Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:6784

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
03-08-2018
Datum publicatie
21-08-2018
Zaaknummer
C/15/258409 / HA ZA 17-328
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onverschuldigde betaling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/514
NTHR 2018, afl. 6, p. 308
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rolnummer: C/15/258409 / HA ZA 17-328

Vonnis van 11 april 2018

in de zaak van

de besloten vennootschap naar Zwitsers recht

KOLME TACK HOLDING AG,

gevestigd te Flawil, Zwitserland,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. M.C.J. Freijters te Koekange,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

STRONGWOOD RECHERCHEBUREAU B.V.,

gevestigd te Schiphol-Rijk,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. F.R. Duijn te Zaandam.

Partijen zullen hierna (ook) KTH en Strongwood genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 18 oktober 2017,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 27 februari 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

KTH is een houdstermaatschappij naar Zwitsers recht voor diverse werkmaatschappijen. De aandelen in KTH worden gehouden door de stichting naar Nederlands recht genaamd Hippo Mundo Charity (hierna: HMC). De directie van KTH wordt sinds 2011 gevoerd door een Zwitsers trustkantoor genaamd Vistra (hierna: Vistra). [A.], werknemer van Vistra, is vanuit Vistra aangesteld als directeur van KTH en hij is ten aanzien van KTH zelfstandig vertegenwoordigingsbevoegd. Het bestuur van HMC heeft tot februari 2016 bestaan uit de volgende drie personen: [B.] (voorzitter), [C.] (secretaris) en [D.] (penningmeester).

2.2.

Strongwood is een particulier recherchebureau.

2.3.

Op 7 mei 2015 heeft voornoemde [C.] (hierna: [C.]) aan Strongwood opdracht gegeven tot het verrichten van recherchewerkzaamheden. In de door Strongwood opgestelde intake d.d. 7 mei 2015 is het volgende vermeld:

Soort klant: Bedrijf

Klantnaam: De heer [C.] namens Kolme Tack

(…)

Startdatum: 07-05-2015

Soort zaak: Chantage

Zaak uitleg (verkort): Klant heeft aanvraag gedaan voor chantage hulp, hij wordt zakelijk gechanteerd door een derde partij. Afgesproken eerst een vooronderzoek te starten en te bekijken wat de mogelijkheden van hulp kunnen zijn. Gegevens voor het dossier worden nageleverd.

(…)”

2.4.

Op 1 juni 2015 heeft een tweede intake plaatsgevonden, waarin door Strongwood het volgende is gerelateerd:

“Soort klant: Bedrijf

Klantnaam: Kolme Tack Holding AG

(…)

Startdatum: 01-06-2015

Soort zaak: Chantage

Zaak uitleg (verkort): Vooronderzoek is afgerond, diverse chantage pogingen geweest en sinds kort is er een uitbreiding door een vermoedelijk andere partij die op basis van zakelijke activiteiten deelname wens te nemen aan de christelijke grondslag van de organisaties waar [C.] aan verbonden is met name gericht aan Kolme Tack, Noorse Broeders en andere in het buitenland gevestigde bedrijven (aldus het schrijven dat is bezorgd aan het zaken adres in Nederland).

Klant wil graag uitgezocht hebben wie hierachter zit, wat de (imago) schade van Kolme Tack kan worden en wat de mogelijkheden van beveiliging zijn in dat kader.

(…)”

2.5.

Bij brief van 1 juni 2015 aan Kolme Tack Holding AG/dhr. [C.] heeft Strongwood het volgende meegedeeld:

“(…) Naar aanleiding van ons telefoongesprek vandaag ontvangt u hierbij een doorlopende opdrachtbevestiging voor het uitvoeren van onderzoek, advies en beveiliging.

Door onderzoek is vast komen te staan dat de chantage poging aan het adres van de directie van Kolme Tack Holding AG in Zwitserland is uitgebreid naar meerdere partijen die klaarblijkelijk los opereren van de eerder geconstateerde mevrouw [E.]. Deze afdreiging vindt plaats door middel van het vragen van grote geldelijke vergoeding tegen het openbaar maken van voor Kolme Tack Holding AG schadelijk image-schade.

U heeft ons verzocht om doorlopend te adviseren en beveiliging te regelen waar nodig, dit kan verricht worden wereldwijd op die plaatsen waar de directie op dat moment voor prive- en/of zakelijke doeleinde gevaar loopt of de chantage van toepassing is.

(…)

DOELSTELLING

Het stoppen van de chantage en beveiligen van de onderneming in dat kader in de landen Zwitserland, Nederland, België, Noorwegen (…).

DIT IS EEN VRIJBLIJVENDE OPDRACHTBEVESTIGING

Ons onderzoek zal direct aanvangen nadat u de opdracht per email aan ons heeft bevestigd en de factuur voor de dienstverlening is voldaan.

(…)”

2.6.

Bij brief van 8 juni 2015 aan Kolme Tack Holding AG/dhr. [C.] heeft Strongwood het volgende meegedeeld:

“(…) Naar aanleiding van ons gesprek vanmorgen bevestig ik hierbij de acceptatie van het onderzoek onder de naam CARLSBAD.

Tijdens het gesprek met u, de heer [F.] en ondergetekende is naar voren gekomen dat u ook op uw prive-adres brieven en kaartjes ontvangt en u zich naast het zakelijk belang ook zorgen maakt om de veiligheid van uw gezin. (…)

Ondanks dat we reeds een vooronderzoek hebben verricht heb ik verzocht om nog de nodige formaliteiten af te handelen. Tijdens het gesprek heeft u aan ons gevraagd ons te legitimeren als recherchebureau, wat is gedaan door het tonen van onze pas verstrekt door Politie Kennemerland. Ook aan u hebben wij gevraagd zich te legitimeren, nodig voor ons dossier qua identificatieplicht, u heeft ons een Nederlands paspoort getoond waarop uw naam en gegevens stonden vermeld. Daarnaast heeft u ons een document getoond op briefpapier van Kolme Tack Holding AG wat een ‘Power of Attorney’ betrof en deze was getekend door de heer [B.].

(…)”

2.7.

Vanaf medio mei 2015 tot en met januari 2016 heeft Strongwood voor haar werkzaamheden elf facturen verstuurd, die door KTH zijn betaald tot het bedrag van
€ 143.631.

2.8.

Op 29 januari 2016 heeft [C.] zich laten uitschrijven als bestuurder van HMC en heeft hij zijn werkzaamheden per direct neergelegd.

2.9.

Bij brief van 18 februari 2016 heeft KTH aan Strongwood onder meer het volgende medegedeeld:

“(…) Kolme Tack Holding AG paid for the services required by Mr. [C.]. In that respect, there is a straight and formal contact/agreement between Kolme Tack Holding AG en Strongwood.

Therefore, we consider crucial to share the following information with you and ask for certain documents.

a) We order you to stop rendering services required by Mr. [C.].

b) Mr. [C.] resigned from his position and can no longer give any instructions to Strongwood, which is no longer allowed to give any information – whether written or spoken – or documents relating to the case and the job/tasks/services performed by Strongwood to Mr. [C.].

(…)

d) Mr. [C.] showed you from the start a kind of a power of attorney indicating that he was entitled to represent (at least act on behalf of) the Company. Please send us a copy of this document (…).”

2.10.

Op 26 februari 2016 heeft HMC aangifte gedaan tegen onder meer [C.] wegens valsheid in geschrifte, oplichting en witwassen. Het strafrechtelijk onderzoek naar [C.] is nog niet afgerond.

2.11.

De laatste factuur d.d. 9 maart 2016 van Strongwood ten bedrage van € 27.983 heeft KTH niet betaald.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

KTH vordert kort gezegd – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van Strongwood tot betaling van € 143.631,- vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

KTH legt aan haar vordering ten grondslag dat Strongwood ten onrechte facturen van in totaal € 143.631 bij haar in rekening heeft gebracht en is van mening dat KTH dit bedrag onverschuldigd aan Strongwood heeft betaald.

3.3.

Strongwood voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

Strongwood vordert kort gezegd – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van KTH tot betaling van € 27.983,- vermeerderd met rente en kosten.

3.6.

KTH voert verweer.

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

KTH heeft primair gesteld dat er tussen haar en Strongwood geen sprake is van een overeenkomst van opdracht althans dat Strongwood had behoren te ontdekken dat [C.] bedrieglijk heeft voorgewend dat KTH de opdrachtgeefster was. Ter onderbouwing van haar stelling heeft KTH aangevoerd dat [C.] geen bestuurder was van KTH en dat [C.] geen volmacht had om KTH te vertegenwoordigen. Evenmin heeft [C.] aan Strongwood bij de aanvang van de opdracht een ‘power of attorney’ (volmacht) laten zien, op grond waarvan Strongwood erop mocht vertrouwen dat [C.] bevoegd was om namens KTH te handelen. Ook tijdens de uitvoering van de overeenkomst had het Strongwood duidelijk moeten zijn dat KTH geen opdrachtgever was, maar [C.]. Strongwood had immers alleen te maken met [C.] en niet met enige andere natuurlijke persoon van de zijde van KTH of HMC, zo stelt KTH. Ook zijn alle facturen steeds uitsluitend door Strongwood aan [C.] gestuurd en nimmer rechtstreeks aan KTH. Voorts hadden de door Strongwood ingestelde onderzoeken uitsluitend betrekking op het privébelang van [C.], verband houdende met zijn buitenechtelijke relatie die anderen tegen zijn zin in openbaar wilden maken; KTH noch HMC is op enigerlei wijze gediend geweest door de werkzaamheden van Strongwood, aldus nog steeds KTH.

4.2.

Subsidiair – indien in rechte een overeenkomst van opdracht komt vast te staan – heeft KTH aangevoerd dat Strongwood in strijd heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die zij in acht behoorde te nemen tegenover KTH dan wel heeft Strongwood de op haar rustende zorgplicht in flagrante mate geschonden. Daartoe heeft KTH betoogd dat de goede trouw van Strongwood al heel snel is komen te vervallen toen haar duidelijk werd, althans behoorde te zijn, dat [C.] een evident privébelang had bij de inzet van Strongwood, te weten het verborgen houden van een buitenechtelijke relatie.

4.3.

Strongwood heeft hiertegen aangevoerd dat zij haar werkzaamheden heeft verricht op basis van een geldige overeenkomst van opdracht. Uit de door haar als productie G3 overgelegde volmacht blijkt dat [C.] bevoegd was om namens KTH te mogen optreden. Zelfs als de volmacht niet geldig zou zijn, dan nog heeft [C.] c.q. KTH de schijn van volmachtverlening gewekt op grond waarvan Strongwood kon en mocht handelen. Strongwood heeft voorts gemotiveerd betwist dat haar werkzaamheden uitsluitend het privébelang van [C.] betroffen. Bovendien zijn de door Strongwood in verband met haar werkzaamheden verzonden facturen door KTH onbetwist onder zich gehouden en (behoudens de laatste, waarop de vordering in reconventie ziet) betaald. Reeds daarom is geen sprake van onverschuldigde betaling, aldus nog steeds Strongwood.

4.4.

De eerste vraag die door de rechtbank moet worden beantwoord is of KTH aan Strongwood opdracht heeft gegeven tot het verrichten van de werkzaamheden. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

4.5.

Tussen partijen is in confesso dat [C.] aan Strongwood opdracht heeft gegeven tot het verrichten van de litigieuze werkzaamheden. [C.] was een van de drie bestuurders van HMC, de enig aandeelhouder van KTH. [C.] was (dus) geen bestuurder van KTH en dus ook niet uit dien hoofde bevoegd KTH te vertegenwoordigen. Deze bevoegdheid lag uitsluitend bij [A.], werkzaam bij het trustkantoor Vistra, aangesteld als enig bestuurder van KTH en zelfstandig bevoegd KTH te vertegenwoordigen. Gesteld noch gebleken is dat [A.] namens KTH aan Strongwood opdracht heeft gegeven tot het verrichten van de onderhavige werkzaamheden.

4.6.

Naar het oordeel van de rechtbank is evenmin gebleken dat [A.] namens KTH een toereikende volmacht heeft verleend aan [C.] die vervolgens namens KTH de opdracht aan Strongwood heeft gegeven. De volmacht die door Strongwood als productie G3 in het geding is gebracht – en volgens Strongwood aan haar is getoond door [C.] bij aanvang van de werkzaamheden – is immers afkomstig van het bestuur van HMC en niet van KTH/[A.]. Met deze volmacht is geregeld dat [C.] HMC mag vertegenwoordigen; als zodanig mag [C.] het trustkantoor Vistra instructies geven met betrekking tot KTH. De rechtbank volgt Strongwood (dus) niet in haar betoog dat [C.] op grond van deze volmacht bevoegd was om de opdracht namens KTH aan Strongwood te geven.

4.7.

De rechtbank begrijpt het beroep van Strongwood op de omstandigheid dat KTH de door haar (Strongwood) verzonden facturen onbetwist onder zich heeft gehouden en telkens heeft betaald als een beroep op (de schijn van) bekrachtiging (artikel 3:69 BW). De tweede vraag die mitsdien dient te worden beantwoord is of Strongwood de betalingen van KTH heeft opgevat en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs heeft mogen opvatten als een bekrachtiging.

4.8.

Bekrachtiging is een eenzijdige rechtshandeling van de pseudo-gevolmachtigde (in dit geval: KTH) gericht tot de wederpartij (in dit geval: Strongwood). Bekrachtiging is niet aan een bepaalde vorm gebonden en kan gelegen zijn in verklaringen en gedragingen (artikelen 3:33, 35 en 37 BW). Bekrachtiging kan stilzwijgend geschieden en worden afgeleid uit het stilzitten, niet reageren of niet protesteren van degene die bevoegd is tot bekrachtiging. Voorts kan er sprake zijn van een gewekte schijn van bekrachtiging waarop een derde mag vertrouwen; vgl. HR 12 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9429. Of een derde gerechtvaardigd heeft vertrouwd op de schijn van bekrachtiging hangt af van vergelijkbare factoren als het antwoord op de vraag of gerechtvaardigd is vertrouwd op een schijn van volmacht (artikel 3:61 BW).

4.9.

In het onderhavige geval staat vast dat Strongwood gedurende een periode van negen maanden (medio mei 2015 tot en met januari 2016) elf facturen met een totaal bedrag van € 143.631 voor door haar verrichte werkzaamheden per e-mail heeft doen toekomen aan Vistra. Vistra heeft deze facturen ontvangen en steeds zonder protest namens KTH voldaan. Ter comparitie heeft de raadsman van KTH erkend dat Vistra voor deze betalingen heeft getekend, en dat dit onder de verantwoordelijkheid valt van [A.], de directeur van KTH. Daarbij heeft de raadsman van KTH ter comparitie naar voren gebracht dat [C.] de vooruitgeschoven post namens HMC was, die alle contacten onderhield met de medewerkers van Vistra, onder wie [A.], met betrekking tot KTH; daarna vond afstemming plaats tussen [C.] en [B.].

4.10.

Naar het oordeel van de rechtbank mocht Strongwood er – gelet op deze gang van zaken – gerechtvaardigd op vertrouwen dat KTH de overeenkomst van opdracht bekrachtigde. Het betoog van KTH dat [C.] door zijn contacten met Vistra een vertrouwenspositie bij Vistra wist op te bouwen, welke positie hij heeft misbruikt – onder meer door het voor elkaar te krijgen dat de facturen van Strongwood werden betaald – en dat Vistra/KTH/HMC hier pas na het vertrek van [C.] achter is (zijn) gekomen, doet hier niet aan af. KTH heeft onvoldoende onderbouwd gesteld op grond waarvan Strongwood dit wist of had moeten begrijpen. Naar verkeersopvattingen komt het voor risico van KTH dat zij haar organisatie kennelijk zo had ingericht dat een (niet bevoegde) bestuurder van HMC in staat was gedurende lange tijd een reeks van betalingen te laten verrichten door KTH en dat dit pas na zijn vertrek bij HMC door de enige wel bevoegde persoon ([A.]) dan wel het (resterende) bestuur van HMC werd opgemerkt. Voor zover KTH nog heeft betoogd dat er geen sprake is van goede trouw aan de zijde van Strongwood omdat zij wist, althans behoorde te weten, dat met haar werkzaamheden uitsluitend de privé belangen van [C.] werden gediend, te weten het verborgen houden van zijn buitenechtelijke relatie, verwerpt de rechtbank dit betoog. Strongwood heeft immers gemotiveerd en met stukken onderbouwd betwist dat haar werkzaamheden uitsluitend betrekking hadden op de privé belangen van [C.]. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Strongwood – onder meer met overlegging van de producties G2-7 en G2-8 (zie hiervoor onder 2.4. en 2.5.) en G2-12 – genoegzaam aangetoond dat haar werkzaamheden vanaf juni 2015 hebben bestaan uit het verrichten van (internationaal) observatieonderzoek, advies- en beveiligingswerkzaamheden, die meer omvatten dan uitsluitend het privébelang van [C.].

4.11.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat hetgeen KTH primair en subsidiair aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd, faalt. Meer subsidiair heeft KTH aangevoerd dat de declaraties van Strongwood niet steeds gebaseerd zijn op de in werkelijkheid door haar verrichte werkzaamheden. Daartoe heeft KTH aangevoerd dat zij geen specificaties van werkzaamheden van Strongwood heeft ontvangen, zodat voor haar niet controleerbaar is of Strongwood de gestelde uren daadwerkelijk heeft gewerkt.

4.12.

De rechtbank overweegt als volgt. Strongwood heeft ter comparitie gesteld dat zij met de facturen ook een specificatie van de werkzaamheden meestuurde aan Vistra. Op deze meegestuurde specificaties zijn uitsluitend de namen van de rechercheurs onleesbaar gemaakt; de omschrijving van de werkzaamheden (inclusief persoonsgegevens, zoals kentekenplaten van personen die zijn gevolgd, of namen van personen die zijn geobserveerd) en de daaraan besteedde uren staan op de meegestuurde specificaties. Nu KTH dit ter comparitie niet heeft betwist, gaat de rechtbank ervan uit dat deze door Strongwood verstrekte specificaties bij Vistra voorhanden zijn. Het betoog van KTH dat voor haar niet controleerbaar is of Strongwood de gedeclareerde uren daadwerkelijk heeft gewerkt, faalt daarom.

4.13.

Uit het vorenstaande volgt dat de vordering van KTH in conventie zal worden afgewezen. KTH zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in conventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Strongwood worden begroot op:

- griffierecht 3.894,00

- salaris advocaat 2.842,00 (2 punten × tarief V € 1.421,00)

Totaal € 6.736,00

in reconventie

4.14.

Strongwood heeft – onder verwijzing naar haar stellingen in conventie – aangevoerd dat zij op 1 maart 2016 aan KTH een gespecificeerde declaratie heeft gezonden ten bedrage van € 27.983 voor de (laatste) door haar verrichte werkzaamheden. Deze nota is ondanks herhaalde sommaties onbetaald gebleven.

4.15.

KTH heeft als verweer verwezen naar haar stellingen in conventie. Daarnaast heeft KTH aangevoerd dat het door Strongwood gebezigde argument wegvalt dat deze factuur zonder protest zou zijn behouden en betaald. Tevens heeft KTH gesteld dat een deel van de door middel van deze factuur berekende werkzaamheden is uitgevoerd nadat Strongwood in kennis was gesteld door [B.] bij brief van18 februari 2016 van het feit dat KTH wenste dat Strongwood haar werkzaamheden zou staken, zodat Strongwood vanaf dat moment de betrokken werkzaamheden niet op kosten van KTH kon uitvoeren.

4.16.

De rechtbank is van oordeel dat hetgeen zij hiervoor in conventie onder 4.10 en 4.12 heeft overwogen, evenzeer geldt met betrekking tot de uit de (bekrachtigde) overeenkomst van opdracht voortvloeiende laatste factuur. Dat KTH tegen deze laatste factuur van 1 maart 2016 heeft geprotesteerd en niet is overgegaan tot betaling doet hieraan niet af, nu de werkzaamheden door Strongwood, zoals vermeld in de bij de factuur van 9 maart 2016 gevoegde specificatie, op dat moment al grotendeels waren verricht. Immers, eerst bij brief van 18 februari 2016 heeft KTH aan Strongwood kenbaar gemaakt dat Strongwood moet stoppen met haar werkzaamheden voor [C.] (zie hiervoor onder 2.10.). KTH is dan ook gehouden tot betaling van de tot dan toe door Strongwood verrichte werkzaamheden. Nu echter uit de overgelegde specificatie volgt dat Strongwood ook werkzaamheden in rekening heeft gebracht die zij heeft verricht tussen 19 februari 2016 en 22 februari 2016 en zij niet heeft toegelicht waarom zij – ondanks de brief van 18 februari 2016 – meent aanspraak te kunnen maken op betaling hiervan, zal dit gedeelte van de vordering worden afgewezen.

4.17.

Dit betekent dat de vordering in reconventie wordt toegewezen tot het bedrag van (€ 27.983 - € 4.010 =) € 23.973.

4.18.

Ook de gevorderde wettelijke handelsrente zal worden toegewezen, nu deze is gegrond op de wet.

4.19.

KTH zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in reconventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Strongwood worden begroot op:

- salaris advocaat € 579,00 (0,5 x 2 punten x tarief III € 579,00)

Totaal: € 579,00

4.20.

Ook de gevorderde nakosten zijn toewijsbaar.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt KTH tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van Strongwood tot op heden begroot op € 6.736,00;

5.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

5.4.

veroordeelt KTH tot betaling aan Strongwood van € 23.973,00 (drieëntwintig duizend negenhonderd drieënzeventig euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW over dit bedrag met ingang van 9 maart 2016 tot aan de dag van algehele voldoening;

5.5.

veroordeelt KTH tot betaling van de proceskosten ad € 579,00;

5.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

veroordeelt KTH in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 205,00 aan salaris advocaat,

- te vermeerderen met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat, indien betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en de veroordeelde niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan;

5.8.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J. Bellaart en in het openbaar uitgesproken op 11 april 2018.1

1 Conc.: