Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:7030

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
19-07-2018
Datum publicatie
13-08-2018
Zaaknummer
693478 AO VERZ 18-34 6935247 AO VERZ 18-35 6954714 AO VERZ 18-39 6964844 AO VERZ 18-40
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak. Het verzoek van twee werknemers om vernietiging van een ontslag op staande voet wordt toegewezen. De werknemers zijn op staande voet ontslagen omdat zij bakkerijproducten hebben meegenomen zonder te betalen. Gebleken is echter dat de werknemers met de werkgever een afspraak hadden dat dit was toegestaan. De stellingen van de werknemers worden mede voor juist gehouden, omdat de werkgever de van belang zijnde feiten niet volledig en naar waarheid heeft aangevoerd en daarmee in strijd heeft gehandeld met artikel 21 Rv

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0953
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Zaanstad

Zaaknr./rolnr.:

6934978\AO VERZ 18-34

6935247\AO VERZ 18-35

6954714\AO VERZ 18-39
6964844\AO VERZ 18-40

Uitspraakdatum: 19 juli 2018

Beschikking in de zaak van:

in de zaken met zaaknummer 18-39 en 18-40

[naam 1] en [naam 2],

beiden wonende te [woonplaats 1]

verzoekende partijen

verder afzonderlijk te noemen: [naam 1] en [naam 2] , en samen te noemen: [X]

gemachtigde: mr. J.F. Overes

tegen

[naam 3]

zaakdoende te [woonplaats 2] ,

verwerende partij

verder te noemen: [naam 3]

gemachtigde: mr. ing. G.J. van Egmond

in de zaken met zaaknummer 18-34 en 18-35

[naam 3]

zaakdoende te [woonplaats 2] ,

verzoekende partij

verder te noemen: [naam 3]

gemachtigde: mr. ing. G.J. van Egmond

tegen

[naam 1] en [naam 2],

beiden wonende te [woonplaats 1]

verwerende partijen

verder afzonderlijk te noemen: [naam 1] en [naam 2] , en samen te noemen: [X]

gemachtigde: mr. J.F. Overes

1 Het procesverloop

in de zaken met zaaknummer 18-39 en 18-40

1.1.

[X] hebben een verzoek gedaan, door de rechtbank ontvangen op 23 mei 2018, om een door [naam 1] gegeven ontslag op staande voet te vernietigen. [X] hebben ook een verzoek gedaan om een voorlopige voorziening te treffen.

1.2.

Op 2 juli 2018 heeft een zitting plaatsgevonden, waar de zaken gezamenlijk en gevoegd met de zaken met zaaknummer 18-34 en 18-35 zijn behandeld. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. [X] hebben pleitnotities overgelegd.

in de zaken met zaaknummer 18-34 en 18-35

1.3.

[naam 3] heeft een verzoek gedaan, door de rechtbank ontvangen op 25 mei 2018, om voor recht te verklaren dat de arbeidsovereenkomst met [X] is beëindigd op 27 maart 2018 op grond van een dringende reden en om [X] te veroordelen tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding en betaling van een vergoeding van werkelijk geleden schade.

1.4.

Op 2 juli 2018 heeft een zitting plaatsgevonden, waar de zaken gezamenlijk en gevoegd met de zaken met zaaknummer 18-39 en 18-40 zijn behandeld. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. [X] hebben pleitnotities overgelegd.

2 De feiten

2.1.

[naam 3] is een ondernemer met bakkerijen in de regio Uitgeest, waar dagelijks vers brood en banket wordt geproduceerd en verkocht. [naam 3] heeft meerdere vestigingen, in Uitgeest, Limmen en Krommenie.

2.2.

[X] hebben 35 jaar lang (van 1973 tot 2008) een bakkerszaak gehad in Krommenie. [X] zijn eigenaar van het pand waarin de bakkerszaak gevestigd is. Gedurende ruim 14 jaar en tot 2008 waren [X] klant van [naam 3] , met een gemiddelde afname van producten tot een bedrag van ongeveer € 1.600,00 per week.

2.3.

In juli 2008 hebben [X] besloten hun bakkerszaak te staken. Met ingang van 15 juli 2008 is de bakkerszaak overgenomen door [naam 3] en is hij de bakkerszaak gaan exploiteren. [X] hebben het pand waarin de bakkerszaak is gevestigd vanaf die datum verhuurd aan [naam 3] .

2.4.

[naam 1] , geboren [geboortedag 1] 1948, en [naam 2] , geboren [geboortedag 2] 1953, zijn vervolgens beiden in dienst getreden bij [naam 3] , met ingang van 11 augustus 2008, [naam 1] als chauffeur en [naam 2] als winkelmedewerker. [naam 1] is werkzaam op basis van ongeveer 15 uur per week tegen een salaris van € 11,90 bruto per uur, [naam 2] werkt ongeveer 4,75 uur per week tegen een salaris van € 11,96 bruto per uur.

2.5.

[naam 3] heeft de huur van het pand in Krommenie, waarin de bakkerszaak is gevestigd, opgezegd tegen 14 juli 2018.

2.6.

Op 17 maart 2018 hebben [naam 1] en [naam 2] , ieder afzonderlijk, een gesprek gehad met [naam 3] . Bij dat gesprek was ook een medewerker van recherchebureau SecMan B.V. (hierna: SecMan) aanwezig. [naam 3] heeft in die gesprekken aan [naam 1] en [naam 2] meegedeeld dat SecMan de opdracht had gekregen om onderzoek te doen bij de bakkerszaak in Krommenie. Ook is daarbij door [naam 3] aan [naam 1] en [naam 2] te kennen gegeven dat uit dit onderzoek was gebleken dat [naam 1] en [naam 2] één of meerdere keren producten uit de bakkerszaak hadden meegenomen zonder af te rekenen. [naam 1] en [naam 2] hebben beiden aan het eind van dit gesprek een verklaring ondertekend, waarin onder meer staat dat [naam 1] en [naam 2] producten hebben meegenomen zonder te betalen, tot een bedrag van respectievelijk € 750,00 en € 1.000,00. Aansluitend aan het gesprek van 17 maart 2018 zijn [naam 1] en [naam 2] geschorst.

2.7.

Met een brief van 27 maart 2018 heeft [naam 3] zowel [naam 1] als [naam 2] op staande voet ontslagen. In die brief, die ten aanzien van [naam 1] en [naam 2] nagenoeg identiek is, staat daarover het volgende:

“ [naam 3] heeft bedrijfsrecherchebureau SecMan ingeschakeld om onderzoek te doen naar mogelijke misstanden in zijn bakkerijwinkel te Krommenie. Uit het onderzoek van de bedrijfsrecherche en uw verklaring, is komen vast te staan dat u één of meerdere keren (bakkerij) producten heeft meegenomen zonder af te rekenen. U heeft verklaard dat u (bakkerij)producten heeft meegenomen zonder te betalen. Blijkens uw verklaring heeft u voor zo’n € 1.000 [kantonrechter: in geval van [naam 1] € 750] aan bakkerijproducten meegenomen zonder te betalen.

[naam 3] kan gelet op het voorgaande geen andere conclusie trekken dan dat u zich schuldig heeft gemaakt aan het wegnemen van (bakkerij)producten zonder te betalen. Deze gedraging(en) is/zijn dermate ernstig van aard dat het is te kwalificeren als een dringende reden om de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen.”

3 Het verzoek

in de zaken met zaaknummer 18-39 en 18-40

3.1.

[X] verzoeken de kantonrechter het ontslag op staande voet te vernietigen en [naam 3] te veroordelen tot doorbetaling van loon. Subsidiair is een verzoek gedaan om [naam 3] te veroordelen een transitievergoeding te betalen.

3.2.

Aan dit verzoek leggen [X] ten grondslag – kort weergegeven – dat geen sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet en dat dit ontslag niet onverwijld is gegeven. In dat kader hebben [X] opgemerkt dat zij in 2008, bij de overname van de bakkerszaak door [naam 3] , met [naam 3] hebben afgesproken dat zij wekelijks, doorgaans op zaterdag, een bakkerijproduct gratis mochten meenemen. Dit in ruil voor de lage(re) huur die [naam 3] betaalde voor het pand van [X] , waarin de bakkerszaak was gevestigd, en in ruil voor het feit dat [naam 3] voor de bakkerszaak machines mocht gebruiken die aan [X] toebehoorden, zo stellen [X] Gelet daarop mochten [X] de door [naam 3] bedoelde bakkerijproducten meenemen zonder te betalen en is van enig onrechtmatig handelen door hen geen sprake, aldus [X] Volgens [X] is het ontslag ook niet onverwijld gegeven, omdat [naam 3] na het gesprek van 17 maart 2018 nog tien dagen heeft gewacht om ontslag op staande voet te geven, zonder dat daarvoor een goede reden of verklaring is.

3.3.

[naam 3] heeft verweer gevoerd, in de vorm van het verzoek dat door hem is ingediend.

in de zaken met zaaknummer 18-34 en 18-35

3.4.

[naam 3] heeft verzocht om voor recht te verklaren dat de arbeidsovereenkomst met [X] is beëindigd op 27 maart 2018 op grond van een dringende reden en om [X] te veroordelen tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding en betaling van een vergoeding van werkelijk geleden schade.

3.5.

Aan dit verzoek legt [naam 3] ten grondslag – samengevat – dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven, omdat [X] onrechtmatig bakkerijproducten hebben meegenomen zonder te betalen en af te rekenen, en dat zij dit ook hebben erkend. Verder wijst [naam 3] erop dat [X] ook een schuldbekentenis hebben ondertekend, waarin zij verklaren dat zij bakkerijproducten zonder betalen hebben meegenomen, en dat zij bereid zijn de daardoor veroorzaakte schade en de onderzoekskosten te betalen. Volgens [naam 3] hebben [X] geen enkele verklaring gegeven voor het wegnemen van de producten, ook niet in het gesprek van 17 maart 2018, en valt daarvoor ook geen rechtvaardiging te bedenken. De onderzoekskosten die [naam 3] vordert, bestaan uit de kosten van het onderzoek door recherchebureau SecMan.

3.6.

[X] hebben verweer gevoerd, in de vorm van het verzoek dat door hen is ingediend.

4 De beoordeling

in de zaken met zaaknummer 18-39 en 18-40

4.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet moet worden vernietigd en of [naam 3] moet worden veroordeeld tot betaling van loon.

4.2.

Naar het oordeel van de kantonrechter is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig. Daarover wordt het volgende overwogen.

4.3.

Volgens de wettelijke regels in het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) voor ontslag op staande voet is een dergelijk ontslag alleen geldig als de arbeidsovereenkomst onverwijld wordt opgezegd om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de werknemer (artikel 7:677 lid 1 BW). Voor de vraag of het ontslag onverwijld is gegeven, is beslissend het tijdstip waarop de dringende reden tot dat ontslag ter kennis is gekomen van degene die bevoegd was het ontslag te verlenen (zie: HR 27 april 2001, ECLI:NL:HR:2001: AB1347, JAR 2001/95 (McDonalds)). Verder is de van een werkgever te vergen mate van voortvarendheid afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard en omvang van een eventueel noodzakelijk onderzoek, de eventuele noodzaak tot het inwinnen van rechtskundig advies en tot het verzamelen van bewijsmateriaal, en de door de werkgever in acht te nemen zorg om te vermijden dat, als een vermoeden ongegrond blijkt, de werknemer in zijn gerechtvaardigde belangen zou worden geschaad (zie: HR 15 februari 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC4006, NJ 1980/328 (Gelderse Tramvervoer Maatschappij)).

4.4.

Vast staat dat de reden die voor [naam 3] aanleiding was om ontslag op staande voet te geven, aan hem bekend is geworden op 17 maart 2018, te weten in het gesprek met [naam 1] en [naam 2] . Op basis van dat gesprek heeft [naam 3] immers de conclusie getrokken dat [naam 1] en [naam 2] één of meerdere keren onrechtmatig producten uit de bakkerszaak hadden meegenomen zonder af te rekenen, en dat dit een ontslag op staande voet rechtvaardigde.

4.5.

Vast staat ook dat [naam 3] vervolgens tien dagen heeft gewacht voordat hij is overgegaan tot het ontslag op staande voet. Niet gesteld of gebleken is dat [naam 3] die periode van tien dagen nodig heeft gehad voor nader onderzoek of voor het verzamelen van bewijsmateriaal. Voor zover [naam 3] het nodig vond om rechtskundig advies in te winnen, valt niet in te zien waarom daarvoor tien dagen nodig zijn geweest. [naam 3] heeft, hoewel hij daartoe voldoende gelegenheid heeft gehad, ook niet toegelicht of gemotiveerd waarom het ontslag op staande voet pas tien dagen na het gesprek op 17 maart 2018 is gevolgd. [naam 3] is in het geheel niet ingaan op de stelling van [X] dat het ontslag niet onverwijld is gegeven. Dit betekent dat moet worden geconcludeerd dat [naam 3] onvoldoende voortvarend heeft gehandeld en dat het ontslag op staande voet dus niet onverwijld is gegeven, zoals wettelijk vereist. Het ontslag op staande voet is alleen al daarom ongeldig.

4.6.

[X] worden ook gevolgd in hun standpunt dat geen sprake is van een dringende reden voor het ontslag op staande voet, op de volgende gronden.

4.7.

Als dringende redenen voor een ontslag op staande voet door een werkgever worden beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan gevergd worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (artikel 7:678 lid 1 BW). Een dringende reden kan onder andere aanwezig zijn wanneer de werknemer zich schuldig maakt aan diefstal of verduistering waardoor hij het vertrouwen van de werkgever onwaardig wordt, of als de werknemer grovelijk de plichten veronachtzaamt die de arbeidsovereenkomst hem oplegt (artikel 7:678 lid 2, onderdeel d en k, BW).

4.8.

Bij de beoordeling van de vraag of van een dringende reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren in de eerste plaats te worden betrokken de aard en ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt, en verder onder meer de aard en duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop de werknemer deze heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben. Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de conclusie leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeids-overeenkomst gerechtvaardigd is (zie: HR 21 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4436; NJ 2000/190; JAR 2000/45 (HEMA)).

4.9.

[X] hebben gesteld dat in 2008, bij de overname van de bakkerszaak door [naam 3] , met [naam 3] de afspraak is gemaakt dat zij wekelijks, doorgaans op zaterdag, een bakkerijproduct gratis mochten meenemen, in ruil voor de lage(re) huur die [naam 3] betaalde en voor het feit dat [naam 3] voor de bakkerszaak machines mocht gebruiken die aan [X] toebehoorden. Ter ondersteuning van die stelling hebben [X] een verklaring overgelegd van [naam 4] , hun zoon, die in 2008 bij het gesprek met [naam 3] aanwezig was, en van [naam 5] , een voormalig medewerker, die van 2008 tot 2018 in de bakkerszaak in Krommenie heeft gewerkt. In de verklaring van [naam 4] staat onder meer dat in 2008 met [naam 3] inderdaad de afspraak is gemaakt dat [X] wekelijks een bakkersproduct mochten meenemen. In de verklaring van [naam 5] wordt opgemerkt dat zij op de hoogte was van de mondelinge afspraak dat [X] wekelijks een product (“iets lekkers”) mochten meenemen, en dat dit ook een bij al het personeel bekende praktijk was sinds 2008.

4.10

Verder heeft [naam 3] op de zitting erkend dat [X] in het gesprek op 17 maart 2018 melding hebben gemaakt van de hiervoor genoemde afspraak, maar dat daarop niet is ingegaan. Ook niet betwist is de stelling van [X] dat [naam 3] in het gesprek op 17 maart 2018 het bestaan van een dergelijke afspraak geheel heeft ontkend.

4.11.

Op de zitting heeft de gemachtigde van [naam 3] , daarnaar gevraagd, opnieuw ontkend dat de door [X] gestelde afspraak is gemaakt. De gemachtigde heeft in antwoord op de vraag opgemerkt dat als die afspraak zou zijn gemaakt, de hele zaak niet nodig was geweest. Echter, [naam 3] zelf heeft vervolgens op de zitting, nadat ook hij nogmaals naar de afspraak is gevraagd, geantwoord dat er in 2008 inderdaad met [X] een afspraak is gemaakt over het meenemen van producten. Aanvankelijk heeft [naam 3] gezegd dat het hier zou gaan om een algemeen geldende regeling voor het personeel, inhoudende dat het personeel op zaterdag overgebleven en niet verkochte producten mag meenemen en overigens 15% korting krijgt. Daarna is door [naam 3] verklaard dat het klopt dat [X] op zaterdag gratis producten mochten meenemen, maar heeft hij opgemerkt dat die regel in 2012 is afgeschaft. Ook heeft [naam 3] verklaard dat hij zich niet meer precies kan herinneren wat er in het gesprek in 2008 exact is besproken.

4.12.

Gelet op het voorgaande heeft [naam 3] geen consistente en eenduidige verklaringen afgelegd over de door [X] gestelde afspraak uit 2008. [naam 3] heeft aanvankelijk deze afspraak zelfs geheel ontkend, en heeft die ontkenning op de zitting in eerst instantie herhaald, terwijl nadien alsnog is erkend dat een afspraak is gemaakt. Gelet daarop is de betwisting door [naam 3] van de door [X] gestelde afspraak onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd, en is die betwisting ook in strijd met de wettelijke verplichting van [naam 3] om de van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren (artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). De kantonrechter verbindt daaraan het gevolg dat het standpunt van [X] voor juist wordt gehouden.

4.13.

Ervan uitgaande dat als vaststaand moet worden aangenomen dat tussen [naam 3] en [X] in 2008 de afspraak is gemaakt dat [X] wekelijks een bakkerijproduct gratis mochten meenemen, kan het ontslag op staande voet geen standhouden. Dit ontslag berust immers op de stelling dat [X] bakkerijproducten zonder betalen hebben meegenomen, terwijl zij daardoor geen verklaring, reden of rechtvaardiging hadden, en die stelling blijkt gelet op de hiervoor genoemde afspraak feitelijk onjuist.

4.14.

Dat [X] op 17 maart 2018 verklaringen hebben ondertekend, waarin zij erkennen dat zij bakkerijproducten zonder betalen hebben meegenomen, leidt niet tot een ander oordeel. Die verklaringen komen immers overeen met het feit dat inmiddels als vaststaand moet worden aangenomen dat tussen [naam 3] en [X] in 2008 de afspraak is gemaakt dat [X] wekelijks een bakkerijproduct gratis mochten meenemen. Hetzelfde geldt voor de erkenning in die verklaringen dat producten zijn meegenomen die ook meteen hadden kunnen worden afgerekend, of dat niet alle producten zijn afgerekend.

4.15.

De stelling van [naam 3] dat de afspraak met [X] in 2012 is afgeschaft, kan niet worden gevolgd. [naam 3] heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat enige regeling in 2012 is afgeschaft en zo ja, om welke regeling het dan zou gaan. Verder hebben [X] erop gewezen dat een algemene regeling voor het personeel mogelijk is gewijzigd in 2012, maar dat zij ervan uitgingen dat een wijziging van een dergelijke algemene personeelsregeling niet zag op de specifieke afspraak die zij met [naam 3] hadden. Dat [naam 3] met een eventuele wijziging van een algemene personeelsregeling ook zou hebben beoogd om de specifieke afspraak met [X] te wijzigen, is niet gesteld of gebleken.

4.16.

De kantonrechter ziet geen aanleiding om [naam 3] nog de gelegenheid te geven nadere stukken te overleggen of bewijs te leveren. Er is al voldoende gelegenheid geweest stukken te overleggen en voor nadere bewijslevering is, gelet op wat hiervoor is overwogen, geen aanleiding.

4.17.

Op de zitting heeft [naam 3] nog naar voren gebracht dat [X] in de loop van de jaren producten hebben meegenomen, al dan niet met personeelskorting, maar dat die producten vaak niet of niet nauwkeurig zijn afgerekend. [naam 2] heeft op de zitting erkend dat zij, los van de afspraak over het gratis meenemen van producten, ook wel eens producten met personeelskorting meenam, en dat het best mogelijk is dat zij bij het afrekenen daarvan wel eens fouten of vergissingen heeft gemaakt. Dit verwijt dat [naam 3] [X] maakt is echter van een andere aard dan wat aan het ontslag op staande voet ten grondslag is gelegd, en dit verwijt is overigens ook niet nader gemotiveerd, onderbouwd of toegelicht. Daarnaast levert het enkele feit dat mogelijk vergissingen zijn gemaakt bij het afrekenen van producten die met personeelskorting zijn gekocht, in beginsel ook geen dringende reden voor ontslag op staande voet op.

4.18.

De kantonrechter kan op verzoek van de werknemer de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever vernietigen, indien de werkgever heeft opgezegd in strijd met de wettelijke regels daarvoor (artikel 7:681 lid 1 en artikel 7:671 BW). Omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, zal het verzoek van [X] om vernietiging van dat ontslag worden toegewezen. Er is immers sprake van een opzegging in strijd met de wet.

4.19.

Omdat het ontslag op staande voet wordt vernietigd, duurt de arbeidsovereenkomst voort en hebben [X] recht op doorbetaling van loon. De vordering van [X] tot loonbetaling zal daarom eveneens worden toegewezen. De gevorderde wettelijke verhoging en de wettelijke rente zullen daarnaast worden toegewezen vanaf de dag van opeisbaarheid, omdat [naam 3] te laat betaalt, waarbij de wettelijke verhoging zal worden beperkt tot 20%.

4.20.

Ook de vordering om [naam 3] te veroordelen [X] toe te laten tot het werk en in de gelegenheid te stellen hun gebruikelijke werkzaamheden te verrichten, wordt toegewezen. [X] hebben in beginsel recht op tewerkstelling en [naam 3] heeft tegen deze vordering geen zelfstandig verweer gevoerd. De vordering zal worden toegewezen op een termijn van een maand na betekening van deze beschikking, waarbij de dwangsom zal worden gemaximeerd op € 250,00 per dag en € 25.000,00 in totaal.

4.21.

Nu in deze beschikking al een beslissing wordt gegeven over het verzoek van [X] , is er geen reden meer om een voorlopige voorziening te treffen. Een voorlopige voorziening kan immers alleen worden getroffen voor de duur van het geding (artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

4.22.

De proceskosten komen voor rekening van [naam 3] , omdat hij ongelijk krijgt. De verzoeken van [naam 1] en [naam 2] zullen daarbij, vanwege de onderlinge samenhang, als één verzoek worden aangemerkt. De gevorderde nakosten kunnen worden toegewezen, voor zover deze daadwerkelijk worden gemaakt.

in de zaken met zaaknummer 18-34 en 18-35

4.23.

Het gaat in deze zaak om de vraag of voor recht moet worden verklaard dat de arbeidsovereenkomst met [X] is beëindigd op 27 maart 2018 op grond van een dringende reden en of [X] moeten worden veroordeeld tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding en betaling van een vergoeding van werkelijk geleden schade.

4.24.

Zoals volgt uit wat hiervoor is overwogen in de zaken met zaaknummer 18-39 en 18-40, is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig en is geen sprake van een dringende reden voor ontslag op staande voet. Dat betekent dat het verzoek van [naam 3] moet worden afgewezen. Het verzoek van [naam 3] gaat er immers vanuit dat dit ontslag op staande voet terecht is gegeven en geldig is.

4.25.

De proceskosten komen voor rekening van [naam 3] , omdat hij ongelijk krijgt. De proceskosten van [X] zullen worden vastgesteld op nihil, omdat zij in deze zaken geen aparte proceshandelingen hebben verricht die voor vergoeding in aanmerking komen.

5 De beslissing

De kantonrechter:

in de zaken met zaaknummer 18-39 en 18-40

5.1.

vernietigt de opzegging van de arbeidsovereenkomst door [naam 3] op 27 maart 2018;

5.2.

veroordeelt [naam 3] tot betaling van het loon aan [naam 1] van € 773,50 bruto per maand, over de periode vanaf 27 maart 2018 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst tot een rechtsgeldig einde mocht komen, steeds op de gebruikelijke maandelijkse tijdstippen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging vanaf de dag van opeisbaarheid, met een maximum van 20%, en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid, tot aan de dag van de gehele betaling;

5.3.

veroordeelt [naam 3] tot betaling van het loon aan [naam 2] van € 246,18 bruto per maand, over de periode vanaf 27 maart 2018 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst tot een rechtsgeldig einde mocht komen, steeds op de gebruikelijke maandelijkse tijdstippen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging vanaf de dag van opeisbaarheid, met een maximum van 20%, en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid, tot aan de dag van de gehele betaling;

5.4.

veroordeelt [naam 3] om binnen een maand na betekening van deze beschikking [naam 1] toe te laten tot het werk en hem in de gelegenheid te stellen zijn gebruikelijke werkzaamheden te verrichten, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag dat [naam 3] in gebreke blijft daaraan te voldoen, met een maximum van € 25.000,00 in totaal;

5.5.

veroordeelt [naam 3] om binnen een maand na betekening van deze beschikking [naam 2] toe te laten tot het werk en haar in de gelegenheid te stellen haar gebruikelijke werkzaamheden te verrichten, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag dat [naam 3] in gebreke blijft daaraan te voldoen, met een maximum van € 25.000,00 in totaal;

5.6.

veroordeelt [naam 3] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [X] tot en met vandaag vaststelt op:

griffierecht € 158,00

salaris gemachtigde € 600,00

en veroordeelt [naam 3] tot betaling binnen veertien dagen na deze beschikking van € 100,00 aan nakosten, voor zover deze nakosten daadwerkelijk worden gemaakt;

5.7.

verklaart de veroordeling onder 5.1, 5.2, 5.3, 5.4, 5.5 en 5.6 van deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

5.8.

wijst het verzoek voor het overige af;

in de zaken met zaaknummer 18-34 en 18-35

5.9.

wijst het verzoek af;

5.10.

veroordeelt [naam 3] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [X] tot en met vandaag vaststelt op nihil.

Deze beschikking is gewezen door mr. P.J. Jansen, kantonrechter en op 19 juli 2018 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter