Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:7506

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
05-09-2018
Datum publicatie
11-09-2018
Zaaknummer
6687135
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Luchtvaartzaak (EPGV). Luchtvaartmaatschappij heeft buitengewone omstandigheid (zieke passagier) summier maar voldoende aangetoond. Vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 6687135 \ CV FORM 18-1531

Uitspraakdatum: 5 september 2018

Beschikking in de zaak van:

[de passagier] ,

wonende te [woonplaats]

verzoekende partij

verder te noemen: de passagier

gemachtigde: mr. E.L. Heenk

tegen

de rechtspersoon naar het recht van het land van haar vestiging

Société Air France S.A.

gevestigd te Roissy CDG Cedex (Frankrijk)

verweerder

verder te noemen: Air France

gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer

1 Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

  • -

    het vorderingsformulier (formulier A), ingekomen ter griffie op 26 februari 2018;

  • -

    het antwoordformulier (formulier C), ingekomen ter griffie op 27 juni 2018;

  • -

    het aanvullend verweer aan de zijde van Air France, ingekomen ter griffie op 29 juni 2018.

2 De feiten

2.1.

De passagier heeft met Air France een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan Air France de passagier diende te vervoeren van Cancun Airport via Parijs naar Amsterdam-Schiphol Airport op 19 en 20 november 2016.

2.2.

Door vertraging van de eerste vlucht heeft de passagier zijn aansluitende vlucht gemist. De passagier is omgeboekt naar een andere vlucht. Doordat deze vlucht ook vertraagd is uitgevoerd, is de passagier met een aankomstvertraging van meer dan 4 uur op zijn eindbestemming aangekomen.

2.3.

De passagier heeft compensatie van Air France gevorderd in verband met voornoemde vertraging.

2.4.

Air France heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

De passagier verzoekt Air France te veroordelen tot betaling van:

- € 600,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 maart 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 181,50 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 4 maart 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;
- de proceskosten, nakosten daaronder begrepen.

3.2.

De passagier baseert zijn vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof).

3.3.

De passagier stelt dat Air France vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is hem te compenseren conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 600,00. Daarnaast maakt de passagier aanspraak op betaling door Air France van de buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente.

3.4.

Air France betwist de verschuldigdheid en de hoogte van de vordering. Op haar verweer wordt - voor zover relevant - bij de beoordeling van het geschil ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.

4.2.

Vast staat dat de passagier met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming is aangekomen. Air France is dus gehouden de passagier te compenseren, tenzij Air France kan aantonen dat de vertraging is ontstaan als gevolg van een buitengewone omstandigheid.

4.3.

Voor de beantwoording van de vraag wat moet worden verstaan onder buitengewone omstandigheden verwijst de kantonrechter allereerst naar overweging 14 van de considerans bij de Verordening, waarin staat dat buitengewone omstandigheden zich met name kunnen voordoen in gevallen van politieke instabiliteit, weersomstandigheden die uitvoering van de vlucht in kwestie verhinderen, beveiligingsproblemen, onverwachte vliegveiligheidsproblemen en stakingen die gevolgen hebben voor de vluchtuitvoering van de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert. Hiernaast verwijst de kantonrechter naar jurisprudentie van het HvJ EU waarin is uitgemaakt dat het bij buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van redelijke maatregelen niet konden worden voorkomen, gaat om omstandigheden die verband houden met een gebeurtenis die, evenals die welke in overweging 14 van de Verordening zijn opgesomd, niet inherent is aan de normale uitoefening van de activiteiten van de betrokken luchtvaartmaatschappij, en deze hierop geen daadwerkelijke invloed kan uitoefenen wegens de aard of oorsprong van die gebeurtenis (zie o.a. HvJ EU 17 september 2015 C-257/14 Van der Lans-KLM).

4.4.

Air France voert aan dat de onderhavige vlucht met een vertraging is uitgevoerd omdat het toestel terug moest keren vanwege een zieke passagier aan boord van het toestel. De zieke passagier is – nadat het toestel teruggekeerd was naar de gate – van boord gehaald. Dit duurde 1 uur en 48 minuten. De vlucht is uiteindelijk uitgevoerd met een vertraging van 1 uur en 37 min. Het terugkeren naar de gate vanwege een zieke passagier moet worden aangemerkt als buitengewone omstandigheid, aldus Air France.

4.5.

Air France heeft naar het oordeel van de kantonrechter summier maar voldoende aangetoond dat het vliegtuig naar aanleiding van een zieke passagier teruggekeerd is naar de gate. Air France heeft deze stelling onderbouwd met haar bij aanvullend verweer overgelegde productie 1 waarin staat: ‘a/c retured to gate due a sick pap, pap offloaded at cdg’. Het onwel worden van een passagier betreft een van buiten komende oorzaak waarop de luchtvaartmaatschappij geen invloed kan uitoefenen. Er is derhalve sprake van een gebeurtenis die niet inherent is aan de normale uitoefening van de activiteiten van een luchtvaartmaatschappij. Gelet op het bovenstaande vormt het onwel worden van een passagier een buitengewone omstandigheid. De kantonrechter dient vervolgens nog te beoordelen of Air France in het onderhavige geval alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging te voorkomen. De kantonrechter beantwoordt deze vraag bevestigd. Niet valt in te zien welke maatregelen Air France in dit geval tijdens de vlucht had moeten nemen om vertraging te voorkomen.

4.6.

De kantonrechter komt gelet op het vorenstaande tot de conclusie dat de vordering van de passagier moet worden afgewezen. De nevenvorderingen delen hetzelfde lot.

4.7.

De passagier zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt de passagier tot betaling van de proceskosten die aan de kant van Air France tot en met vandaag worden begroot op € 100,00 aan salaris gemachtigde en veroordeelt de passagier tot betaling van € 50,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door Air France worden gemaakt;

Deze beschikking is gewezen door mr. C.E. van Oosten-van Smaalen, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open