Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:7434

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
27-08-2018
Datum publicatie
28-08-2018
Zaaknummer
15/091766-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag - Verdachte heeft gepoogd het slachtoffer van het leven te beroven door hem met een kapot bierflesje in de nek te steken.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden. Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 6.631,62.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0691
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlemmermeer

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/091766-18 (P)

Uitspraakdatum: 27 augustus 2018

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 13 augustus 2018 in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1985 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres]

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. N.M. Lemmers en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw, mr. P.K. de Blieck-Willemsen, advocaat te Zaandam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 10 mei 2018 te IJmuiden, gemeente Velsen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met een scherp voorwerp, te weten een (kapot) bierflesje en/of een stuk glas heeft geslagen en/of heeft uitgehaald en/of in zijn nek heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 10 mei 2018 te IJmuiden, gemeente Velsen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een scherp voorwerp, te weten een (kapot) bierflesje en/of een stuk glas heeft geslagen en/of heeft uitgehaald en/of in zijn nek heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 10 mei 2018 te IJmuiden, gemeente Velsen openlijk, te weten, [straat 1] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon en/of een goed te weten [slachtoffer] door te schopen en/of te slaan en/of te duwen;

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de navolgende bewijsmiddelen zijn vervat.

De door de rechtbank als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 13 augustus 2018:

Op 10 mei 2018 droeg ik witte sportschoenen, een grijze joggingbroek, een wit Telstar wedstrijdshirt met rugnummer 14 en een zwart vest met de volgende gele opdruk op de rug: Liberia per gli mentalita. Het klopt dat ik die middag [getuige 1] heb gesproken.

Proces-verbaal van aangifte van 10 mei 2018 (dossierpagina 84), inhoudende – zakelijk weergegeven – de door [slachtoffer] afgelegde verklaring:

Op 10 mei 2018 was ik naar de wedstrijd van voetbalclub ‘Telstar’ tegen voetbalclub ‘De Graafschap’. De 2e helft zat ik in een kroeg aan [straat 1] in IJmuiden, gemeente Velsen. Opeens zag ik dat het druk en chaotisch begon te worden. Ik zag dat er gevochten werd. Opeens voelde ik iets op mijn nek spatten. Ik voelde dit in mijn linker hals. Ik legde mijn hand er op. Ik zag dat mijn hand hierna helemaal onder het bloed zat. Ik kreeg nog hulp van iemand en uiteindelijk ben ik naar het ziekenhuis vervoerd door een ambulance.

Proces-verbaal van aangifte van 12 mei 2018 (dossierpagina 89-90), inhoudende – zakelijk weergegeven – de door [slachtoffer] afgelegde verklaring:

Ik voelde ineens een soort van windvlaag en een soort van veeg in mijn nek. Toen ik met mijn hand voelde zag ik dat mijn handen onder het bloed zaten. Ook mijn hals en borst zaten helemaal onder het bloed. Ik was heel erg geschrokken. Op dit moment voel ik benauwdheid bij het ademen en een druk op de borst. Ook heb ik weinig gevoel in mijn linkeroor en linkerzijde van de kaak. In het ziekenhuis is de wond gehecht. Dit ging niet goed omdat er een zwelling ontstond bij de wond. Er was nog een bloeding gaande. Ik ben toen volledig onder narcose gebracht omdat ze dieper moesten kijken.

Proces-verbaal van verhoor van 10 mei 2018 (dossierpagina 96-97), inhoudende – zakelijk weergegeven – de door getuige [getuige 2] afgelegde verklaring:

Ik was op 10 mei 2018 in IJmuiden in verband met de voetbalwedstrijd Telstar tegen De Graafschap. Ik was halverwege de wedstrijd weggegaan vanuit het stadion van Telstar en naar de [bar] in IJmuiden gegaan. Toen de wedstrijd was afgelopen zag ik dat er een groep Telstar supporters aan kwam lopen. Met hen kwam ook een groep van De Graafschap aan lopen. Ik merkte dat de sfeer meteen omsloeg. Vanuit de groep met mensen zag ik dat er een man weg stapte met in zijn (vermoedelijk) rechterhand een kapot bierflesje. Ik zag dat de onderkant van dit flesje weg was. Ik zag vervolgens dat de man met het flesje uithaalde richting de nek van [slachtoffer] . Ik zag dat hij met het flesje de nek van [slachtoffer] raakte.

Proces-verbaal van verhoor van 29 mei 2018 (dossierpagina 139-140), inhoudende – zakelijk weergegeven – de door getuige [getuige 3] afgelegde verklaring:

Op 10 mei 2018 ben ik naar de wedstrijd Telstar-Graafschap gegaan in Velsen. Na de wedstrijd zijn we nog naar de kroeg gegaan. We waren omstreeks 15.00 uur bij de [bar] . Toen ik naar de zijkant liep, zag ik een man met een zwarte vest of trui met een kapot bierflesje een stekende beweging maken. Een seconde daarna zag ik bij [slachtoffer] bloed uit zijn nek spuiten. Dit gebeurde denk ik 4 à 5 (de rechtbank gaat uit van: meter) van mij vandaan. Volgens mij was het een blanke man.

Proces-verbaal van verhoor van 3 juni 2018 (dossierpagina 133-134), inhoudende – zakelijk weergegeven – de door getuige [getuige 4] afgelegde verklaring:

Op een gegeven moment hoorde ik een hoop kabaal naast me. Ik zag gelijk dat [slachtoffer] naar de grond ging en ik zag gelijk een hoop bloed uit zijn nek spuiten. Op datzelfde moment zag ik iemand met zwarte kleding door het publiek naar de ingang van de kroeg lopen. Dit was met versnelde pas.

Proces-verbaal van verhoor van 10 mei 2018 (dossierpagina 99-100), inhoudende – zakelijk weergegeven – de door getuige [getuige 1] afgelegde verklaring:

Ik was samen met mijn vriend, [getuige 5] , naar de wedstrijd van Telstar in Velsen-Noord. Toen wij bij de [bar] aankwamen zag ik allemaal mensen op de weg staan. Toen ik mijn fiets wegzette zag ik één persoon op de grond liggen. Ik zag mijn ex-vriend, [verdachte] , aan komen lopen en hij vroeg aan mij of ik met hem mee wilde lopen. Hij zei heel stoer dat hij ruzie had gehad. Ik vroeg met wie hij ruzie had gehad. Toen zei hij dat het die jongen was die op de grond lag. Ik vroeg toen direct aan [verdachte] of hij die persoon had neergestoken. [verdachte] vertelde mij dat die persoon hem constant aan het uitdagen was.

Die persoon zei steeds tegen [verdachte] : kom dan, kom dan. [verdachte] zei dat hij iemand achter hem hoorde zeggen dat hij hem niet durfde neer te steken. Toen kreeg [verdachte] een kapot bierflesje in zijn handen gedrukt en heeft die jongen in zijn hals gestoken. [getuige 5] stond naast me toen [verdachte] dit vertelde.

Proces-verbaal van verhoor van 10 mei 2018 (dossierpagina 105), inhoudende – zakelijk weergegeven – de door getuige [getuige 5] afgelegde verklaring:

Ik heb [verdachte] tegen [getuige 1] horen zeggen: “Ja ik heb hem gestoken met een stuk glas, ze daagde het zelf uit, het is hun eigen schuld.” Ik weet zeker dat hij dat zelf gezegd heeft tegen [getuige 1] want dat heb ik zelf gehoord.

Proces-verbaal beelden van 1 juni 2018 (dossierpagina 67-69 en 72-77), inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van verbalisant [verbalisant]

Naar aanleiding van het steekincident werd in de directe omgeving een onderzoek ingesteld naar beveiligingscamera’s. Hieruit bleek dat bij [bar] beveiligingsbeelden waren die zicht hadden op het plaats-delict. Voordat de beveiligingsbeelden werden gevorderd en bekeken was reeds bekend dat [verdachte] verdachte was en tevens was aangehouden. Van verdachte [verdachte] werd zijn kleding, die hij op het moment van zijn aanhouding droeg, inbeslaggenomen. [verdachte] voldeed aan het navolgende kledingsignalement:

- Witte sportschoenen, van het merk Quick

- Grijze joggingbroek van het merk Adidas met 3 zwarte strepen op de broekspijpen

- Wit Telstar wedstrijdshirt voorzien van rugnummer 14

- Zwarte hoody met op de voorkant een vis en op de rug niets en een gelijkend t-shirt

- Zwart vest met gele opdruk op de rug: Liberia per gli mentalita

Daar na later bleek [verdachte] de verdachte te zijn van het steekincident en hij binnen de mensenmassa de enige is met een zwarte trui met op het rugpand de tekst Liberta per gli mentalita.

Op 10 mei 2018, omstreeks 15.34 uur, heeft [verdachte] zich verplaatst in de richting van de witte bus. Aldaar heeft [verdachte] zich bij een groepje gevoegd. Het groepje met [verdachte] verplaatst zich richting zwarte bus. Vervolgens verplaatst de groep zich verder richting de zwarte bus, alwaar ze in de menigte opgaan. Daar waar het groepje verdwijnt in de menigte ontstaat rook en een vechtpartij. Door het ontstaan van de vechtpartij verplaatsen de mensen zich in oostelijk richting en valt uit elkaar. Hierop is [verdachte] midden in de vechtpartij te zien. [verdachte] is vervolgens in gevecht met een onbekend gebleven persoon. [verdachte] verplaatst zich naar achteren, waarna hij kennelijk in overleg of gesprek is met 2 onbekend gebleven mannen. Na een kort overleg/gesprek verplaatsen zij zich richting de vechtpartij. [verdachte] loopt, omstreeks 15:37.24 uur weg richting de vechtpartij, waarbij hij zijn kraag omhoog doet. [verdachte] sluit aan bij de vechtende/ruziënde personen te 15:37:29 uur en te 15:37:32 uur in de menigte verdwijnt. Te 15:37:38 uur gaan de groepen uit elkaar, waarbij [verdachte] door 2 vrouwen naar achteren wordt geduwd en omstreeks 15:37:46 uur bij de ingang van [bar] komen. [verdachte] is kennelijk erg boos en wordt met kracht [bar] te 15:37:48 uur ingeduwd, waarna [verdachte] van binnenuit tracht de “in/uitgang” aan de zijkant weer naar buiten te gaan. Buiten blijkt dat daar waar [verdachte] in de menigte verdween kennelijk iemand op de grond ligt.

3.3.2

Bewijsoverweging

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het klopt dat hij die middag witte sportschoenen, een grijze joggingbroek en een zwart vest droeg met de gele opdruk op de rug: Liberia per gli mentalita. Uit het proces-verbaal van bevindingen beelden blijkt dat er binnen de mensenmassa toen maar één persoon te zien is die een dergelijk vest droeg en dat bleek verdachte te zijn. Het gegeven signalement - een blanke man met een zwart vest of trui - van de persoon die een stekende beweging maakt met een kapot bierflesje, zoals verstrekt door getuige [getuige 3] komt overeen met het signalement van verdachte, zoals dit op grond van de camerabeelden door de verbalisant is waargenomen. Ook getuige [getuige 4] verklaart dat, nadat hij had gezien dat het slachtoffer naar de grond ging, er op datzelfde moment iemand met zwarte kleding was die met versnelde pas door het publiek naar de kroeg liep. Uit het proces-verbaal beelden blijkt voorts dat verdachte om 15.37.24 uur richting de vechtpartij gaat, zijn kraag omhoog doet en om 15.37.32 uur in de menigte verdwijnt, en enkele seconden later als de menigte uiteen gaat, door twee vrouwen wordt vastgepakt en het café wordt ingeduwd. Daar komt bij dat de ex-vriendin van verdachte [getuige 1] heeft verklaard dat zij van verdachte in persoon kort na het incident heeft gehoord dat hij het slachtoffer met een kapot bierflesje, dat hij in zijn hand gedrukt kreeg, in de hals heeft gestoken. Haar verklaring wordt ondersteund door de verklaring die haar vriend, [getuige 5] , heeft afgelegd.

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [slachtoffer] op 10 mei 2018 met een kapot bierflesje in zijn nek is gestoken. Op grond van voormelde inhoud van het proces-verbaal beelden en de getuigenverklaringen van [getuige 1] , [getuige 5] , [getuige 4] en [getuige 3] acht de rechtbank bewezen dat verdachte degene is geweest die dit heeft gedaan.

Bij de overtuiging heeft mede een rol gespeeld dat de rechtbank de camerabeelden van de [straat 2] heeft bekeken, waarvan zij ook melding ter zitting heeft gemaakt.

De waarnemingen van de rechtbank sluiten aan bij voornoemde bevindingen van de politie.

De rechtbank passeert de stelling van de verdediging dat verdachte niet kon steken omdat hij met zijn hand net uit het gips was, bij gebreke van een onderbouwing van die stelling.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich, door [slachtoffer] met een kapot bierflesje in zijn nek te steken, heeft schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op die [slachtoffer] .

De rechtbank overweegt hieromtrent dat uit de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, kan worden geconcludeerd dat verdachte opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] . Het is immers een algemene ervaringsregel dat de nek een zeer kwetsbaar lichaamsdeel is. Door met een kapot bierflesje in iemands nek te steken, is de kans aanmerkelijk dat men daardoor kan komen te overlijden.

Nu het een algemene ervaringsregel betreft, moet ook verdachte geacht worden daarvan op de hoogte te zijn geweest. Door niettemin te handelen zoals verdachte heeft gedaan, heeft deze bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] zou kunnen komen te overlijden. Bij verdachte was derhalve sprake van voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] .

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 10 mei 2018 te IJmuiden, gemeente Velsen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,

met een scherp voorwerp, te weten een kapot bierflesje, in zijn nek heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 12 maanden voorwaardelijke met een proeftijd van 3 jaren en daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geformuleerd in het reclasseringsrapport van 30 juli 2018.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 10 mei 2018 gepoogd [slachtoffer] van het leven te beroven door hem met een kapot bierflesje in de nek te steken. Uit de ter terechtzitting voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat [slachtoffer] enkele maanden na het incident nog steeds last ondervindt van de lichamelijke en psychische gevolgen. Hij heeft, zo verklaart hij, nog pijn aan de wond en heeft nog steeds geen gevoel in zijn linker kaak en zijn linkeroor. Daarnaast heeft hij psychische problemen, PTSS, waarvoor hij in therapie is bij een psycholoog.

Naast de genoemde psychische en fysieke gevolgen voor het slachtoffer, zorgen steekincidenten in het algemeen – zeker wanneer die buiten op straat in een menigte plaatsvinden – voor veel onrust en gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. [slachtoffer] is op de openbare weg in het zicht van vele voetbalsupporters gestoken waarbij door omstanders werd gevreesd voor zijn leven. De rechtbank rekent verdachte dit aan.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 6 juli 2018, waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder ter zake van geweldsdelicten is veroordeeld;

- het over verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 30 juli 2018 van [reclasseringswerker] als reclasseringswerkster verbonden aan Reclassering Nederland.

In het voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland van 30 juli 2018 worden de volgende bevindingen vermeld:

Beperkte impulsbeheersing, alcoholgebruik, ontbreken van structurele dagbesteding en een sociaal netwerk waarbij sprake is van negatieve beïnvloeding merkt de reclassering aan als voornaamste risicofactoren voor delictgedrag. Er is sprake van beperkte impulsbeheersing dat in relatie staat tot zijn agressiviteit. Alcoholgebruik heeft hier een negatieve invloed op. Betrokkene heeft beperkte vaardigheden; zowel op praktisch gebied (zoals financiën) als betreft het omgaan met emoties of triggers. Er is sprake van niet aangeboren hersenletsel, waarvan de reclassering niet uitsluit dat dit van invloed is op het bovenstaande.
Naast risicofactoren zijn er ook beschermende factoren en steunfactoren aanwezig. Betrokkene heeft een stabiele woonplek, staat onder bewind en is inmiddels schuldenvrij. Het is positief dat betrokkene begeleiding krijgt van Stichting de Linde en dat er op hun initiatief gezocht is naar een training of behandeling voor zijn agressieprobleem/ beperkte impulsbeheersing. Tevens merkt de reclassering zijn vriendin aan als steunbron. Zij lijkt betrokkene conventionele waarden en normen bij te brengen en zij vormt voor hem, samen met zijn dochter, een grote motivatie om niet meer te recidiveren. Wel zijn er zorgen over het beperkte vangnet.
In het verleden is betrokkene eerder in behandeling geweest voor agressiehantering en heeft onder toezicht bij de reclassering gestaan. Dit is echter circa tien jaar geleden, waardoor dit geen contra- indicatie is voor een nieuw reclasseringsaanbod. Er zijn voldoende aanknopingspunten om een toezicht bij de reclassering uit te voeren, met hieraan een behandelverplichting gekoppeld. Ondanks dat betrokkene aangeeft geen problemen met middelengebruik te hebben, zijn er voldoende aanwijzingen dat dit gemonitord dient te worden en op geïntervenieerd dient te worden indien nodig. Er is een directe relatie aan te merken tussen middelengebruik en meerdere gepleegde geweldsdelicten in het verleden. Ook ten tijde van de huidige tenlastelegging was er sprake van middelengebruik.
Bij een veroordeling wordt een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden geadviseerd.

Gelet op de omschreven ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Daarnaast acht de rechtbank gelet op de persoon van verdachte de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, waaronder verplicht contact met Reclassering Nederland en een verplichte intake/diagnostiek (en eventueel daaruit voortkomende ambulante behandeling) bij Heliomare noodzakelijk.

Voorwaarden van die strekking zullen aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.

De rechtbank merkt op dat de officier van justitie bij een eis van achtenveertig maanden waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren – kennelijk – de ernst van de zaak anders waardeert dan de rechtbank, die een lagere gevangenisstraf zal opleggen dan de straf die door de officier van justitie is gevorderd.

7 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 6.837,17 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De gestelde materiële schade bedraagt € 1.837,17 en bestaat uit:

  • -

    € 95,00 t-shirt

  • -

    € 385,00 ambulancevervoer

  • -

    € 8,33 littekenzalf

  • -

    € 303,09 + € 290,58 = € 593,67 psycholoog

  • -

    € 462,07 reiskosten

  • -

    € 205,55 mantelzorg

  • -

    € 40 busreis + € 47,55 festivalkaart = € 87,55

De gestelde immateriële schade bedraagt € 5.000,00.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 1.631,62 rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit en in zoverre voor toewijzing gereed ligt.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde kosten voor mantelzorg niet voor vergoeding in aanmerking komt, aangezien het geen rechtstreekse schade van de benadeelde partij zelf betreft, maar schade betreft wat diens vriendin zou hebben geleden. De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van dit deel van de vordering niet ontvankelijk verklaren.

De benadeelde kan dit deel van de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank komt de gevraagde vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 5.000,00 billijk voor, gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 mei 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: poging tot doodslag] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 14a, 14b, 14c, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank:

 Verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

 Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden. Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:

- zich uiterlijk twee werkdagen na ommekomst van zijn detentie dient zich te melden bij Reclassering Nederland op het adres: Zijlweg 148C, 2015 BJ te Haarlem, zich zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering (ook als dit inhoud meewerken aan middelencontrole) en zich zal melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren;
- deel zal nemen aan een intake/diagnostiek bij Heliomare of een soortgelijke ambulante (forensische)zorginstelling, zulks ter beoordeling van de reclassering.

Mocht uit de intake een behandelindicatie voortkomen dan wordt veroordeelde verplicht om aan deze behandeling deel te nemen. Hij moet zich houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven, zo lang en zo vaak als deze instelling en de reclassering dit nodig achten.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

 Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 6.631,62 (zesduizendzeshonderdéénendertig euro en tweeënzestig cent), bestaande uit € 1.631,62 als vergoeding voor de materiële en € 5.000,00 als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 mei 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

 Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 6.631,62 (zesduizendzeshonderdéénendertig euro en tweeënzestig cent), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 68 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 mei 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

 Heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.F. van Hoorn, voorzitter,

mr. D.D.M. Hazeu en mr. I.S. Burggraaff, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.C. Naeije,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 27 augustus 2018.