Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:7477

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
23-08-2018
Datum publicatie
06-09-2018
Zaaknummer
15/3338
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Loyaliteitsspel deel 1 en deel 2 moeten, afzonderlijk bezien, als kansspel in de zin van de Wet KSB worden gekwalificeerd. Voor zover nodig is de conclusie gewettigd dat het Loyaliteitsspel als geheel eveneens is aan te merken als een dergelijk kansspel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/2134
V-N 2018/59.2.6
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 15/3338

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 augustus 2018 in de zaak tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z] , eiseres

(gemachtigde: mr. A.D. Knijnenburg),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Rotterdam, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 november 2008 tot en met 31 maart 2011 een naheffingsaanslag (aanslagnummer 20131860701643) kansspelbelasting opgelegd.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2018 te Haarlem.

Eiseres is verschenen, door haar gemachtigde vergezeld van mr. R. van Neck. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. E.M. Broers.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres heeft over de tijdvakken november 2008 tot en met februari 2011 haar aangiften

oningevuld geretourneerd met een schrijven van haar toenmalige adviseur dat zij geen

activiteiten in het aangiftetijdvak heeft verricht welke vallen onder het bereik van de Wet Kansspelbelasting (hierna: Wet KSB).

2. Over de maand maart 2011 heeft zij wel een aangifte ingediend; deze aangifte

betreft de uitbetaalde prijzen over de maand maart 2011 groot € 73.500, betrekking hebbend op het per 21 december 2010 gewijzigde spel, zoals vermeld in het controlerapport van

8 februari 2012 onderdeel 3.4. Tegen de opgelegde naheffingsaanslag opgelegd naar een te betalen bedrag van € 21.315 over deze periode loopt een afzonderlijke bezwaarprocedure.

3. Bij brief van 6 november 2013 is het voornemen tot het opleggen van een (gebruteerde) naheffingsaanslag over de uitbetaalde [A] prijzen (naam eiseres tot 23 november 2010 was [A] B.V.) aangekondigd.

4. Met dagtekening 22 november 2013 is de naheffingsaanslag opgelegd naar een te betalen

bedrag van € 530.373. Het betreft hier een (gebruteerde) naheffingsaanslag over

de periode 1 november 2008 tot en met 31 maart 2011. De aanslag is als volgt berekend:

totaalbedrag aan uitgekeerde prijzen van het Loyaliteitsspel (hierna: het Spel), deel 1 en 2,

€ 1.298.500, verschuldigde KSB 110/71 x 29% = € 530.373. Het bedrag van de uitgekeerde prijzen staat in onderdeel 3.3 van het eerdervermelde controlerapport.

5. Gemachtigde heeft tegen de naheffingsaanslag pro forma bezwaar aangetekend. Op

3 februari 2014 is aan hem verzocht de gronden van zijn bezwaar aan te vullen. Deze gronden zijn per brief d.d. 28 februari 2014 aangevuld. Op 1 april 2014 is bevestigd dat de aanvulling van de gronden tijdig is ingediend. Op verzoek van eiseres heeft een hoorgesprek plaatsgevonden. Daarvan is een verslag opgemaakt, dat na een reactie van eiseres definitief is vastgesteld.

6. De naheffingsaanslag KSB heeft louter betrekking op de uitgekeerde prijzen van het Spel, deel 1 en 2, over de periode 1 november 2008 tot 22 december 2010.

Het Gerechtshof Amsterdam heeft in een procedure over een eerder tijdvak als zijn oordeel uitgesproken dat sprake was van een kansspel (vergelijk ECLI:NL:GHAMS:2013:1884). Daarbij is overwogen dat deel 1 en 2 afzonderlijke kansspelen vormen maar ook dat beide delen tezamen een kansspel vormt. Eiseres heeft haar cassatieberoep tegen die uitspraak ingetrokken.

7. Tegen betaling vooraf van een jaarcontributie van € 65 kunnen toekomstige klanten [pashouder(s)] van eiseres worden. Eiseres biedt op haar website uitsluitend aan haar [pashouder(s)] een assortiment van producten te koop aan, zoals audioapparatuur, camera’s, computers, kantoorartikelen, kleine huishoudelijke apparaten, televisies, dvd-spelers enz. Een [pashouder(s)] ontvangt een contributiekorting bij elke aankoop van een product die in mindering wordt gebracht op de eerstvolgende jaarcontributie.

8. De producten kunnen ook via online-veilingen worden verkregen, zij het dat per jaar slechts één product via de veiling kan worden gekocht. Inloggen op de website van eiseres is alleen mogelijk voor [pashouder(s)] , die daartoe een uniek [nummer] krijgen.

9. De [A] Laagste Prijs Garantie, welke voor tal van producten geldt, houdt in dat de [pashouder(s)] de laagste prijs voor het product of de dienst betaalt en anders dubbel het verschil terug kan claimen.

10. Het Spel is in 2006 geïntroduceerd. Dit stelt [pashouder(s)] in de gelegenheid om ten hoogste eenmaal een geldprijs te winnen uit de [A] Prijzenpot. Voorwaarde voor deelname aan het spel is dat de deelnemer beschikt over zogenoemde “winkansen”. Deze worden verkregen door de aanschaf van producten of diensten via de website van eiseres en door het aanbrengen van een nieuwe [pashouder(s)] . Voor elke bestede euro verwerft de [pashouder(s)] één winkans. Voorts is een voorwaarde voor deelname aan het spel dat de deelnemer geen betalingsachterstand heeft en zijn lidmaatschap niet heeft opgezegd.

11. Maandelijks worden circa 39 geldprijzen ter beschikking gesteld in het kader van het Spel. Er is dagelijks een prijs van € 250, wekelijks een prijs van € 2.500 en maandelijks een prijs van € 25.000. Daarnaast wordt wekelijks een extra prijs van € 3.000 ter beschikking gesteld aan deelnemers die hebben meegedaan aan de zogenoemde Winkansen Verdubbelaar.

12. De [pashouder(s)] kan het aantal winkansen dat hij in een kalendermaand verwerft tot de 26e dag van de volgende kalendermaand kosteloos vergroten door deel te nemen aan de Winkansen Verdubbelaar. Voor iedere 50 winkansen kan 1 keer worden meegespeeld met de Winkansen Verdubbelaar.

13. Met betrekking tot deel 1 van het Spel worden per prijs twee kandidaat-winnaars geselecteerd uit de groep [pashouder(s)] die kwalificeren voor deelname in de desbetreffende maand. Het betreft de [pashouder(s)] die twee kalendermaand daarvoor een product of dienst hebben gekocht respectievelijk afgenomen. Deze selectie vindt plaats door middel van een gewogen loting waarbij het aantal vergaarde winaksen (met inbegrip van de uitkomsten van de Winkansen Verdubbelaar) bepalend is voor de weging.

14. Op enig moment in die maand worden de namen van de geselecteerde kandidaat-winnaars en de prijs waarvoor zij kunnen strijden op de website van eiseres gepubliceerd. De eerste van de twee kandidaat-winnaars die vervolgens de prijs op het spoor komt en “claimt” door op de daartoe bestemde claimbutton te klikken op de website, wint de prijs. De namen en de bijbehorende prijzen blijven maximaal drie dagen op de website staan. Claimt geen van beide kandidaat-winnaars binnen de drie dagen de prijs, om wat voor reden dan ook, verdwijnt de prijs van de website om op een later moment in deel 2 van het spel weer uitgeloofd te worden.

15. Van de uitgereikte prijzen ter grootte van € 250 wordt 24 percent geclaimd. Dit percentage is 73 voor de prijzen van € 2.500, 83 percent voor de prijzen van € 25.000 en voor de prijzen van € 3.000 86 percent. De gemiddelde claimtijd voor de desbetreffende prijzen beloopt respectievelijk 78, 34, 36 en 13 uur.

16. Aan deel 2 van het Spel kan iedere [pashouder(s)] meedoen die één of meer winkansen heeft verworven, tenzij hij al eerder een prijs heeft gewonnen.

17. Op de website van eiseres wordt bekendgemaakt op welke dag en op welk tijdstip een prijs in het Spel in deel 2 wordt ingebracht. Dit tijdstip kan ieder willekeurig moment zijn, zowel midden in de nacht, ’s ochtends vroeg, tijdens werktijd als ’s avonds laat. De deelnemer die de prijs als eerste van alle deelnemers “mijnt” nadat de in de bekendmaking vermelde tijdslimiet is bereikt – wint de prijs. Succesvol mijnen geschiedt door als eerste verbinding te maken met de website van eiseres door op de daartoe bestemde mijn-button te klikken. Het mijnen geschiedt doorgaans tussen de 1 en 30 seconden.

Geschil

18. Partijen houdt verdeeld de vragen:

Primair: kwalificeert het Spel als een kansspel in de zin van de Wet KSB.

Subsidiair: is het Spel aan te merken als een (promotioneel) kansspel waarbij de

belastingplichtige is genoemd in artikel 1, eerste lid, onderdeel c van de Wet KSB of heeft

eiseres gelegenheid gegeven tot deelneming aan een binnenlands kansspel welke via het

internet wordt gespeeld in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel d van de Wet KSB

(hierna: binnenlands internetkansspel).

Indien sprake is van een promotioneel kansspel wordt er geheven naar de prijzen (artikel 3, eerste lid, onderdeel c van de Wet KSB). Indien sprake is van een binnenlands

internetkansspel wordt er geheven naar het verschil tussen de in een tijdvak ontvangen

inzetten en de ter beschikking gestelde prijzen (artikel 3, eerste lid, onderdeel a van de Wet

KSB).

Meer subsidiair: is op het moment dat de prijzen ter beschikking zijn gesteld, door eiseres

besloten dat zij de wettelijk voorgeschreven inhoudingen voor haar rekening neemt, waardoor bij het opleggen van de naheffingsaanslag directe brutering op grond van artikel 5, tweede lid van de KSB terecht toepassing heeft gevonden.

19. Eiseres heeft zich – zakelijk weergegeven – primair op het standpunt gesteld dat het Spel niet kwalificeert als een kansspel in de zin van artikel 2, lid 1, onderdeel a van de Wet KSB en voert daartoe de volgende gronden aan. Op verweerder rust de bewijslast dat sprake is van een kansspel. Hij dient aldus te bewijzen dat sprake is van een door kans bepaald resultaat. Eiseres is van mening dat verweerder niet aan die bewijslast heeft voldaan. Verweerder heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd waarom sprake is van een door kans bepaald resultaat. De gewogen loting dient daarbij, anders dan het Hof Amsterdam heeft geoordeeld, niet te worden meegenomen.

Eiseres is subsidiair van mening dat indien het Spel kwalificeert als een kansspel in de zin van de Wet KSB, het Spel via het internet wordt gespeeld in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel b van de Wet KSB (hierna: internetkansspel). Dat betekent dat op grond 3, eerste lid, onderdeel a van de Wet KSB geen kansspelbelasting verschuldigd is, omdat het verschil tussen de in het tijdvak ontvangen inzetten en de ter beschikking gestelde prijzen maximaal nihil bedraagt. De deelnemers aan het Spel hoeven namelijk geen bedragen in te zetten om aan het Spel deel te kunnen nemen. Voorts dient het begrip internetkansspel ruim te worden uitgelegd. In dat verband wijst zij ook op de invoering van artikel 5a, derde lid van de Wet KSB, waarin is bepaald dat een negatief saldo kan worden verrekend met een volgend tijdvak.

Voor zover de rechtbank mocht oordelen dat wel sprake is van een kansspel, maar niet van een internetkansspel (bij een internetkansspel is brutering niet mogelijk), heeft eiseres zich meer subsidiair op het standpunt gesteld dat de naheffingsaanslag in ieder geval verminderd dient te worden met een bedrag van € 153.808 tot een bedrag van € 376.565. Eiseres is van mening dat verweerder niet aan zijn bewijslast inzake directe brutering heeft voldaan. Zij verwijst daartoe naar de uitspraak van de rechtbank 9 april 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:2943. Brutering is slechts mogelijk op het moment dat eisers het besluit heeft genomen om de nageheven kansspelbelasting voor eigen rekening te nemen. Een dergelijk besluit is niet genomen. Het bedrag van € 153.808 betreft een bedrag ter zake van directe brutering.

20. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, primair tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de naheffingsaanslag tot een berekend naar een bedrag van nihil en subsidiair de aanslag te verminderen met een bedrag van € 153.808 tot

€ 376.565.

21. Verweerder heeft de standpunten gemotiveerd bestreden en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

22. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

23. Voor de beslechting van het onderhavige geschil zijn de navolgende artikelen uit de Wet KSB van belang:
Artikel 1

1. Onder de naam 'kansspelbelasting' wordt een directe belasting geheven van:

a. (…)

b. degene die gelegenheid geeft tot deelneming aan binnenlandse kansspelen welke via het internet worden gespeeld;

;

(…)

Artikel 2

1. Onder kansspelen worden verstaan gelegenheden, gegeven tot mededinging naar:

a. prijzen en premies, indien de aanwijzing der winnaars geschiedt door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen, met uitzondering van levensverzekeringen en premieleningen;

(…)

Artikel 3

1. De belasting wordt geheven:

a. in de gevallen waarin artikel 1, eerste lid, onderdeel a of b, van toepassing is, naar het verschil tussen de in een tijdvak ontvangen inzetten en de ter beschikking gestelde prijzen, dan wel, zo een ander dan de belastingplichtige de prijzen ter beschikking stelt, naar hetgeen in een tijdvak ontvangen wordt voor het geven van gelegenheid tot deelneming aan casinospelen of tot deelneming aan binnenlandse kansspelen welke via het internet worden gespeeld;

b. in de gevallen waarin artikel 1, eerste lid, onderdeel c of d, van toepassing is, naar de prijzen;

(…)

Artikel 5

1. De belasting bedraagt 29 percent.

2. Neemt, in het geval waarin artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van toepassing is, degene die de prijs verschuldigd is, de belasting voor zijn rekening, dan wordt voor het berekenen van de belasting de prijs met 100/71 vermenigvuldigd.

Artikel 5a

(…)

3 Indien het in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, bedoelde verschil over een tijdvak negatief is, wordt het verrekend met het positieve verschil over een volgend tijdvak. De verrekening geschiedt in de volgorde waarin zich negatieve en positieve verschillen voordoen.

(…)

Artikel 6

(…)

2. Inhoudingsplichtige is degene die de prijs verschuldigd is.

3. De inhoudingsplichtige is verplicht de belasting in te houden op het tijdstip waarop de prijs ter beschikking is gesteld.

(…)

24. Aan de uitspraak van het Hof Amsterdam 27 juni 2013, nr. 11/00974, ECLI:NL:GHAMS:2013:1884, overweging 4.3e.v. ontleent de rechtbank de navolgende overweging welke naar haar oordeel van overeenkomstige toepassing is voor de beslechting van het onderhavige geschil:

“4.3. (…). Kern van het geschil is of het Spel een kansspel is.

(…)

Volgens de definitie is voor de (al dan niet) kwalificatie van een spel als kansspel doorslaggevend of sprake is van "enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen".

Aan het begrip "in het algemeen" is in de arresten van de Hoge Raad de uitwerking gegeven dat normatief is welke resultaten "de grote meerderheid" van de spelers "in de praktijk" bij het spel behaalt, dan wel hoe "de grote meerderheid" van de spelers "in de praktijk" het spel speelt.

(…)

(…). Uit de definitie van 'kansspelen' in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de Wet KSB, waarin sprake is van (cursivering Hof) "gelegenheden gegeven tot het mededingen naar prijzen", lijkt te volgen dat iedere te onderscheiden gelegenheid tot mededingen een (verder aan de definitie te toetsen) spel vormt. Daarvan uitgaande, en gelet op de beschrijving van het Spel in onderdeel 2.10 tot en met 2.14 van de uitspraak van de rechtbank, waaruit naar 's Hofs oordeel naar voren komt dat in deel 2 aan vrijwel alle deelnemers - slechts winnaars in deel 1 die hun prijs hebben geclaimd zijn uitgesloten - opnieuw gelegenheid wordt gegeven tot het mededingen naar prijzen ('nieuwe ronde, nieuwe kansen'), ligt het naar het oordeel van het Hof eerder voor de hand deel 1 en deel 2 van het Spel afzonderlijk te toetsen aan de definitie. Uit hetgeen hierna nog wordt overwogen, zal evenwel blijken dat het antwoord op de afbakeningsvraag in het midden kan blijven omdat de uitkomst van de beoordeling in alle varianten dezelfde is.

(…)

Het Hof is van oordeel dat het Spel in deel 1 zeer nabij komt aan een ‘zuivere’ loterij. Zo al enige deelnemer in deel 1 "overwegende invloed" heeft of kan hebben op de uitkomst van deel 1 (theoretisch zou een speler zich door het doen van zeer veel aankopen een zeer grote winstkans kunnen verschaffen; vergelijk het kopen van een zeer groot aantal loten), dat geldt zeker niet voor de modale deelnemer ("spelers in het algemeen"). Het Spel in deel 1 is dus, afzonderlijk bezien, een kansspel.

(…)

Het Hof is op grond van de door de inspecteur gestelde en als zodanig door belanghebbende onvoldoende betwiste feiten van oordeel dat met een zeer grote mate van aannemelijkheid vaststaat dat het resultaat in deel 2 van het Spel in volstrekt overwegende mate afhangt van factoren waarop de deelnemers geen invloed (kunnen) hebben. Zo niet reeds moet worden geoordeeld dat in deel 2 geen enkele deelnemer overwegende invloed heeft of kan hebben op de uitkomst, geldt dit in ieder geval voor de modale speler (de "spelers in het algemeen"). Deel 2 is, op zichzelf bezien, een kansspel.

Nu zowel deel 1 als deel 2, afzonderlijk bezien, als kansspel in de zin van de Wet KSB moeten worden gekwalificeerd, is - voor zover nodig - de conclusie gewettigd dat ook het Spel als geheel is aan te merken als een dergelijk kansspel. Zulks zou in theorie anders kunnen zijn op grond van de wijze waarop de twee delen van het Spel zich tot elkaar verhouden maar feiten waaruit zou kunnen volgen dat een dergelijk bijzonder geval zich hier voordoet, zijn niet gesteld of gebleken, en liggen ook niet voor de hand.

(…)”

25. De rechtbank is van oordeel dat het hiervoor aangehaalde oordeel van Hof Amsterdam ook voor het onderhavige naheffingstijdvak van overeenkomstige toepassing is, zulks met inachtneming van de wijziging van de Wet KSB bij Wet van 11 september 2008 (Stb. 2008, 385), zodat sprake is van een kansspel als hiervoor bedoeld. De wetsgeschiedenis van de Wet KSB biedt voor het standpunt van eiseres geen aanknopingspunt. Anders dan eiseres ziet de rechtbank geen aanleiding om de gewogen loting als onderdeel van de deelname aan deel 1 van het Spel niet in aanmerking te nemen. Verweerder heeft met juistheid gesteld dat deze fase moet worden doorlopen alvorens toe te treden tot de selectie van kandidaat-winnaars. De hiervoor opgenomen overwegingen alsmede het oordeel van de civiele kamer van het Hof Den Haag 25 oktober 2011, nr. 200.059.008-01, ECLI:NL:GHSGR:2011:BU3534, leiden de rechtbank tot het oordeel dat het primaire standpunt van eiseres zowel ten aanzien van deel 1 als deel 2, als ook indien beide tezamen worden genomen, dat geen sprake is van een kansspel, dient te worden verworpen.

26. Subsidiair heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat gelet op de opzet van het Spel rekening dient te worden gehouden met de inzetten van de deelnemers met als gevolg dat per saldo geen te belasten bate resteert. Verweerder heeft dat standpunt in het verweerschrift en ter zitting bestreden. Verweerder heeft ook gewezen op de tekst waarin de voorwaarden en spelregels van de [A] Prijzenpot zijn omschreven:

“Om kopen via [A] nog leuker en spannender te maken, is de [A] Prijzenpot voor u in het leven geroepen. Een tot de rand gevulde prijzenpot, waaruit wij elke maand opnieuw meer dan € 40.000 wordt weggegeven aan [A] -leden die gekocht hebben via de [A] Website. Kopen via de [A] Website is voldoende om mee te dingen naar tienduizenden euro’s aan prijzen. U hoeft geen loten te kopen. Meedoen is gratis!”

27. De rechtbank is van oordeel dat de opzet van het Spel zodanig is dat met betrekking tot de (na)heffing van de kansspelbelasting dient te worden aangesloten bij de uitgekeerde prijzen, zonder deze te verminderen met de inzetten. Welke bedragen daarbij als inzet in aanmerking zouden moeten worden genomen heeft eiseres – op wie naar het oordeel van de rechtbank de bewijslast rust - de rechtbank ook na haar daarnaar eiseres te hebben gevraagd, niet inzichtelijk gemaakt. Dat leidt de rechtbank tot het oordeel dat sprake is van een binnenlands kansspel als bedoeld in artikel 1, lid 1, onderdeel c Wet KSB. In dat oordeel ligt besloten dat geen sprake is van een internetkansspel.

28. Eiseres heeft in haar pleitnota zich nog nader beroepen op de schending van de rechtszekerheid ten gevolge van de onjuiste uitleg welke verweerder aan het begrip internetkansspel heeft gegeven en dat bij gebrek aan inzetten maar wel het uitkeren van prijzen de heffingsgrondslag negatief is. De rechtbank begrijpt dit betoog als een schending van het vertrouwensbeginsel. Verweerder heeft het vorenstaande gemotiveerd betwist.

De rechtbank is van oordeel – zie de overwegingen hiervoor – dat de wetsuitleg van verweerder als juist moet worden beoordeeld. Bijgevolg faalt ook dit standpunt van eiseres.

Brutering; verhaal op de deelnemers

29. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de nageheven kansspelbelasting moet worden gebruteerd nu de deelnemers ervan uit mochten gaan dat de ontvangen prijzen nettoprijzen waren (directe brutering). Voorts merkt hij op dat tot op heden eiseres geen verhaal heeft genomen op de prijswinnaars.

Eiseres heeft de brutering bestreden en daartoe aangevoerd dat zij nog steeds voornemens is tot verhaal over te gaan maar dat verhaal heeft, zo heeft zij ook tijdens de mondelinge behandeling van het beroep erkend, tot op heden niet heeft plaatsgevonden. Zij verwijst daartoe naar het bestuursbesluit van 31 januari 2014. Desgevraagd heeft eiseres aangegeven dat haar juridische adviseurs haar hebben afgeraden om tot verhaal over te gaan.

30. De rechtbank is ambtshalve bekend met haar eerdere uitspraak 9 april 2015, AWB 14/136, ECLI:NL:RBNHO:2015:2943, met betrekking tot de brutering van een eerdere aan eisers opgelegde naheffingsaanslag. Daarbij is eiseres in het gelijk gesteld en heeft in hoger beroep het Hof Amsterdam bij uitspraak van 10 december 2015, nr. 15/00259, ECLI:NL:GHAMS:2015:5204, eiseres wederom in het gelijk gesteld.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de brutering thans nog niet aan de orde is. Ook indien vaststaat dat tot op heden geen verhaal op de winners van het Spel heeft plaatsgevonden. Namens eiseres is meegedeeld dat dat dit nog steeds tot het voornemen behoort, ook al zijn blijkens het door haar ingewonnen juridische advies de kansen op een succesvol verhaal gering te achtgen. Zij volgt derhalve het oordeel van het Hof Amsterdam en maakt de aldaar gegeven overwegingen en oordelen tot de hare. Bijgevolg is het beroep in zoverre gegrond.

Immateriële schadevergoeding

31. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om een schadevergoeding in verband met een overschrijding van de redelijke termijn. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden aangesloten bij de uitgangspunten als neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37984, ECLI:NL:HR:2005:AO9006. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop verweerder het (gemotiveerde) bezwaarschrift ontvangt. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar dat die termijn is overschreden, waarbij ter bepaling van de totale vergoeding de geconstateerde overschrijding naar boven wordt afgerond.

32. Partijen hebben eenparig verklaard dat een vergoeding voor geleden immateriële schade moet worden toegekend tot een bedrag van € 2.500 en dat geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan die een termijnverlenging voor de bezwaarfase rechtvaardigen. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen

33. Het bezwaarschrift is ingekomen bij verweerder op 2 januari 2014, de motivering van het bezwaar is op 3 maart 2014 bij verweerder binnengekomen. De uitspraak op bezwaar is gedaan op 17 juni 2015. Op 18 juli 2018 wordt uitspraak gedaan door de rechtbank. Er is dus sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met anderhalf jaar (29 maanden). Uitgaande van een vergoeding van € 500 per half jaar termijnoverschrijding heeft eiser recht op een bedrag aan immateriële schadevergoeding van € 2.500 (5 maal € 500).

34. Op grond van de arresten van de Hoge Raad van 22 maart 2013, nr. 11/04270 (ECLI:NL:HR:2013:BX6666) en 9 augustus 2013, nr. 12/06009 (ECLI:NL:HR:2013:199) is een termijn van zes maanden voor de behandeling van een bezwaar redelijk en voor de beroepsfase een termijn van anderhalf jaar. Dit betekent dat de totale overschrijding van 30 maanden voor een deel groot 10 maanden aan verweerder en een deel van 20 maanden aan de rechtbank dient te worden toegerekend. Verweerder dient derhalve een bedrag van 10/30 maal € 2.500 is € 833 (afgerond) aan eiser te vergoeden. De Staat (de Minister voor Rechtsbescherming) zal daarom worden veroordeeld tot betaling van 20/30 maal € 2.500 is € 1.667 (afgerond).

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.500 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 249, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de belastingaanslag tot een berekend naar een bedrag van € 376.565 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- gelast dat verweerder een bedrag van € 833 ter zake van geleden immateriële

schade aan eiseres vergoed;

- gelast dat de Staat (Minister van Rechtsbescherming) een bedrag van € 1.667 ter

zake van geleden immateriële schade aan eiseres vergoed;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.500;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 331 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan mr. B. van Walderveen, voorzitter, mr. M.W. Koenis en mr. J.D. Jansen, leden, in aanwezigheid van mr. E.G. van der Laan griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.