Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:7381

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
05-09-2018
Datum publicatie
11-09-2018
Zaaknummer
6537429
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Luchtvaartzaak (EPGV). Buitengewone omstandigheid onvoldoende aangetoond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 6537429 \ CV EXPL 17-11487

Uitspraakdatum: 5 september 2018

Beschikking in de zaak van:

1 [passagier sub 1] ,

2. [passagier sub 2] ,

beide voor zich en in hun hoedanigheid als wettelijk vertegenwoordiger van
3. [passagier sub 3] ,

4. [passagier sub 4] ,

allen wonende te [woonplaats] , en

5. [passagier sub 5]wonende te [woonplaats]

verzoekers

verder te noemen: de passagiers

gemachtigde: mr. E.L. Heenk

tegen

de rechtspersoon naar het recht van het land van haar vestiging

Air France,

gevestigd te Roissy CDG Cedex (Frankrijk)

verweerder

verder te noemen: Air France

gemachtigde: P. Frühling

1 Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

  • -

    het vorderingsformulier (formulier A), ingekomen ter griffie op 15 december 2017;

  • -

    het antwoordformulier (formulier C), ingekomen ter griffie op 22 mei 2018.

2 De feiten

2.1.

De passagiers hebben met Air France een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan Air France de passagiers diende te vervoeren van Amsterdam via Parijs naar Lissabon op 22 april 2017, hierna: de vlucht.

2.2.

Door vertraging van de eerste vlucht hebben zij hun aansluitende vlucht gemist en een aankomstvertraging van meer dan drie uur opgelopen op de overeengekomen eindbestemming.

2.3.

De passagiers hebben compensatie van Air France gevorderd in verband met voornoemde vertraging.

2.4.

Air France heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

2.5.

De passagiers zijn door de kantonrechter gemachtigd de onderhavige procedure namens hun minderjarige kinderen te voeren.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

De passagiers verzoeken Air France te veroordelen tot betaling van:

- € 2.000,00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 en 5 december 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 363,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 4 en 5 december 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;
- de proceskosten, nakosten daaronder begrepen.

3.2.

De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof).

3.3.

De passagiers stellen dat Air France vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is hen te compenseren conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 400,00 per passagier. Daarnaast maken de passagiers aanspraak op betaling door Air France van de buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente.

3.4.

Air France betwist de vordering. Zij voert aan dat er sprake is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet konden worden voorkomen. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft Air France aangevoerd dat de onderhavige vlucht is vertraagd ten gevolge van capaciteitsrestricties opgelegd door de luchtverkeersleiding te Amsterdam. De onderhavige vlucht kreeg hierdoor een ander tijdslot en steeg later op dan gepland. Air France kon met alle beschikbare materiële en persoonsmiddelen niet vermijden dat de capaciteitsrestricties waarmee zij werd geconfronteerd tot de vertraging van de onderhavige vlucht zou leiden.

3.5.

Voorts maakt Air France bezwaar tegen de buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.

4.2.

Op grond van artikel 5 lid 3 van de Verordening is Air France niet verplicht de passagiers te compenseren zoals bedoeld in artikel 7 van de Verordening indien zij kan aantonen dat de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. Air France stelt dat hier sprake is van buitengewone omstandigheden omdat de vertraging het gevolg was van de capaciteitsrestricties ingesteld door de luchtverkeersleiding te Amsterdam.

4.3.

De kantonrechter overweegt als volgt. In overweging 15 van de considerans van de Verordening is opgenomen dat sprake is van een buitengewone omstandigheid bij een langdurige vertraging door een besluit van het luchtverkeersbeheer voor een specifiek vliegtuig op een specifieke dag. Beoordeeld dient dan ook te worden of de vertraging van de vlucht is veroorzaakt door een besluit van de luchtverkeersleiding voor het toestel dat de vlucht zou uitvoeren. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat de Verordening een hoge mate van bescherming van de consument beoogt en restrictief moet worden uitgelegd.

4.4.

Air France heeft een vluchtfiche van de onderhavige vlucht, een uittreksel uit het beheersprogramma van Air France en een brief van de KLM Customer Care overgelegd, maar hieruit valt met de door Air France gegeven toelichting niet op te maken welke reden ten grondslag heeft gelegen aan het verstrekken van de nieuwe slottijd, noch in hoeverre dit besluit betrekking heeft gehad op het specifieke toestel waarmee de onderhavige vlucht is uitgevoerd. Enkel ten aanzien van het als productie 3 overgelegde bericht van de KLM Customer Care heeft Air France toegelicht wat de reden van het besluit zou zijn geweest, te weten “drukte op de luchthaven waardoor er geen gate beschikbaar was”. Onduidelijk is echter of dit enkel gold voor het specifieke toestel dat onderhavige vlucht heeft uitgevoerd. Voor zover op die dag sprake is geweest van algemene restricties in verband met capaciteitsproblemen door de luchtverkeerbeheer te Amsterdam opgelegd, heeft te gelden dat reeds eerder is geoordeeld dat dergelijke restricties inherent zijn aan het voeren van een luchtvaartonderneming en vallen deze niet te kwalificeren als buitengewone omstandigheid als bedoeld in artikel 5 lid 3 van de Verordening.

4.5.

Gelet op het voorgaande heeft Air France haar verweer dat de vertraging het gevolg is van een buitengewone omstandigheid onvoldoende onderbouwd. Aangezien de buitengewone omstandigheden niet zijn komen vast te staan, komt de kantonrechter niet toe aan de beantwoording van de vraag of de vertraging ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet kon worden voorkomen. Nu Air France voor het overige ter zake van de compensatie geen verweer heeft gevoerd, zal de vordering tot betaling van € 400,00 per passagier worden toegewezen.

4.6.

Air France betwist wettelijke rente verschuldigd te zijn over de hoofdsom. De vertraging van de vlucht is ontstaan op 22 april 2017. Per die datum hebben de passagiers schade geleden. Er is, in tegenstelling tot hetgeen Air France stelt, in dit geval sprake van een vordering tot vergoeding van forfaitair berekende schade, welke schade gelet op artikel 6:83 sub b BW terstond opeisbaar is. Het verzuim treedt dus zonder ingebrekestelling in op het moment dat de schade geacht wordt te zijn geleden. Echter hebben de passagiers de wettelijke rente gevorderd vanaf 4 en 5 december 2017. Gelet hierop zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf die datums.

4.7.

De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. Air France heeft deze vordering (gemotiveerd) betwist. Nu de onderhavige vordering geen betrekking heeft op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is, zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. De kantonrechter acht voldoende aannemelijk gemaakt dat de passagiers buitengerechtelijke werkzaamheden hebben verricht dan wel hebben laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten dient te worden getoetst aan de tarieven zoals vervat in het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II, nu de tarieven neergelegd in voornoemd Besluit geacht worden redelijk te zijn. Omdat het gevorderde bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zullen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen.

4.8.

De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is toewijsbaar. Omdat de passagiers niet hebben gesteld op welke datum de buitengerechtelijke kosten daadwerkelijk zijn betaald, zal de kantonrechter de rente toewijzen vanaf de dag van indiening van het A-formulier, te weten 15 december 2017.

4.9.

De proceskosten komen voor rekening van Air France, omdat zij ongelijk krijgt. De gevorderde rente is toewijsbaar met ingang van de datum gelegen 14 dagen na betekening van deze beschikking.

4.10.

Ook de nakosten kunnen worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt.

4.11.

Op verzoek van de passagiers zal een certificaat betreffende een beslissing in de Europese procedure voor geringe vorderingen na 14 juli 2017 of een gerechtelijke schikking aan deze beschikking worden gehecht.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt Air France tot betaling aan de passagiers van € 2.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.600,00 vanaf 4 december 2017 en over € 400,00 vanaf 5 december 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt Air France tot betaling aan de passagiers van € 363,00 aan buitengerechtelijke incassokosten te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 15 december 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening;

5.3.

veroordeelt Air France tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op € 223,00 aan griffierecht en € 150,00 aan salaris gemachtigde en veroordeelt Air France tot betaling van € 75,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt;

5.5.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gewezen door mr. J. Candido, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open