Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:7611

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
27-08-2018
Datum publicatie
31-08-2018
Zaaknummer
6750257 WM VERZ 18-170
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Mulderzaak. De kantonrechter is van oordeel dat een uitspraak in een ‘Mulderzaak’ kan worden verbeterd, ook al ontbreekt in de WAHV een voorziening daarvoor. Met overeenkomstige toepassing van artikel 31 Rv wordt de uitspraak verbeterd, omdat sprake is van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2018/248
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Zaanstad

Zaaknummer : 6750257 \ WM VERZ 18-170

CJIB-nummer : 209618655

Uitspraakdatum : 27 augustus 2018

Uitspraak als bedoeld in artikel 9 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV), op een verzoek om verbetering van een eerdere uitspraak

in de zaak van

naam : [betrokkene]

gemachtigde : Verkeersboete.nl t.a.v. N.G.A. Voorbach

postadres : Postbus 7222, 2701 AE Zoetermeer

(hierna te noemen: betrokkene).

Het verloop van de procedure

Op 17 juli 2018 heeft de kantonrechter in deze zaak uitspraak gedaan op een beroep van betrokkene als bedoeld in artikel 9 WAHV. Daarbij is het beroep van betrokkene gegrond verklaard en is de officier van justitie veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 501,00. Met een brief van 25 juli 2018 heeft de gemachtigde van betrokkene verzocht om verbetering van die uitspraak, waar het betreft de proceskostenveroordeling. De officier van justitie heeft daarop schriftelijk gereageerd op 23 augustus 2018.

Overwegingen

De gemachtigde van betrokkene stelt terecht dat in de uitspraak van 17 juli 2018 een onjuiste proceskostenveroordeling is uitgesproken. Bij het vaststellen van het aantal proceshandelingen is vergeten om rekening te houden met het indienen van het administratief beroep bij de officier van justitie en het bijwonen van de hoorzitting door de gemachtigde. Er had daarom een veroordeling in de proceskosten moeten plaatsvinden tot een bedrag van
€ 1.002,00.

Betrokkene heeft gevraagd om de uitspraak van 17 juli 2018 te verbeteren en alsnog proceskosten toe te kennen tot een bedrag van € 1.002,00.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verbetering van de uitspraak van 17 juli 2018 niet mogelijk is, omdat betrokkene een rechtsmiddel tegen de uitspraak kan aanwenden en omdat artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is uitgesloten.

De kantonrechter overweegt dat artikel 31 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) voor civiele procedures de mogelijkheid kent om een kennelijke fout in een uitspraak te verbeteren, als die fout zich voor eenvoudig herstel leent. De WAHV, waarin de procedure voor deze zaak is geregeld, kent die mogelijkheid niet, evenmin als de Awb.

Echter, zowel voor de WAHV als voor de vergelijkbare bestuursrechtelijke procedure van de Awb is in rechtspraak algemeen aanvaard dat op dezelfde wijze als geregeld in artikel 31 Rv verbetering van een uitspraak mogelijk is. Zo’n verbetering is mogelijk als in een uitspraak een kennelijk fout staat die zich voor eenvoudig herstel leent (zie o.a. Gerechtshof Leeuwarden, 31 maart 2004, ECLI: NL:GHLEE:2004:AO9665 en Hoge Raad, 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV2583).

Anders dan de officier van justitie stelt, kan een verbetering van een uitspraak ook plaatsvinden als daartegen nog hoger beroep mogelijk is. Overigens staat in deze zaak gelet op artikel 14 lid 1 WAHV voor betrokkene geen hoger beroep open, omdat in de uitspraak van 17 juli 2018 de boete is vastgesteld op een bedrag lager dan € 70,00. Het door de officier van justitie genoemde artikel 8:119 Awb ziet alleen op herziening van een onherroepelijk geworden uitspraak en staat evenmin in de weg aan verbetering van een uitspraak.

De kantonrechter is van oordeel dat in dit geval sprake is van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. Gelet op de stukken is immers direct duidelijk dat in de uitspraak van 17 juli 2018 een onjuiste proceskostenveroordeling is uitgesproken en dat een veroordeling in de proceskosten had moeten plaatsvinden tot een bedrag van € 1.002,00. De officier van justitie heeft ook niet tegengesproken dat sprake is van een kennelijke fout.

De kantonrechter zal de uitspraak van 17 juli 2018 dus verbeteren, door alsnog een proceskostenveroordeling uit te spreken tot een bedrag van € 1.002,00. Aan deze uitspraak zal een dienovereenkomstig verbeterde versie van de uitspraak van 17 juli 2018 worden gehecht.

De uitspraak

De kantonrechter:

‒ verbetert de uitspraak van 17 juli 2018 in die zin, dat de daarin uitgesproken proceskostenveroordeling en de overweging daarover aldus komen te luiden:

De officier van justitie zal ook worden veroordeeld in de proceskosten, omdat het beroep gegrond is. Die kosten worden vastgesteld op € 1.002,00. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn daarbij vier punten toegekend voor de proceshandelingen van de gemachtigde van betrokkene, te weten voor het indienen van een beroepschrift bij de officier van justitie en de kantonrechter, en voor het bijwonen van de hoorzitting en de zitting bij de kantonrechter. De waarde per punt is bepaald op € 501,00 en het gewicht van de zaak is gewaardeerd op licht, wat resulteert in een wegingsfactor 0,50.

veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.002,00 en wijst de Nederlandse Staat aan als rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Jansen, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken.

De griffier De kantonrechter