter overigens in aanmerking het in relatie tot de totale omvang van de organisatie geringe aantal door de reorganisatie getroffen medewerkers, alsmede het feit dat voor de overige vervallen arbeidsplaatsen geldt dat sprake is geweest van vrijwillige beëindiging van de betreffende arbeidsovereenkomsten, natuurlijk verloop en herplaatsing van de betrokken medewerkers.

Overige verwijten

5.24.

[verzoekster] heeft de indruk dat haar ontslag voor Bravilor een doel op zich was en dat dit te maken heeft met een verhoogd risico op uitval wegens haar gezondheidsklachten. Verder stelt [verzoekster] dat er fouten zijn gemaakt rondom haar arbeidsongeschiktheid en dat Bravilor haar dusdanig heeft gepest en geïntimideerd dat zij psychologische hulp heeft moeten inschakelen. Nog los van het feit dat Bravilor een en ander stellig betwist en [verzoekster] deze stellingen onvoldoende met stukken heeft onderbouwd is niet komen vast te staan dat de ontslagaanvraag hiermee verband houdt.

5.25.

De conclusie is dat de opzegging niet in strijd is met artikel 7:669, lid 1 of lid 3, onderdeel a, BW. De kantonrechter zal het verzoek van [verzoekster] om Bravilor te veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen daarom afwijzen.

Wedertewerkstelling

5.26.

Subsidiair verzoekt [verzoekster] om wedertewerkstelling in een functie passend bij haar opleiding en niveau, al dan niet met bijscholing, rekening houdend met de beperking aan haar rechterarm, tegen een minimaal gelijkblijvend salaris. Een wettelijke grondslag voor toewijzing van dit verzoek ontbreekt. Bovendien kan het verzochte niet worden toegewezen gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en beslist.

Billijke vergoeding

5.27.

Meer subsidiair heeft [verzoekster] een verzoek gedaan om ten laste van Bravilor een billijke vergoeding toe te kennen van € 75.000,00 dan wel een nader te bepalen rechtvaardig bedrag, gebaseerd op artikel 7:682 lid 1, onderdeel b, BW. Daarin is bepaald dat de kantonrechter aan de werknemer van wie de arbeidsovereenkomst is opgezegd met toestemming van het UWV een billijke vergoeding kan toekennen, indien sprake is van een opzegging in strijd met artikel 7:669, lid 1 of lid 3, onderdeel a, BW en herstel van de arbeidsovereenkomst in redelijkheid niet mogelijk is vanwege een omstandigheid waarbij sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.

5.28.

Zoals hiervoor is overwogen is de kantonrechter van oordeel dat Bravilor op een redelijke grond heeft opgezegd, dat herplaatsing binnen een redelijke termijn niet mogelijk is en er geen grond is om Bravilor tot herstel van de arbeidsovereenkomst te veroordelen. Een grond om aan [verzoekster] ten laste van Bravilor een billijke vergoeding toe te kennen op basis van bovenomschreven bepaling ontbreekt dan evenzeer.

Immateriële schade

5.29.

Daarnaast verzoekt [verzoekster] veroordeling van Bravilor tot betaling van een redelijke vergoeding voor de door [verzoekster] en haar gezin geleden immateriële schade. [verzoekster] heeft haar verzoek op dit punt onvoldoende geconcretiseerd en niet onderbouwd, zodat deze als ongegrond moet worden afgewezen.

5.30.

De proceskosten komen voor rekening van [verzoekster] , omdat zij ongelijk krijgt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

wijst het verzoek af;

6.2

veroordeelt [verzoekster] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van Bravilor tot en met vandaag vaststelt op € 600,00 voor salaris gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.B. Rip, kantonrechter en op 15 augustus 2018 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter