Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:706

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
05-02-2018
Datum publicatie
26-11-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 2012
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

artikel 19, derde lid WW, datum opzegging overeenkomst

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 17/2012

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 februari 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [Z] , eiser

(gemachtigde: mr. K.U.J. Hopman),

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: J. Knufman).

Procesverloop

Bij besluit van 2 september 2016 (het primaire besluit 1) heeft verweerder met ingang van 15 augustus 2016 het recht op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) geweigerd omdat eiser niet als werknemer kan worden beschouwd omdat hij geen loon ontving voor het werk dat hij deed.

Bij besluit van 10 februari 2017 (het primaire besluit 2) heeft verweerder vastgesteld dat sprake is van een fictieve opzegtermijn omdat het dienstverband tussen eiser en werkgever per 1 augustus 2016 is beëindigd en derhalve voor de opzegtermijn die voor hem geldt. Eiser heeft tot en met 30 september 2016 geen recht op een WW-uitkering. Met ingang van 1 oktober heeft eiser recht op een WW-uitkering.

Bij besluit van 10 februari 2017 (het primaire besluit 3) heeft verweerder het primaire besluit 2 vervallen verklaard en bepaald dat eiser met ingang van 1 oktober 2016 geen WW-uitkering ontvangt omdat hij op 5 oktober 2016 werk heeft aanvaard en niet meer aan de voorwaarden voldoet.

Bij besluit van 9 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2018. Eiser, is met kennisgeving, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

Eiser en [naam 1] (nader: [naam 1] ) zijn op 2 januari 2014 schriftelijk (handgeschreven) overeengekomen dat eiser hand- en spandiensten zal verrichten met betrekking tot de villa [naam 2] tegen kost en inwoning en een toelage van € 250,- per week te betalen door [naam 1] . Eiser stelt zich hiervoor beschikbaar voor minimaal 24 uur en maximaal 32 uur. Eiser en [naam 1] hebben deze overeenkomst ondertekend.

2. Niet in geschil is dat sprake is van een opzegtermijn van 1 maand en dat eiser met ingang van 1 oktober 2016 werk heeft aanvaard met als gevolg dat hij per die datum niet in aanmerking komt voor een WW-uitkering.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat voor het bepalen van de duur van de opzegtermijn verweerder op zoek dient te gaan naar het eerste moment waarop de overeenkomst schriftelijk werd opgezegd. Een vaststellingsovereenkomst is altijd een schriftelijke overeenkomst waarin - eventueel eerder gemaakte- afspraken over de beëindiging zijn vastgelegd. Het is mogelijk dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, voorafgaand aan de schriftelijke bevestiging, eerder mondeling is aangekondigd.

De mail van 1 augustus 2016 is het eerste bewijs van afspraken die partijen hebben gemaakt om de overeenkomst te beëindigen. De door eiser op 2 maart 2017 verstrekte informatie inhoudende een enveloppe met briefje en geld is voor verweerder geen aanleiding om hierover een ander standpunt in te nemen.

Uitgaande van de opzegging in de e-mail van 1 augustus 2016 betekent dit dat eiser op 1 oktober recht heeft op een WW-uitkering.

4. Eiser voert primair aan dat artikel 19, derde lid van de WW niet van toepassing is omdat geen sprake is van opzegging noch van een schriftelijke overeenstemming. Eiser betwist verweerders stelling dat een vaststellingsovereenkomst schriftelijk dient te geschieden.

Eiser voert aan dat de arbeidsovereenkomst in juli 2016 is opgezegd per 15 augustus 2016 met als gevolg dat hij recht heeft op een WW-uitkering per 1 september 2016.

Eiser verwijst naar voormelde e-mail van 1 augustus 2016 inhoudende een verslag van een gesprek dat in juli 2016 heeft plaatsgevonden. Daarin wordt vermeld dat eisers werkzaamheden op 1 augustus zullen worden gestopt, dat hij tot en met 15 augustus 2016 in de dienstwoning mag verblijven, dat deze voor 1 september 2016 moet zijn ontruimd en dat eiser moet zijn uitgeschreven op 1 september 2016 omdat iemand anders in de woning komt te wonen.

Eiser stelt dat uit de zin in deze e-mail: “Zoals eerder afgesproken in het bijzijn van de heer [naam 3] , is de heer [eiser] aan het solliciteren voor een nieuwe baan elders.” blijkt dat het een verslag betreft van een gesprek dat al eerder heeft plaatsgevonden.

Een opzegging hoeft niet schriftelijk en dit heeft in juli 2016 plaatsgevonden.

Eiser benadrukt dat de e-mail van 1 augustus 2016 geen vaststellingsovereenkomst is. Er is geen sprake van een rechtsgeldige beëindiging op 1 augustus 2016.

Verder verwijst eiser naar de enveloppe met briefje gedateerd 1 augustus 2016 waarin € 300,- is gestopt met de vermelding dat het restant plus bonus 15 augustus volgt.

Uitgaande van de rechtsgeldige opzegging in juli 2016 heeft eiser op grond van artikel 19, derde lid van de WW met ingang van 1 september 2016 recht op een WW-uitkering.

5. Artikel 19, derde lid van de WW bepaalt het volgende.

Geen recht op uitkering heeft de werknemer zolang de rechtens geldende opzegtermijn niet is verstreken en de arbeidsovereenkomst is geëindigd door opzegging of doordat daarover schriftelijk overeenstemming is bereikt. Onder de rechtens geldende opzegtermijn wordt verstaan de termijn die de werkgever of de werknemer op grond van artikel 672 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de artikelen 94 tot en met 96c van het Algemeen Rijksambtenarenreglement of een overeenkomstige bepaling van soortgelijke regeling ieder voor zich bij opzegging in acht behoort te nemen. In geval de dienstbetrekking is geëindigd met wederzijds goedvinden, geldt de in de vorige zin genoemde opzegtermijn voor de werkgever. Als datum waarop de dienstbetrekking wordt geacht te zijn opgezegd, geldt de datum waarop:

a. de beëindiging schriftelijk is overeengekomen; of

b. de werkgever of de werknemer de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd.

6. Uit de email van 1 augustus zou kunnen worden afgeleid dat de opzegging op een eerdere datum plaatsgevonden zou moeten hebben. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat het ook zo is gegaan. Eiser is niet ter zitting verschenen. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat niet gebleken is dat sprake is van opzegging voor 1 augustus 2016.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Terwiel-Kuneman, rechter, in aanwezigheid van E.A.D. Horn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.