Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:7690

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
04-09-2018
Datum publicatie
26-09-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 3526
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Wmo. Voorzieningenrechter bepaalt dat de opvang van een dakloos gezin met minderjarig kind moet worden voortgezet. De gemeente heeft onvoldoende onderzocht / onderbouwd dat verzoekers op eigen kracht woonruimte zouden moeten kunnen vinden en ook de afwijzing van het verzoek om urgentie voor huisvesting is onvoldoende gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 18/3526, 18/3534 en 18/3557

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 september 2018 op de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[verzoekers] , te [plaatsnaam] , verzoekers

(gemachtigde: mr. E.C. Weijsenfeld),

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer, verweerder 1,

(gemachtigden: R.H. Vossebeld en J.M. Metselaar),

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem, verweerder 2,

(gemachtigden: mr. E.S. de Jong en F. Traksel)

Procesverloop

18/3526

Bij besluit van 15 mei 2018 (het primaire besluit 1) heeft verweerder 1 de aanvraag van verzoekers om een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) in de vorm van passende opvang, afgewezen.

18/3534

Bij besluit van 11 juli 2018 (het primaire besluit 2) heeft verweerder 1 de aanvraag van verzoekers om een urgentie op grond van de Huisvestingsverordening Haarlemmermeer 2018 (HVV) afgewezen.

18/3526 en 18/3534

Verzoekers hebben tegen deze primaire besluiten bezwaar gemaakt.

18/3557

Verweerder 2 heeft verzoeker naar aanleiding van hun (aan)vraag daaromtrent per e-mail van 26 maart 2018 bericht dat verweerder verantwoordelijk is voor de uitstroom.

Verzoekers hebben daartegen bezwaar gemaakt.

18/3526, 18/3534 en 18/3557

Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is behandeld ter zitting van 19 juli 2018. Ter zitting zijn tussen partijen afspraken gemaakt. Verzoekers hebben de verzoeken vervolgens ingetrokken.

Bij besluit van 9 augustus 2018 (het aanvullende besluit) heeft verweerder 1 de aanvragen van verzoekers met een aanvullende motivering (opnieuw) afgewezen.

Verzoekers hebben daartegen een aanvullend bezwaarschrift ingediend. Tevens hebben verzoekers de voorzieningenrechter opnieuw verzocht een voorlopige voorziening te treffen, ook in verband met het bezwaar tegen het e-mailbericht van verweerder 2.

Het onderzoek ter zitting heeft in de drie zaken gevoegd plaatsgevonden op 30 augustus 2018. Verzoeker Nader is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerders hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Verzoekers zijn samen met hun minderjarig kind, na eerder in Nederland te hebben gewoond, in juli 2017 naar Nederland teruggekomen. Zij beschikten niet over woon- of verblijfsruimte. Zij hebben zich, nadat zij door verweerder 1 zijn verwezen, bij de Brede Centrale Toegang Kennemerland in de centrumgemeente Haarlem gemeld. Verzoekers en hun kind zijn door verweerder 2 opgenomen in de opvang voor dakloze gezinnen [naam opvang] en ontvangen van hem een bijstandsuitkering. Verweerder 1 bekostigt (deels) de opvang en heeft zich verantwoordelijk gesteld voor een mogelijk vervolgtraject.

3. Verzoekers hebben bij verweerder 1 een aanvraag ingediend voor een maatwerkvoorziening, zijnde passende opvang, op grond van de Wmo. Verweerder 1 heeft deze aanvraag afgewezen, omdat verzoekers voldoende zelfredzaam zouden zijn om op eigen kracht hun woonprobleem op te lossen.

4. Verzoekers hebben daarnaast verweerder 2 een e-mail gestuurd waarin gevraagd is om te informeren waar het gezin naartoe zal uitstromen en binnen welke termijn. Verweerder 2 heeft hierop vermeld dat verweerder 1 verantwoordelijk is voor de vervolghuisvesting en doorstroom van verzoekers en hun kind. Er kan dan ook niet worden gezegd waar het gezin naartoe zal uitstromen en binnen welke termijn.

5. Verzoekers hebben verder bij verweerder 1 een urgentie aangevraagd op grond van de Huisvestingsverordening gemeente Haarlemmermeer 2018 (HVV). Deze aanvraag heeft verweerder 1 afgewezen.

6. Op de zitting van de voorzieningenrechter van 19 juli 2018 is onder meer aan de orde gekomen dat verweerder 1 de aanvraag om urgentie heeft beoordeeld op grond van artikel 2.5.8 en 2.5.8a, van de HVV (‘overige urgentiecategorieën’ en ‘sociaal-medische urgentie’). De urgentie is onder verwijzing naar de mogelijkheid van toepassing van artikel 2.5.7, eerste lid van de HVV (‘urgentiecategorie uitstroom’) afgewezen. Ter zitting is door gemachtigde van verweerder 1 toegelicht dat de urgentiecommissie niet is gemandateerd om een besluit te nemen ten aanzien van de urgentiecategorie uitstroom. Dit doet het Meerteam. In het besluit is vermeld waar verzoekers zich kunnen melden. Verzoekers hebben aangegeven dat zij met hun aanvraag ook een aanvraag op grond van dit artikel bedoeld hebben te doen. Hierop heeft verweerder 1 echter (nog) niet beslist. Verweerder 1 heeft aangegeven deze aanvraag niet als zodanig te hebben opgevat.

7. Ter zitting van 19 juli 2018 zijn de volgende afspraken gemaakt (zoals neergelegd in het proces-verbaal van afspraken):

- Verweerder 1 zal er voor zorgdragen dat binnen vier weken na de behandeling ter zitting een besluit zal worden genomen ten aanzien van de aanvraag voor een urgentie uitstroom;

- Verweerder 1 zal de opvang van verzoekers en hun kind blijven financieren tot in ieder geval vier weken nadat de hiervoor bedoelde beslissing is genomen;

- Verweerder 2 zal verzoekers en hun kind toegang tot de opvang blijven geven zolang verweerder 1 dit (deels) blijft financieren.

8. Verweerder 1 heeft als uitwerking van de afspraken op 9 augustus 2018 het aanvullend besluit genomen. Dit besluit betreft volgens verweerder 1 een aanvulling op het besluit van 15 mei 2018. Gelet op de inhoud moet dit besluit naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter echter tevens worden aangemerkt als aanvulling op het besluit van 11 juli 2018.

9. Verzoekers hebben ten aanzien van verweerder 1 verzocht de opvang te continueren en op korte termijn uitstroom mogelijk te maken in regio Haarlemmermeer. Ten aanzien van verweerder 2 hebben verzoekers verzocht tot continuering van de opvang en concreet uitzicht te bieden op uitstroom.

10. De voorzieningenrechter overweegt ten aanzien van de spoedeisendheid als volgt. Verweerder 1 heeft ter zitting verklaard na afloop van de afgesproken termijn van 4 weken de financiering van de opvang van verzoekers te zullen beëindigen. Dat betekent dat verweerder 1 per 6 september 2018 de financiering van de opvang zal beëindigen. Hoewel dat niet onmiddellijk tot gevolg hoeft te hebben dat verzoekers met hun kind op straat komen te staan, is sprake van volledige onduidelijkheid over het vervolgtraject. Daarin, dat wil zeggen in het verkrijgen van zicht op uitstroom, ziet de voorzieningenrechter voldoende spoedeisend belang gelegen.

11. Met betrekking tot de vraag welke gemeente verantwoordelijk is voor de opvang en begeleiding van verzoekers naar meer structurele huisvesting overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Verweerder 2 heeft in het kader van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening (registratienummer 17/4723) de voorzieningenrechter bij brief van 1 november 2017 bericht dat hij akkoord is dat verweerder 1 de (financiële) verantwoordelijkheid voor verzoekers op zich neemt en dat hij (verweerder 2) om die reden een verlenging van de verstrekkingsvorm voor verblijf in de gezinsopvang [naam opvang] verleent, totdat de vervolghuisvesting door verweerder 1 is geregeld. Verweerder 1 heeft in zijn brief van 1 november 2017 de afspraak met verweerder 2 betreffende de opvang van verzoekers bevestigd, namelijk dat verzoekers voorlopig op kosten van verweerder 1 in de [naam opvang] mogen blijven.

Gelet hierop en de uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 juni 2018 staat voor de voorzieningenrechter vast dat verweerder 1 verantwoordelijk is voor de financiering van de tijdelijke opvang alsmede de (begeleiding naar) vervolghuisvesting.

12. Het standpunt van verweerder 1 is – kort samengevat – dat hij geen vervolghuisvesting hoeft te regelen omdat verzoekers het zelf kunnen. Voor een Wmo-maatwerkvoorziening bestaat volgens verweerder 1 geen grond, nu verzoekers zelfredzaam zijn. Daarnaast wordt verzoekers geen urgentie op grond van de HVV verleend, omdat niet aan de daarvoor geldende criteria voldaan is.

13. De voorzieningenrechter moet bezien of verwacht moet worden dat deze besluiten in de procedure zullen standhouden. Die vraag beantwoordt de voorzieningenrechter ontkennend. Daartoe wordt het volgende overwogen.

14. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het in deze zaak gaat om een gezin met een minderjarig kind. Het belang van het kind dient vooropgezet te moeten worden. Van ‘op straat zetten’ van verzoekers met hun kind kan dan ook geen sprake zijn.

15. Met betrekking tot de door verweerder 1 gestelde zelfredzaamheid van verzoekers overweegt de voorzieningenrechter dat deze conclusie enkel gebaseerd is op het onderzoeksverslag van het gesprek met verzoekers op 16 april 2018. Dat verslag is echter innerlijk tegenstrijdig. Enerzijds wordt immers geconstateerd dat met verzoekers slecht te communiceren valt door hun gebrekkige Nederlands, waardoor ook ondersteuning bij praktische zaken nodig is, terwijl anderzijds verzoekers voldoende zelfredzaam worden geacht hun woonprobleem zelf op te lossen. De conclusie van verweerder 1 dat verzoekers voldoende zelfredzaam zijn om op eigen kracht hun woonprobleem op te lossen kan dan ook niet worden gedragen door het verrichte (summiere) onderzoek.

Daarnaast lijkt de door verweerder 1 geopperde mogelijkheid om op korte termijn woonruimte te vinden buiten de regio, minder eenvoudig te verwezenlijken dan verweerder 1 het doet voorkomen, gelet op de verklaring van het Sociaal Wijkteam van 28 augustus 2018. Het Sociaal Wijkteam heeft telefonisch navraag gedaan, waaruit bleek dat ook in een gemeente als Enschedé een wachttijd is en met een lotingssysteem wordt gewerkt en in Heerenveen een wachttijd van vier jaar bestaat.

De conclusie van verweerder 1 dat er geen enkele begeleiding op grond van de Wmo of anderszins zou zijn aangewezen is, gelet op het voorgaande, niet te volgen.

Hetzelfde geldt voor de stelling van verweerder 1 dat er voor het vinden van woonruimte binnen of buiten de regio Haarlemmermeer begeleiding aan verzoekers is geboden. Dit valt niet op te maken uit de dossiers en ook ter zitting is dit niet gebleken. De voorzieningenrechter merkt hierbij op dat uit het onderzoeksverslag van het gesprek van 16 april 2018 juist naar voren komt dat het (Haarlemse) Sociaal Wijkteam woningbemiddeling niet als taak heeft.

16. Met betrekking tot de weigering verzoekers een urgentie te verlenen op grond van de HVV overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

17. De voorzieningenrechter constateert dat aan het besluit van 11 juli 2018 de grondslag is ontvallen, gelet op de inhoud van het aanvullende besluit. Verweerder 1 heeft in dit kader ter zitting medegedeeld dat de aanvraag van verzoekers ook al strandt op één van de algemene weigeringsgronden, namelijk het vereiste dat sprake moet zijn van binding met Haarlemmermeer (artikel 2.5.5, eerste lid, onder i, HVV). Naar voorlopig oordeel kan echter van deze algemene weigeringsgrond geen sprake zijn in het geval artikel 2.5.7 van de HVV van toepassing is, nu het eerste lid, onder b, van dit artikel de wel toepasselijke algemene weigeringsgronden opsomt. Daarnaast houdt artikel 2.5.7 eerste lid, onder a, HVV een specifieke ‘wooneis’ in; de aanvrager dient immers twee van de drie jaar direct voorafgaand aan het verblijf in de instelling woonachtig te zijn geweest in de woningmarktregio. Hoewel verweerder 1 deze grondslag in bezwaar zou kunnen herstellen, ziet de voorzieningenrechter daarin nu nog geen aanleiding voor het voorlopig oordeel dat het besluit (op bezwaar) op die grond kan standhouden, gelet op het volgende.

18. Verweerder 1 heeft in het aanvullend besluit en het verweerschrift toegelicht dat de criteria die in artikel 2.5.7 HVV staan ook voor bijzondere bemiddeling gelden. Volgens verweerder 1 worden de termen bijzondere en directe bemiddeling door elkaar heen gebruikt en betekenen zij hetzelfde. Volgens verweerder 1 moet sprake zijn van multiproblematiek om in aanmerking te komen voor bijzondere of directe bemiddeling.

19. De voorzieningenrechter kan dit niet volgen. Directe bemiddeling is gedefinieerd in de HVV (artikel 1 onder j): het rechtstreeks aan een woningzoekende aanbieden van woonruimte zonder dat die woonruimte via het aanbodinstrument te huur is aangeboden. De voorwaarden voor directe bemiddeling staan vermeld in de artikelen 2.3.9 en 2.3.10 van de HVV. Het gaat daarbij ‘in ieder geval’ om houders van een urgentieverklaring, maar ook om vergunninghouders. In die gevallen kan misschien sprake zijn van multiproblematiek, maar dat wordt niet als voorwaarde gesteld. Voorts is het stellen van de voorwaarde dat sprake moet zijn van multiproblematiek om in aanmerking te komen voor een urgentie op grond van artikel 2.5.7 HVV niet in overeenstemming met de tekst van dat artikel, noch met de daarop ziende beleidsregels (artikel 3.2 Beleidsregels urgentieregeling 2018). Daarin is immers (eerste lid, onder c) opgenomen dat de aanvrager voldoende zelfredzaam is, hetgeen veelal niet het geval zal zijn indien sprake is van multiproblematiek. Het ontbreken van multiproblematiek bij verzoekers kan dan ook niet ten grondslag worden gelegd aan de weigering urgentie te verlenen op grond van artikel 2.5.7 HVV.

20. Duidelijk is echter dat verzoekers niet voldoen aan de voorwaarde in artikel 2.5.7, eerste lid, onder a, HVV (wonen in de woningmarktregio voorafgaand aan de opvang). Of aan deze voorwaarde kan worden voorbijgegaan, zoals door verweerder 2 ter zitting werd gesuggereerd als mogelijke oplossing (op grond van de hardheidsclausule van artikel 3.3 HVV) dan wel dat er op grond van artikel 2.5.8a HVV een sociaal-medische urgentie aan de orde is, heeft verweerder 1 nog niet onderzocht (althans daarvan is niet gebleken). Dit zal verweerder 1 derhalve alsnog dienen te onderzoeken.

21. De conclusie van de voorzieningenrechter is dan ook dat verweerder 1 uitvoering zal moeten geven aan zijn taak als verantwoordelijke voor opvang en (begeleiding naar) uitstroom. Het ligt voor de hand de opvang voort te zetten in [naam opvang] . Verweerder 1 zal dit financieel met verweerder 2 moeten regelen. Daarnaast zal verweerder 1 zorg moeten dragen voor de begeleiding van verzoekers ten behoeve van de uitstroom naar passende woonruimte inclusief het bewerkstelligen van die uitstroom. Daarbij dient verweerder 1 voor het einde van dit jaar duidelijkheid te verschaffen dat en op welke termijn verzoekers kunnen uitstromen en waar naar toe. De voorzieningenrechter merkt hierbij op dat naarmate de tijd vordert de binding met de regio Haarlemmermeer / Haarlem sterker zal worden en dus meer voor de hand zal liggen dat er binnen deze regio opvang wordt geboden / naar huisvesting gezocht wordt. Van verzoekers wordt verwacht dat zij zich coöperatief zullen opstellen.

22. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het primaire besluit 1 is geschorst waar het de einddatum van de opvang betreft tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar en bepaalt dat verweerder dient te voldoen aan haar verplichting tot opvang en (begeleiding naar) uitstroom zoals hierna omschreven.

23. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder 1 in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,-, samenhangende zaken en een wegingsfactor 1).

24. Gelet op de overwegingen en uitkomst in de procedures bestaat voor verzoekers thans geen spoedeisend belang meer bij een oordeel omtrent de e-mail van verweerder 2.

Beslissing

De voorzieningenrechter

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe in die zin dat:

o het primaire besluit 1 geschorst wordt, waar het de einddatum van de opvang betreft, tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

o verweerder 1 zorg blijft dragen voor financiering van de opvang in [naam opvang] ook op en na 6 september 2018;

o verweerder 2 die opvang zal moeten continueren;

o verweerder 1 zorg dient te dragen voor (de begeleiding van verzoekers ten behoeve van) de uitstroom naar passende woonruimte, waarbij verweerder 1 voor het einde van dit jaar duidelijkheid dient te verschaffen dat verzoekers kunnen uitstromen, op welke termijn en waar naar toe;

  • -

    draagt verweerder 1 op het betaalde griffierecht van € 92,- aan verzoekers te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder 1 in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P.E. Oomens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 september 2018.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Bijlage

HVV

Artikel 1 Definities

“j. Directe bemiddeling: het rechtstreeks aan een woningzoekende aanbieden van woonruimte zonder dat die woonruimte via het aanbodinstrument te huur is aangeboden;”

Artikel 2.3.9 Directe bemiddeling

“In afwijking van het bepaalde in artikel 2.2.3, eerste lid, kan de woonruimte via directe bemiddeling worden aangeboden indien het betreft de huisvesting van woningzoekenden voor wie geldt dat het naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet doelmatig is om hen via een aanbodinstrument naar woonruimte te laten zoeken. Dit betreft in ieder geval:

a. vergunninghouders;

b. houders van een urgentieverklaring; en,

c. huishoudens bedoeld in artikel 2.3.10.”

Artikel 2.3.10 Bijzondere gevallen

“1. Op verzoek van corporaties kan bij de huisvesting van huishoudens in bijzondere situaties die voldoen aan de volgende voorwaarden, direct bemiddeld worden: het betreft de huisvesting van huishoudens wier specifieke situatie vraagt om een oplossing op maat, welke niet kan worden geboden met toepassing van het bepaalde in deze verordening;

2. Het aantal huisvestingen op grond van lid één van dit artikel bedraagt per regiogemeente per kalenderjaar ten hoogste vijf procent van de met toepassing van het bepaalde in deze verordening te verhuren woonruimte;

3. De verhuringen op grond van dit artikel worden geregistreerd en jaarlijks gerapporteerd aan Burgemeester en Wethouders.”

Artikel 2.5.5 Algemene weigeringsgronden urgentieverklaring

“1. Burgemeester en wethouders weigeren de urgentieverklaring indien naar hun oordeel sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden:

a. het huishouden van de aanvrager voldoet niet aan de in artikel 2.2.1 genoemde eisen;

b. er is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem;

c. de aanvrager kon het huisvestingsprobleem redelijkerwijs voorkomen of kan het huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere wijze oplossen;

d. het huisvestingsprobleem kon worden voorkomen of kan worden opgelost door gebruik te maken van een voorliggende voorziening;

e. het aan de aanvraag ten grondslag liggende huisvestingsprobleem is ontstaan als gevolg van een verwijtbaar doen of nalaten van aanvrager of een lid van zijn huishouden;

f. het aan de aanvraag ten grondslag liggende huisvestingsprobleem kan niet of in onvoldoende mate opgelost worden met verhuizing naar zelfstandige woonruimte of andere zelfstandige woonruimte;

g. de aanvraag is ingediend binnen twee jaar nadat een eerder aan aanvrager of een lid van zijn huishouden verleende urgentieverklaring is vervallen of ingetrokken met toepassing van artikel 2.5.9 of 2.5.10;

h. de aanvrager is niet in staat om in zijn bestaan of in de kosten van bewoning van zelfstandige woonruimte te voorzien;

i. de aanvrager was in de periode direct voorafgaand aan het indienen van de aanvraag blijkens diens inschrijving in de basisadministratie niet tenminste twee jaar onafgebroken in de gemeente waar de urgentieverklaring wordt aangevraagd woonachtig was;

2. Indien de aanvraag betrekking heeft op indeling in een urgentiecategorie bedoeld in artikel 2.5.8, eerste lid, kunnen burgemeester en wethouders vervolgens het aangevraagde weigeren indien de aanvrager gedurende de in het vorige lid, onder i, bedoelde termijn niet heeft gewoond in een zelfstandige en krachtens een besluit op grond van de Wet ruimtelijke ordening voor permanente bewoning bestemde woonruimte.

3. Burgemeester en wethouders weigeren de urgentieverklaring, indien de aanvrager niet valt onder één van de in artikel 2.5.6 tot en met 2.5.8 opgenomen urgentiecategorieën.”

Artikel 2.5.7 Urgentiecategorie uitstroom

“1. Een urgentieverklaring kan worden verleend aan een woningzoekende die moet omzien naar woonruimte aansluitend op verblijf in een instelling voor maatschappelijke opvang, een psychiatrische instelling of een erkende hulp- of dienstverleningsinstelling, indien:

a. de aanvrager tenminste twee van de drie jaren direct voorafgaand aan het verblijf in de instelling blijkens de inschrijving in de basisadministratie woonachtig was in de woningmarktregio;

b. geen van de in artikel 2.5.5, eerste lid, aanhef en onder a, c, d, f of h genoemde omstandigheden zich voordoet; en,

c. de aanvrager, naar het oordeel van burgemeester en wethouders voldoende zelfredzaam is.

2. Indien een urgentieverklaring als bedoeld in het eerste lid wordt aangevraagd door een woningzoekende die verblijft in een in de woningmarktregio gelegen instelling als bedoeld in het eerste lid, zijn de volgende leden van toepassing.

3. In afwijking van het bepaalde in artikel 2.5.1. en artikel 2.5.2, eerste lid, wordt op een aanvraag om een urgentieverklaring waarmee een woningzoekende wordt ingedeeld in een urgentiecategorie als bedoeld in het vorige lid, besloten door burgemeester en wethouders van de regiogemeente waar de locatie van de opvanginstelling waar de woningzoekende verblijft resideert.

4. In afwijking van het bepaalde in artikel 2.5.4, eerste lid, omvat het in de urgentieverklaring op te nemen zoekgebied de regiogemeente waarin aanvrager tenminste twee van de drie jaren direct voorafgaand aan het verblijf in de instelling blijkens de inschrijving in de basisadministratie woonachtig was, tenzij burgemeester en wethouders gelet op de problematiek van aanvrager een andere regiogemeente in het zoekgebied opnemen.

5. Het college van burgemeester en wethouders van de regiogemeente die tot het in de urgentieverklaring opgenomen zoekgebied behoort, stelt het in de urgentieverklaring op te nemen woningtype vast, overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.5.3, tweede lid.”

Artikel 2.5.8 Overige urgentiecategorieën

“1. Een urgentieverklaring kan worden verleend indien zich geen van de in artikel 2.5.5, eerste en tweede lid, genoemde omstandigheden voordoet en de aanvrager tot tenminste één van de volgende urgentiecategorieën behoort:

a. woningzoekenden die in een acute noodsituatie verkeren;

b. woningzoekenden, met inbegrip van de situatie waarin dit slechts geldt voor één lid van het huishouden van een woningzoekende, die op grond van medische of sociale redenen dringend woonruimte in een levensontwrichtende woonsituatie verkeren die naar het oordeel van burgemeester en wethouders alleen opgelost kan worden door verhuizing naar andere zelfstandige woonruimte, voor zover zij niet behoren tot de in artikel 2.5.7 bedoelde urgentiecategorie;

c. woningzoekenden waarvan de huidige woonruimte behoort tot een door burgemeester en wethouders op grond van het tweede lid aangewezen complex;

d. woningzoekenden waarvan de binnen de gemeente gelegen zelfstandige woonruimte als gevolg van een calamiteit naar het oordeel van burgemeester en wethouders duurzaam ongeschikt is voor bewoning.

2. Burgemeester en wethouders kunnen complexen aanwijzen waarvan de bewoners in verband met sloop of ingrijpende renovatie of herstructurering van het gebied waarin de complexen zijn gelegen, redelijkerwijs binnen twee jaar niet meer in hun huidige woonruimte kunnen blijven wonen.

3. Op de urgentiecategorieën bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a en c, is het bepaalde in artikel 2.5.3, tweede lid, niet van toepassing.”

Artikel 2.5.8a Sociaal medische urgentie

“1. Een urgentieverklaring kan worden verleend indien zich geen van de in artikel 2.6.5, eerste en tweede lid, genoemde omstandigheden voordoet en de aanvrager, het huishouden van aanvrager of een lid van dat huishouden zich naar het oordeel van burgemeester en wethouders op grond van medische of sociale omstandigheden in een levensontwrichtende woonsituatie bevindt, welke alleen beëindigd kan worden door verhuizing naar andere zelfstandige woonruimte.

2. Van een levensontwrichtende woonsituatie als bedoeld in het eerste lid is sprake:

a. indien een of meerdere leden van het huishouden van aanvrager ernstige medische beperkingen heeft;

b. bij dakloosheid of dreigende dakloosheid van een huishouden waarvan minderjarige kinderen deel uitmaken;

c. indien een of meerdere leden van het huishouden van aanvrager met geweld bedreigd wordt of het slachtoffer is van geweld; of,

d. indien het huishouden naar het oordeel van burgemeester en wethouders onevenredig hoge woonlasten heeft.”

Artikel 3.3. Hardheidsclausule

“Burgemeester en wethouders zijn bevoegd in gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leidt ten gunste van de aanvrager af te wijken van deze verordening.”

Beleidsregels urgentieregeling 2018

“3.2. Uitstroom-urgentie

Artikel 2.5.7 bevat een urgentiegrond voor situaties waarin een woningzoekende als gevolg van zijn aanstaande uitstroom uit een instelling voor maatschappelijke opvang, uit een psychiatrische instelling of uit een erkende hulp- of dienstverleningsinstelling gehuisvest moet worden in zelfstandige woonruimte. Voor deze situaties kan urgentie verleend worden indien in ieder geval voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

• Burgemeester en wethouders van de regiogemeente waar de waar de aanvrager verblijft, beslissen over de verlening van de urgentieverklaring;

• De aanvrager keert terug naar de regiogemeente waarbij direct voorafgaand aan het verblijf in de instelling tenminste twee jaar onafgebroken woonde. Die gemeente wordt dus in het zoekprofiel opgenomen. Indien het, gelet op de problematiek van aanvrager, onwenselijk is dat hij naar die regiogemeente terugkeert, wordt een andere regiogemeente in het zoekprofiel opgenomen. Burgemeester en wethouders overleggen eerst met de desbetreffende regiogemeente;

• De aanvrager is in voldoende mate zelfredzaam. Dat kan eventueel ook betekenen dat aanvrager de begeleiding krijgt die nodig is om de zelfredzaamheid te bevorderen en eventuele overlast voor anderen te voorkomen.

Burgemeester en wethouders zullen vaak geadviseerd worden door deskundigen over a) de vraag of aanvrager kan uitstromen, b) of uitstroom naar de oorspronkelijke woongemeente wenselijk is, en c) of en zo ja welke begeleiding gedurende welke periode noodzakelijk is.

De algemene weigeringsgronden genoemd in artikel 2.5.5, lid 1, aanhef en onder a, c, d, f of h zijn van toepassing.”