Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:6987

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
31-07-2018
Datum publicatie
10-08-2018
Zaaknummer
6817462 \ OA VERZ 18-45
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek van werkgever om ontbinding wegens ernstige wanprestatie c.q. ernstig verwijtbaar handelen werknemer afgewezen, maar toegewezen wegens verstoorde arbeidsverhouding. Verstoord door ernstig verwijtbaar handelen werkgever. Billijke vergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0937
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 6817462 \ AO VERZ 18-45 BL

Uitspraakdatum: 31 juli 2018

Beschikking in de zaak van:

de besloten vennootschap Abattoir Amsterdam B.V., tevens h.o.d.n. Ameco Slachtbedrijf

gevestigd te Amsterdam

verzoekende partij

verder te noemen: Ameco

gemachtigde: mr. C.I.M. Molenaar

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats]

verwerende partij

verder te noemen: [verweerder]

gemachtigde: mr. T.M. Melissen

1 Het procesverloop

1.1.

Ameco heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. [verweerder] heeft een verweerschrift en (voorwaardelijke) tegenverzoeken ingediend.

1.2.

Op 30 mei 2018 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft [verweerder] bij brief van 25 mei 2018 nog stukken toegezonden.

1.3.

Vervolgens is de behandeling van de zaak op verzoek van partijen aangehouden, om te beproeven of een in onderling overleg een minnelijke regeling getroffen zou kunnen worden. Bij brief van 3 juli 2018 heeft Ameco de kantonrechter bericht dat dit niet is gelukt en verzocht om uitspraak te doen.

2 De feiten

2.1.

Ameco is een slachtbedrijf waar meer dan 200 mensen werkzaam zijn.

2.2.

[verweerder] , geboren op [geboortedag] 1955, is op 26 oktober 1987 als slachter in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) Ameco.

2.3.

Met ingang van 1 april 2000 is [verweerder] de functie van assistent bedrijfsleider gaan vervullen, aanvankelijk voor een proefperiode van een jaar.

2.4.

De salarisspecificatie van maart 2018 vermeldt nog steeds de functie van assistent bedrijfsleider. Het laatst verdiende salaris van [verweerder] bedraagt € 4.253,40 bruto per maand bij een arbeidsduur van 36 uur per week, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en overige emolumenten waaronder een toeslag seniorenregeling van € 472,60 bruto per maand.

2.5.

In oktober 2017 is Ameco verhuisd van het Foodcenter aan de Jan van Galenstraat te Amsterdam naar een nieuw gebouwde locatie te Apeldoorn.

2.6.

Op 24 november 2017 heeft de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) een boete opgelegd aan Ameco, wegens een overtreding die eruit bestaat dat het uitslachten niet op zodanige wijze is gebeurd dat verontreiniging op het vlees werd voorkomen, geconstateerd in de oude locatie te Amsterdam op 22 augustus 2017. Bij de vaststelling van de hoogte van de boete heeft de NVWA rekening gehouden met de omstandigheid dat op 15 mei 2015 een boete is opgelegd voor dezelfde overtreding.

2.7.

Na de verhuizing heef de NVWA een zogenoemde ‘tijdelijke erkenning’ aan Ameco verstrekt, die bij welslagen van een audit op 8 januari 2018 zou worden omgezet in een definitieve erkenning.

2.8.

In de periode na de verhuizing naar Apeldoorn heeft de NVWA een reeks van schriftelijke waarschuwingen en voornemens tot boeteoplegging aan Ameco gezonden wegens het aantreffen van mestbezoedeling op karkassen, geconstateerd achtereenvolgens op 7, 27 en 28 november 2017, 6, 7 en 20 december 2017, 9 januari 2018 en 8, 15 en 19 februari 2018.

2.9.

Op 28 december 2017 heeft Ameco overleg gevoerd met de NVWA. Van de zijde van Ameco waren daarbij aanwezig haar directeur [naam 1] en de voor de bewaking van de interne kwaliteit door Ameco ingeschakelde heer [naam 2] van Eurofins.

Een verslag van dit overleg is op 29 december 2017 door [naam 2] aan (onder anderen) [verweerder] en zijn collega [naam 3] gezonden. Het verslag bevat een lijst met actiepunten, waarvan in deze zaak relevant is het punt: “Hygiëne personeel: beter toezicht door het bedrijf is nodig. Handenwassen wordt onvoldoende gedaan, het apparaat bij de toegang tot de slachthal wordt door de ploeg uitgezet.” In zijn begeleidende e-mail schrijft [naam 2] hierover: “Wat betreft de hygiëne van de medewerkers, dit moet verbeteren, er moet toezicht komen op het handenwassen bij het betreden van de slachthal, ik zal de TD vragen de schakelaars te verwijderen of zo. Het kan niet zo zijn dat de poortjes door de mensen uit worden gezet. Graag jullie idee hoe we dit kunnen verbeteren, een mogelijkheid is camera’s ophangen bij de hygiëne sluizen.” Verder blijkt uit het verslag dat de aanstaande audit zal worden voorbereid door [naam 2] , ene [naam 4] en [naam 5] (medewerker van de NVWA).

2.10.

Op 5 januari 2018 schrijft [naam 2] in een e-mail aan (onder anderen) [verweerder] en [naam 3] een zevental bevindingen waar direct absoluut wat aan gedaan moet worden. Het gaat – samengevat – om de volgende punten.

  1. In de wasstraat moeten zeepdispensers opgehangen worden en de laarzen moeten gedesinfecteerd kunnen worden, anders volgt geen definitieve erkenning (actiepunt voor de Technische Dienst).

  2. Opdrijven in de stal mag alleen als het echt niet anders kan (actiepunt voor [naam 6] ).

  3. Controle op oogreflexen bij de aanketter moet bij ieder rund gebeuren ( [naam 2] heeft de betreffende mensen hierop aangesproken en vraagt in zijn algemeenheid dit tijdens de audit in de gaten te houden en mensen duidelijk te instrueren).

  4. De sterilisator naast de aanketter werkt niet (actiepunt voor de Technische Dienst).

  5. “Slachterij; weer staat de hygiëne sluis uit en loopt iedereen door zonder handen te wassen, dit geeft altijd opmerkingen van de NVWA, dagelijks! wanneer dit maandag/dinsdag gebeurt krijgen we geen erkenning! Er moet maandag/dinsdag zeker, iemand staan die checkt of mensen door het juiste poortje gaan (schone slacht / vuile slacht) en of de handengewassen en gedesinfecteerd worden. Dit is namelijk basisvoorwaarden om te mogen werken als slachterij! -> [verweerder] / [naam 3] pakken jullie dit op!”

  6. Vanaf nu worden iedere vrijdag alle koelkasten leeggehaald en schoongemaakt ( [naam 2] vraagt in zijn algemeenheid de medewerkers hiervan op de hoogte te stellen).

  7. “Hygiëne tijdens het slachten, graag er constant op toezien dat medewerkers hun messen reinigen of in het vuile deel het 2 messen systeem hanteren. Zeker op het bordes waar de kop wordt afgesneden moet dit zeer consequent gebeuren omdat er goed zicht op is en, belangrijker nog, het risico hier groot is op besmetting.”

2.11.

De audit die plaatsvond op 8 januari 2018 is niet geslaagd omdat de NVWA verontreiniging met mest heeft aangetroffen op drie runderkarkassen. Vervolgens is een re-audit gepland voor 23 maart 2018.

2.12.

Ter voorbereiding van die re-audit heeft Ameco een kaderbijeenkomst georganiseerd op 3 maart 2018.

2.13.

Ook de re-audit op 23 maart 2018 is niet geslaagd, hetgeen tot gevolg had dat de NVWA de tijdelijke erkenning korte tijd heeft ingetrokken.

2.14.

Op 26 maart 2018 vond een gebouwaudit plaats en op 27 maart 2018 een procesaudit, die ertoe hebben geleid de NVWA opnieuw een tijdelijke erkenning aan Ameco heeft verstrekt. Aan deze audits heeft [verweerder] niet als leidinggevende deelgenomen.

2.15.

Op 28 maart 2018 is [verweerder] op een reeds door hem gepland vakantieverlof gegaan.

2.16.

Bij brief van 30 maart 2018 met onderwerp ‘bevestiging ontheffing uit leidinggevende functie en op non-actief stelling’ schrijft Ameco aan [verweerder] :

“Zoals reeds mondeling aan u medegedeeld bevestig ik hierbij schriftelijk dat ik u onthef uit uw leidinggevende functie. Aanvullen hierop deel ik u ook mede dat ik mij thans beraad op het beëindigen van onze arbeidsrelatie. Daaromtrent zult u nog nader vernemen.

Het is u bekend dat aan deze beslissing een reeks incidenten is voorafgegaan op het gebied van het niet (stabiel) handhaven van het vereiste kwaliteitsniveau op grond van het BRC-systeem, zoals door de wetgever voorgeschreven in haar regels ten aanzien van verantwoord en voedselveilig produceren.

De herhaalde incidenten wijzen uit dat u zich niet realiseert dat een hoge managementfunctie overeenkomstige verantwoordelijkheden met zich meebrengt. Als leidinggevende bent u door ons, onze kwaliteitsmanager en de aanwezigen namens de NVWA voortdurend gewezen op de noodzaak van het door u dagelijks, voortdurend en onverkort handhaven van de regels door uzelf en uw ondergeschikten.

Het treurige dieptepunt van uw gebrek aan leiderschap is het, na een herhaalde auditering, door de NVWA recent opgelegde tijdelijke verbod om onze bedrijfsvoering uit te oefenen. Concreet heeft uw gedrag tot gevolg dat zowel de voedselveiligheid als de bedrijfscontinuïteit voortdurend gevaar loopt. Daarnaast hebben wij grote financiële- en reputatieschade opgelopen.

Dit is voor mij als directeur ontoelaatbaar en noodzaakt mij tot het nemen van deze ingrijpende maatregel.

U ontvangt nader bericht van mij, tot die tijd dient u zich thuis beschikbaar te houden.”

2.17.

De gemachtigde van [verweerder] heeft hiertegen geprotesteerd bij brief van 6 april 2018, waarin [verweerder] – samengevat – betwist dat een en ander mondeling met hem is besproken en zich op het standpunt stelt dat geen sprake is van zwaarwegende redenen die een non-actiefstelling of een ontslag rechtvaardigen, en dat de niet gehaalde audits het gevolg zijn van technische mankementen, onvoldoende gekwalificeerd personeel en een hoge werkdruk. Verder laat [verweerder] weten dat de reden voor de door Ameco tegenover hem genomen en aangekondigde maatregelen hem niet duidelijk zijn, omdat hij in de ruimt 31 jaar dat hij bij Ameco in dienst is altijd goed heeft gefunctioneerd en nooit een waarschuwing heeft ontvangen.

3 Het verzoek

3.1.

Ameco verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] op de eerst mogelijke datum te ontbinden, primair op grond van artikel 7:686 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in verbinding met artikel 6:265 BW, subsidiair en meer subsidiair op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, BW in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel e respectievelijk g BW.

3.2.

Aan dit verzoek legt Ameco ten grondslag dat sprake is van ernstige wanprestatie van [verweerder] , dan wel verwijtbaar handelen, dan wel een verstoorde arbeidsverhouding. Ter onderbouwing daarvan heeft Ameco – kort weergegeven – het volgende naar voren gebracht.

3.3.

Na de verhuizing naar Apeldoorn is de functie van [verweerder] aangescherpt tot Hoofd Schone Slachtgedeelte. Daarmee werd zijn verantwoordelijkheid beperkt tot een kleinere afdeling, opdat [verweerder] zich nog beter kon richten op strikte handhaving van de normen met betrekking tot hygiëne. [verweerder] moet er als leidinggevende op toezien dat de geldende hygiënenormen worden nageleefd en ingrijpen waar nodig. Begin januari 2018 waren de aanloopproblemen in het nieuwe pand opgelost. [verweerder] moest zich vooral richten op het schoon werken met messen en moest ervoor zorgen dat geen enkel mestrestant op het schone karkas zou achterblijven. Ondanks vele gesprekken, instructies, waarschuwingen en begeleiding door extern deskundige [naam 2] is [verweerder] daarin niet geslaagd. Daarmee is [verweerder] de kernverplichting van zijn arbeidsovereenkomst niet nagekomen. Nu zijn werk heeft geleid tot een immens risico voor Ameco, is sprake van ernstige wanprestatie, althans ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] .

Als gevolg van hetgeen de afgelopen maanden tussen partijen is voorgevallen is inmiddels ook sprake van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding, hetgeen Ameco niet heeft bewerkstelligd of in de hand heeft gehad. [verweerder] heeft na zijn terechte non-actiefstelling contact gezocht met collega-leidinggevenden om te polsen of zij bereid waren tot een gemeenschappelijke actie tegen Ameco.

4 Het verweer en de voorwaardelijke tegenverzoeken

4.1.

[verweerder] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen en verzoekt om wedertewerkstelling. Hij voert daartoe – samengevat – het volgende aan.

4.2.

Er is geen sprake van een ernstige (verwijtbare) wanprestatie of van verwijtbaar handelen/nalaten van [verweerder] . [verweerder] betwist dat hij na de verhuizing naar Apeldoorn Hoofd Schone Slachtgedeelte is geworden. Hij zou samen met twee collega’s als productiechefs verantwoordelijk zijn.

[verweerder] heeft naar beste vermogen met de door Ameco beschikbaar gestelde middelen zijn werk verricht. Toen Ameco het pand in Apeldoorn in gebruik nam was het bouwtechnisch gezien nog niet gebruiksklaar. Verder ontbrak in Apeldoorn voldoende gekwalificeerd personeel. Ook had Ameco te maken met de aanvoer van zeer vuile dieren, waarop directeur [naam 1] actie zou ondernemen. Ameco heeft bovendien de baansnelheid verhoogd naar 75 tot 80 koeien per uur, terwijl de toegestane snelheid 60 koeien per uur is, waardoor de werkdruk hoog was. Dit alles is door [verweerder] aangekaart bij Ameco, maar Ameco heeft geen adequate actie ondernomen.

[verweerder] betwist nadrukkelijk dat hij door Ameco is aangesproken op zijn werkwijzen, dat hij is begeleid door extern deskundigen, of indringend is gewaarschuwd. [verweerder] wist niet dat Ameco hem verantwoordelijk hield voor de door de NVWA opgelegde waarschuwingen en boetes. Zijn collega-leidinggevenden zijn door Ameco niet op non-actief gesteld.

Indien Ameco niet tevreden was over het functioneren van [verweerder] dan had zij hem een verbetertraject moeten aanbieden of hem moeten herplaatsen binnen de onderneming.

Van een onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding is evenmin sprake. [verweerder] heeft altijd goed gefunctioneerd en kan goed overweg met zijn collega’s. [verweerder] heeft geen contact met zijn collega’s gezocht om te bezien of zij bereid waren tot een gemeenschappelijke actie tegen Ameco. Voor zover geoordeeld wordt dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding dan is dit te wijten aan de handelwijze van Ameco.

4.3.

Voor zover de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] om Ameco te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding van € 88.932,00 en om toekenning van een billijke vergoeding van € 296.436,88 omdat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van Ameco door [verweerder] op non-actief te stellen zonder voorafgaand gesprek, waarschuwing of verbetertraject. Ook vordert [verweerder] de wettelijke rente over de vergoedingen.

4.4.

Ameco verweert zich daartegen en voert aan dat de transitievergoeding niet (volledig) verschuldigd is omdat een WW-uitkering plus mogelijk vervroegd pensioen voor een zachte landing van [verweerder] zorgen. Verder stelt Ameco zich op het standpunt dat voor een billijke vergoeding geen grond bestaat, nu de ontbinding uitsluitend het gevolg is van wanprestatie c.q. ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] .

5 De beoordeling

5.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. In geval van ontbinding moet ook worden beoordeeld of aan [verweerder] een transitievergoeding en een billijke vergoeding dient te worden toegekend.

5.2.

Partijen twisten over de vraag of de wijze waarop [verweerder] zijn werkzaamheden heeft verricht grond oplevert voor de verzochte ontbinding, waarvoor Ameco drie wettelijke grondslagen aanvoert. De kantonrechter zal eerst beoordelen wat partijen hebben gesteld omtrent het functioneren van [verweerder] , en vervolgens bezien of is voldaan aan de wettelijke vereisten die gelden voor de onderscheiden ontbindingsgronden.

5.3.

[verweerder] was al 30 jaar bij Ameco in dienst toen het slachtbedrijf in oktober 2017 verhuisde van Amsterdam naar het nieuwe pand in Apeldoorn. Tussen partijen staat niet ter discussie dat [verweerder] gedurende die 30 jaar goed heeft gefunctioneerd. Verder blijkt uit de door Ameco overgelegde stukken dat in de jaren voorafgaand aan de verhuizing slechts incidenteel door de NVWA een boete is opgelegd voor een overtreding, geconstateerd op 15 mei 2015 en 22 augustus 2017. Niet is gebleken dat [verweerder] vóór de verhuizing uit hoofde van zijn functie door Ameco is aangesproken op tekortschietende hygiëne in het slachtbedrijf.

5.4.

Pas na de verhuizing naar Apeldoorn zijn voor Ameco serieuze problemen ontstaan met betrekking tot de te betrachten hygiëne en de daaraan door de NVWA verbonden consequenties, zoals hiervoor onder de feiten omschreven. Dit doet logischerwijs vermoeden dat de gewijzigde locatie daaraan (mede) debet is. Verder wijst Ameco erop dat het speerpunt van de NVWA in 2017 en 2018 is, dat geen enkel mestspoor mag worden aangetroffen op een schoon karkas. Ook deze omstandigheid kan hebben bijgedragen aan het probleem van Ameco.

5.5.

Het standpunt dat Ameco inneemt komt er echter in feite op neer dat het met name aan [verweerder] te verwijten is dat bij herhaling mestbezoedeling werd aangetroffen, omdat het zijn eindverantwoordelijkheid was dat geen enkel mestrestant op de schone karkassen zou achterblijven. In dat verband beroept Ameco zich erop dat de functie van [verweerder] met ingang van de verhuizing is gewijzigd naar die van Hoofd Schone Slachtgedeelte. [verweerder] betwist deze functiewijziging. Uit de overgelegde salarisspecificatie blijkt daar niet van en Ameco onderbouwt haar stelling op dit punt niet. Een functieomschrijving maakt geen deel uit van de stukken. Wat de exacte inhoud van de laatst door [verweerder] beklede functie is kan dus niet worden vastgesteld. Partijen zijn het er wel over eens dat [verweerder] een leidinggevende functie had op de afdeling Schone Slacht.

5.6.

Naar het oordeel van de kantonrechter is op basis van het voorliggende dossier de kern van het hygiëneprobleem van Ameco niet toe te rekenen aan één enkel feit of aan één enkele persoon. Er is sprake geweest van een transitiefase, waarin zich opstartproblemen hebben voorgedaan die zowel zijn veroorzaakt door (technische) omgevingsfactoren als door menselijk tekortschieten. Dat menselijk tekortschieten kan formeel wellicht (mede) worden toegerekend aan [verweerder] als een van de leidinggevenden van het slachtbedrijf, maar om [verweerder] volledig verantwoordelijk te houden voor het mislukken van de eerste audit op 8 januari 2018 en van de cruciale re-audit op 23 maart 2018 is veel te kort door de bocht.

5.7.

Veeleer ontstaat het beeld dat sprake is geweest van niet of nauwelijks door [verweerder] te beïnvloeden opstartproblemen van het slachthuis in Apeldoorn. Kennelijk zijn dergelijke opstartproblemen niet ongebruikelijk. Ameco stelt in dit verband immers dat de NVWA in verband met de verhuizing coulance betrachtte. Uit de e-mail van Ameco van 5 januari 2018 blijkt dat er ook kort voor de eerste audit nog bouwtechnische problemen waren die door de technische dienst moesten worden opgelost. Verder benoemt [verweerder] onder meer de omstandigheid dat in Amsterdam gewerkt werd met een redelijk vaste ploeg slachters, terwijl in Apeldoorn sprake was van een gebrek aan gekwalificeerd personeel, hetgeen Ameco niet betwist. Ameco verwijst ter onderbouwing van haar standpunt dat [verweerder] is tekortgeschoten c.q. verwijtbaar heeft gehandeld naar de onder de feiten genoemde e-mails van 29 december 2017 en 5 januari 2018 aan [verweerder] (en zijn collega [naam 3] ). Daarin is hen concreet gevraagd om mee te denken over verbetering van het handenwassen door personeel en is hen opgedragen er tijdens de audit op 8 januari 2018 op toe te zien dat personeel door het juiste poortje (schone / vuile slacht) gaat, de handen gewassen en gedesinfecteerd worden en dat medewerkers hun messen reinigen (en in het vuile deel het 2-messen systeem hanteren). Uit de waarschuwing van de NVWA van 22 februari 2018 blijkt dat tijdens de audit op 8 januari 2018 op drie runderkarkassen mestverontreiniging is aangetroffen, te weten in de uitsnijderij, in de afsteekstraat en in de koelcel. Niet blijkt in hoeverre het gebruik van het verkeerde poortje, vuile handen of vuile messen in de afdeling schone slacht hieraan debet zijn geweest, en wat de rol van [verweerder] hierbij is geweest. Ameco concretiseert dit niet nader.

5.8.

Vervolgens heeft op 3 maart 2018 een kaderbijeenkomst plaatsgevonden, waarbij ook [verweerder] en zijn collega-leidinggevenden ( [naam 3] van vuile slacht, [naam 7] van slachtbijproducten en [naam 8] van stal en verbloeding) aanwezig waren. Ameco stelt dat tijdens deze goed voorbereide bijeenkomst de bij de eerste audit geconstateerde gebreken grondig zijn doorgenomen, net als de maatregelen die getroffen moesten worden om te voorkomen dat ook de re-audit zou mislukken. Verder stelt Ameco dat de directie tijdens de kaderbijeenkomst duidelijk heeft aangegeven dat herhaling van enige tekortkoming en weigering van erkenning door de NVWA tot serieuze arbeidsrechtelijk maatregelen zou leiden. [verweerder] stelt daarentegen niet te hebben geweten dat hij door Ameco verantwoordelijk zou worden gehouden voor het welslagen van de re-audit en betwist dat hij is gewaarschuwd voor arbeidsrechtelijke maatregelen.

5.9.

Ameco heeft ter onderbouwing van haar stellingen een PowerPoint presentatie van de kaderbijeenkomst overgelegd. Daarin is de stand van zaken omschreven van de zeven compartimenten waaruit het slachtbedrijf bestaat, waarbij het hygiënisch werken en het messensysteem niet alleen benoemd zijn voor compartiment 3 (schone slacht), maar ook voor compartiment 2 (vuile slacht), compartiment 4 (organen en bijslachtproduct, karkaskoeling, afsteekstraat, sorteren en uitlevering) en compartiment 5 (snijzaal en inpak). Volgens het programmaoverzicht zou na de ‘stand van zaken per afdeling’ een ‘actieplan tot 23-3-2018’ besproken zijn. Van een actieplan zijn echter geen sheets overgelegd. De laatste overgelegde pagina van de presentatie heeft als onderwerp ‘verbeteren’ en toont slechts een algemene afbeelding met betrekking tot kwaliteitsverbetering. Ook is geen verslag van de vergadering overgelegd waaruit blijkt wat het actieplan inhield en welke maatregelen concreet door wie getroffen moesten worden. Stukken waaruit blijkt dat [verweerder] uitdrukkelijk is gewaarschuwd voor arbeidsrechtelijke maatregelen indien hij de van hem vereiste acties niet naar behoren zou uitvoeren zijn evenmin overgelegd.

5.10.

Tussen partijen is niet in geschil dat de re-audit op 23 maart 2018 is mislukt. Ameco stelt dat de NVWA heeft geconstateerd dat onder toezicht van [verweerder] een zware overtreding werd gemaakt bij het onhygiënisch werken met messen bij het verwijderen van tonsillen, waar [verweerder] zeer expliciet op zou letten. Juist van deze audit heeft Ameco geen rapport van bevindingen van de NVWA overgelegd, zodat niet geverifieerd kan worden of het op het punt van de tonsillen mis is gegaan. Nog los van het feit dat ook geen stukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat [verweerder] op dit punt toezicht zou houden.

5.11.

Ameco stelt weliswaar dat [verweerder] bij herhaling indringend is aangesproken, geïnstrueerd en gewaarschuwd naar aanleiding van de door de NVWA geconstateerde overtredingen, maar dit betwist [verweerder] en wordt door Ameco niet onderbouwd. Juist wanneer er zoveel op het spel staat als Ameco betoogt en wanneer [verweerder] daarvoor uit hoofde van zijn functie volledig verantwoordelijk zou zijn lag het op de weg van Ameco om gespreksverslagen te maken en waarschuwingen schriftelijk aan [verweerder] te bevestigen. Dit geldt temeer nu [verweerder] in de voorafgaande 30 jaar goed heeft gefunctioneerd. Dat dit niet is gebeurd komt voor rekening en risico van Ameco. Daarmee is niet gebleken dat [verweerder] door Ameco voldoende concreet is aangesproken op zijn rol in het hygiëneprobleem. De arbeidsrechtelijke maatregelen die Ameco tegen [verweerder] heeft getroffen kwamen voor hem als het ware uit de lucht vallen. Ook is onvoldoende gebleken dat [verweerder] persoonlijk materieel tekort is geschoten, anders dan wellicht formeel uit hoofde van zijn leidinggevende functie. Dat de begeleiding van [verweerder] door extern deskundige [naam 2] uit meer heeft bestaan dan het verzenden van de onder de feiten genoemde e-mails is niet gebleken.

5.12.

Gelet op het voorgaande is niet komen vast te staan dat [verweerder] ernstig toerekenbaar tekort is geschoten in zijn uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen tegenover Ameco, zodanig dat het ingrijpende gevolg van een ontbinding van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is. Ook leveren de door Ameco naar voren gebrachte feiten en omstandigheden geen redelijke grond voor ontbinding op, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel e, BW. Het op deze gronden gebaseerde verzoek van Ameco zal daarom worden afgewezen.

5.13.

Wel blijkt naar het oordeel van de kantonrechter duidelijk dat door de (hygiëne)problemen die zijn ontstaan na de verhuizing van de slachterij naar Apeldoorn een verstoorde arbeidsrelatie tussen partijen is ontstaan die ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt. Echter niet op basis van de door Ameco naar voren gebrachte stelling dat [verweerder] heeft geprobeerd zijn collega-leidinggevenden aan te zetten tot collectieve actie tegen Ameco. [verweerder] betwist dit en Ameco heeft deze stelling niet onderbouwd. Door bedoelde problemen onverkort in de schoenen van [verweerder] te schuiven is naar het oordeel van de kantonrechter sprake van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van Ameco. Dit heeft ertoe geleid dat de arbeidsrelatie inmiddels ernstig en duurzaam verstoord is geraakt en herstel niet meer mogelijk is. In dat verband heeft [verweerder] ter zitting aangegeven dat het rot is om zo aan de kant gezet te worden en dat hij dit tot nu toe heel moeilijk kan verwerken. Om die reden verkoos [verweerder] het om met Ameco in gesprek te gaan over beëindiging van de arbeidsovereenkomst onder betaling van een nader overeen te komen financiële vergoeding. Partijen hebben geen overeenstemming kunnen bereiken.

5.14.

De kantonrechter ziet gelet op het voorgaande geen reden om te oordelen dat herplaatsing van [verweerder] nog mogelijk moet worden geacht.

5.15.

De conclusie is dat het verzoek van Ameco tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een verstoorde arbeidsverhouding zal worden toegewezen. De omstandigheid dat Ameco van het ontstaan of voortbestaan van de verstoring in de arbeidsverhouding een verwijt kan worden gemaakt, staat niet aan ontbinding in de weg.

5.16.

De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671b lid 8, onderdeel a, BW ontbinden met ingang van 1 december 2018. Bij die ontbindingsdatum wordt geen rekening gehouden met de duur van de procedure, omdat zoals hiervoor is overwogen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van Ameco. Verder wordt rekening gehouden met de voor [verweerder] geldende wettelijke opzegtermijn van vier maanden, nu een andere opzegtermijn niet is gesteld of gebleken.

5.17.

De voorwaarde waaronder [verweerder] zijn verzoek heeft gedaan om Ameco te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding en een billijke vergoeding heeft zich vervuld. De kantonrechter zal daarom overgaan tot de beoordeling van deze verzoeken.

5.18.

Volgens [verweerder] is Ameco een transitievergoeding verschuldigd van € 88.932,00, zijnde het bruto jaarsalaris, rekening houdend met zijn leeftijd en aldus met artikel 7:673a BW, en berekend op basis van € 7.410,94 bruto per maand, inclusief vakantietoeslag, eindejaarsuitkering en overige emolumenten. Dit salaris wordt op zichzelf niet door Ameco betwist. Uit artikel 7:673 lid 1 BW volgt dat de werkgever aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd is indien – kort gezegd – de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd en de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever is ontbonden. Aan deze voorwaarden is voldaan en de uitzonderingssituaties van artikel 7:673 lid 7 BW doen zich niet voor. Gelet op artikel 7:673 lid 2 BW heeft [verweerder] aanspraak op de door hem berekende transitievergoeding, zodat Ameco zal worden veroordeeld tot betaling daarvan. Met toepassing van artikel 7:686a lid 1 BW zal de gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding worden toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 1 januari 2019.

5.19.

Ook ziet de kantonrechter aanleiding om aan [verweerder] een billijke vergoeding toe te kennen, nu de arbeidsverhouding tussen partijen verstoord is geraakt als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Ameco.

5.20.

Over de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding overweegt de kantonrechter het volgende. De billijke vergoeding moet – naar haar aard – in relatie staan tot het ernstig verwijtbare handelen of nalaten van de werkgever. Bij het bepalen van de omvang van de billijke vergoeding komt het verder aan op een beoordeling van alle omstandigheden van het geval (zie: HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR: 2017:1187 (New Hairstyle)). Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever.

5.21.

[verweerder] verzoekt om een billijke vergoeding van € 296.436,88 en zoekt daartoe aansluiting bij de door hem te lijden inkomens- en pensioenschade tot zijn pensioengerechtigde leeftijd. [verweerder] stelt 4 jaar en 4 maanden inkomsten uit arbeid mis te lopen, inhoudende (52 maanden x eerdergenoemd bedrag van € 7.410,94 =) € 385.368,88, waarop [verweerder] in mindering brengt de transitievergoeding van € 88.932,00. [verweerder] voert in dit verband aan dat hij tot aan zijn pensioen op 67-jarige leeftijd bij Ameco in dienst zou zijn gebleven wanneer Ameco niet om ontbinding van de arbeidsovereenkomst had verzocht. Dit is door Ameco op zichzelf niet betwist en acht de kantonrechter aannemelijk mede gelet op de leeftijd van [verweerder] , de lengte van zijn het dienstverband en daarmee zijn eenzijdige werkervaring. Ook acht de kantonrechter aannemelijk dat [verweerder] onder de gegeven omstandigheden geen baan meer zal vinden met een gelijkwaardig salaris en een gelijkwaardige pensioenopbouw, zoals [verweerder] stelt. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden met ingang van 1 december 2018. Op 6 augustus 2022 wordt [verweerder] 67 jaar. Dit houdt in dat [verweerder] 3 jaar en 9 maanden inkomsten uit arbeid bij Ameco misloopt, van onbetwist € 7.410,94 per maand, zijnde (na aftrek van de transitievergoeding) in totaal € 244.560,30 bruto. Ameco wijst er terecht op dat aan [verweerder] (naar alle waarschijnlijkheid) een uitkering op grond van de Werkloosheidswet zal worden toegekend. Het bij de berekening van de hoogte van die uitkering gebruikte maximum maandloon bedraagt per 1 juli 2018 € 4.598,28 bruto. [verweerder] kan gedurende 2 maanden aanspraak maken op een WW-uitkering ter hoogte van 75% van dit maximumdagloon en gedurende de daarop volgende 22 maanden 70%, zijnde een totaalbedrag van € 77.710,93. Vervolgens zal [verweerder] tot zijn pensioen (1 jaar en 9 maanden) terugvallen op een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere werknemers (IOW), die in het geval van [verweerder] gelijk zal zijn aan het sociaal minimum, dat per 1 juli 2018 voor gehuwden € 1.594,27 bruto per maand bedraagt, dus over de totale periode € 33.479,67. De inkomensschade van [verweerder] wordt dus met genoemde uitkeringen ‘gedekt’ voor een bedrag van in totaal € 111.190,60 bruto. Dit leidt tot een inkomensschade van € 133.369,70 bruto. De kantonrechter ziet aanleiding de billijke vergoeding vast te stellen op dit bedrag. Daarmee wordt [verweerder] naar het oordeel van de kantonrechter ook voldoende gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen van Ameco. De gevorderde wettelijke rente daarover zal worden toegewezen vanaf 1 december 2018.

5.22.

Nu aan de ontbinding een vergoeding wordt verbonden, zal Ameco gelet op artikel 7:686a lid 6 BW in de gelegenheid worden gesteld om het verzoek in te trekken binnen de hierna genoemde termijn.

5.23.

De proceskosten komen voor rekening van Ameco, omdat zij ongelijk krijgt. Ook indien Ameco het verzoek intrekt, zal zij de proceskosten van [verweerder] moeten betalen.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

bepaalt dat de termijn, waarbinnen Ameco het verzoek kan intrekken (door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de (gemachtigde van de) wederpartij), zal lopen tot en met 14 augustus 2018.

Voor het geval de werkgever het verzoek niet binnen die termijn intrekt:

6.2.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 december 2018;

6.3.

veroordeelt Ameco om aan [verweerder] een billijke vergoeding te betalen van € 133.369,70 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 december 2018 tot aan de dag van de gehele betaling;

6.4.

veroordeelt Ameco tot betaling aan [verweerder] van een transitievergoeding van
€ 88.932,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 januari 2019 tot aan de dag van de gehele betaling;

6.5.

veroordeelt Ameco tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [verweerder] tot en met vandaag vaststelt op € 600,00 voor salaris gemachtigde;

6.6.

verklaart de veroordeling onder 6.3, 6.4 en 6.5 van deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

Voor het geval de werkgever het verzoek binnen die termijn intrekt:

6.7.

veroordeelt Ameco tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [verweerder] tot en met vandaag vaststelt op € 600,00 voor salaris gemachtigde;

6.8.

verklaart de veroordeling onder 6.7 van deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gewezen door mr. P.G. Vroom, kantonrechter en op 31 juli 2018 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter