Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:7095

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
15-08-2018
Datum publicatie
21-09-2018
Zaaknummer
C/15/267948 / FA RK 17-7388
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een verhaalsbijdrage vastgesteld. Nieuwe berekening gemaakt, nu de gemeente de draagkracht van de vrouw en de zorgkorting niet conform de richtlijn, zoals vermeld in het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen (hierna: Tremarapport) heeft toegepast

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd

locatie Alkmaar

GD

Zaak-/rekestnr.: C/15/267948 / FA RK 17-7388

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken d.d. 15 augustus 2018

in de zaak van:

de gemeente [de gemeente] ,

zetelende te [plaats] ,

hierna te noemen: de gemeente,

tegen

[de man] ,

wonende te [plaats] ,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. mr. R.L. Beckers, kantoorhoudende te Enkhuizen.

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de gemeente, ingekomen op 13 december 2017;

- het verweerschrift, met bijlagen, van de man, ingekomen op 13 februari 2018;

- het -zoals de rechtbank begrijpt- aanvullende verzoekschrift van de gemeente, ingekomen op 10 juni 2018.

1.2 De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 13 juli 2018 in aanwezigheid van [gemachtigde] , gemachtigde namens de gemeente, en de man, bijgestaan door mr. Beckers voornoemd.

2 Feiten en omstandigheden

2.1

Uit de verbroken relatie van de man met [de vrouw] (hierna te noemen: de vrouw) zijn de hierna te noemen minderjarige kinderen geboren:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , en

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] .

De vrouw oefent het gezag uit over de minderjarigen. Tussen de man en de vrouw staat vast dat de man de biologische vader is van de minderjarigen

2.2

Door de gemeente wordt aan de vrouw een uitkering verstrekt ingevolge de Participatiewet. De uitkering is bedoeld voor de algemene kosten van het bestaan en is mede bestemd voor voornoemde kinderen.

2.3

Bij besluit van 27 januari 2017 heeft de gemeente vastgesteld dat de kosten van bijstand aan de vrouw met ingang van 1 februari 2017 worden verhaald op de man, tot een bedrag van € 102,77 per maand.

2.5

Burgemeester en Wethouders van de gemeente hebben besloten over te gaan tot verhaal in rechte, hetgeen bij schrijven van laatstelijk 24 juli 2018 aan de man is meegedeeld.

3 Het verzoek

3.1

De gemeente heeft op grond van de artikelen 61 en 62 van de Participatiewet verzocht:

a. de door de man verschuldigde verhaalsbijdrage vast te stellen op € 102,77 per maand, ingaande op 1 juni 2017;

b. de man te veroordelen dit bedrag te voldoen zolang aan de vrouw bijstand wordt verstrekt;

c. de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2

De gemeente heeft haar verzoek gefundeerd op de wettelijke onderhoudsverplichting van de man.

3.3

De gemeente heeft bij aanvullend verzoekschrift van 10 juni 2018 de verhaalsbijdrage gesteld op € 150,17 per maand.

4 Het verweer

4.1

De man heeft het verzoek gemotiveerd bestreden en zich op het standpunt gesteld dat het verzoek van de gemeente moet worden afgewezen, althans de bijdrage vast te stellen op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag met veroordeling van de gemeente in de kosten van de procedure.

4.2

De man heeft daartoe aangevoerd dat zijn inkomen substantieel is gewijzigd. Ook heeft de man aangegeven dat hij het niet eens is met een eerdere ingangsdatum voor de verhaalsbijdrage dan datum verzoekschrift. De man heeft daartoe aangevoerd dat de late indiening van het verzoek niet de terugwerkende kracht van de gevraagde bijdrage rechtvaardigt, mede gezien de e-mail van de man van 15 juni 2017. Ook is de man van mening dat het indienen van het verzoek had moeten worden vermeden, nu hij tijdig openheid van zaken heeft gegeven en partijen aan de hand van de door de man verstrekte gegevens in overleg tot vaststelling van een bijdrage hadden kunnen komen. De eigen bijdrage bedraagt € 513,--, die kosten zijn in de optiek van de man onnodig gemaakt

5 Beoordeling

5.1

Tijdens de zitting heeft de man naar voren gebracht dat hij een bijdrage voor zijn kinderen wil betalen, maar dat hij het niet eens is met de verzochte verhaalsbijdrage en de ingangsdatum van de op te leggen verhaalsbijdrage. Ook heeft de man een draagkrachtberekening gemaakt. Hieruit volgt een lagere verhaalsbijdrage.

5.2

De gemeente is bij haar draagkrachtberekening uitgegaan van een netto besteedbaar inkomen aan de zijde van de man van € 1.599,32 netto per maand en heeft de draagkracht van de man gesteld op 150,17 per maand.

ingangsdatum

5.3

De rechtbank zal voor de ingangsdatum van een eventuele verhaalsbijdrage aansluiten bij de datum zoals is verzocht door de gemeente, of te wel met ingang van 1 juni 2017. Vanaf die datum heeft de man immers daadwerkelijk rekening mee kunnen houden dat een verhaalsbijdrage aan hem kan worden opgelegd. De stelling van de man dat hij de gemeente heeft gemaild, maar daarop door de gemeente niet is gereageerd doet daaraan niets af.

behoefte

5.4

De gemeente heeft de behoefte van de kinderen gesteld op € 365,20 per maand. Hierop heeft de gemeente de draagkracht van de vrouw van € 25,-- per kind per maand in mindering gebracht en de behoefte gesteld op € 315,20 per maand. Vervolgens heeft de gemeente 35% van de zorgkorting in mindering gebracht op de behoefte van de kinderen en de resterende behoefte gesteld op € 204,88 per maand.

5.5

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de naar 1 januari 2017 geïndexeerde behoefte van de kinderen afgerond € 365,-- per maand bedraagt, of te wel afgerond € 183,-- per kind per maand. Deze behoefte neemt de rechtbank dan ook als uitgangspunt. Evenwel heeft de gemeente de draagkracht van de vrouw en de zorgkorting niet conform de richtlijn, zoals vermeld in het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen (hierna: Tremarapport) toegepast. De rechtbank zal de draagkracht van de vrouw en de zorgkorting hierna behandelen.

draagkracht van partijen

5.6

De rechtbank moet vervolgens beoordelen of partijen over voldoende draagkracht beschikken om elk hun aandeel in deze behoefte te kunnen betalen.

5.7

Het bedrag aan draagkracht wordt volgens het Tremarapport van 2017, vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 905]. Deze benadering houdt in dat op het NBI 30% in mindering wordt gebracht in verband met forfaitaire woonlasten, dat rekening wordt gehouden met een bedrag van € 905,-- per maand aan overige lasten en dat wordt uitgegaan van een draagkrachtpercentage van 70. Voor inkomens beneden een NBI van € 1.575,-- per maand zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.

Het netto besteedbaar inkomen (NBI) bestaat uit het bruto inkomen uit arbeid, uitkering en/of vermogen, verminderd met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn, waarbij tevens de relevante heffingskortingen in aanmerking worden genomen. Ook worden hierbij de netto uitgaven voor inkomensvoorzieningen, zoals de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering, in aanmerking genomen. Geen rekening wordt gehouden met de fiscale gevolgen van het zijn van eigenaar van een woning en de bijtelling vanwege een auto van de zaak. Het NBI wordt vermeerderd met het kindgebonden budget waarop recht bestaat.

5.8

Blijkens de overgelegde stukken ontvangt de man vanaf 15 mei 2017 een arbeidsongeschiktheidsuitkering van € 2.171,96 bruto per maand.. Uitgaande van deze inkomsten en rekening houdend met de aanspraak van de man op de algemene heffingskorting en de arbeidskorting bedraagt zijn NBI € 1.615,-- per maand.

Op grond van de draagkrachtformule bedraagt zijn draagkracht dan € 158,-- per maand.

5.9

Beide partijen gaan ervan uit dat de vrouw een draagkracht heeft van € 25,-- per kind per maand. De rechtbank zal hiermee rekening houden.

draagkrachtvergelijking

5.10

De gezamenlijke draagkracht van partijen is € 208,-- per maand. Nu deze gezamenlijke draagkracht lager is dan de totale behoefte van de kinderen van € 365,-- per maand kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven. Partijen worden in dat geval immers geacht hun volledige draagkracht te benutten om zoveel mogelijk in de behoefte van de kinderen te voorzien.

zorgkorting

5.11

Op het berekende aandeel dient de zorgkorting in mindering te worden gebracht. De rechtbank volgt ook in dit opzicht het Tremarapport, inhoudende dat het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid omgang of zorg. Niet in geschil is dat de man gemiddeld drie dagen per week de zorg heeft voor de kinderen, zodat een percentage geldt van 35.

Omdat de behoefte € 365,-- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van

€ 128,-- per maand.

5.12

Op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert, wordt een uitzondering gemaakt in het geval de draagkracht van partijen gezamenlijk onvoldoende is om in de behoefte van de kinderen te voorzien. In dit geval is de gezamenlijke draagkracht

€ 208,-- per maand, zodat er een tekort is van € 157,-- per maand. Het tekort wordt aan beide ouders voor de helft toegerekend, oftewel € 79,-- per maand. De man moet daarom in de kosten van de kinderen bijdragen met een bedrag van € 109,-- per maand (158 – (128 – 79), zijnde een bedrag van € 55,-- per kind per maand.

conclusie

5.13

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de man met ingang van 1 juni 2017 een verhaalsbijdrage voor de kinderen van € 55,-- per kind per maand aan de gemeente moet betalen.

5.14

De rechtbank heeft berekeningen gemaakt ten aanzien van het NBI van de man.

Een exemplaar van deze berekening is aan deze beschikking gehecht.

proceskostenveroordeling

5.15

De man heeft verzocht de gemeente te veroordelen in de kosten van deze procedure. Tijdens de zitting heeft de man toegelicht dat de gemeente een onjuiste berekening heeft gemaakt. De man heeft aangegeven dat hij de gemeente een e-mail heeft gestuurd en meerdere keren heeft gebeld met de gemeente en om een “terugbelverzoek” heeft gevraagd. De man is van mening dat hij noodgedwongen door de gemeente in deze procedure is betrokken.

5.16

De gemeente heeft aangegeven dat zij het e-mail bericht van de man niet heeft ontvangen, maar ook nadien niets van de man heeft gehoord. Ook vraagt de gemeente zich af waarom de man destijds is gestopt met betaling van een vrijwillige bijdrage aan de kinderen.

5.17

De rechtbank ziet in het onderhavige geen aanleiding om de gemeente in de kosten van de procedure te veroordelen.

6 Beslissing


De rechtbank:

6.1

stelt het verhaalsbedrag, dat de man in zijn hoedanigheid van onderhoudsplichtige jegens zijn kinderen [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , en [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , aan de gemeente wegens gemaakte en nog te maken kosten van bijstand verschuldigd is, vast op € 55,-- per kind per maand vanaf 1 juni 2017;

6.2

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

6.3

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Friedberg, rechter, in tegenwoordigheid van G.S. Doornbosch, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2018.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.