Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:7067

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
20-08-2018
Datum publicatie
29-08-2018
Zaaknummer
AWB - 16 _ 2699
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De door verweerder toegepaste correctie op de inbrengwaarde wegens duurzame zelfbewoning is terecht. Een woning waarin de eigenaar door zijn werkzaamheden weinig verblijft kan wel degelijk voor duurzame zelfbewoning bestemd zijn. Daarvoor is ook niet vereist dat de woning als hoofdverblijf aangemerkt moet kunnen worden. Ook indien het verblijf gerelateerd is aan het verrichten van werkzaamheden doet dit niet af aan het gebruik van het appartement voor woondoeleinden. Dat het appartement pas per 5 maart 2007 voor eiser als eigen woning kwalificeerde, is niet doorslaggevend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 30-08-2018
V-N Vandaag 2018/1831
FutD 2018-2314 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N 2018/59.20.2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer: HAA 16/2699

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 augustus 2018 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser

(gemachtigde: H.H. van Braak AA),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 31 juli 2014 voor het jaar 2010 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 78.720.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 22 maart 2016 de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft op 7 juni 2018 een nader stuk van eiser ontvangen en in kopie doorgezonden naar verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2018 te Haarlem.

Eiser is verschenen, bijgestaan door drs. [A] (kantoorgenoot van de gemachtigde). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.C.J.L. Boomsma-Slats en mr. M. Veldstra.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is 100%-aandeelhouder van [A BEDRIJF] B.V.. Deze BV is 100%-aandeelhouder van [B BEDRIJF] B.V. Zij vormen met zijn drieën een fiscale eenheid voor de omzetbelasting.

Met terugwerkende kracht tot 1 april 2005 is een vennootschap onder firma opgericht tussen eiser en [B BEDRIJF] B.V., genaamd v.o.f. [B BEDRIJF] (hierna: VOF). De VOF is op 30 december 2005 ingeschreven in de Kamer van Koophandel.

2. Eiser heeft in 2005 met zijn toenmalige partner mevrouw [B] een appartement in Amsterdam gekocht, gelegen aan de [A ADRES] , voor een koopsom van € 1.115.000. Beiden hebben de onverdeelde helft van het appartementsrecht geëtiketteerd als ondernemingsvermogen.

Eiser heeft de helft van de aanschaffings- en voortbrengingskosten geactiveerd op de balans van het buitenvennootschappelijk vermogen van de VOF en zijn toenmalige partner heeft hetzelfde gedaan op de balans van haar eenmanszaak.

In de akte van levering is onder meer opgenomen:

OMSCHRIJVING REGISTER(GOEDEREN)

1. het voortdurend recht van erfpacht van het onderappartementsrecht rechtgevende op het uitsluitend gebruik van de woning gelegen op de achtste verdieping met berging in de kelder van het gebouw [A GEBOUW] , gelegen aan de [A ADRES] , …”

3. Verweerder heeft met ingang van 18 april 2006 bij de fiscale eenheid [A BEDRIJF] B.V. c.s. een boekenonderzoek uitgevoerd met betrekking tot de al dan niet belaste verhuur van het appartement. Uit de bevindingen blijkt onder meer dat het appartement onder andere is aangeschaft met als doel het verkorten van de reistijd tussen woning en werk.

4. De toenmalige partner van eiser heeft het appartement in de loop van 2006 als woning in gebruik genomen. Zij verbleef er ongeveer vier dagen per week. Eiser verbleef in 2006 één à twee dagen per week in het appartement. De relatie tussen eiser en zijn toenmalige partner is op 1 december 2006 beëindigd. De akte van verdeling van 7 mei 2007 vermeldt in dit verband: “partijen hebben inmiddels per een december 2006 de samenleving verbroken en de samenlevingsovereenkomst beëindigd”. Bij voormelde akte heeft eiser het aandeel van [B] in het appartementsrecht van haar overgenomen. Dit aandeel is door eiser in zijn onderneming ingebracht en per 1 januari 2007 op de balans geactiveerd tegen een waarde van € 757.127 (aanschafkosten à € 585.387 plus verbouwingskosten minus afschrijvingen tot en met 2006 à € 171.740). De WOZ-beschikking 2008 (peildatum 1 januari 2007) vermeldt een waarde van het gehele appartement van € 1.094.500. Eiser heeft zich op 5 maart 2007 laten inschrijven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [A ADRES]

5. Eiser heeft in 2010 zijn onderneming gestaakt en het appartementsrecht overgebracht naar privé tegen de waarde in bewoonde staat, zijnde 65% van € 1.300.000 =

€ 845.000.

6. Eiser heeft aangifte over 2010 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (tevens verzamelinkomen) van -/- € 165.568.

Geschil
7. In geschil is de inbrengwaarde van het appartementsrecht op 1 januari 2007. De door verweerder toegepaste correcties in verband met de overdracht van de inventaris (€ 19.599) en met een onttrekking wegens privégebruik van de woning (€ 16.102) zijn niet in geschil.

8. Eiser betoogt dat het appartement pas vanaf het voorjaar van 2007 kan worden aangemerkt als hoofdverblijf, zodat op het moment van inbreng op 1 januari 2007 geen correctie wegens duurzame zelfbewoning dient te worden toegepast. Met betrekking tot de vastgestelde inbrengwaarde betoogt eiser dat deze waarde, zoals vastgelegd in de akte van verdeling, in onderling overleg met zijn toenmalige partner zakelijk is vastgesteld en overeenkomt met de waarde in het economische verkeer.

Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van -/- € 148.321.

9. Verweerder neemt het standpunt in dat ten tijde van de inbreng sprake was van een woning in bewoonde staat, zodat activering moet plaatsvinden uitgaande van 65% van de waarde in het economische verkeer.

Subsidiair, voor het geval de rechtbank tot het oordeel zou komen dat activering dient plaats te vinden tegen 100% van de waarde in het economische verkeer, beroept verweerder zich op interne compensatie en stelt in dat verband dat de aangegeven inbrengwaarde van de overdeelde helft van het appartementsrecht per 1 januari 2007 niet op zakelijke wijze tot stand is gekomen en op basis van de WOZ-beschikking 2008 dient te worden bepaald op € 547.250 (€ 355.712 in bewoonde staat) en dat de winst wegens privégebruik woning met € 8.201 moet worden verhoogd.

Verweerder concludeert primair tot ongegrondverklaring van het beroep en subsidiair tot gegrondverklaring en vermindering van de aanslag.

10. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

11. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad vormt duurzame zelfbewoning van een pand ten tijde van de inbreng van dat pand in het ondernemingsvermogen, in beginsel een waardedrukkende factor bij de bepaling van de waarde in het economische verkeer (vergelijk o.a. HR 18 november 1959, nr. 14 109, ECLI:NL:HR:1959:AY1740 en HR 1 februari 2013, nr. 11/03882, ECLI:NL:HR:2013:BX4036). Voor het geval een waardedruk wegens zelfbewoning moet worden aangenomen is tussen partijen niet in geschil dat deze 65% bedraagt van de waarde in het economische verkeer.

12. Naar het oordeel van de rechtbank dient in casu te worden getoetst of het door eiser overgenomen aandeel in het appartement op het moment van de inbreng in de onderneming min of meer duurzaam voor woondoeleinden werd gebruikt. Bij de beoordeling neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. Vast staat dat eiser vanaf de aankoop van het appartementsrecht in 2005 de volledige beschikking had over het appartement. Blijkens de akte van levering geeft het appartementsrecht recht op het uitsluitend gebruik van een woning. Uit het door verweerder gehouden boekenonderzoek is naar voren gekomen dat het appartement beschikt over een ingerichte slaapkamer, badkamer en sauna-fitnessruimte en voornamelijk was aangeschaft om voor bewoning te gebruiken teneinde enkele dagen per week dichter bij de werkplek in Amsterdam te wonen en zodoende reistijd te bekorten. Naar eisers verklaring ter zitting verbleef hij in de periode vanaf begin 2006 een of twee keer per week in het appartement, is hij er in 2007 af en toe gaan wonen en heeft hij zijn hoofdverblijf tot en met 2007 in verband met een autistische zoon in Amerongen gehad. Voor zover het betoog van eiser zo moet worden begrepen dat er van duurzame zelfbewoning in 2006 en begin 2007 geen sprake is geweest faalt dit. De zorg voor een autistische zoon stond er kennelijk niet aan in de weg dat eiser in 2006 en 2007 veel van huis was. Hierin kan dus geen aanwijzing voor afwezigheid van duurzame zelfbewoning van het appartement worden gevonden. Een woning waarin de eigenaar door zijn werkzaamheden weinig verblijft kan wel degelijk voor duurzame zelfbewoning bestemd zijn. Daarvoor is ook niet vereist dat de woning als hoofdverblijf aangemerkt moet kunnen worden. Ook indien het verblijf gerelateerd is aan het verrichten van werkzaamheden doet dit niet af aan het gebruik van het appartement voor woondoeleinden. Voornoemde feiten en omstandigheden brengen de rechtbank tot de conclusie dat het appartement per 1 januari 2007 voor duurzame zelfbewoning werd gebruikt. Het enkele feit dat de het appartement pas per 5 maart 2007 voor eiser als eigen woning kwalificeerde, doet aan het voorgaande niet af. Verweerder heeft derhalve terecht een correctie van de inbrengwaarde tot 65% van de waarde in het economisch verkeer toegepast.

13. Ten aanzien van de verwijzing door eiser naar het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6212, overweegt de rechtbank dat in dit arrest sprake is van een geheel andere feitenconstellatie en geschil en dit arrest ook overigens niet tot een ander oordeel kan leiden. In dit arrest oordeelde de Hoge Raad:
"3.2.2 (…) Indien een ondernemer gaat wonen in een pand dat door hem terecht tot zijn ondernemingsvermogen wordt gerekend, vindt jaarlijks een onttrekking van het woongenot plaats. Ter zake daarvan moet de huurwaarde van de woonruimte worden gerekend tot zijn winst uit onderneming. Niet kan worden gezegd dat daarnaast een deel van de waarde van het pand aan het ondernemingsvermogen is onttrokken, ook niet indien, uitgaande van de tot de winst uit onderneming te rekenen huurwaarde, de rendementswaarde van het pand lager is dan de waarde in het economische verkeer."

Dit oordeel heeft betrekking op de correctie die moet plaatsvinden omdat de onderneming winst misloopt door kosten die verband houden met de privésfeer van de ondernemer voor haar rekening te nemen en ziet - anders dan eiser kennelijk betoogt - niet op de bepaling van de waarde in het economische verkeer van het pand ten tijde van de inbreng. In dat verband oordeelt de Hoge Raad in voormeld arrest:

“3.3.3 Anders dan middel III betoogt, heeft het Hof zonder schending van enige rechtsregel de waarde in het economische verkeer van het woonhuis ten tijde van de overgang naar het privé-vermogen kunnen bepalen door uit te gaan van de verkoopwaarde in verhuurde staat (…)”.

14. Nu de rechtbank verweerder volgt in zijn primaire standpunt, behoeft het subsidiaire betoog van verweerder geen bespreking meer.

15. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

16. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Koenis, voorzitter, mr. B. van Walderveen en

mr. G.H. de Soeten, leden, in aanwezigheid van mr. M.C. Anema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof [Z] (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH [Z] .

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.