Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:7233

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
07-08-2018
Datum publicatie
21-08-2018
Zaaknummer
15.076287.18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Discussie over toepassing minderjarigenstrafrecht vs strafrecht voor volwassenen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15.076287.18

Uitspraakdatum: 7 augustus 2018

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 24 juli 2018 in de zaak tegen:

[Voornamen Ve] [Achternaam Ve] ,

geboren op [geboortedag en maand] 1999 te Amsterdam,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [Adres Ve]

,

thans gedetineerd in [detentielocatie] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A.M.G.H. Peters en van hetgeen verdachte en zijn raadsman mr. T.H. Kapinga, advocaat te Zaandam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 12 december 2017 te Wormerveer, gemeente Zaanstad, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld D. [Achternaam Slo] te dwingen tot afgifte van geld en/of goederen, in elke geval enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde aan die D. [Achternaam Slo] en/of aan een derde(n) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

- de avondwinkel heeft betreden en/of

- ( voorzien van een bivakmuts) (meermalen) een vuurwapen heeft gericht op die [Achternaam Slo] en/of

- naar / achter de balie is gelopen en/of

- ( meerdere) hoofdbeweging(en) heeft gemaakt richting de kassa,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

hij op of omstreeks 12 december 2017 te Wormerveer, gemeente Zaanstad, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen geld en/of goederen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan D. [Achternaam Slo] , en/of aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [Achternaam Slo] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

- de avondwinkel heeft betreden en/of

- ( voorzien van een bivakmuts) (meermalen) een vuurwapen heeft gericht op die [Achternaam Slo] en/of

- naar / achter de balie is gelopen en/of

- ( meerdere) hoofdbeweging(en) heeft gemaakt richting de kassa,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het eerste onderdeel van het tenlastegelegde feit, te weten de poging tot afpersing in vereniging.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangegeven dat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting tot bewezenverklaring kan worden gekomen van de tenlastegelegde poging tot afpersing in vereniging.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde poging tot afpersing in vereniging op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte d.d. 13 december 2017 (dossierpagina 24 e.v.).

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 12 december 2017 te Wormerveer, gemeente Zaanstad, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld D. [Achternaam Slo] te dwingen tot afgifte van geld dat toebehoorde aan die D. [Achternaam Slo] en aan een derde, tezamen en in vereniging met een ander de avondwinkel heeft betreden en voorzien van een bivakmuts een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [Achternaam Slo] heeft getoond en achter de balie is gelopen en hoofdbewegingen heeft gemaakt richting de kassa, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

Hoewel de reclassering heeft geadviseerd verdachte conform het jeugdstrafrecht te sanctioneren, heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het volwassenenstrafrecht dient te worden toegepast gelet op de professionele handelwijze van verdachte en de omstandigheid dat het bestaande toezichtkader klaarblijkelijk onvoldoende indruk op hem maakt. De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf zal worden opgelegd voor de duur van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

6.2.

Standpunt van de verdediging

Nu gelet op de persoon van verdachte en de in samenspraak met de Raad voor de Kinderbescherming opgestelde adviezen van de reclassering, onder meer inhoudende dat verdachte openstaat voor hulpverlening en gedragsverandering, geen sprake lijkt te zijn van verharding van zijn persoonlijkheid en tevens sprake is van een cognitieve beperking, waardoor verdachte op een lager niveau functioneert dan zijn gedrag doet vermoeden, heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het jeugdstrafrecht dient te worden toegepast. Hij heeft de rechtbank verzocht een onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen die gelijk is aan het voorarrest, alsmede een voorwaardelijke straf met daaraan verbonden de door de reclassering voorgestelde bijzondere voorwaarden.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en de door de reclassering opgestelde adviezen is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 12 december 2017 samen met een ander gepoogd de avondwinkel in Wormerveer te overvallen. Hiertoe hebben zij bivakmutsen en handschoenen aangetrokken en zijn ze de avondwinkel binnengegaan op het moment dat de winkelmedewerker alleen leek te zijn. Verdachte heeft de meest zwaarwegende rol op zich genomen, door met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in de hand naar de kassabalie te lopen, het wapen aan de medewerker te tonen en te gebaren dat hij geld uit de kassa wilde. Het is aan het daadkrachtige optreden van de winkelmedewerker te danken dat het bij een poging is gebleven en de politie, op basis van een DNA-match, verdachte al snel in het vizier kreeg als een van de daders van deze gemakzuchtige poging tot overval. Uit de toelichting bij de vordering tot schadevergoeding volgt dat het slachtoffer nog altijd last heeft van angst en slaapproblemen als gevolg van dit feit. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij zich niets heeft aangetrokken van de mogelijke gevolgen van zijn handelen voor onschuldige slachtoffers en zich puur heeft laten leiden door zijn eigen belang van geldelijk gewin.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 juni 2018 en daaruit opgemaakt dat verdachte slechts enkele maanden voor het plegen van het onderhavige feit, te weten op 13 juni 2017, veroordeeld is voor soortgelijke feiten als het onderhavige. Aan verdachte is toen een deels voorwaardelijke taakstraf opgelegd en het onderhavige feit is begaan gedurende de proeftijd behorende bij voornoemde straf.

De rechtbank stelt vast dat deze eerdere veroordeling verdachte niet ervan heeft weerhouden opnieuw een ernstig strafbaar feit te plegen. De rechtbank weegt dit ten nadele van verdachte mee in de straftoemeting.

De rechtbank acht het zeer zorgelijk dat verdachte op zijn nog jonge leeftijd nu al voor de tweede keer in relatief korte tijd wordt veroordeeld voor ernstige (gewelds/vermogens)delicten. De leidende rol die verdachte hierin lijkt te hebben gehad baart de rechtbank zorgen. De rechtbank is van oordeel dat thans krachtig moet worden ingegrepen om verdachte ervan te doordringen dat zijn strafbare gedrag niet wordt getolereerd. Wil dit ingrijpen effectief zijn, dan moet het gebeuren op een manier die aansluit bij de persoonlijke ontwikkeling en cognitieve vaardigheden van verdachte. Daarom is de rechtbank, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat in lijn met de adviezen van Reclassering Nederland van 19 juni 2018 en 24 juli 2018 het jeugdstrafrecht moet worden toegepast. Anders dan de raadsman, is de rechtbank van echter oordeel dat een onvoorwaardelijke strafdeel dat gelijk is aan de tijd die verdachte tot op heden in voorarrest heeft verbleven geen recht doet aan de ernst van het feit en gelet op de eerdere recente veroordeling voor een soortgelijk feit ook niet op zijn plaats is.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. De rechtbank zal aan het vooralsnog niet ten uitvoer te leggen strafdeel een proeftijd verbinden van drie jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit. Daarbij zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden opleggen zoals geadviseerd door de reclassering in het meest recente rapport, met uitzondering van het contactverbod met de medeverdachte, nu diens identiteit niet bekend is geworden. Overeenkomstig het advies van de reclassering zal het toezicht worden belegd bij de volwassenreclassering (Reclassering Nederland). De rechtbank overweegt dat verdachte (wederom) de kans krijgt met hulp en begeleiding een positieve wending te geven aan zijn leven. Het is aan verdachte om deze kans met beide handen aan te grijpen.

7 Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de in beslag genomen en niet teruggegeven handschoen dient te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het bewezenverklaarde feit met behulp van dat voorwerp, dat aan verdachte toebehoort, is begaan.

8 Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij D. [Achternaam Slo] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 10.000,- ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het tenlastegelegde feit zou hebben geleden. De rechtbank is van oordeel dat nu de vordering in het geheel niet is voorzien van een onderbouwing en ook na een verzoek om onderbouwing van de benadeelde partij niets is vernomen, behandeling van voornoemde vordering een onevenredige belasting van het strafgeding vormt, zodat de benadeelde partij niet in de vordering kan worden ontvangen. De benadeelde partij kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 33, 33a, 45, 77c, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77gg en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van tien (10) maanden.

Beveelt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot vijf (5) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van drie (3) jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de gestelde proeftijd:

  • -

    zich meldt bij Reclassering Nederland op het adres [Adres reclassering] , zo vaak en zolang als de reclassering dat nodig acht;

  • -

    zich zolang de reclassering dat nodig acht ( ambulant) laat behandelen door de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering en zich zal houden aan de huisregels en aanwijzingen die de zorglener geeft. Het innemen van medicijnen kan hier onderdeel van zijn;

  • -

    verblijft in Boomerang Zorg of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering en zich zal houden aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld;

  • -

    meewerkt aan het realiseren van een structurele en zinvolle dagbesteding in de vorm van scholing en werk, ook als dit inhoudt dat hij moet meewerken aan een werk/leer traject vanuit het WPI.

Geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht).

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd: 1 STK Handschoen (834521).

Verklaart de benadeelde partij D. [Achternaam Slo] niet-ontvankelijk in de vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij D. [Achternaam Slo] zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van die voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.E.C. de Wit, voorzitter,

mr. H.E. van Harten en mr. P. de Mos, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.A.K. Ramdjan,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 7 augustus 2018.