Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:6550

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-07-2018
Datum publicatie
09-08-2018
Zaaknummer
AWB - 16 _ 3645
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aan eiser zijn (navorderings)aanslagen IB/PVV en vergrijpboetes opgelegd. In geschil is of bij eiser terecht en tot de juiste bedrag inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking is genomen. Meer specifiek is in geschil of ter zake van de tot het concern van eiser behorende vennootschappen ten laste van de winst gebrachte kosten, sprake is van een uitdeling van winst aan eiser. Zowel in bezwaar als in beroep heeft verweerder zich nader op het standpunt gesteld dat enkele correcties dienen te vervallen. Ter zitting van de rechtbank hebben partijen daarnaast ten aanzien van enkele correcties overeenstemming bereikt. De rechtbank geeft een oordeel over de nog in geschil zijnde correcties. De vergrijpboetes komen in beroep deels te vervallen, de overige vergrijpboetes worden verminderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 09-08-2018
V-N Vandaag 2018/1699
FutD 2018-2157
V-N 2018/51.2.4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 16/3645 tot en met HAA 16/3649

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 juli 2018 in de zaken tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser

(gemachtigde: mr. P.A. Mentjox RB),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Hoorn, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor de jaren 2007, 2008, 2009 en 2011 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd en voor het jaar 2010 een definitieve aanslag IB/PVV opgelegd naar de onderstaande bedragen. Tevens zijn bij beschikkingen vergrijpboetes opgelegd en is heffingsrente in rekening gebracht.

Jaar

Soort aanslag

Belastbaar inkomen uit werk en woning

Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang

Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen

Vergrijp-boete

Heffings-

rente

2007

Navorderings-aanslag

€ 84.827

€ 271.576

€ 64.390

€ 4.150

€ 1.158

2008

Navorderings-aanslag

€ 86.093

€ 13.139

€ 74.863

€ 1.880

€ 539

2009

Navorderings-aanslag

€ 86.121

€ 13.796

€ 74.167

€ 1.620

€ 402

2010

Definitieve aanslag

€ 65.952

€ 19.543

€ 83.609

€ 2.740

€ 385

2011

Navorderings-aanslag

€ 69.691

€ 22.543

€ 77.107

€ 4.160

€ 513

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 10 juni 2016 de bezwaren van eiser gegrond verklaard en de navorderingsaanslagen IB/PVV 2007, 2008, 2009 en 2011 en de definitieve aanslag IB/PVV 2010 op het punt van het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang verminderd tot op de onderstaande bedragen. Daarbij zijn tevens de vergrijpboetes verminderd.

Jaar

Soort aanslag

Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang

Vergrijpboete

2007

Navorderingsaanslag

€ 269.971

€ 2.540

2008

Navorderingsaanslag

€ 8.208

€ 815

2009

Navorderingsaanslag

€ 9.968

€ 790

2010

Definitieve aanslag

€ 18.264

€ 1.715

2011

Navorderingsaanslag

€ 19.192

€ 2.320

Eiser heeft daartegen beroepen ingesteld.

Verweerder heeft voor alle zaken tezamen een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2018 te Haarlem. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en door [A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door C.J.M. Cremers, A.A. de Jong en mr. O.C.W. Pos.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is enig aandeelhouder van [A BEDRIJF] BV. [A BEDRIJF] BV is tot 11 september 2008 enig aandeelhouder van [B BEDRIJF] BV en van [C BEDRIJF] BV. Deze werkmaatschappijen verrichten asbestsanering- en sloopwerkzaamheden.

2. In 2008 heeft een herstructurering van het concern plaatsgevonden. De twee zoons van eiser, [B] . en [C] , zijn toegetreden via persoonlijke holdings: [D BEDRIJF] BV en [E BEDRIJF] BV. Er is tevens een tussenholding opgericht: [F BEDRIJF] BV. Vanaf 18 juni 2008 heeft [A BEDRIJF] BV een belang van 35% in [F BEDRIJF] BV. De zoons van eiser hebben ieder via hun persoonlijke holding een belang van 32,5% in [F BEDRIJF] BV. Per 11 september 2008 is [F BEDRIJF] BV aandeelhouder geworden van [B BEDRIJF] BV en [C BEDRIJF] BV.

3. Eiser heeft voor het jaar 2007 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 84.827, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 250.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 64.390. Met dagtekening 26 februari 2010 is, conform de aangifte, de definitieve aanslag opgelegd.

4. Eiser heeft voor het jaar 2008 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 86.093 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 74.863. Met dagtekening 2 juli 2010 is, conform de aangifte, de definitieve aanslag opgelegd.

5. Eiser heeft voor het jaar 2009 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 86.121 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 74.167. Met dagtekening 3 augustus 2011 is, conform de aangifte, de definitieve aanslag opgelegd.

6. Eiser heeft voor het jaar 2011 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 69.691 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 77.107. Met dagtekening 20 december 2013 is, conform de aangifte, de definitieve aanslag opgelegd.

7. Eiser heeft voor het jaar 2010 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 65.952 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 83.609. Verweerder is, naar aanleiding van het hierna te vermelden boekenonderzoek, bij het opleggen van de aanslag afgeweken van de ingediende aangifte. Verweerder heeft het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang vastgesteld op € 19.543, tevens is bij beschikking de vergrijpboete opgelegd ten bedrage van € 2.740. Met dagtekening 28 november 2013 is de definitieve aanslag opgelegd.

8. In 2013 heeft bij eiser een boekenonderzoek plaatsgevonden voor de jaren 2007 tot en met 2011. Met dagtekening 22 oktober 2013 is het controlerapport van het boekenonderzoek aan eiser opgestuurd. In het boekenonderzoek zijn aspecten van de loonbelasting, omzetbelasting, vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting bekeken. Tijdens het boekenonderzoek is naar voren gekomen dat er facturen in de administratie van eiser voorkwamen waarbij de zakelijkheid niet duidelijk was. Verweerder heeft deze facturen voorgelegd aan eiser.

9. Naar aanleiding van de besprekingen omtrent de facturen zijn door verweerder derdenonderzoeken gedaan.

10. Naar aanleiding van het boekenonderzoek en de derdenonderzoeken zijn de onderhavige navorderingsaanslagen IB/PVV 2007, 2008, 2009 en 2011 en de definitieve aanslag IB/PVV 2010 opgelegd. Tevens zijn bij beschikkingen de vergrijpboetes opgelegd.

11. Tot het privévermogen van eiser behoren de onroerende zaken [DIVERSE ADRESSEN]

.

12. [A BEDRIJF] B.V. is eigenaar van de onroerende zaken [A ADRES] en [B ADRES] .

Geschil
13. In geschil is of bij eiser terecht en tot de juiste bedragen inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking is genomen. Meer specifiek is in geschil of ter zake van de tot het concern behorende vennootschappen ten laste van de winst gebrachte kosten sprake is van een uitdeling van winst aan eiser. Voorts zijn de vergrijpboetes in geschil.

14. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vermindering van de (navorderings)aanslagen en vernietiging van de vergrijpboetes.

15. Verweerder concludeert eveneens tot gegrondverklaring van de beroepen en vermindering van de (navorderings)aanslagen. Voorts concludeert verweerder tot vermindering van de vergrijpboetes.

16. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

17. In het verweerschrift heeft verweerder zich nader op het standpunt gesteld dat enkele correcties zouden moeten vervallen. Ten aanzien daarvan dienen de beroepen gegrond te worden verklaard. Daarnaast hebben partijen ter zitting met betrekking tot enkele correcties overeenstemming bereikt. Hieronder zullen alle oorspronkelijk in geschil zijnde correcties worden besproken. Waar verweerder zich op een nader standpunt heeft gesteld of waar partijen overeenstemming hebben bereikt zal dat worden aangegeven.

18. Een winstuitdeling is aanwezig indien sprake is van een bevoordeling van een aandeelhouder als zodanig die kan plaatsvinden uit winst of winstreserves dan wel in het vooruitzicht van te maken winst, waarbij de aandeelhouder en de vennootschap zich bewust zijn of redelijkerwijs bewust hebben moeten zijn van de bevoordeling (hierna ook te noemen: eis van dubbele bewustheid) en de aandeelhouder de bevoordeling in zijn hoedanigheid van aandeelhouder heeft aangenomen (vgl. onder meer Hoge Raad 24 oktober 2003, nr. 37856, ECLI:NL:HR:2003:AI0411 en Hoge Raad 8 juli 1997, nr. 32050, ECLI:NL:HR:1997:AA2193). De rechtbank stelt voorop dat, nu verweerder heeft gesteld dat sprake is van een uitdeling van winst aan eiser, op hem de bewijslast rust om de feiten waarop die stelling berust aannemelijk te maken.

Diverse inkoopkosten (2007 tot en met 2011)

19. In het verweerschrift heeft verweerder zich nader op het standpunt gesteld dat de correcties voor de jaren 2009 (€ 3.963) en 2010 (€ 1.780) moeten komen te vervallen. Ten aanzien van het bedrag voor 2010 (€ 1.780) heeft verweerder tevens afgezien van een beroep op interne compensatie in verband met het onderhoud [C ADRES] (zie verder onderdeel 23). Ter zitting is eiser akkoord gegaan met de door verweerder doorgevoerde correcties voor de overige jaren met betrekking tot de diverse inkoopkosten, namelijk een bedrag van € 2.168 voor 2007, een bedrag van € 250 voor 2008 en een bedrag van € 4.207 voor 2011. De correcties ten aanzien van de diverse inkoopkosten zijn derhalve niet meer in geschil. Eiser heeft expliciet aangegeven dat de boetes die op deze correcties betrekking hebben nog wel in geschil zijn. Hieraan zal de rechtbank hierna een aparte overweging wijden.

Sloop [D ADRES] (2007)

20. Verweerder heeft deze correctie vastgesteld op € 11.900 (inclusief BTW). Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat de correctie wordt verminderd met € 9.900 tot op € 2.000 en dat de helft daarvan, € 1.000, aan eiser wordt toegerekend. Aldus is deze correctie niet meer in geschil. Eiser heeft expliciet aangegeven dat de boete die op deze correctie betrekking heeft nog wel in geschil is. Hieraan zal de rechtbank hierna een aparte overweging wijden.

Restauratie [A AUTOMERK] (2007 en 2008)

21. Eiser heeft ter zitting verklaard dat de factuur van 22 september 2007 van [G BEDRIJF] BV, met een bedrag van € 3.302,85 terecht op naam van eiser is gesteld en ten onrechte ten laste van de onderneming is gebracht. Eiser heeft gesteld het standpunt van verweerder niet meer te betwisten dat in zoverre sprake is van een uitdeling. De rechtbank volgt partijen hierin. Ten aanzien van de overige correcties in verband met de restauratie van de [A AUTOMERK] (2007 en 2008) overweegt de rechtbank als volgt. Niet in geschil is dat het bedrijf [H BEDRIJF] de [A AUTOMERK] heeft gerestaureerd en dat deze auto niet tot het ondernemingsvermogen van een van de vennootschappen van eiser heeft behoord. De rechtbank stelt op basis van de door partijen over en weer ingenomen stellingen vast dat de restauratie van de auto in 2007 en 2008 heeft plaatsgevonden. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij de kosten voor de restauratie zelf contant heeft voldaan aan [H BEDRIJF] . Eiser heeft geen facturen overgelegd van de restauratie en evenmin heeft hij stukken ingebracht waaruit kan worden opgemaakt dat hij dienaangaande betalingen heeft gedaan. Verweerder heeft een derdenonderzoek bij [H BEDRIJF] gedaan en daaruit is naar voren gekomen dat [H BEDRIJF] diverse werkzaamheden aan de [A AUTOMERK] heeft uitbesteed aan andere bedrijven. Voor deze werkzaamheden heeft [H BEDRIJF] facturen ontvangen van die bedrijven. Deze facturen zijn niet doorberekend aan eiser in privé. In de administratie van [B BEDRIJF] BV en [C BEDRIJF] BV zijn over de jaren 2007 en 2008 facturen opgenomen van [H BEDRIJF] . Op deze facturen zijn steeds beschrijvingen opgenomen van schadeherstel en/of roestbehandeling aan auto’s van genoemde BV’s. Op iedere factuur staat een andere auto genoemd. In de administratie van genoemde BV’s zijn geen facturen van [H BEDRIJF] aangetroffen buiten de periode van restauratie van de [A AUTOMERK] . Gesteld noch gebleken is voorts dat aan genoemde auto’s restauratiewerkzaamheden als hier aan de orde hebben plaatsgevonden. Gelet op dit een en ander en het feit dat eiser geen facturen en betalingsbewijzen heeft overgelegd van de restauratie, acht de rechtbank aannemelijk dat de bij de BV’s aangetroffen facturen betrekking hebben op de restauratie van de [A AUTOMERK] en acht de rechtbank bewezen dat de BV’s de kosten voor deze restauratie voor hun rekening hebben genomen ten behoeve van eiser in zijn hoedanigheid van aandeelhouder van die BV’s. De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot het oordeel dat verweerder terecht uitdelingen in aanmerking heeft genomen ter zake van de restauratie van de [A AUTOMERK] ten bedrage van € 11.853 voor 2007 en € 2.010 voor 2008.

Onderhoud [E ADRES] (2008)

22. Eiser heeft zich in beroep nader op het standpunt gesteld dat in de administratie van [B BEDRIJF] BV over het jaar 2008 inderdaad een aantal facturen is opgenomen die bij nader inzien betrekking hadden op materialen die waren bestemd voor het privépand van eiser aan de [E ADRES] . Het betreft een bedrag van € 7.436. Ter zitting hebben partijen daarnaast overeenstemming bereikt ten aanzien van de arbeidskosten die hiermee gemoeid zijn geweest. Verweerder had dit bedrag bepaald op 40% van de aanneemsom en een bedrag van € 4.957 als arbeidskosten in aanmerking genomen. Het bedrag van de arbeidskosten zal conform de tussen partijen bereikte overeenstemming worden gesteld op 10% van de aanneemsom (zijnde in totaal € 12.392). Derhalve zal rekening worden gehouden met arbeidskosten ten bedrage van € 1.239. De totale correctie komt daarmee op € 8.675 (in plaats van € 11.897 zoals door verweerder was vastgesteld). De aan eiser toe te rekenen correctie bedraagt aldus € 4.337 in plaats van € 5.948.

Onderhoud [C ADRES] (2009 en 2010)

23. Verweerder heeft zich in het verweerschrift nader op het standpunt gesteld dat gelet op de factuurdata de uitgaven voor het onderhoud [C ADRES] niet tot een voordeel in 2009 hebben geleid. Het inkomen uit aanmerkelijk belang is dan ook tot een te hoog bedrag vastgesteld. Zowel de correctie als de opgelegde vergrijpboete moeten komen te vervallen. Ten aanzien van het jaar 2010 had verweerder een beroep op interne compensatie gedaan maar verweerder heeft dit beroep ter zitting laten vallen (zie onderdeel 19). Gelet hierop zijn de correcties met betrekking tot het onderhoud [C ADRES] (2009 en 2010) niet meer in geschil.

[I BEDRIJF] damwandkering & [I BEDRIJF] boomstammetjes (2010)

24. Eiser heeft verklaard akkoord te zijn met de door verweerder aangebrachte correcties ten bedrage van € 3.293 in verband met de [I BEDRIJF] damwandkering en € 4.165 in verband met de [I BEDRIJF] boomstammetjes. De rechtbank sluit zich hierbij aan. Eiser heeft aangegeven dat de boetes die op deze correcties betrekking hebben nog wel in geschil zijn. Hieraan zal de rechtbank hierna een aparte overweging wijden.

Koop [B AUTOMERK] (2010)

25. Verweerder heeft zich ter zitting nader op het standpunt gesteld dat de boete die is opgelegd in verband met deze correctie dient te worden vernietigd. De rechtbank sluit zich hierbij aan. Ten aanzien van de correctie, € 12.479, waarvan € 6.239 aan eiser is toegerekend als inkomen uit aanmerkelijk belang, overweegt de rechtbank als volgt. [B BEDRIJF] BV heeft de auto in 2006 aangekocht en op 20 april 2010 voor een bedrag van € 22.000 verkocht aan eiser. Verweerder heeft zich onder meer op basis van een schaderapport van 30 mei 2012 naar aanleiding van het ongeluk dat eiser met de auto heeft gehad in 2012, op het standpunt gesteld dat sprake is van een bevoordeling van eiser in privé. In het schaderapport staat namelijk vermeld dat eiser de dagwaarde van de auto op dat moment op € 35.000 schat. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat de waarde van de auto in 2010 hoger is dan het bedrag dat eiser voor de auto heeft betaald, heeft verweerder in beroep voorts verwezen naar de informatie die hij van de FIOD infodesk heeft gekregen, namelijk dat de waarde in het economisch verkeer van de auto op het moment van de aankoop door eiser ongeveer € 38.000 was. Verweerder is bij het opleggen van de navorderingsaanslag uitgegaan van een waarde van de auto in 2010 van € 34.479, op basis van het aankoopbedrag en de restwaarde BPM van € 12.479. Nu eiser een bedrag van € 22.000 voor de auto heeft betaald is volgens verweerder sprake van een bevoordeling van € 12.479.

26. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met hetgeen hij heeft gesteld en naar voren heeft gebracht niet aannemelijk gemaakt dat de auto ten tijde van de aankoop € 34.479 waard was, zodat geen sprake is van een uitdeling van € 12.479. Daarbij overweegt de rechtbank dat verweerder genoemde informatie over de waarde die hij van de FIOD infodesk zegt te hebben ontvangen desgevraagd niet heeft overgelegd, zodat deze waardering niet kan worden gecontroleerd. De in het schaderapport van 30 mei 2012 door eiser genoemde dagwaarde van de auto acht de rechtbank van onvoldoende gewicht om de door verweerder voorgestane waarde vast te stellen, mede omdat hierbij de dagwaarde op een bedrag van € 28.500 is vastgesteld. Aan de andere kant is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is dat de waarde van de auto in 2010 gesteld kan worden op het bedrag dat eiser voor de auto heeft betaald. Weliswaar heeft [J BEDRIJF] BV een taxatierapport opgesteld waarin de waarde van de auto is bepaald op € 23.416 maar na de aankoop heeft eiser voor een bedrag van ongeveer € 23.000 verbeteringen aan de auto aangebracht. Nu geen van partijen de door hen voorgestane waarde aannemelijk heeft gemaakt zal de rechtbank deze in goede justitie vaststellen op € 28.500. Dit komt overeen met de in het schaderapport opgenomen dagwaarde van de auto in 2012. Het feit dat eiser ongeveer € 23.000 heeft uitgegeven om verbeteringen aan de auto aan te brengen, leidt er naar het oordeel van de rechtbank niet toe dat de waarde van de auto met datzelfde bedrag dient te worden verhoogd. Zoals verweerder terecht heeft opgemerkt, leidt niet elke euro die wordt geïnvesteerd tot een waardeverhoging van de auto met een euro. De rechtbank stelt de correctie vast op € 28.500 -/- € 22.000 = € 6.500. Een bedrag van € 3.250, zijnde 50% van het correctiebedrag, zal aan eiser worden toegerekend als inkomen uit aanmerkelijk belang.

Dieselverbruik na aankoop (2010 en 2011)

27. Verweerder heeft deze correctie gebaseerd op een vermoeden door te stellen dat eiser de tankpas steeds in zijn bezit heeft gehad, dat met de tankpas is betaald tot het moment dat de [B AUTOMERK] naar privé ging en dat het gebruik van de tankpas toen niet is veranderd. Eiser heeft weersproken dat in privé van de tankpas gebruik is gemaakt en heeft naar voren gebracht dat de tankpas voor andere auto’s binnen de onderneming is gebruikt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, door zich enkel op genoemde stellingen te baseren, niet aannemelijk heeft gemaakt dat op dit punt sprake is van een uitdeling. Het gelijk in dezen is aan eiser. De correcties van € 2.787 (2010) en € 3.160 (2011) dienen te vervallen.

Facturen [K BEDRIJF] (2011)

28. Tot de gedingstukken behoren facturen van [K BEDRIJF] aan [A BEDRIJF] BV. Op de factuur van 30 september 2011 staat bij ‘Projectomschrijving’ vermeld dat het de [F ADRES] betreft. Bij een derdenonderzoek door verweerder bij [K BEDRIJF] is dezelfde factuur van 30 september 2011 aangetroffen waarop bij ‘Projectomschrijving’ staat vermeld dat het de [C ADRES] betreft. Verweerder heeft navraag gedaan bij [D] en deze heeft verklaard dat de omschrijving op de factuur van 30 september 2011 op verzoek van eiser is aangepast naar [F ADRES] . [D] heeft tevens verklaard dat hij op het adres [C ADRES] kozijnen heeft ingemeten en vervolgens ook heeft gemaakt en geleverd. Uit de tekeningen van de kozijnen die in de administratie van [D] zijn aangetroffen bij de factuur van 30 september 2011, maakt de rechtbank op dat de vorm van de kozijnen overeenkomt met de foto’s van de kozijnen van het pand aan de [C ADRES] . Bovendien is op de tekeningen een datum in 2011 gezet. Nu vaststaat dat [C ADRES] een privépand van eiser betreft en de kosten van de geplaatste kozijnen voor rekening van [A BEDRIJF] BV zijn gekomen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een uitdeling. Verweerder heeft overigens ter zitting aangegeven dat de aan eiser toe te rekenen correctie met € 25 (extra) verlaagd dient te worden tot op € 8.252.

29. De tot de gedingstukken behorende factuur van [K BEDRIJF] aan [A BEDRIJF] BV van 21 september 2011, ziet op de inleen van een werknemer, de heer [E] en heeft als omschrijving “Regie werk, BTW verlegd” en bedraagt € 2.600 exclusief BTW. Verweerder heeft gesteld dat de heer [E] is ingehuurd ten behoeve van het plaatsen van glas en de bijbehorende kitwerkzaamheden voor de kozijnen aan het pand aan de [C ADRES] . Eiser heeft gesteld dat de heer [E] is ingehuurd voor werkzaamheden van [B BEDRIJF] BV bij een grote klus bij een middelbare school in Grootebroek. Verweerder heeft zijn stelling onderbouwd met een verklaring van [D] naar aanleiding van het derdenonderzoek alsmede een op de factuur van 21 september 2011 handgeschreven en getekende verklaring van [D] . De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de verklaringen van [D] aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een uitdeling nu de heer [E] werkzaamheden heeft verricht bij een privépand van eiser en de kosten daarvan in rekening zijn gebracht bij [B BEDRIJF] BV. Hetgeen eiser hier tegenin heeft gebracht brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Het logboek waarnaar eiser verwijst is niet goed leesbaar, aldus wordt hieruit niet duidelijk dat de heer [E] uren heeft gemaakt voor [B BEDRIJF] BV. De correctie van € 1.547 (50% van € 2.600 = € 1.300 plus 19% BTW) is terecht aan eiser toegerekend als uitdeling.

Conclusie ten aanzien van de correcties en het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang

30. Gelet op vorenoverwogene dienen de beroepen gegrond te worden verklaard. De belastbare inkomens uit aanmerkelijk belang dienen te worden vastgesteld op de volgende bedragen:

Jaar

Soort aanslag

Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang

2007

Navorderingsaanslag

(€ 250.000 + € 2.168 + € 1.000 + € 11.853 =)

€ 265.021

2008

Navorderingsaanslag

(€ 250 + € 2.010 + € 4.337 =)

€ 6.597

2009

Navorderingsaanslag

€ 0

2010

Definitieve aanslag

(€ 3.293 + € 4.165 + € 3.250 =)

€ 10.708

2011

Navorderingsaanslag

(€ 4.207 + € 8.252 + € 1.547 =)

€ 14.006

Vergrijpboetes

31. In het verweerschrift heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de boetes over de correcties 50% dienen te bedragen. Voorts zijn de vergrijpboetes overeenkomstig de nader ingenomen standpunten verlaagd. Verweerder heeft voorts uiteengezet dat de boetes in bezwaar zijn gematigd in verband met samenloop (matiging van ongeveer 20%) en overschrijding van de redelijke termijn (matiging van 20%) en is van mening dat aldus voldoende rekening is gehouden met matigingsgronden.

32. Per correctie bedragen volgens het verweerschrift de in geschil zijnde boetes:

Correctie

2007

2008

2009

2010

2011

Diverse inkoopkosten

€ 170

€ 20

€ 335

Sloop [D ADRES]

€ 475

Restauratie [A AUTOMERK]

€ 945

€ 160

Onderhoud [E ADRES]

€ 475

Onderhoud [C ADRES]

[I BEDRIJF] damwandkering

€ 262

[I BEDRIJF] boomstammetjes

€ 330

Koop [B AUTOMERK]

€ 500

Dieselverbruik na aankoop

€ 220

€ 245

Factuur [K BEDRIJF] 30 september 2011

€ 665

Factuur [K BEDRIJF] 21 september 2011

€ 125

Totaal

€ 1.590

€ 655

€ 0

€ 1.312

€ 1.370

33. Verweerder heeft de vergrijpboetes op grond van artikel 67e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen aan eiser opgelegd. Dit artikel bepaalt dat indien het met betrekking tot een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven, dit een vergrijp vormt ter zake waarvan de inspecteur hem een bestuurlijke boete kan opleggen.

34. Op verweerder rust de last te bewijzen dat het aan opzet van eiser te wijten is dat de aanslagen tot te lage bedragen zijn vastgesteld. Verweerder heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat hij eiser (voorwaardelijk) opzet verwijt omdat eiser zich bewust heeft laten bevoordelen, door onder meer bewust uitgaven voor privébestedingen te laten boeken in zijn vennootschappen en facturen van de vennootschappen betreffende werkzaamheden aan privé-eigendommen van eiser niet in rekening bij eiser te brengen. Als directeur-grootaandeelhouder wist eiser dat hij voordelen die hij verkrijgt uit zijn vennootschappen moest verantwoorden in zijn aangiften inkomstenbelasting. Door deze voordelen niet aan te geven wist eiser dat er te weinig belasting zou worden geheven, dan wel dat de kans bestond dat te weinig belasting zou worden geheven.

35. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft verweerder gewezen op de administratie van eiser die gebreken vertoont en waarin onder meer een projectadministratie ontbreekt. Voorts heeft verweerder gewezen op de verklaringen van leveranciers, zoals [D] , die een andere uitleg met betrekking tot de facturen geven dan de uitleg van eiser. Eiser heeft ook erkend dat de administratie van de onderneming niet zorgvuldig is gevoerd. Op ondernemers, zoals eiser, rusten wettelijke verplichtingen ten aanzien van de administratie die door eiser niet zijn nagekomen, aldus verweerder.

36. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met hetgeen hij heeft aangevoerd heeft bewezen dat het aan (voorwaardelijk) opzet van eiser is te wijten dat te weinig belasting is geheven. Een boete van 50% acht de rechtbank in beginsel op zijn plaats. Verweerder heeft de boetes verminderd met 20% wegens overschrijding van de redelijke termijn en nog eens met 20% wegens samenloop. De rechtbank ziet geen reden de vergrijpboetes procentueel verder te matigen.

37. Uit het vorenoverwogene volgt dat met betrekking tot het jaar 2007 de correctie ter zake van de sloop [D ADRES] is verminderd van € 5.950 naar € 1.000. De boete over deze correctie bedroeg € 475 (zijnde 25% van € 5.950 maal 50% maal 0,8 maal 0,8). Deze boete dient met € 395 te worden verminderd tot een bedrag van € 80 (zijnde 25% van € 1.000 maal 50% maal 0,8 maal 0,8). De boete met betrekking tot 2007 bedraagt aldus € 1.195 (€ 1.590 minus € 395). De rechtbank acht deze boete voor 2007 passend en geboden.

38. Uit het vorenoverwogene volgt dat de correctie ter zake van het onderhoud [E ADRES] is verminderd van € 5.948 naar € 4.337. De boete over deze correctie bedroeg € 475 (zijnde 25% van € 5.948 maal 50% maal 0,8 maal 0,8). Deze boete dient te worden verminderd met € 128 tot een bedrag van € 347 (zijnde 25% van € 4.337 maal 50% maal 0,8 maal 0,8). De boete met betrekking tot 2008 bedraagt aldus € 527 (€ 655 minus € 128). De rechtbank acht deze boete voor 2008 passend en geboden.

39. Gelet op het voorgaande dient de boete met betrekking tot het jaar 2009 te worden vernietigd.

40. Gelet op het vorenoverwogene dient de correctie voor het jaar 2010 ter zake van dieselverbruik na aankoop in privé te vervallen. De boete hierover vervalt ook. Ter zitting heeft verweerder zich voorts op het standpunt gesteld dat de vergrijpboete met betrekking tot de koop van de [B AUTOMERK] (betreft 2010, een bedrag van € 500) moet worden vernietigd. Aldus resteert voor 2010 een boete van € 592 (€ 262 + € 330). De rechtbank acht deze boete passend en geboden.

41. Gelet op het vorenoverwogene dient de correctie voor het jaar 2011 ter zake van dieselverbruik na aankoop in privé te vervallen. De boete hierover vervalt ook. De correctie ter zake van de Factuur [K BEDRIJF] van 30 september 2011 bedraagt € 8.252. De boete hierover bedraagt € 660 (25% van € 8.252 maal 50% maal 0,8 maal 0,8). Aldus resteert voor 2011 een boete van € 1.120 (€ 335 + € 660 + 125). De rechtbank acht deze boete passend en geboden.

Heffingsrente

42. De beroepen van eiser zijn tevens gericht tegen de beschikkingen heffingsrente. Nu de beroepen gegrond zijn worden deze beschikkingen overeenkomstig de te verminderen (navorderings)aanslagen verminderd. De rechtbank ziet geen aanleiding de beschikkingen verder te verminderen. Daartoe zijn door eiser ook geen afzonderlijke argumenten naar voren zijn gebracht.

Slotsom

43. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

44. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, waarbij de rechtbank de onderhavige zaken aanmerkt als met elkaar samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht nu genoemde zaken gelijktijdig zijn behandeld ter zitting van de rechtbank, de rechtsbijstand is verleend door dezelfde gemachtigde en de werkzaamheden van de gemachtigde in alle zaken nagenoeg identiek konden zijn. De kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.503 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501 x 1 (gewicht van de zaak) x 1,5 (factor samenhang)).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2007 tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 84.827, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 265.021 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 64.390;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2008 tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 86.093, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 6.597 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 74.863;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2009 tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 86.121, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 74.167;

  • -

    vermindert de aanslag IB/PVV 2010 tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 65.952, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 10.708 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 83.609;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2011 tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 69.691, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 14.006 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 77.107;

  • -

    vermindert de beschikkingen heffingsrente dienovereenkomstig;

  • -

    vernietigt de vergrijpboete met betrekking tot het jaar 2009;

  • -

    vermindert de overige vergrijpboetes tot op € 1.195 (2007), € 527 (2008), € 592 (2010) en € 1.120 (2011);

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.503;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Fase, voorzitter, en mr. M.W. Koenis en

mr. G.H. de Soeten, leden, in aanwezigheid van mr. R.A. Brits, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.