Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:6826

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
02-03-2018
Datum publicatie
07-08-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 440
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

doorbetaling toelage onregelmatige diensten tijdens stage

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 17/440

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 maart 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

Staatssecretaris van Financiën, de directie van de Belastingdienst/Douane Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Fokkens-Kuiper).

Procesverloop

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de salarisspecificatie over de maand juli 2016.

Bij besluit van 13 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2018.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam] , teamleider Fysiek Toezicht.

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.

Overwegingen

1. Eiser is werkzaam als medewerker Douane groepsfunctie C bij Fysiek Toezicht van Douane Amsterdam. De werkzaamheden worden in onregelmatige diensten verricht. Hiervoor ontvangt eiser sinds 2005 een toelage onregelmatige diensten (TOD). Eiser heeft in 2015 de universitaire studie (Nederlands Recht) afgerond. Eiser heeft in de periode van 1 maart 2016 tot 1 juni 2016, verlengd tot en met 9 september 2016, tijdelijk werkzaamheden verricht bij de Douane te Schiphol (Douane Schiphol Passagiers/Douane Schiphol Cargo). De TOD is vanaf 1 maart 2016 tot 1 juni 2016 aan eiser doorbetaald. Per 1 juni 2016 heeft verweerder de betaling van de TOD gestaakt.

Eiser heeft tegen de salarisspecificatie van juli 2016 (het niet doorbetalen van de TOD) bezwaar gemaakt.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. Verweerder stelt dat eiser vanaf 1 maart 2016 in de gelegenheid is gesteld om een stage te volgen met als doel het opdoen van werkervaring teneinde zijn kans op een succesvolle sollicitatie naar een functie op HBO- en/of academisch niveau te vergroten. Daarmee voldoet eiser volgens verweerder niet aan de voorwaarde voor doorbetaling van de TOD zoals vermeld in hoofdstuk 3 onderdeel 4.2.4 van de Personele Uitvoeringsbepalingen Belastingdienst (PUB).

3. Eiser heeft aangevoerd dat hij wel voldoet aan die voorwaarden voor aanspraak op doorbetaling van de oorspronkelijke toelage wegens onregelmatige dienst. Eiser kan zich niet vinden in het door verweerder ingenomen standpunt dat bij hem geen sprake was van een tijdelijke tewerkstelling als bedoeld in die bepaling en bestrijdt de door verweerder daarvoor aangevoerde argumenten. Eiser betoogt dat de tekst van de van toepassing zijnde bepalingen geen verschil maakt tussen organisatorische en persoonlijke belangen. Eiser heeft ook nog gewezen op artikel 2, letter f van het BBRA waarin wordt aangegeven wat onder bezoldiging wordt verstaan, waaronder ook de TOD wordt begrepen. Eiser meent dat hij, gelet op de tekst van de relevante wet- en regelgeving, er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de TOD aan hem zou worden doorbetaald.

4. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat het bepaalde in de PUB ten aanzien van de doorbetaling van de TOD, waar eiser zich op beroept, een bijzondere afwijkende regeling bevat alleen voor daarin beschreven en bedoelde situaties. Volgens verweerder is die regeling bedoeld voor de situatie waarin de organisatie een medewerker opdraagt tijdelijk elders werk te verrichten, in het kader van het dienstbelang, terwijl bij eiser sprake van een tijdelijke tewerkstelling in het kader van zijn persoonlijk belang, namelijk het opdoen van relevante werkervaring om zijn rugzak te vullen met relevante kennis. Verweerder acht het dan niet onredelijk dat tijdens die tewerkstelling de aanspraak op TOD vervalt.

5. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

5.1

Op grond van artikel 58, eerste lid van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) kan de ambtenaar worden verplicht tijdelijk andere ambtelijke werkzaamheden te verrichten dan die, welke hij gewoonlijk verricht, mits die werkzaamheden hem redelijkerwijs kunnen worden opgedragen (…).

Op grond van artikel 17 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren (BBRA) wordt een toelage toegekend aan ambtenaren die, anders dan bij wijze van overwerk, (vrij) regelmatig op andere tijden werken dan op de dagen maandag tot en met vrijdag tussen 8.00 uur en 18.00 uur.

5.2

Voor de belastingdienst is aan bepalingen uit het ARAR en het BBRA nadere uitwerking gegeven in de PUB. In hoofdstuk 3, par 4, onderdeel 4.2.4 (Berekening onregelmatige uren bij tijdelijke tewerkstelling bij een andere organisatorische eenheid) is opgenomen: Indien als gevolg van een tijdelijke tewerkstelling bij een andere organisatorische eenheid, welke niet vooruitloopt op een verplaatsing, nog slechts in beperkte mate dan wel in het geheel geen onregelmatige dienst meer wordt verricht, bestaat gedurende deze periode van tewerkstelling aanspraak op doorbetaling van de oorspronkelijke toelage wegens onregelmatige dienst zoals eerder vermeld bij de berekening bij ziekte, vakantie, verlof, militaire dienst en ouderschapsverlof.

5.3

De rechtbank stelt allereerst vast dat, uitgaande van het bepaalde in artikel 17 BBRA, eiser gedurende de periode waarin hij bij de Douane te Schiphol werkte geen aanspraak zou kunnen maken op de TOD. Hij verrichtte immers feitelijk die werkzaamheden op regelmatige tijden. De rechtbank wijst op de toelichting bij artikel 17 BBRA waarin staat: ‘de toelage wegens onregelmatige dienst is aan de orde als er in roosterdienst onregelmatig wordt gewerkt (…)’.

5.4

De rechtbank stelt voorts vast dat het door verweerder ontwikkelde beleid, zoals opgenomen in hoofdstuk 3, par 4, onderdeel 4.2.4 van de PUB begunstigend is ten opzichte van artikel 17 BBRA. In de daarin beschreven situaties wordt de TOD immers doorbetaald ondanks dat niet wordt voldaan aan de in artikel 17 BBRA opgenomen voorwaarde.

5.5

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen recht heeft op doorbetaling omdat die bepaling in de PUB bedoeld is voor situaties waarin de organisatie de opdracht heeft gegeven om tijdelijk elders werkzaamheden te verrichten en niet als sprake is van een persoonlijk belang zoals bij eiser.

5.6

Aan eiser kan worden toegegeven dat de tekst van de betreffende bepaling uit de PUB niet in alle opzichten even duidelijk is en ook ruimte laat voor de uitleg van eiser. Dit neemt echter niet weg dat het, gezien de strekking van die bepaling, in de rede ligt dat die bepaling ziet op situaties waarin de organisatie de medewerker heeft opgedragen elders tijdelijk werkzaamheden te verrichten. Vaststaat dat eiser zich verder wilde ontwikkelen en dat verweerder als werkgever zijn medewerking heeft verleend aan het verbreden van de kennis en vaardigheden op een ander werkgebied (en niet het ontwikkelen van zijn eigen werkgebied) door middel van het lopen van een soort stage. Dat sprake was van een stage wordt ook niet betwist en volgt ook uit de verschillende evaluatieverslagen die zich in het dossier bevinden. Naar het oordeel van de rechtbank is hier dan ook geen sprake geweest van een tewerkstelling als bedoeld in de betreffende bepaling in de PUB. Het bestreden besluit kan dan ook stand houden.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van mr. H.R.A. Horring, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2018

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.