Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:7348

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
23-08-2018
Datum publicatie
21-09-2018
Zaaknummer
C/15/277558 / JU RK 18-1469
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het betreft een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van twee kinderen.

De kinderrechter heeft ervoor gekozen om het jongste kind (jongen) bij zijn biologische vader

te laten verblijven. Ten aanzien van het meisje van 15 jaar waren er wel zorgen maar er is toch

voor gekozen haar naar moeder terug te laten gaan omdat zij dan haar nieuwe school op een nieuwe opleiding kan starten

hetgeen nu belangrijk is voor haar ontwikkeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd

Zittingsplaats: Haarlem

zaakgegevens:

C/15/277230 / JU RK 18-1399 (voorlopige ondertoezichtstelling en spoed uithuisplaatsing)

C/15/277558 / JU RK 18-1469 (definitieve ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing)

datum uitspraak: 9 augustus 2018

beschikking ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Haarlem,

betreffende

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

- [minderjarige 2]geboren op [geboortedatum] in [plaats] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

betreffende [minderjarige 1] :

[moeder] ,

wonende te [plaats] ,

advocaat mr. M.S. Gerson, kantoorhoudende te Amsterdam;

betreffende [minderjarige 2] :

[moeder] ,

wonende te [plaats] ,

advocaat mr. M.S. Gerson, kantoorhoudende te Amsterdam,

en

[vader] ,

wonende te [plaats] .

Het procesverloop


Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- de beschikking van de kinderrechter van 31 juli 2018 en de daarin genoemde stukken;

- het verzoek, met bijlagen van de Raad van 7 augustus 2018, ingekomen bij de griffie op

8 augustus 2018.

Op 9 augustus 2018 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Hierbij zijn verschenen en gehoord:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,

- de vader en zijn partner,
- de Raad, vertegenwoordigd door de heer R. Koops,

- de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming (Regio Amsterdam), hierna te noemen, de GI, gevestigd te Amsterdam, vertegenwoordigd door de heer [medewerker GI] .

[minderjarige 1] is voorafgaand aan de zitting in raadkamer afzonderlijk door de kinderrechter gehoord.

Bij beschikking van 13 augustus 2018, verbeterd bij herstelbeschikking van 15 augustus 2018, is reeds in verkorte vorm uitspraak gedaan. Hieronder volgt de schriftelijke uitwerking.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt uitgeoefend door de moeder. [minderjarige 1] verblijft bij haar oma mz en [minderjarige 2] verblijft bij zijn vader.

Bij beschikking van de kinderrechter van 31 juli 2018 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden met ingang van de datum van 30 juli 2018.

Voorts heeft de kinderrechter bij beschikking van 31 juli 2018 machtiging verleend [minderjarige 1] (bij oma mz) en [minderjarige 2] (bij vader) uit huis te plaatsen, hierna aan te duiden als spoeduithuisplaatsing, met ingang van 30 juli 2018 voor de duur van vier weken en is het verzoek voor het overige aangehouden. De behandeling van beide verzoeken is bepaald op 9 augustus 2018 teneinde de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen te worden gehoord door de kinderrechter.

Het verzoek

De Raad heeft de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verzocht voor de duur van twaalf maanden.

Tevens wordt de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verzocht voor de duur van drie maanden in een netwerkgezin.

De Raad heeft ter onderbouwing van de verzoeken aangegeven dat er al langer zorgen zijn over de opvoedingssituatie bij de moeder thuis. Zo is het huis meermalen vervuild aangetroffen, zijn zowel moeder als haar partner bekend met middelengebruik en lijkt moeder overbelast. Er zijn zorgen over de schoolgang van [minderjarige 1] . Eerder is [minderjarige 1] lange tijd uit huis geplaatst geweest. In het weekend van 28 en 29 juli 2018 zijn de moeder en haar partner betrokken geweest bij een ernstig geweldsincident met een wapen (een bijl). Hoewel de kinderen volgens getuigen hierbij niet aanwezig waren hebben zij wel te kampen gehad met de nasleep ervan. De moeder en haar partner zijn gearresteerd (geweest) en waren daardoor niet in staat voor de kinderen te zorgen. Door het mobiele crisisteam zijn veiligheidsafspraken gemaakt. Op 30 juli 2018 is het de Jeugdbescherming tijdens een huisbezoek bij de moeder niet gelukt om in samenwerking met de moeder tot verdere veiligheidsafspraken te komen. De kinderen waren aanwezig toen de moeder dreigend is geweest richting de GI. De Raad is van mening dat de huidige situatie onveilig is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De moeder maakt volgens de GI en het crisisteam een kwetsbare, verwarde indruk waarbij er vermoedens zijn van middelengebruik.

De Raad is van mening dat de moeder op dit moment onvoldoende in staat is om onder eigen verantwoordelijkheid de bedreiging voor de kinderen weg te nemen en de nodige hulpverlening daarvoor te accepteren. De Raad heeft zorgen dat de moeder, doordat zij onvoldoende draagkracht heeft, niet in staat is [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de nodige veiligheid en basale verzorging te geven die zij juist zo hard nodig hebben. Voorts is er bij de moeder sprake van pedagogische onmacht, overbelasting, zorgen over drugsgebruik en zorgen over de financiële situatie.

De standpunten

De moeder

Door en namens de moeder is ter zitting aangegeven dat zij zich kan vinden in een ondertoezichtstelling voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De moeder is van mening dat hulpverlening nodig is in de thuissituatie om de problemen die er zijn aan te pakken. De instelling Leviaan komt nu al in huis en kan thuis ondersteuning bieden voor zowel de moeder als voor praktische zaken. De moeder is van mening dat er onvoldoende noodzaak was om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op deze manier uit huis te halen. Het is in het belang van beide kinderen dat zij bij hun eigen moeder opgroeien en door haar worden opgevoed. De moeder heeft in de afgelopen periode telkens inzet getoond om de veiligheid van de kinderen te garanderen. Het incident dat heeft plaatsgevonden was een vervelend incident veroorzaakt door haar ex. Deze ex bleef haar stalken en heeft op die manier voor een onveilige situatie gezorgd. De moeder heeft aangevoerd dat het belangrijk is dat [minderjarige 1] op korte termijn thuis komt wonen zodat zij haar school kan vervolgen in de buurt waar ze woont. [minderjarige 1] verblijft nu bij oma mz die in [plaats] woont. De afstand tussen de woonplaats van oma mz en de school is te groot voor [minderjarige 1] . Ook ten aanzien van [minderjarige 2] is de moeder van mening dat hij thuis kan wonen. Wel heeft de moeder aangegeven dat de vader een goede opvang is voor [minderjarige 2] en hij het goed doet bij vader. Mocht de kinderrechter het verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] verlengen, is het wellicht beter dat [minderjarige 2] het schooljaar bij vader afmaakt.

Ter zitting zijn foto’s voorgelegd aan de kinderrechter om te laten zien dat het huis op orde is en de kinderen weer naar huis kunnen.

De vader van [minderjarige 2]

De vader heeft aangegeven dat hij het eens is met de verzoeken van de Raad. Het kan echter niet de bedoeling zijn dat er nog meer wisselingen in de woonplek van [minderjarige 2] komen, dat is niet goed voor zijn ontwikkeling. Het is wellicht in het belang van [minderjarige 2] - en zijn schoolgang - nodig dat [minderjarige 2] langer bij de vader geplaatst blijft. Hij kan dan zijn schooljaar bij de vader afmaken.

De GI

De jeugdbeschermer van de GI heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij al langer bij het gezin betrokken is en hij de situatie inschat als zorgelijk. Eerder is er ook een ondertoezichtstelling geweest en deze is zonder resultaat afgesloten. De GI ziet een terugval en de zorgen stapelen zich op met als dieptepunt het geweldsincident waarbij de moeder, haar partner en haar ex betrokken waren. Dit is voor de kinderen geen veilige omgeving om in te verblijven. Tevens zijn er zorgen over het middelengebruik van de moeder. Het is niet in het belang van de kinderen dat zij telkens wisselen van woonplek. De plek bij de vader is wellicht voor [minderjarige 2] een geschikte plek om langer te blijven wonen. De hulpverlening van Leviaan is actief in het gezin van de moeder en bekeken moet worden of deze vorm van hulpverlening voldoende is of dat er extra hulp ingezet dient te worden.

De beoordeling

De Raad heeft ter zitting verzocht de voorlopige ondertoezichtstelling te handhaven en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] definitief onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar.

Tevens heeft de Raad ter zitting verzocht de spoeduithuisplaatsing te handhaven en machtiging te verlenen voor de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van drie maanden in een netwerkgezin.

In hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, heeft de kinderrechter geen aanleiding gevonden om het in voormelde beschikking van 31 juli 2018 geformuleerde oordeel te wijzigen. Die beschikking dient derhalve te worden gehandhaafd.

Gelet op het verhandelde ter zitting en hetgeen uit de stukken is gebleken overweegt de kinderrechter als volgt. Gebleken is dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zodanig opgroeien dat zij ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De concrete ontwikkelingsbedreigingen bestaan eruit dat er bij de moeder sprake is van een onveilige en onvoorspelbare opvoedingsomgeving waarin sprake is van conflictueuze situaties, emotieregulatieproblematiek en schuldenproblematiek. Tevens is er sprake (geweest) van een vervuild en verwaarloosd huishouden. Ten slotte zijn er zorgen over het drugsgebruik van de moeder. Ten aanzien van [minderjarige 1] is er in de afgelopen tijd sprake geweest van veelvuldig schoolverzuim. De moeder lijkt leerbaar maar de vraag is wel in hoeverre de geleerde vaardigheden beklijven. Mogelijk is er sprake van pedagogische onmacht en onvoldoende draagkracht bij de moeder.

De moeder is in de afgelopen periode niet in staat geweest de nodige veiligheid en basale verzorging aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te geven. Mede door toedoen van de moeder zijn de kinderen in een onveilige situatie gebracht waarvan zij bewust/onbewust het een en ander hebben mee gekregen.

Tevens blijkt dat de zorg die noodzakelijk is om de bedreigingen weg te nemen in dit geval niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, omdat de hulpverlening in het vrijwillige niet of onvoldoende van de grond is gekomen.

Vooralsnog lijkt de verwachting gerechtvaardigd dat de moeder in staat zal zijn binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen. In het verleden is de hulpverlening reeds in een gedwongen kader geboden. Deze is, gelet op de huidige situatie en de terugval in de thuissituatie, uiteindelijk niet toereikend geweest.

Uit het voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek. Het verzoek tot ondertoezichtstelling zal daarom worden toegewezen, zoals hierna bepaald.

Gelet op de aanwezige problematiek en de in te zetten hulpverlening zal de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht stellen voor de duur van twaalf maanden.

De kinderrechter is ten aanzien van de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] van oordeel dat deze zal gelden voor de duur van de spoedbeslissing, te weten tot 27 augustus 2018, in totaal vier weken. [minderjarige 1] staat met het schooljaar voor de deur voor een nieuwe uitdaging qua opleiding op de school die voor haar in [plaats] is gevonden. Op dit moment verblijft [minderjarige 1] nog bij haar oma mz in [plaats] . Alle betrokkenen zijn het erover eens dat dit gelet

op de reisafstand niet haalbaar is voor [minderjarige 1] . Zij zou dichterbij school moeten wonen om haar schoolgang vanaf september 2018 een succes te laten worden. Bovendien is de plaatsing bij oma mz op termijn niet passend. Gelet hierop en gelet op de intentie en de inzet van de moeder om hulpverlening te aanvaarden en haar huis en leven op orde te krijgen, zowel in praktisch opzicht als gericht op het behandelen van haar problematiek, zal de kinderrechter de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] handhaven tot 27 augustus 2018, zodat de thuisplaatsing van [minderjarige 1] geleidelijk kan plaatsvinden. Het verzoek tot uithuisplaatsing voor de periode nadien zal worden afgewezen.

Ten aanzien van [minderjarige 2] is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader verlengd dient te worden tot 30 oktober 2018. De kinderrechter overweegt daartoe dat [minderjarige 2] bij de vader in een veilige en stabiele omgeving verblijft, van waaruit hij zich in positieve zin kan ontwikkelen. Ook [minderjarige 2] heeft de afgelopen periode veel meegemaakt en het is voor zijn ontwikkeling nodig dat er een gestructureerde, veilige en stabiele opvoedsituatie is met duidelijke en voorspelbare regels. Tevens kan [minderjarige 2] vanuit de woonsituatie bij de vader in de buurt naar school. De kinderrechter is het met de vader eens dat er goed onderzocht moet worden wat in de (nabije) toekomst een goede plek voor [minderjarige 2] om op te groeien is. Wellicht kan dan ook voor de komende periode, zoals door de moeder en de vader is aangegeven, de plek bij de vader gewaarborgd worden.

Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de uithuisplaatsing van [minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en de opvoeding, zoals genoemd in artikel 1:265b BW.

Ter zitting is nog ter sprake gekomen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij elkaar zouden moeten verblijven, bij wie dat dan ook zou zijn. Dit betreft, naar het oordeel van de kinderrechter, in het kader van een weging van alle belangen echter slechts één aspect. De kinderrechter heeft het navolgende bij haar beslissing [minderjarige 1] na 27 augustus 2018 weer naar de moeder te laten gaan en de plaatsing van [minderjarige 2] bij de vader te continueren meegewogen. [minderjarige 1] is al wat ouder, heeft groot belang bij een positieve start op haar nieuwe opleiding in september 2018 en is, zo lijkt het, door haar leeftijd en verdergaande ontwikkeling beter in staat met de situatie bij de moeder om te gaan. Anderzijds lijkt het voor de moeder gemakkelijker haar leven en huishouden op orde te krijgen wanneer zij voor één kind hoeft te zorgen. [minderjarige 2] is gelet op zijn leeftijd in een kwetsbare fase van zijn leven beland en behoeft meer stabiliteit en structuur. De vader en zijn partner, voor [minderjarige 2] zeer vertrouwde personen, kunnen hem dat bieden. Bovendien wonen de moeder en de vader van [minderjarige 2] niet zo ver uit elkaar dat er geen tussentijds contact tussen beide kinderen mogelijk is.

De beslissing

De kinderrechter:

Betreffende [minderjarige 1]

stelt [minderjarige 1] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming (Regio Amsterdam), gevestigd te Amsterdam met ingang van 13 augustus 2018 tot uiterlijk 13 augustus 2019;

handhaaft de (spoed)beslissing met betrekking tot de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een (netwerk)gezin tot 27 augustus 2018;

wijst af het verzoek tot verlenging van uithuisplaatsing van [minderjarige 1] voor de periode na 27 augustus 2018;

betreffende [minderjarige 2]

stelt [minderjarige 2] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming (Regio Amsterdam), gevestigd te Amsterdam met ingang van 13 augustus 2018 tot uiterlijk 13 augustus 2019;

verleent machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een (netwerk)gezin tot 30 oktober 2018;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. Ph. Burgers, kinderrechter, in tegenwoordigheid van J.B. Stevens als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2018

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Amsterdam