Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:7657

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
03-09-2018
Datum publicatie
07-09-2018
Zaaknummer
AWB - 16 _ 5467
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoeken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 16/5467 en HAA 17/4526

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 april 2018 in de zaken tussen

de besloten vennootschap Zorgvervoercentrale Nederland B.V., te Rotterdam, eiseres

(gemachtigden: mr. I.V. Hermans en mr. M. Muller),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Tophoff).

Procesverloop

HAA 16/5467

Bij besluit van 28 juli 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder een verzoek van eiseres op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) gedeeltelijk ingewilligd.

Bij op 13 december 2016 verzonden besluit (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

HAA 17/4526

Bij besluit van 18 april 2017 (het primaire besluit II) heeft verweerder een verzoek van eiseres op grond van de Wob niet ingewilligd.

Bij besluit van 6 september 2017 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit II beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

In beide zaken

Het onderzoek ter zitting in beide zaken heeft gelijktijdig plaatsgevonden op 20 februari 2018. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigden. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam 1] .

De termijn voor het doen van uitspraak is verlengd.

Overwegingen

1. Sinds 1 januari 2016 wordt de vervoersopdracht “Regiotaxi Noord-Kennemerland” (de vervoersopdracht) uitgevoerd door Connexxion Taxiservices B.V. (Connexxion). De vervoersopdracht bestaat uit het in opdracht van diverse gemeenten uit Noord-Holland, waaronder de gemeente Alkmaar, organiseren en uitvoeren van het zogenaamde Wet maatschappelijke ondersteuning-vervoer van inwoners van de betrokken gemeenten. Tot

1 januari 2016 werd de vervoersopdracht door eiseres uitgevoerd.

HAA 16/5467

2.1

Bij brief van 26 mei 2016 heeft eiseres verweerder op grond van de Wob verzocht om informatie met betrekking tot de wijze van uitvoering van de vervoersopdracht door Connexxion over de periode van 1 april tot en met 30 april 2016. Zij heeft daarbij om de volgende gegevens gevraagd:

1. het totaal aantal uitgevoerde ritten;

2. een overzicht waaruit voor iedere individuele rit zoals bedoeld onder 1, bijvoorbeeld door vermelding van het uniek wagennummer c.q. kenteken, blijkt met welk voertuig de rit is uitgevoerd;

3. een overzicht van het aantal ritten (zoals bedoeld onder punt 1) onder vermelding of er sprake was van het vervoer van een reiziger die gebruik maakt van een rolstoel of scootmobiel;

4. het totaal aantal loos gemelde ritten;

5. het totaal aantal reizigers;

6. het percentage van het totaal aantal ritten (zoals bedoeld onder punt 1) dat met een 100% elektrisch aangedreven voertuig is uitgevoerd.

2.2

Bij het primaire besluit I heeft verweerder - onder weglating van informatie die raakt aan de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen - de informatie zoals genoemd onder 1, 3, 4 en 5 van het verzoek openbaar gemaakt en aan eiseres verstrekt. Verweerder heeft zich in het primaire besluit I verder op het standpunt gesteld dat geen documenten onder hem berusten waarin de onder 2 en onder 6 van het verzoek gevraagde informatie is vervat, zodat hij die informatie niet openbaar kan maken.

2.3

Verweerder heeft het primaire besluit I bij het bestreden besluit I gehandhaafd.

HAA 17/4526

3.1

Bij brief van 22 februari 2017 heeft eiseres een vergelijkbaar verzoek gedaan, maar nu over de periode van 1 mei tot en met 31 december 2016. In dit verzoek heeft zij de onder 4 en 5 bij het eerdere verzoek gevraagde informatie niet gevraagd. Haar verzoek is over de maanden mei tot en met december 2017 beperkt tot:

1. het totaal aantal uitgevoerde ritten;

2. een overzicht waaruit voor iedere individuele rit zoals bedoeld onder 1, bijvoorbeeld door vermelding van het uniek wagennummer c.q. kenteken, blijkt met welk voertuig de rit is uitgevoerd; .

3. een overzicht van het aantal ritten (zoals bedoeld onder punt 1) onder vermelding of sprake was van het vervoer van een reiziger die gebruik maakt van een rolstoel of scootmobiel.

4. het percentage van het totaal aantal ritten (zoals bedoeld onder punt 1) dat met een 100% elektrisch aangedreven voertuig is uitgevoerd.

1.3

Bij het primaire besluit II heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat hij de gevraagde informatie niet onder hem heeft, zodat hij deze niet openbaar kan maken.

2. In het bestreden besluit II heeft verweerder zich, zoals hij ter zitting heeft verduidelijkt, op het standpunt gesteld dat er bij hem geen zelfstandige documenten aanwezig zijn, waarin de door eiseres gevraagde gegevens over de maanden mei tot en met december 2016 zijn opgenomen. Volgens verweerder heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zulke documenten wel bij hem aanwezig zijn.

In beide zaken

3. In beroep is in beide zaken in geschil of de betreffende informatie inderdaad niet in het bezit van verweerder is.

4. Ter zitting heeft verweerder erkend dat de informatie als genoemd onder 2 van het verzoek dat ziet op de maand april 2016 wel onder hem berust. Tegen openbaar making van deze informatie bestaat geen bezwaar. Deze informatie kan in ieder geval in papieren vorm - via afdrukken van kolommen - en zo mogelijk in digitale vorm aan eiseres worden verstrekt.

Met betrekking tot het verzoek dat ziet op de maanden mei tot en met december 2016 is door verweerder erkend dat de informatie als genoemd onder 1, 2 en 3 van dat verzoek ook onder hem berust en openbaar kan worden gemaakt. Bij het verweerschrift van 8 februari 2018 heeft verweerder al een deel van de onder 2 van dat verzoek genoemde informatie (namelijk de informatie over de maand mei 2016) in papieren vorm via afdrukken van kolommen aan eiseres verstrekt.

5. Beide beroepen zijn om die reden al gegrond. De bestreden besluiten I en II komen voor vernietiging in aanmerking voor zover verweerder zich daarbij op het standpunt heeft gesteld dat de informatie genoemd onder 2 van het verzoek dat ziet op de maand april 2016 en de informatie genoemd onder 1, 2 en 3 van het verzoek dat ziet op de maanden mei tot en met april 2016 niet in zijn bezit is.

6. De rechtbank zal in het hierna volgende beoordelen of wat eiseres heeft aangevoerd met betrekking tot het niet openbaar maken van de informatie onder 6 van het verzoek dat ziet op de maand april 2016 en onder 4 van het verzoek dat ziet op de maanden mei tot en met december 2016, te weten het percentage van het totaal aantal ritten dat met een 100% elektrisch voertuig wordt uitgevoerd (de informatie) in de weg staat aan het voor het overige in stand laten van de bestreden besluiten.

7.1

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1659, is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, dat document toch onder het bestuursorgaan berust.

7.2

Verweerder stelt dat de informatie er niet is en heeft dit ter zitting toegelicht onder verwijzing naar de paragrafen 7.3 "Milieueisen”, 8.4 “Gegevensbestand” en 8.5 “Rapportage” van het “Programma van Eisen EU-aanbesteding Regiotaxi Noord-Kennemerland” (programma van eisen) dat onderdeel uitmaakt van de vervoersopdracht en waaraan Connexxion moet voldoen.

7.3

De rechtbank stelt vast dat in de voornoemde paragrafen eisen zijn gesteld ten aanzien van het milieu, de in het gegevensbestand op te nemen informatie per rit die op ieder gewenst moment beschikbaar moet kunnen worden gesteld en de inhoud van de maandelijks te verstrekken rapportage door Connexxion. Deze in de paragrafen gestelde eisen zien niet op het verschaffen van inzicht in het percentage ritten dat met elektrische voertuigen zal worden verricht. De rechtbank acht de mededeling van verweerder dat de informatie niet bij hem beschikbaar is, niet ongeloofwaardig.

7.4

Eiseres stelt dat het niet anders kan dan dat verweerder wel over de informatie beschikt. Hoewel het programma van eisen, zo is ter zitting ook door eiseres erkend, Connexxion niet tot het verstrekken van de genoemde informatie verplicht, is het wel aannemelijk dat die informatie is verstrekt en dus bij verweerder aanwezig is.

Eiseres betoogt in dit verband dat Connexxion in haar offerte heeft vermeld dat 85% van alle ritten van de vervoersopdracht zullen worden uitgevoerd met elektrische voertuigen. Dit percentage is door de advocaat van Connexxion tijdens de zitting in de kort geding-procedure bevestigd. Voorts is in een brief van 23 mei 2016 namens verweerder door [naam 2] ( [naam 2] ) aangegeven dat Connexxion per 1 april 2016 conform haar offerte de opdracht uitvoert. Het kan dan ook niet anders dan dat door Connexxion de informatie is verstrekt. Immers anders had [naam 2] niet kunnen concluderen dat Connexxion per 1 april 2016 conform haar offerte de opdracht uitvoert.

Daarbij is er op pagina 11 van de “Nota Luchtkwaliteit; Samen Werken aan Schone Lucht 2016-2020” van de gemeente Alkmaar (de nota) melding van gemaakt dat de Regiotaxi al geheel duurzaam wordt uitgevoerd omdat er op gas (busjes) of elektrisch (personenwagens) wordt gereden. Het ligt niet in de rede dat dit in de nota zou zijn vermeld, indien dit niet door verweerder aan de hand van gegevens zou zijn gecontroleerd, aldus eiseres

7.5

De omstandigheid dat het op zichzelf in de rede ligt dat verweerder over gegevens van Connexxion beschikt om na te kunnen gaan of wat Connexxion in haar offerte heeft vermeld over het percentage ritten dat met elektrische voertuigen zal worden verricht, ook door Connexxion is nagekomen, brengt, anders dan eiseres veronderstelt, niet met zich dat die gegevens ook daadwerkelijk bij verweerder berusten. Dit kan ook niet uit de brief van [naam 2] worden opgemaakt. In die brief vermeldt [naam 2] dat Connexxion per 1 april 2016 conform haar offerte de opdracht uitvoert. In de brief staat niet dat een controle aan de hand van door Connexxion verstrekte informatie heeft plaatsgevonden, zoals eiseres veronderstelt. En tenslotte kan ook uit de vermelding in de nota dat de wijze van uitvoering van de vervoersopdracht geheel duurzaam is, niet worden opgemaakt dat verweerder over de informatie beschikt.

7.6

Het betoog van eiseres slaagt niet. Eiseres is er naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd aannemelijk te maken dat er, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door verweerder, toch documenten onder verweerder berusten waarin de informatie is vervat. Het voorgaande betekent dat de bestreden besluiten I en II in stand kan blijven voor zover verweerder zich daarbij respectievelijk op het standpunt heeft gesteld dat de onder 6 en 4 van het verzoek genoemde informatie niet in zijn bezit is.

8. De rechtbank ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaken te voorzien.

HAA 16/5467

9. De rechtbank zal daartoe het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit I gegrond verklaren, dat besluit herroepen voor zover verweerder daarbij de onder 2 van het verzoek dat ziet op de maand april 2016 genoemde informatie niet openbaar heeft gemaakt en besluiten dat verweerder de onder 2 genoemde informatie over de maand april 2016 openbaar maakt en aan eiseres verstrekt.

HAA 17/4526

10. De rechtbank zal daartoe het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit II gegrond verklaren, dat besluit herroepen voor zover verweerder daarbij de onder 1, 2 en 3 van het verzoek dat ziet op de maanden mei tot en met december 2016 genoemde informatie niet openbaar heeft gemaakt en besluiten dat verweerder de onder 1, 2 en 3 genoemde informatie over de maanden mei 2016 tot en met december 2016 openbaar maakt en aan eiseres verstrekt.

In beide zaken

11. De rechtbank zal bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van de te vernietigen gedeelten van de bestreden besluiten I en II.

12. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar in beide zaken betaalde griffierecht vergoedt.

13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door derden beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.502,00 (2 punten voor het indienen van de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,00 en een wegingsfactor 1).

In de bezwaarfase in beide zaken heeft eiseres niet verzocht verweerder te veroordelen in de proceskosten in bezwaar, er is daarom geen aanleiding verweerder in die kosten te veroordelen.

Beslissing

De rechtbank

HAA 16/5467

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit I voor zover verweerder daarbij het niet openbaar maken van de onder 2 van het verzoek genoemde informatie heeft gehandhaafd;

- verklaart het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit I gegrond, herroept dat besluit voor zover verweerder daarbij de onder 2 van het verzoek genoemde informatie niet openbaar heeft gemaakt en besluit dat verweerder de onder 2 genoemde informatie over de maand april 2016 openbaar maakt en aan eiseres verstrekt;

- bepaalt dat dit deel van de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit I;

HAA 17/4526

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit II voor zover verweerder daarbij het niet openbaar maken van de onder 1, 2 en 3 van het verzoek genoemde informatie heeft gehandhaafd;

- verklaart het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit II gegrond, herroept dat besluit voor zover verweerder daarbij de onder 1, 2 en 3 van het verzoek genoemde informatie niet openbaar heeft gemaakt en besluit dat verweerder de onder 1, 2 en 3 genoemde informatie over de maanden mei 2016 tot en met december 2016 openbaar maakt en aan eiseres verstrekt;

- bepaalt dat dit deel van de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit II;

In beide zaken:

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van in totaal € 668,00 aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres in beide zaken gezamenlijk tot een bedrag van in totaal € 1.502,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.M. Kaajan, voorzitter,
mr. D.M. de Feijter en mr. E.G. van Roest, leden, in aanwezigheid van mr. W.I.K. Baart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 april 2018.

de griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.