Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:7281

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
22-08-2018
Datum publicatie
03-09-2018
Zaaknummer
C/15/259001 / HA ZA 17-366
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vernietiging testament wegens dementie erflater. Conservatoir beslag van rechtswege vervallen. De ingestelde vorderingen zijn geen verhaalsvorderingen en kunnen daarom niet als eis in de hoofdzaak voor het gelegde beslag worden aangemerkt. Hoofdzaak niet binnen de in de verlofbeschikking vermelde termijn ingesteld

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2018/351
ERF-Updates.nl 2018-0169
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rolnummer: C/15/259001 / HA ZA 17-366

Vonnis van 22 augustus 2018

in de zaak van

[eiser/verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. R.J. Alderse Baas te Amsterdam,

tegen

1. [gedaagde1/eiseres1], in haar hoedanigheid van erfgenaam van [A.] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. A.C. Kool te Amsterdam,

2. [gedaagde2/eiser2] , in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van [A.] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. M.C. Leenhouts te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser/verweerder] , [gedaagde1/eiseres1] en [gedaagde2/eiser2] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 12 juli 2017

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 11 januari 2018 en de daarin vermelde stukken

  • -

    de akte overlegging productie van [eiser/verweerder] van 31 januari 2018

  • -

    de akte van [gedaagde1/eiseres1] van 11 april 2018

  • -

    de antwoordakte van [gedaagde2/eiser2] van 11 april 2018

  • -

    de akte uitlating productie tevens voorwaardelijke eisvermeerdering van [eiser/verweerder] van 13 juni 2018

  • -

    de akte van [gedaagde1/eiseres1] van 27 juni 2018

  • -

    de antwoordakte van [gedaagde2/eiser2] van 27 juni 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op [datum] is [A.] (verder: erflater) op 88 jarige leeftijd overleden. Erflater is een achterneef van [eiser/verweerder] . [gedaagde1/eiseres1] was een vriendin van de eerder overleden broer van erflater. [gedaagde2/eiser2] was een buurman van erflater.

2.2.

Erflater heeft op 2 januari 2015 bij testament over zijn nalatenschap beschikt. Het testament is opgesteld en gepasseerd door notaris mr. L.C. Klein te Amsterdam. [eiser/verweerder] is in het testament tot enig erfgenaam benoemd en [gedaagde2/eiser2] is benoemd tot executeur. Verder heeft erflater in het testament de volgende legaten opgenomen:

[B.] (hierna: [B.] ) € 25.000,00

[gedaagde1/eiseres1] € 50.000,00

[gedaagde2/eiser2] € 25.000,00

[B.] , [gedaagde1/eiseres1] en [eiser/verweerder] alle roerende lichamelijke zaken

2.3.

Bij verzoekschrift van 23 oktober 2015, op de griffie binnengekomen op 20 november 2015, hebben [eiser/verweerder] en zijn broer [C.] de kantonrechter verzocht om erflater onder bewind te stellen. Bij het verzoek is een schriftelijke toelichting gevoegd van casemanager [D.] (hierna: [D.] ), werkzaam bij Maatschappelijke dienstverlening PuurZuid. In de toelichting heeft zij onder meer het volgende geschreven:

“Dhr. [A.] is september 2015 op verzoek van de huisarts en diens praktijkondersteuner bezocht in verband met zorgen en vraagtekens rondom een PGB, zijn administratie en financiën.

Meneer lijdt aan dementie (diagnose door [E.] , specialist ouderengeneeskunde op 30 juni 2015: dementiesyndroom, hoogst waarschijnlijk Alzheimer) en wordt hierdoor in toenemende mate beperkt. Tijdens afspraken blijkt meneer geen adequate antwoorden over het PGB en andere vragen rondom financiën te kunnen geven, de cognitieve problemen zijn duidelijk aanwezig.

[…]

Tijdens dit gesprek d.d. 21 oktober 2015 met achterneven, praktijkondersteuner huisarts en zorgcoördinator van de thuiszorg de huidige situatie en mogelijke stappen besproken. Voor alledaagse handelingen, zorg en begeleiding is er inzet thuiszorg en aanmelding casemanager dementie. De casemanager dementie wordt ingezet bij mensen met de diagnose dementie door het meldpunt dementie.

[…]

We zijn het erover eens dat meneer [A.] financieel heel kwetsbaar is, zowel voor mogelijk misbruik als ook voor het maken van fouten. Het is van belang dat zijn financiële belangen door een onafhankelijke partij worden behartigd.

Gezien meneers geheugenproblemen en de situatie was en is het onze gezamenlijke overtuiging dat meneer het beste af is met beschermingsbewind.

[…]

Hoewel er officieel de diagnose dementie is kunnen wij deze niet toevoegen omdat meneer daarvoor geen toestemming heeft willen geven”

2.4.

In november 2015 heeft erflater notaris mr. L.C. Klein benaderd om zijn testament te wijzigen. De aanvraag is in behandeling genomen door notaris mr. C.M. Klein, de opvolgster van mr. L.C. Klein en daarna door notaris mr. D. Hicks. Mr. C.M. Klein heeft de huisarts van erflater gevraagd om een verklaring van wilsbekwaamheid. Op 30 november 2015 heeft huisarts [F.] , een praktijkgenoot van de vaste huisarts van erflater, de volgende verklaring op schrift gesteld:

“Vandaag was mijn patiënt, Dhr [A.] , bij u omdat hij het testament wilde wijzigen. U vroeg via hem, mij om een verklaring van wilsbekwaamheid. Hierbij verklaar ik dat dhr. wilsbekwaam is als het gaat om het aanpassen van zijn testament.”

2.5.

In een e-mail van 9 oktober 2017 heeft de juridisch adviseur van huisarts [F.] het volgende aan de advocaat van [eiser/verweerder] geschreven:

“[…] Cliënte heeft de volgende dag contact opgenomen met de patiënt en aangegeven dat ze het bericht dat ze haar verklaring waar de patiënt de dag ervoor om had verzocht, weer introk. Verder heeft zij eveneens aan de huisnotaris van de patiënt mededeling gedaan dat zij de verklaring weer had ingetrokken. […]”.

2.6.

Mr. Klein c.q. mr. Hicks heeft geen genoegen genomen met de verklaring van de huisarts en heeft aangegeven een verklaring te willen hebben van een arts aangesloten bij de Vereniging van Indicerende en Adviserende artsen. [gedaagde2/eiser2] heeft vervolgens per e-mail van 1 december 2015 indicatiebureau Argonaut benaderd met het verzoek om met spoed een wilsbekwaamheidsonderzoek bij erflater uit te voeren. Argonaut heeft op dezelfde datum aangegeven dat zij alleen aanvragen van notarissen in behandeling neemt.

2.7.

[gedaagde2/eiser2] heeft omstreeks 2 december 2015 contact opgenomen met notaris mr. P.J. van der Kar (verder: notaris Van der Kar) met de mededeling dat erflater zijn testament wilde wijzigen. Op 7 december 2015 heeft [gedaagde2/eiser2] erflater naar het kantoor van notaris Van der Kar gebracht. De notaris heeft drie kwartier met erflater gesproken. [gedaagde2/eiser2] was niet bij dat gesprek aanwezig. Op 8 december 2015 heeft de notaris het concepttestament aan erflater toegezonden. Op 15 december 2015 heeft de notaris het testament in het bijzijn van erflater gepasseerd. In het testament is [gedaagde1/eiseres1] tot enig erfgenaam benoemd. [gedaagde2/eiser2] is (wederom) benoemd tot executeur.

2.8.

Op 6 november 2015 heeft erflater, vergezeld door [gedaagde1/eiseres1] en [gedaagde2/eiser2] , aangifte gedaan van diefstal uit zijn woning op 20 oktober 2015. Het proces-verbaal van aangifte houdt – voor zover van belang – het volgende in:

“[…]

“Noot verbalisant:

[…]

[A.] is dementerend, daarom heeft [A.] zijn schoonzus [gedaagde1/eiseres1] en buurman [gedaagde2/eiser2] meegenomen voor het doen van aangifte.

[…]

Verklaring [A.] :

“Mijn achterneef [eiser/verweerder] […] is bij mij in [woonplaats] op bezoek geweest. Dit was tussen 16 oktober en 26 oktober 2015. Ik weet niet goed meer wat er toen is gebeurd. Dit kan mijn schoonzus [gedaagde1/eiseres1] beter vertellen.”

[gedaagde1/eiseres1] verklaarde mij, verbalisant het volgende:

“Op 20 oktober 2015 tussen 13:00 en 15:00 uur is het bedrijf Kools & Ravenhorst Brandkasten B.V. bij [A.] thuis geweest. Zij hebben de brandkast van [A.] geopend. In deze brandkast zat een hoop geld in totaal ongeveer 275.00 euro cash en een goudklompje van 0.5 kg te waarde van € 16.400 euro.

Na het openen van deze brandkast is er 240.000 euro verdwenen en het goudklompje. Alleen [A.] en [eiser/verweerder] zijn bij het openen van de kluis aanwezig geweest.

[….]”.

2.9.

In een e-mailbericht van 10 november 2015 heeft [eiser/verweerder] aan [D.] geschreven dat erflater een envelop met geld uit de kluis aan hem in bewaring heeft gegeven.

2.10.

Eind februari 2016 heeft [eiser/verweerder] in het bijzijn van onder meer mr. [N] , advocaat van erflater, [D.] en de bewindvoerder een envelop met € 219.000,00 aan contanten aan de bewindvoerder overhandigd. Het geld is op de bewindvoerdersrekening bij de ABN AMRO Bank gestort.

2.11.

Erflater heeft tot november 2016 zelfstandig gewoond in een appartementencomplex voor senioren in [woonplaats] . Daarna is hij opgenomen in een zorghotel in [woonplaats] waar hij tot zijn overlijden op [datum] heeft gewoond.

2.12.

Na het overlijden van erflater heeft [gedaagde2/eiser2] de kamer in het zorghotel leeggeruimd en de roerende zaken van erflater opgeslagen. Voorafgaand aan het overlijden van erflater heeft de bewindvoerder taxatiebureau Burger B.V. (hierna: de taxateur) opdracht gegeven een groot aantal roerende zaken van erflater te waarderen. De in het taxatierapport d.d. 7 december 2016 vermelde goederen bevinden zich blijkens een e-mail van notaris Van der Kar van 8 mei 2017 (nog steeds) onder de taxateur.

2.13.

[gedaagde1/eiseres1] heeft de nalatenschap van erflater zuiver aanvaard. [gedaagde2/eiser2] heeft zijn benoeming als executeur aanvaard.

2.14.

Met verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam heeft [eiser/verweerder] op 24 maart 2017 ten laste van [gedaagde1/eiseres1] beslag gelegd op de bankrekeningen van erflater bij de ING Bank en de ABN AMRO Bank en op alle roerende zaken die de taxateur onder zich heeft ten behoeve van erflater althans [gedaagde1/eiseres1] in haar hoedanigheid van erfgenaam.

2.15.

Op verzoek van [eiser/verweerder] heeft prof. dr. [G.] (verder: [G.] ), neuroloog bij het Alzheimercentrum van het VUmc, het door de huisarts ter beschikking gestelde medisch dossier van erflater bestudeerd. Op 19 december 2017 heeft [G.] de volgende e-mail aan de advocaat van [eiser/verweerder] gestuurd:

“ik heb het dossier doorgenomen, keurig door de huisarts chronologisch samengesteld. Om op uw eerste vraag te antwoorden: betreffende brief van huisarts [F.] van 30-11-2015 bevindt zich niet in het dossier. Om kortheidshalve op uw tweede vraag antwoord te geven zijn er 3 stukken in het dossier van belang:

1. een brief van drs [H.] en Mw [I.] , dd 30-06-11, waarin o.a. de conclusie: mild cognitive impairment, dd beginnende M. Alzheimer. De MMSE bedraagt volgens de brief 23/30 hetgeen beneden het afkappunt voor normaal is.

2. een brief van [E.] , specialist ouderengeneeskunde, dd 30-6-2015. Hij concludeert dat er inmiddels sprake is van een dementie, meest waarschijnlijk Alzheimer, en adviseert inzet casemanagement. Volgens het dossier is de casemanager op 19-10-15 toegewezen, via Amstelring.

3. een brief van dagcentrum COGA (VUMC), waaruit blijkt dat patiënt op 14-12-15 aldaar is onderzocht. De conclusies zijn glashelder: dement, geen ziekte-inzicht, geen ziektebesef, gestoord lange en korte termijn geheugen. MMSE 22/30. Zeer zorgelijke thuissituatie; door het geheugenprobleem weet patiënt niet dat hij insuline gebruikt (en nodig heeft!); zeer kwetsbare patiënt en gevraagd wordt met spoed aanvullende zorg in te zetten.

Al met al is het dus zeer twijfelachtig en eigenlijk zeer onwaarschijnlijk dat patiënt op 15-12-2015 (een dag na het bezoek aan COGA) in staat was te overzien en in te zien wat een testamentswijziging zou inhouden, op basis van al langer bestaande cognitieve stoornissen en later dementie met grote impact in het dagelijks leven.

[…]”.

2.16.

Bij beschikking van de kantonrechter te Amsterdam van 26 januari 2016 zijn de goederen van erflater onder bewind gesteld, met benoeming van Beaufin B.V. tot bewindvoerder, en is ten behoeve van erflater een mentorschap ingesteld. Het door (de advocaat van) erflater ingestelde hoger beroep is op 4 april 2016 ingetrokken.

2.17.

Bij beslissing van 21 november 2017 heeft de kamer voor het notariaat in het ressort Amsterdam de klacht van [eiser/verweerder] tegen notaris Van der Kar gegrond verklaard en de notaris de maatregel van een waarschuwing opgelegd. De kamer overweegt daartoe onder meer het volgende:

4. Het verweer

4.1

De notaris voert tot zijn verweer aan dat hij geen verwardheid van erflater of beïnvloeding door derden heeft waargenomen. […] Wetende van de doktersverklaring en het proces-verbaal van aangifte heeft de notaris extra aandacht besteed aan de geestestoestand van erflater. Mede gelet daarop heeft hij erflater gevraagd naar de reden van de wijziging van het testament, […] Erflater heeft de notaris de reden van de wijziging toegelicht. Deze was duidelijk en coherent: hij wilde klager niet langer als begunstigde in zijn testament. Erflater was boos dat zijn neef (klager) kennelijk geen vertrouwen meer in hem had. Desgevraagd heeft de notaris ter zitting van 10 oktober 2017 verklaard dat erflater zich geen zorgen maakte dat klager het geld (dat uit zijn kluis afkomstig was) zou wegmaken, maar dat hij wel de beschikking daarover wilde hebben. […]

5 De beoordeling

[…]

5.5

Vast staat dat [gedaagde2/eiser2] , die een belanghebbende bij zowel het eerste als het tweede testament is, het eerste telefonische contact heeft gelegd met de notaris voor het maken van een afspraak. Het initiatief voor het verzoek tot dienstverlening kwam

derhalve niet van erflater, maar van een ander. [gedaagde2/eiser2] is ook degene geweest die erflater tweemaal heeft begeleid in de contacten met de notaris.

De notaris heeft, nadat [gedaagde2/eiser2] hem had meegedeeld dat notaris Klein nader medisch onderzoek naar de wilsbekwaamheid van erflater wenste te verrichten alvorens een nieuw testament op te maken, geen contact met de eigen huisarts van erflater of een andere medisch deskundige opgenomen. Ook heeft de notaris naar aanleiding van deze mededeling geen contact met notaris Klein opgenomen.

Desgevraagd heeft de notaris ter zitting verklaard daartoe geen aanleiding te hebben gezien maar op zijn eigen waarneming te hebben vertrouwd.

Na de eerste bespreking met erflater heeft de notaris één week later het testament gepasseerd. Gesteld noch gebleken is dat met het opmaken van de uiterste wilsbeschikking van erflater spoed was vereist.

Ter zitting heeft de notaris verklaard dat hij niet op de hoogte was van het lopende verzoek tot onderbewindstelling, wel wist hij dat erflater dementerend was, en heeft hij dat signaal ook afgestemd met zijn compagnon.

Verder is in de eerste bespreking met erflater komen vast te staan dat de opgegeven reden tot wijziging van het testament anders bleek te zijn dan de notaris aanvankelijk was voorgehouden. Klager had namelijk het geld uit de kluis weggenomen niet met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, maar omdat hij de inhoud van de kluis veilig wilde stellen ten behoeve van erflater en ter bescherming tegen [gedaagde2/eiser2] en [gedaagde1/eiseres1] […]. De aanleiding tot het openen van de kluis was dat erflater de sleutel van zijn kluis verloren was.

5.6 […]

Echter de wetenschap van de dementie van erflater, de reden tot wijziging van het testament (die in het eerste gesprek anders bleek te zijn dan de notaris aanvankelijk was meegedeeld), de verklaring van erflater zelf in de aangifte dat hij niet goed meer wist wat er destijds was gebeurd, de omstandigheid dat [gedaagde1/eiseres1] (overigens niet uit eigen wetenschap) volgens het proces-verbaal van aangifte heeft verklaard wat er gebeurd zou zijn, gecombineerd met het feit dat de instructie tot het testament afkomstig was van [gedaagde2/eiser2] , de hoge leeftijd van erflater en het feit dat het nieuwe testament ingrijpend afweek van het vorige (dat minder dan een jaar oud was), hadden naar het oordeel van de kamer tot extra zorgvuldigheid van de notaris moeten leiden.

Niet alleen had de meegenomen aangifte – waarin de verbalisant woordelijk opmerkt “ [A.] is dementerend, daarom heeft [A.] zijn schoonzus [gedaagde1/eiseres1] en buurman [gedaagde2/eiser2] meegenomen voor het doen van aangifte” – dan ook een duidelijk signaal voor de notaris moeten zijn, maar ook de mededeling dat notaris Klein had geweigerd een testament op te stellen zonder een verklaring van een onafhankelijke arts, aangesloten bij de Vereniging van Indicerende en Adviserende artsen (hierna: VIA-arts), had voor extra alertheid bij de notaris moeten zorgen.

Onder deze omstandigheden had de notaris naar het oordeel van de kamer gerede twijfel over de wilsbekwaamheid van erflater behoren te hebben en had het voor de hand gelegen dat hij – gelijk het Stappenplan adviseert – zich bij zijn besluitvorming ter zake had laten bijstaan door medewerkers van zijn kantoor en hen als getuigen had laten optreden bij het (eventueel) passeren van het testament.

Minst genomen had hij evenwel, alvorens een eigen oordeel over de wilsbekwaamheid van erflater te vormen, informatie moeten inwinnen bij een VIA-arts, of zich anderszins moeten laten voorlichten over de geestesgesteldheid van erflater. De notaris kan tuchtrechtelijk verweten worden dat hij dat heeft nagelaten. De klacht is dan ook gegrond.”

2.18.

Op 21 januari 2018 heeft [G.] een rapport opgemaakt over de wilsbekwaamheid van erflater. Het rapport houdt het volgende in:

“Op uw verzoek heb ik me gebogen over het dossier van dhr. B.P. [A.] , geboren [geboortedatum] en overleden op [datum] te [woonplaats] . De vraag die voor ligt, is of erflater op 15 december 2015 - het moment waarop het laatste testament is gepasseerd - in staat was om zijn wil te bepalen. Ergo, ik heb mij gefocust of er in het dossier genoeg medisch onderbouwde aanwijzingen zijn te vinden voor cognitieve stoornissen, van een dusdanige ernst dat wilsonbekwaamheid voor een dergelijke zware beslissing, met verstrekkende gevolgen voor [eiser/verweerder] , met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid aangenomen

moet worden.

Medische inhoudelijke informatie in het dossier:

1. In het journaal van de huisarts lees ik op 17-3-15 als diagnose Alzheimer. In het journaal ontbreekt een duidelijke reden voor een verwijzing naar het St Lucas ziekenhuis in 2011; wel veel notities over ontregelde suikers, waardoor frequent duizeligheid, voetulcera, visusproblemen en valpartijen. Op 13-05-15 staat genoteerd dat er zorgen zijn over de cognitieve achteruitgang en financiële bewindvoering. Op 29-05-2015 wordt door de huisarts een MMSE test afgenomen die een score van 21 oplevert (30 is maximaal), met tevens een afwijkende klok tekening. Er wordt een specialist ouderengeneeskunde ingeschakeld. Op 1-7-15 staat genoteerd: MCI dekt de lading niet meer, m.i. is er sprake van een dementiesyndroom, meest waarschijnlijk Alzheimer.

2. een brief van drs [H.] en Mw dr. [I.] , dd 30-06-11, waarin o.a. de conclusie: mild cognitive impairment, dd beginnende M. Alzheimer. De MMSE bedraagt volgens de brief 23/30 hetgeen beneden het afkappunt voor normaal is.

3. Een brief van de afdeling neurologie VUmc ( [J.] en [K.] ), dd 31 juli 2014:

“imponeert duidelijk cognitief beperkt, matig verzorgd, ontwijkt vragen en er zijn duidelijke woordvindstoornissen, gedesorienteerd in tijd en plaats”.

4. Een brief van [L.] , geriater, COGA, VUmc, dd 28-8-14. MMSE 20/30 en CAMCOG 66 (norm score zou 84 moeten zijn). Op die dag werd ook een CT hersenen gemaakt: Atrofie van de temporaal kwab, MTA score rechts 2, links 3 en algehele corticale atrofie graad 2.

Geen vasculaire afwijkingen. Conclusie luidt “....een en ander meest waarschijnlijk in het kader van Alzheimer pathologie”.

5. een brief van [E.] , specialist ouderengeneeskunde, dd 30-6-2015. Hij concludeert dat er inmiddels sprake is van een dementie, meest waarschijnlijk Alzheimer, en adviseert inzet casemanagement. Volgens het dossier is de casemanager op 19-10-15 toegewezen, via Amstelring.

6. een brief van dagcentrum COGA (VUMC), waaruit blijkt dat patiënt op 14-12-15 aldaar is onderzocht waarbij ook laboratoriumonderzoek is gedaan (hetgeen aantoont dat patiënt daar fysiek aanwezig is geweest). De conclusies zijn glashelder: dement, geen ziekte-inzicht, geen ziektebesef, gestoord lange en korte-termijn geheugen. MMSE 22/30. Zeer zorgelijke thuissituatie; door het geheugenprobleem weet patiënt niet dat hij insuline gebruikt (en nodig heeft!); zeer kwetsbare patiënt en gevraagd wordt met spoed aanvullende zorg in te zetten.

7. In het journaal van de huisarts staat op 15-12-15 een notitie dat er inderdaad telefonisch contact is geweest tussen COGA en huisarts, over gedwongen opname vanwege gevaarscriteria: vallen, slecht ingestelde diabetes, geheugenproblemen, zelfverwaarlozing, slecht eten. Plan: casemanager met spoed. Op 17-12 lijkt het beter te gaan; patiënt wil absoluut niet naar verpleeghuis. Op 21-12 is er weer overleg met de COGA: advies is verpleeghuis. Casemanager gaat opname bespreken. Op 18-11-16 is patiënt opgenomen.

8. een brief van Mw. [F.] , huisarts, 30-11-15, gericht aan notaris Mw. C. Klein. De huisarts verklaart dat “dhr wilsbekwaam is als het gaat om het aanpassen van zijn testament”.

9. Op 3-12-15, echter, staat in het dossier genoteerd dat “ik een fout heb gemaakt. Ik had nooit verklaring af mogen geven. Ik heb helaas daarbij het dossier niet goed gelezen”; “nu blijkt dat dhr toch niet wilsbekwaam is”.

10. Op 4-12-15 staat genoteerd: Seniele dementie/Alzheimer.

11. Op 7-12 staat genoteerd dat de huisarts de notaris heeft gesproken: zij beschouwen verklaring van 30-11 als niet geschreven; “hadden sowieso al een onafhankelijk arts om een oordeel gevraagd”.

Conclusie

Afgaand op bovenstaande informatie is er sprake van een langzaam sluipend ontstaan van cognitieve stoornissen, geobjectiveerd vanaf 2011, bij een patiënt met een slecht ingestelde diabetes mellitus, en tal van andere comorbiditeit en een slecht steunsysteem, die ondanks de bovenbeschreven problematiek nog enigszins zelfstandig heeft gewoond in een aanleunwoning bij het Menno Simons huis. Afgaand op de bevindingen bij het onderzoek door verschillende artsen lijkt er in 4 jaar tijd qua MMSE weinig achteruitgang te zijn gedocumenteerd. Helaas is de MMSE een screeningstest die slechts een momentopname weerspiegelt, en niet geschikt is voor vervolgonderzoek en bovendien erg gevoelig is voor de manier van afname; hierdoor verschillen scores al snel afhankelijk van hoe en door wie de test wordt afgenomen. De afkapwaarde van 24 is overigens universeel en alleen bij hoger opgeleiden is deze zelfs 27. De CAMCOG test, zoals door De Vries afgenomen in augustus 2014, is veel betrouwbaarder en robuuster in deze en is met een score van 66 (met een afkap voor leeftijd en opleiding van 84, bij een maximaal te behalen score van 107) veel slechter dan de MMSE zou doen vermoeden. Ook de observaties van de verschillende artsen over de tijd wijzen op cognitieve stoornissen (zie bv de brief van [J.] ). De CT scan,

tenslotte, van augustus 2014 toont duidelijke afwijkingen, meer dan passend bij de leeftijd, en ook duidelijk progressief t.o.v de MRI scan van 28-04-2009 (destijds gemaakt in het kader van zijn aangezichtsverlamming), hetgeen de onderliggende ziekte van Alzheimer zeer waarschijnlijk maakt.

Al met al, is het dus zeer twijfelachtig en zelfs uiterst onwaarschijnlijk dat patiënt op 15-12-2015 (de dag ná het bezoek aan COGA!) in staat was te overzien en in te zien wat een testamentswijziging zou inhouden, op basis van de ernst van de cognitieve stoornissen, met gebrek aan ziekte-inzicht en besef, zoals vastgesteld de dag ervoor, en geobjectiveerd aanwezig vanaf 2011. Deze conclusie is in lijn met wat de eigen huisarts, in tweede instantie, zelf in het dossier heeft genoteerd.”

2.19.

In reactie op het rapport van [G.] hebben [gedaagde1/eiseres1] en [gedaagde2/eiser2] een brief van psychiater [M.] (hierna: [M.] ) van 5 april 2018 overgelegd. De brief van [M.] houdt het volgende in:

“Op Uw verzoek heb ik het uitvoerige medische dossier (van de huisarts) bestudeerd. Tevens ontving ik van u het rapport van Prof. Dr. [G.] , neuroloog, uitgebracht op verzoek van Mr. Kerbusch, advocaat.

Ik kan mij, grosso modo, verenigen met hetgeen Prof. [G.] schreef betreffende de duidelijke, en met onderzoeken onderbouwde cognitieve achteruitgang van Dhr. [A.] .

Echter, de conclusies die Prof. [G.] , op basis van de ernst van de cognitieve stoornissen trekt, deel ik niet.

In het medische dossier van dhr. [A.] wordt al op 7/10/2014 vermeld ‘dat hij vertrouwt weinig mensen...’, en ‘in het verleden is hij meerdere malen bestolen’.

Op 27/3/2015 wordt vermeld dat er sprake is van een toename van geheugenklachten, dat hij geen overzicht (meer) heeft over zijn financiële situatie en dat hij alleen zijn mantelzorger vertrouwt, en op 23/9/2015 wordt vermeld dat er onduidelijkheid bestaat over financiële zaken, PGB en scootmobiel. Op 30/11/2015 wordt vermeld dat ‘een familielid heeft patiënt beroofd, …

er loopt nu een politieonderzoek…. de heer is hier erg van van slag....

Kortom, er waren al voordat betrokkene zijn testament heeft gewijzigd signalen dat hij onrustig en achterdochtig was ten aanzien van zijn (gebrek aan overzicht over) zijn financiële situatie.

Ik meen dan ook, op basis van de informatie in het medisch dossier, dat niet voetstoots kan worden aangenomen dat Dhr. [A.] ten aanzien van zijn wens het testament te wijzigen niet wilsbekwaam is geweest. Het gebrek aan ziekte-besef en ziekte-inzicht (ik neem aan dat hiermee bedoeld wordt ten aanzien van de diabetes en het juiste gebruik van anti diabetische

middelen) waren zeker tekenen dat hij aan cognitieve achteruitgang leed, maar dat hoeft niet automatisch te betekenen dat deze cognitieve achteruitgang dus ook inhield dat hij als wilsonbekwaam moest worden aangemerkt ten aanzien van zijn wens het testament te wijzigen.

Bovenstaande conclusie is uiteraard uitsluitend op basis van het dossieronderzoek, een gericht onderzoek ten tijde van het wijzigen van het testament is (jammer genoeg) destijds niet uitgevoerd.”

2.20.

In reactie op de brief van [M.] heeft [eiser/verweerder] een brief van [G.] van 8 mei 2018 overgelegd. De brief van [G.] houdt het volgende in:

“Collega [M.] onderschrijft op basis van het dossier dat er sprake is van cognitieve achteruitgang. Daarna beweert hij dat op basis van deze informatie niet automatisch inhoudt dat betrokkene dus ook wilsonbekwaam geacht moet worden ten aanzien van de wens het testament te veranderen.

Ik ben niet bekend met collega [M.] , noch van zijn expertise. Een search op PubMed (2 publicaties in de vorige eeuw niet over dementie) en Google (eigen praktijk psychotherapie en verslavingszorg en deskundige voor de rechtbank inzake TBS) levert in het geheel geen aanwijzingen op dat hij enige ervaring heeft met dementie, een specifieke expertise hierin heeft, over gepubliceerd heeft of anderszins een bijzondere kennis van deze patiëntengroep heeft.

Daarbij valt op dat collega [M.] geen argumenten voor zijn stelling aanlevert, anders dan simpelweg het omgekeerde beweren van wat ik heb gedaan. Ter herinnering: in mijn rapportage heb ik expliciet de ontwikkeling van het geheel proces van dementering beschreven en heb ik op grond van de feiten hieromtrent, en het gegeven dat betrokkene daags voor de testamentswijziging nog gezien is op de COGA, alwaar de situatie als zeer zorgelijk is beschreven vanwege de dementie en het ontbreken van enig inzicht hierin (niet bedoeld wordt uitsluitend zijn diabetes), geconcludeerd dat er grote vraagtekens gezet

kunnen worden bij de wilsbekwaamheid terzake de testamentswijziging. Daarbij, is ook de huisarts deze mening toegedaan. Op 3-12-15 staat in haar dossier genoteerd dat “ik een fout heb gemaakt. Ik had nooit verklaring af mogen geven. Ik heb helaas daarbij het dossier niet goed gelezen”; “nu blijkt dat dhr toch niet wilsbekwaam is”. Op 7-12 staat genoteerd dat de huisarts de notaris heeft gesproken: zij beschouwen verklaring van 30-11 als niet geschreven; “hadden sowieso al een onafhankelijk arts om een oordeel gevraagd”.

Ergo, er zijn twee observaties van twee verschillende artsen die patiënt zelf hebben gezien, zeer dichtbij het moment van testamentswijziging, hetgeen voor collega [M.] en mijzelf uiteraard niet geldt.

Ik meen derhalve dat het commentaar van collega [M.] , noch door zijn bijzondere (ontbrekende) vorm van expertise op dit vlak, noch door de inhoud van zijn betoog, een ander licht werpt op de zeer sterke twijfel aan de wilsbekwaamheid van betrokkene op 15-12-15.”

2.21.

In reactie op de brief van heeft [gedaagde2/eiser2] een brief van [M.] van 21 juni 2018 overgelegd. De brief van [M.] houdt het volgende in:

“U verzocht mij te reageren op het schrijven van dr. [G.] waarbij hij stelt dat ik niet de expertise hebt om over wilsbekwaamheid te oordelen. Ik ben het daar met mee eens:

Inderdaad heb ik geen specifieke expertise op het gebied van dementie, noch heb ik daarover gepubliceerd. Ik heb daarentegen wel jarenlang Pro Justitia gerapporteerd en ben als eerste geneeskundige hij dc GGZ- instelling Mentrum in [woonplaats] ook jarenlang betrokken geweest bij wet- en regelgeving, met name op het gebied van de BOPZ. Discussies over (problematische) aspecten van het begrip wils(on)bekwaamheid zijn mij dan ook zeer bekend.

Ik heb mij in mijn eerdere schrijven aan u geenszins uitgelaten over de aard en diepgang van de cognitieve stoornissen van Dhr. [A.] , maar heb uitsluitend gesteld dat: op basis van (mijn beoordeling van) de informatie in het medisch dossier, niet voetstoots kan worden aangenomen dat Dhr, [A.] ten aanzien van zijn wens het testament te wijzigen niet wilsbekwaam is geweest. Tevens schreef ik U dat het gebrek aan ziekte-besef en ziekte-inzicht (ik neem aan: dat hiermee bedoeld wordt ten aanzien van de diabetes en het juiste gebruik van anti diabetische middelen) waren zeker tekenen dat hij aan cognitieve achteruitgang leed, maar dat hoeft niet automatisch te betekenen dat deze cognitieve achteruitgang dus ook inhield dat hij als wilsonbekwaam moest worden aangemerkt ten aanzien van zijn wens het testament te wijzigen.”

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser/verweerder] vordert – na tweemaal zijn eis te hebben gewijzigd – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad

I. primair te verklaren voor recht dat het testament dat op 15 december 2015 is opgemaakt door erflater nietig is;

II. subsidiair het testament dat op 15 december 2015 is opgemaakt door erflater te vernietigen;

III. meer subsidiair te verklaren voor recht dat [gedaagde1/eiseres1] en [gedaagde2/eiser2] uit het testament dat op 15 december 2015 is opgemaakt door erflater geen voordeel mogen trekken;

IV. nog meer subsidiair te verklaren voor recht dat [gedaagde1/eiseres1] en [gedaagde2/eiser2] aan het testament dat is opgemaakt op 15 december 2015 door erflater geen rechten kunnen ontlenen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid;

V. [gedaagde1/eiseres1] en [gedaagde2/eiser2] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten;

voorwaardelijk

VI. voor het geval de rechtbank het onvoldoende bewezen acht dat erflater op 15 december 2015 wilsbekwaam was, een deskundige te benoemen die aan de hand van het medisch dossier van de huisarts zal bepalen in hoeverre erflater op 15 december 2015 in staat was om zijn wil te bepalen.

3.2.

[gedaagde1/eiseres1] en [gedaagde2/eiser2] voeren ieder voor zich verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie ( [gedaagde1/eiseres1] )

3.4.

[gedaagde1/eiseres1] vorderde aanvankelijk bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad

I. [eiser/verweerder] te gebieden om binnen 48 uur na betekening van het vonnis de opheffingshandelingen te verrichten die nodig zijn voor het opheffen van alle ten laste van [gedaagde1/eiseres1] gelegde beslagen, op straffe van een dwangsom,

II. te verklaren voor recht dat [eiser/verweerder] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [gedaagde1/eiseres1] door conservatoir beslag te leggen;

III. [eiser/verweerder] te veroordelen tot vergoeding van de dientengevolge door [gedaagde1/eiseres1] geleden schade, nader op te maken bij staat;

IV. [eiser/verweerder] te veroordelen in de proceskosten, waaronder de beslag- en nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.

3.5.

Ter zitting van 11 januari 2018 heeft [gedaagde1/eiseres1] haar vorderingen ingetrokken en aldus verminderd tot nihil.

in reconventie ( [gedaagde2/eiser2] )

3.6.

[gedaagde2/eiser2] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad

I. [eiser/verweerder] te veroordelen tot betaling aan [gedaagde2/eiser2] , althans de nalatenschap, van € 21.000,00, vermeerderd met wettelijke rente;

II. [eiser/verweerder] primair te veroordelen tot afgifte aan [gedaagde2/eiser2] , althans de nalatenschap, van de goudbaren, de postzegel- en de muntenverzameling, op straffe van een dwangsom, subsidiair [eiser/verweerder] te veroordelen tot vergoeding van de waarde van de goudbaren ad tenminste € 32.539,00, vermeerderd met wettelijke rente;

III. [eiser/verweerder] te veroordelen tot opheffing van alle gelegde beslagen (op alle bankrekeningen van erflater en de roerende zaken die zich onder Taxatiebureau Burger te Driehuis bevinden), op straffe van een dwangsom,

IV. [eiser/verweerder] te veroordelen tot betaling aan [gedaagde2/eiser2] , althans de nalatenschap, van schadevergoeding terzake door erflater gemaakte advocaatkosten ad € 6.000,00, vermeerderd met wettelijke rente;

V. [eiser/verweerder] te veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder de beslag- en nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.

3.7.

[eiser/verweerder] voert verweer.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

4.1.

Nu [eiser/verweerder] in het buitenland woonachtig is en stelt erfgenaam te zijn, is sprake van een grensoverschrijdende nalatenschap en dient allereerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vorderingen in conventie en in reconventie kennis te nemen.

4.2.

De rechtbank beantwoordt die vraag wat betreft de vorderingen in conventie bevestigend op grond van de Verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging beslissingen op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring (hierna: de Erfrechtverordening). Ingevolge artikel 24 jo. artikel 26 valt de testeerbekwaamheid onder het toepassingsgebied van de Erfrechtverordening. Artikel 4 van de Erfrechtverordening bepaalt dat de gerechten van de lidstaat waar de erflater op het tijdstip van overlijden zijn gewone verblijfplaats had, bevoegd zijn om uitspraak te doen over de erfopvolging in het geheel. Nu erflater ten tijde van zijn overlijden woonachtig was in [woonplaats] , is de Nederlandse rechter bevoegd om van de vorderingen in conventie kennis te nemen. Ingevolge artikel 104 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem relatief bevoegd.

4.3.

Ingevolge artikel 7 lid 2 Rv is de Nederlandse rechter ook bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen in reconventie, nu er voldoende samenhang bestaat tussen de vorderingen in conventie en die in reconventie.

4.4.

Het recht dat van toepassing is op de vorderingen in conventie moet eveneens worden bepaald aan de hand van de Erfrechtverordening. Ingevolge artikel 24 jo. artikel 26 van de verordening moet de bekwaamheid om te testeren worden beoordeeld aan de hand van het recht dat de verordening aanwijst voor de materiële geldigheid van de uiterste wilsbeschikking. Bij gebreke van een rechtskeuze is dat Nederlandse recht, nu erflater ten tijde van het passeren van het testament zijn gewone verblijfplaats in Nederland had.

4.5.

Op de in reconventie ingestelde vorderingen tot opheffing van de gelegde conservatoire beslagen is Nederlands procesrecht van toepassing, omdat de beslagen in Nederland en naar Nederlands recht zijn gelegd. Voor zover daaraan wordt toegekomen moet de deugdelijkheid van de aan het beslag ten grondslag gelegde vordering worden beoordeeld aan de hand van het op die vordering toepasselijke recht.

4.6.

De vraag of [eiser/verweerder] onrechtmatig heeft gehandeld dan wel zichzelf ongerechtvaardigd heeft verrijkt door geld en/of goederen aan het vermogen van erflater te onttrekken staat los van de erfopvolging. Het toepasselijke recht op de door [gedaagde2/eiser2] in reconventie ingestelde vorderingen tot teruggave en tot betaling van schadevergoeding moet worden bepaald aan de hand van de Verordening (EG) nr. 864/2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Verordening Rome II). Ingevolge artikel 4 van die verordening is het recht van toepassing van het land waar de schade zich voordoet. De gestelde schade heeft zich in het onderhavige geval voorgedaan in Nederland, zodat (ook) op de onderhavige vordering Nederlands recht van toepassing is.

in conventie

4.7.

[eiser/verweerder] stelt primair dat het testament van erflater van 15 december 2015 nietig is, omdat erflater ten tijde van die testamentswijziging niet wilsbekwaam was. Ter onderbouwing van die stelling verwijst [eiser/verweerder] naar het rapport van 21 januari 2018 van [G.] die op grond van het medisch dossier van erflater tot de conclusie is gekomen dat het zeer twijfelachtig en zelfs uiterst onwaarschijnlijk is dat erflater op 15 december 2015 in staat was te overzien en in te zien wat een testamentswijziging zou inhouden. Deze conclusie leidt er volgens [eiser/verweerder] toe dat het op 15 december 2015 verleden testament op grond van artikel 3:34 van het Burgerlijk Wetboek (BW) nietig is.

4.8.

[gedaagde1/eiseres1] en [gedaagde2/eiser2] voeren verweer. Beiden betwisten het rapport van [G.] en betogen dat erflater tijdens het passeren van het testament wel wilsbekwaam was. Ter onderbouwing van die stelling verwijzen zij onder meer naar verklaringen van notaris Van der Kar, van de huisarts, van bekenden van erflater en naar hun eigen waarnemingen.

4.9.

Kern van het geschil is dus of erflater ten tijde van het passeren van het testament op 15 december 2015 wilsbekwaam was. Als dat niet zo was, is het testament op grond van artikel 3:34 BW nietig. Dat artikel bepaalt dat als iemand van wie de geestvermogens blijvend of tijdelijk zijn gestoord iets heeft verklaard, een met de verklaring overeenstemmende wil wordt geacht te ontbreken als de stoornis een redelijke waardering van de bij de handeling betrokken belangen belette of als de verklaring wordt vermoed onder invloed van de stoornis te zijn gedaan. De rechtbank stelt voorop dat de bewijslast ten aanzien van de gestelde geestelijke stoornis van erflater ten tijde van het passeren van het testament rust op [eiser/verweerder] . Bovendien dient hij te bewijzen dat de stoornis erflater heeft belet in een redelijke waardering van de betrokken belangen of dat de verklaring die heeft geleid tot het passeren van het testament van 15 december 2015 onder invloed van die stoornis is gedaan. In de regel wordt aan de stelplicht voldaan door een voldoende onderbouwde medische verklaring in het geding te brengen die deze stelling ondersteunt (Hoge Raad 9 september 2016, NJ 2016/408).

4.10.

[eiser/verweerder] heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat erflater op 15 december 2015 niet wilsbekwaam was een rapport overgelegd van [G.] , neuroloog bij het Alzheimercentrum van het VUmc. [G.] komt op basis van het medisch dossier van erflater tot de conclusie dat op basis van de ernst van de cognitieve stoornissen, geobjectiveerd aanwezig vanaf 2011, met gebrek aan ziekte-inzicht en -besef, zoals vastgesteld op 14 december 2015, het zeer twijfelachtig en zelfs uiterst onwaarschijnlijk is dat erflater op 15 december 2015 in staat was te overzien en in te zien wat een testamentswijziging zou inhouden. In het rapport heeft [G.] een opsomming gegeven van de relevante informatie uit het medisch dossier waaronder met name brieven van andere artsen die erflater de laatste jaren hebben onderzocht. In de toelichting op zijn conclusie gaat [G.] in op de uitkomsten van de CAMCOG test die in 2014 bij erflater is uitgevoerd en de CT scan van augustus 2014 en geeft hij aan wat hij uit die uitkomsten afleidt en waarom. Blijkens het rapport hecht [G.] verder veel waarde aan de brief van het Centrum voor Ouderengeneeskunde [woonplaats] (COGA) van het VUmc waar erflater de dag voor het passeren van het testament is onderzocht. De conclusies in die brief luiden: “dement, geen ziekte-inzicht, geen ziektebesef, gestoord lange en korte-termijn geheugen. MMSE 22/30. Zeer zorgelijke thuissituatie; door het geheugenprobleem weet patiënt niet dat hij insuline gebruikt (en nodig heeft!); zeer kwetsbare patiënt en gevraagd wordt met spoed aanvullende zorg in te zetten.”

4.11.

De rechtbank acht het van belang dat [G.] zijn oordeel heeft gebaseerd op objectieve informatie (de CAMCOG score en de CT scan) en op bevindingen en observaties van verschillende artsen die erflater zelf hebben onderzocht, waaronder de bevindingen van een arts van het COGA waar erflater de dag voor het passeren van het testament is onderzocht. Op basis van die gegevens is [G.] tot het oordeel gekomen dat de cognitieve stoornissen van erflater zo ernstig waren dat het uiterst onwaarschijnlijk is dat erflater op 15 december 2015 in staat was te overzien en in te zien wat een testamentswijziging zou inhouden. Uitgaande van de specifieke kennis en kunde van [G.] heeft hij naar het oordeel van de rechtbank op een voldoende inzichtelijke wijze de inhoud van het medisch dossier van erflater geanalyseerd en heeft hij op basis van de hem ter beschikking gestelde stukken tot het gegeven waarschijnlijkheidsoordeel over de wilsbekwaamheid van erflater kunnen komen.

4.12.

[gedaagde2/eiser2] heeft het medisch dossier van erflater en het rapport van [G.] voorgelegd aan psychiater [M.] en die deelt de conclusies van [G.] niet. In zijn brief van 5 april 2018 erkent [M.] dat uit onderzoeken blijkt dat sprake was van cognitieve achteruitgang van erflater, maar volgens hem kan op basis van informatie uit het medisch dossier niet voetstoots worden aangenomen dat erflater ten aanzien van de wens om het testament te wijzigen niet wilsbekwaam is geweest. Op welke informatie uit het dossier [M.] zich heeft gebaseerd en hoe hij die informatie heeft geïnterpreteerd blijkt echter niet uit zijn brief. Ook gaat [M.] niet in op de resultaten van de diverse onderzoeken (CAMCOG, MMSE en CT scan) waarop [G.] zijn conclusie baseert. [M.] maakt slechts melding van eerdere signalen dat erflater onrustig en achterdochtig was, maar waarom die signalen meebrengen dat niet zou kunnen worden aangenomen dat erflater ten tijde van de testamentswijziging wilsonbekwaam was heeft [M.] niet toegelicht. Het gebrek aan onderbouwing in combinatie met het feit dat [M.] – anders dan [G.] – geen specifieke expertise heeft op het gebied van dementie maakt dat de rechtbank in de brief van [M.] geen reden ziet om de conclusie van [G.] ter zijde te schuiven.

4.13.

De eigen analyse van het medisch dossier van erflater door [gedaagde1/eiseres1] in de akte van 11 april 2018 en haar kritiek op de beoordeling door [G.] van de diverse testwaarden laat de rechtbank buiten beschouwing. Gesteld nog gebleken is dat [gedaagde1/eiseres1] of haar advocaat medisch onderlegd en deskundig zijn om de uitkomsten van de diverse medische tests als de MMSE en de CAMCOG te interpreteren en waarderen. Anders dan [gedaagde1/eiseres1] stelt, blijkt uit het rapport bovendien dat [G.] bij de interpretatie van de medische gegevens uit het dossier rekening heeft gehouden met de leeftijd van erflater. Hij schrijft in zijn rapport over de CT scan van augustus 2014: “toont duidelijke afwijkingen, meer dan passend bij de leeftijd.” Over de CAMCOG test schrijft [G.] dat de score 66 is “met een afkap voor leeftijd en opleiding van 84”. De rechtbank volgt [gedaagde1/eiseres1] en [gedaagde2/eiser2] ook niet in hun verwijt dat [G.] zich bij de bestudering van het medisch dossier van erflater teveel heeft gefocust op het vinden van medisch onderbouwde aanwijzingen voor cognitieve stoornissen bij erflater en zich te weinig heeft gericht op aanwijzingen die de stoornis weerspreken. Uit de brief van [M.] blijkt dat ook hij de beschikking heeft gekregen over het medisch dossier van erflater. Van [gedaagde1/eiseres1] en [gedaagde2/eiser2] had dan ook verwacht mogen worden dat zij – via [M.] – concreet hadden aangegeven welke informatie uit het medisch dossier [G.] ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten. Dat is niet gebeurd. De algemene kritiek op de focus van [G.] is daarmee onvoldoende onderbouwd en geconcretiseerd en wordt alleen al daarom gepasseerd. De kritiek van [gedaagde1/eiseres1] dat [G.] zich op het juridische vlak begeeft door de wijziging van het testament te beschouwen als een zware beslissing met verstrekkende gevolgen voor [eiser/verweerder] is terecht. De kwalificatie van de testamentswijziging is voorbehouden aan de rechtbank. De rechtbank ziet hierin echter geen aanleiding het rapport van [G.] anders te waarderen, omdat de conclusie en de onderbouwing daarvan er niet op duiden dat de inhoud van het testament daarbij een rol heeft gespeeld. In de conclusie spreekt [G.] ook niet over “de testamentswijziging” maar in het algemeen over “een testamentswijziging”.

4.14.

Tot slot verwijzen [gedaagde1/eiseres1] en [gedaagde2/eiser2] ter betwisting van de conclusie [G.] dat het uiterst onwaarschijnlijk is dat erflater in staat was te overzien en in te zien wat een testamentswijziging zou inhouden, naar verklaringen van notaris Van der Kar, van de toenmalige advocaat van erflater mr. [N] , van vrienden/bekenden van erflater en de waarneming van [gedaagde1/eiseres1] en [gedaagde2/eiser2] zelf. Met betrekking tot de verklaring van de notaris dat erflater wilsbekwaam was merkt de rechtbank op dat de kamer voor het notariaat in haar beslissing van 21 november 2017 heeft geoordeeld dat de notaris in dit geval gerede twijfel had moeten hebben over de wilsbekwaamheid van erflater en zich door een deskundige had moeten laten voorlichten over de geestesgesteldheid van erflater. De uitsluitend op zijn eigen waarneming gebaseerde inschatting van de notaris dat erflater wilsbekwaam was legt dan ook weinig gewicht in de schaal. De verklaring van huisarts [F.] van 30 november 2015 kan evenmin worden gebruikt om de conclusie van [G.] te weerleggen, omdat die verklaring een dag later weer door de huisarts is ingetrokken. [gedaagde1/eiseres1] en [gedaagde2/eiser2] betwisten dat weliswaar, maar de e-mail van de juridisch adviseur (zie 2.5) en de notitie in het medisch dossier (zie 2.18 onder punt 9) zijn duidelijk. Volgens [gedaagde1/eiseres1] blijkt ook uit (door [eiser/verweerder] overgelegde) verklaringen van [B.] en A. Godri (een achterneef van erflater) dat erflater in december 2015 nog heel helder was. [gedaagde1/eiseres1] haalt hierbij niet alleen uiterst selectief de verklaringen aan, maar zij concludeert vervolgens eigenhandig dat het gedrag van erflater zoals beschreven in de verklaringen erop duidt dat erflater nog helder was. Gesteld noch gebleken is echter dat [gedaagde1/eiseres1] of haar advocaat de deskundigheid hebben om het gedrag van erflater medisch te beoordelen.

4.15.

[gedaagde1/eiseres1] en [gedaagde2/eiser2] verklaren beiden dat zij zelf hebben waargenomen dat erflater tot begin februari 2017 zeer helder was. [gedaagde2/eiser2] onderbouwt dat onder meer door erop te wijzen dat erflater zijn testament bewust wilde wijzigen, omdat hij zeer ontstemd was over het leeghalen van zijn kluis door [eiser/verweerder] . Die stelling wordt echter weersproken door de stukken in het dossier. Uit het proces-verbaal van aangifte van 6 november 2015 (zie 2.8) blijkt immers dat erflater op dat moment al niet goed meer wist wat er met de kluis was gebeurd en uit de uitspraak van de kamer voor het notariaat (zie 2.17) blijkt dat erflater bij de notaris als reden voor de wijziging van het testament ook niet de diefstal door [eiser/verweerder] heeft genoemd. In het licht van objectieve informatie uit het medisch dossier van erflater en de onder meer door de huisarts en [D.] geuite zorgen over erflater (zie 2.3) zijn de eigen verklaringen van [gedaagde1/eiseres1] en [gedaagde2/eiser2] dat erflater tot in 2017 helder was ook niet geloofwaardig. Noch de eigen verklaringen, noch de verklaringen van derden over de geestesgesteldheid van erflater kunnen de conclusie van [G.] dan ook in voldoende mate weerleggen.

4.16.

De slotsom van het vorenstaande is dat alle bezwaren van [gedaagde1/eiseres1] en [gedaagde2/eiser2] tegen het rapport van [G.] worden verworpen. De rechtbank ziet geen aanleiding aan het rapport te twijfelen en volgt dan ook de daarin opgenomen conclusie dat op basis van de ernst van de cognitieve stoornissen zoals vastgesteld op 14 december 2015 zeer twijfelachtig en zelfs uiterst onwaarschijnlijk is dat erflater op 15 december 2015 in staat was te overzien en in te zien wat een testamentswijziging zou inhouden. Die conclusie is voldoende voor de vaststelling dat erflater op 15 december 2015 leed aan een geestelijke stoornis die een redelijke waardering van de bij het testament betrokken belangen belette. Het gevolg hiervan is dat een met het testament overeenstemmende wil van erflater wordt geacht te ontbreken. Het testament is daarom op grond van artikel 3:34 lid 2 BW nietig. De rechtbank zal de primaire vordering van [eiser/verweerder] toewijzen en voor recht verklaren dat het testament van erflater van 15 december 2015 nietig is. Nu het een verklaring voor recht betreft zal de vordering om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren wat dit onderdeel betreft worden afgewezen.

4.17.

[gedaagde1/eiseres1] en [gedaagde2/eiser2] zullen als de in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser/verweerder] worden begroot op:

- dagvaarding € 101,11

- griffierecht 287,00

- salaris advocaat 1.357,50 (2,5 punt × tarief € 543,00)

Totaal € 1.745,61

in reconventie ( [gedaagde1/eiseres1] )

4.18.

[gedaagde1/eiseres1] heeft haar vorderingen ingetrokken en aldus haar eis verminderd tot nihil. Dit betekent dat de vorderingen geen beoordeling en beslissing meer behoeven en dat [gedaagde1/eiseres1] niet ontvankelijk is in haar vorderingen.

4.19.

[gedaagde1/eiseres1] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser/verweerder] worden begroot op:

- salaris advocaat 271,50 (1 punt × factor 0,5 × tarief € 543,00)

Totaal € 271,50

in reconventie ( [gedaagde2/eiser2] )

4.20.

[gedaagde2/eiser2] vordert onder I betaling door [eiser/verweerder] van € 21.000,00. Hij baseert deze vordering op de stelling dat [eiser/verweerder] een bedrag van € 240.000,00 uit de kluis van erflater heeft meegenomen en slechts € 219.000,00 heeft terugbetaald. Dat laatste wordt door [eiser/verweerder] erkend, maar hij betwist dat er € 240.000,00 in de envelop zat die hij heeft meegenomen. Volgens [eiser/verweerder] is de envelop pas geopend op het moment dat hij deze in het bijzijn van mr. [N] en [D.] aan de bewindvoerder heeft overhandigd en bleek toen dat er € 219.000,00 in de envelop zat. Die stelling wordt ondersteund door het feit dat de bewindvoerder kennelijk geen aanleiding heeft gezien om [eiser/verweerder] aan te spreken tot terugbetaling van meer dan € 219.000,00, wat wel voor de hand had gelegen als van [eiser/verweerder] daadwerkelijk een groter bedrag aan contanten uit de kluis zou hebben meegenomen. Tegenover deze gemotiveerde betwisting van [eiser/verweerder] heeft [gedaagde2/eiser2] onvoldoende onderbouwd dat [eiser/verweerder] meer dan € 219.000,00 uit de kluis van erflater heeft meegenomen. [gedaagde2/eiser2] heeft ter zitting erkend dat hij de inhoud van de kluis nooit heeft gezien en dat hij het bedrag van € 240.000,00 uitsluitend heeft gebaseerd op jaarverslagen van de accountant waarin de inhoud van de kluis was vermeld. Van welke jaren die verslagen waren, kon [gedaagde2/eiser2] desgevraagd niet zeggen. Nergens blijkt dus uit dat dat [eiser/verweerder] inderdaad meer dan € 219.000,00 heeft meegenomen, zoals [gedaagde2/eiser2] stelt. [gedaagde2/eiser2] heeft daarmee niet voldaan aan zijn stelplicht en de vordering om [eiser/verweerder] te veroordelen tot betaling van € 21.000,00 zal dan ook worden afgewezen.

4.21.

[gedaagde2/eiser2] vordert onder II afgifte van 2 goudbaren en de postzegel- en muntenverzameling van erflater dan wel vergoeding van de waarde daarvan. Hij stelt daartoe dat [eiser/verweerder] deze goederen uit de kluis van erflater heeft ontvreemd. [eiser/verweerder] betwist dat en wijst er terecht op dat de munten en postzegels op de lijst (nrs. 155 t/m 159) staan van goederen die de taxateur onder zich heeft. Hieruit volgt dat [eiser/verweerder] die goederen niet heeft meegenomen, zoals [gedaagde2/eiser2] beweert. De stelling dat [eiser/verweerder] daarnaast 2 goudstukken uit de kluis heeft meegenomen is tegenover de betwisting van [eiser/verweerder] onvoldoende onderbouwd. Gebleken is dat [gedaagde1/eiseres1] en [gedaagde2/eiser2] allebei niet aanwezig waren bij het openen van de kluis en dus niet gezien (kunnen) hebben dat [eiser/verweerder] een of meer goudstukken heeft meegenomen. Erflater, die wel bij het openen van de kluis aanwezig was, heeft niet zelf verklaard dat [eiser/verweerder] goud uit de kluis heeft meegenomen. Nu (ook) verder nergens uit blijkt dat [eiser/verweerder] een of meer goudstukken van erflater heeft meegenomen en vaststaat dat hij de postzegel- en muntenverzameling niet heeft meegenomen, zullen de primaire vordering tot teruggave en de subsidiaire vordering tot vergoeding van de waarde van de goederen allebei bij gebrek aan feitelijke grondslag worden afgewezen.

4.22.

Onder III vordert [gedaagde2/eiser2] om [eiser/verweerder] te veroordelen tot opheffing van alle gelegde beslagen op alle bankrekeningen van erflater en op de roerende zaken die zich onder de taxateur bevinden. De rechtbank overweegt hierover het volgende. [eiser/verweerder] heeft op 24 maart 2017 ten laste van [gedaagde1/eiseres1] conservatoir derdenbeslag gelegd op de bankrekeningen van erflater bij de ING Bank en de ABN AMRO Bank en op alle roerende zaken die de taxateur onder zich heeft ten hoeve van erflater, althans [gedaagde1/eiseres1] in haar hoedanigheid van erfgenaam. In het verzoekschrift tot verkrijging van verlof voor het leggen van beslag heeft [eiser/verweerder] gesteld dat hij een geldvordering op [gedaagde1/eiseres1] heeft van € 336.050,00 en dat hij ter verzekering van die vordering op [gedaagde1/eiseres1] beslag wenst te leggen op goederen van de nalatenschap. [eiser/verweerder] heeft van de voorzieningenrechter verlof verkregen tot het leggen van het verzochte conservatoire verhaalsbeslag onder de voorwaarde dat de eis in de hoofdzaak binnen 4 weken na eerste beslaglegging dient te worden ingesteld. Aan die voorwaarde is naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan. Met de in te stellen eis in de hoofdzaak wordt bedoeld de vordering die strekt tot het verkrijgen van een voor tenuitvoerlegging vatbare veroordeling tot het voldoen van de vordering tot zekerheid waarvan het beslag is gelegd (HR 3 september 2010, NJ 2013/329). De door [eiser/verweerder] ingestelde vorderingen voldoen hier niet aan en kunnen dus niet als eis in de hoofdzaak voor het gelegde beslag worden aangemerkt. De in deze zaak gevorderde verklaringen voor recht zijn immers geen vorderingen tot voldoening van de geldvordering op [gedaagde1/eiseres1] ter verzekering waarvan het beslag is gelegd en dit vonnis kan ook niet jegens [gedaagde1/eiseres1] ten uitvoer worden gelegd ter incassering van een geldvordering. Nu niet gesteld of gebleken is dat [eiser/verweerder] binnen 4 weken na de beslaglegging in een andere procedure een vordering tegen [gedaagde1/eiseres1] heeft ingesteld tot voldoening van de geldvordering waarvoor het beslag is gelegd, moet de rechtbank vaststellen dat het ten laste van [gedaagde1/eiseres1] gelegde conservatoire beslag op de bankrekeningen en roerende zaken van erflater 4 weken na de beslaglegging van rechtswege is vervallen. Bij die stand van zaken heeft [gedaagde2/eiser2] geen belang (meer) bij zijn vordering tot opheffing van het beslag. Die vordering zal dan ook worden afgewezen.

4.23.

Onder IV vordert [gedaagde2/eiser2] tot slot om [eiser/verweerder] te veroordelen tot betaling van € 6.000,00 aan advocaatkosten. [gedaagde2/eiser2] stelt dat [eiser/verweerder] onrechtmatig heeft gehandeld door de kluis van erflater open te (laten) breken met als gevolg dat erflater mr. [N] als advocaat heeft moeten inschakelen om zijn geld terug te krijgen. Of [eiser/verweerder] hier iets te verwijten valt kan in het midden blijven, omdat [gedaagde2/eiser2] niet heeft onderbouwd dat er door een advocaat werkzaamheden zijn verricht om geld van [eiser/verweerder] terug te krijgen, laat staan dat daarvoor € 6.000,00 is betaald. Uit de door de bewindvoerder opgestelde de rekening en verantwoording blijkt slechts dat in de periode 29 januari 2016 tot en met [datum] een bedrag van € 2.310,63 – en dus niet € 6.000,00 – aan advocaatkosten is betaald, maar niet welke werkzaamheden voor dat bedrag zijn verricht. [gedaagde2/eiser2] had zijn vordering daarom om te beginnen moeten onderbouwen met facturen of een specificatie waaruit kan blijken dat de kosten zien op pogingen om geld van [eiser/verweerder] terug te krijgen. Dat klemt te meer nu mr. [N] erflater eind 2015/begin 2016 heeft bijgestaan in de procedure tot onderbewindstelling bij de kantonrechter, zodat het bedrag van € 2.310,63 in ieder geval ook op die werkzaamheden betrekking kan hebben. Nu [gedaagde2/eiser2] geen facturen of specificatie van de kosten heeft overgelegd, kan ook niet worden vastgesteld dat de kosten te wijten zijn aan [eiser/verweerder] . Alleen daarom al zal de vordering van [gedaagde2/eiser2] worden afgewezen.

4.24.

[gedaagde2/eiser2] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser/verweerder] worden begroot op:

- salaris advocaat 543,00 (2 punten × factor 0,5 × tarief € 543,00)

Totaal € 543,00

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

verklaart voor recht dat de uiterste wilsbeschikking van erflater van 15 december 2015 nietig is,

5.2.

veroordeelt [gedaagde1/eiseres1] en [gedaagde2/eiser2] hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van [eiser/verweerder] tot op heden begroot op € 1.745,61,

5.3.

verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.5.

verklaart [gedaagde1/eiseres1] niet ontvankelijk in haar vorderingen,

5.6.

veroordeelt [gedaagde1/eiseres1] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser/verweerder] tot op heden begroot op € 271,50,

5.7.

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.8.

wijst de vorderingen af,

5.9.

veroordeelt [gedaagde2/eiser2] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser/verweerder] tot op heden begroot op € 543,00,

5.10.

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.C.M. van Mierlo en in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2018.1

1 Conc.: