Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:6536

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
19-07-2018
Datum publicatie
27-07-2018
Zaaknummer
6560840 CV EXPL 18-65
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak. De vordering van de werknemer tot loondoorbetaling tijdens ziekte wordt toegewezen. De betwisting door de werkgever van de ziekte is ondeugdelijk, mede omdat het niet aan werkgever is om vast te stellen of de werknemer ziek is, maar aan een (bedrijfs-)arts. De werkgever is op grond van artikel 14 en 14a van de Arbeidsomstandighedenwet en de Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar van het UWV ook verplicht om een bedrijfsarts of arbodienst in te schakelen bij de beoordeling van de ziekte van de werknemer en bij de begeleiding en re-integratie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0886
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Zaanstad

Zaaknr./rolnr.: 6560840 \ CV EXPL 18-65

Uitspraakdatum: 12 juli 2018

Vonnis in de zaak van:

[eiseres]

wonende te [woonplaats]

eiseres

verder te noemen: [eiseres]

gemachtigde: mr. J. Knaap

tegen

[gedaagde 1] , handelend onder de naam Kraamzorg Roza

kantoorhoudend te Assendelft, en

[gedaagde 2] , voorheen handelend onder de naam Kraamzorg Roza

kantoorhoudend te Deventer

verder te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2]

gemachtigde voor [gedaagde 1] : mr. D. Coskun

[gedaagde 2] is niet verschenen

1 Het procesverloop

1.1.

[eiseres] heeft bij dagvaarding van 27 december 2017 een vordering tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ingesteld. [gedaagde 1] heeft schriftelijk geantwoord en daarbij een tegenvordering ingediend.

1.2.

[gedaagde 2] is niet verschenen en tegen haar is verstek verleend.

1.3.

Op 13 juni 2018 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting hebben partijen bij brieven van 30 januari 2018 en 28 mei 2018 nog stukken toegezonden.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is op 5 december 2015 in dienst getreden bij [gedaagde 2] , in de functie van kraamverzorgster en op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, tot en met 5 december 2018. In de schriftelijke arbeidsovereenkomst is de CAO VVT Kraamzorg (hierna: CAO) van toepassing verklaard.

2.2.

In een e-mail aan Kraamzorg Roza van 6 november 2016, gericht aan het e-mailadres [e-mailadres] , heeft [eiseres] het volgende meegedeeld:

“Hierbij wil ik doorgeven dat mijn zoon ziek is (...) en ik ben ook ziek geworden door hem. Ik kan helaas niet bij de les aanwezig zijn. Waarschijnlijk ook met vergadering as maandag.”

2.3.

[eiseres] is vanaf 6 november 2016 niet meer op haar werk verschenen. [eiseres] is na 6 november 2016 niet opgeroepen om bij een bedrijfsarts of arbodienst te verschijnen. [gedaagde 2] heeft ook geen loon meer betaald na die datum.

2.4.

De onderneming Kraamzorg Roza is per 1 februari 2017 door [gedaagde 1] overgenomen van [gedaagde 2] en nadien voortgezet.

2.5.

Ook na de overname van Kraamzorg Roza door [gedaagde 1] is [eiseres] niet opgeroepen voor een onderzoek door de bedrijfsarts. [gedaagde 1] heeft evenmin loon betaald.

2.6.

In WhatsApp-berichten van 3 april 2017, tussen [naam] (hierna: [naam] ), echtgenoot van [gedaagde 1] , en [eiseres] , staat onder meer het volgende:

( [naam] :) “Het feit dat je ziek bent neemt je verplichtingen niet weg (...) [eiseres] je krijgt van ons geen arts omdat je geen contract hebt bij ons (...).

( [eiseres] :) Oh nu is het dat ik geen contract heb. Maar ben echt niet instaat om over belangrijke dingen te praten. Ik kan mijn hoofd er niet bijhouden. (...) Ik ben ziek en ik mag geen auto rijden (...).”

2.7.

[eiseres] is op 11 juli 2017 bevallen. [gedaagde 1] heeft voor [eiseres] geen uitkering aangevraagd in verband met zwangerschap en bevalling op grond van artikel 3:11 van de Wet arbeid en zorg (hierna: Wazo).

2.8.

De advocaat van [eiseres] heeft [gedaagde 1] en [gedaagde 2] met een brief van 18 september 2017 aangemaand om het loon van [eiseres] vanaf de maand november 2016, dan wel februari 2017, en tot en met augustus 2017 te voldoen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben geen loon betaald.

2.9.

In een vonnis in kort geding van 28 november 2017 van de rechtbank Noord-Holland, locatie Zaanstad, is een loonvordering van [eiseres] afgewezen, omdat er onvoldoende sprake was van een spoedeisend belang en omdat nader onderzoek nodig was naar bepaalde feiten en omstandigheden.

3 De vordering

3.1.

[eiseres] vordert dat voor recht wordt verklaard dat de omvang van de arbeidsovereenkomst van [eiseres] gemiddeld 47,63 uur per maand bedraagt, dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van het achterstallig salaris van € 523,88 bruto per maand over de periode vanaf 1 november 2016 tot 1 februari 2017, en dat [gedaagde 1] wordt veroordeeld tot betaling van dit salaris vanaf 1 februari 2017 tot aan het moment waarop rechtsgeldig een einde aan de arbeidsovereenkomst is gekomen. Ook vordert [eiseres] dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] worden veroordeeld om loonspecificaties af te geven, en tot betaling van de wettelijke verhoging en de wettelijke rente.

3.2.

[eiseres] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat zij op grond van de arbeidsovereenkomst en de wet recht heeft op loondoorbetaling tijdens ziekte, tot 100% van het salaris. Verder meent [eiseres] dat zij ook tijdens haar zwangerschaps- en bevallingsverlof recht heeft op loondoorbetaling, omdat [gedaagde 1] heeft verzuimd om de ziekmelding van [eiseres] door te geven aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: UWV), heeft verzuimd om een bedrijfsarts in te schakelen en heeft verzuimd om een Wazo-uitkering aan te vragen.

4 Het verweer en de tegenvordering

4.1.

[gedaagde 1] betwist de vordering. Zij voert aan – samengevat – dat [eiseres] al bij brief van 14 april 2017 ontslag is aangezegd, zodat de arbeidsovereenkomst toen is geëindigd, en dat [eiseres] overigens ook rond die tijd is uitgeschreven bij Scheidegger voor de opleiding kraamverzorgster, waardoor de arbeidsovereenkomst tussen partijen is vervallen. Gelet daarop meent [gedaagde 1] dat zij niet gehouden is tot loondoorbetaling. Verder stelt [gedaagde 1] dat [eiseres] zich nooit heeft ziek gemeld, zodat er ook om die reden geen aanspraak is op loon.

4.2.

[gedaagde 1] vordert bij wijze van tegenvordering dat de kantonrechter [eiseres] veroordeelt tot betaling van € 5.263,50. Zij legt aan deze tegenvordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [eiseres] op basis van de arbeidsovereenkomst tussen partijen verplicht is om de opleidingskosten voor de opleiding kraamverzorgster en een boete (terug) te betalen. Ook vordert [gedaagde 1] betaling van € 1.962,72, omdat [eiseres] zich volgens [gedaagde 1] ten onrechte niet heeft ziek gemeld, waardoor [gedaagde 1] een zwangerschapsuitkering en een loonkostensubsidie is misgelopen.

4.3.

Daarnaast heeft [gedaagde 1] (voorwaardelijk) een vordering ingediend tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 april 2017. Volgens [gedaagde 1] is de arbeidsrelatie tussen partijen dusdanig verstoord dat de arbeidsovereenkomst, voor zover deze nog bestaat, moet worden ontbonden.

5 De beoordeling

de vordering

5.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of voor recht kan worden verklaard dat de omvang van de arbeidsovereenkomst van [eiseres] gemiddeld 47,63 uur per maand bedraagt, en of [gedaagde 2] en [gedaagde 1] moeten worden veroordeeld tot loondoorbetaling.

5.2.

[gedaagde 2] is in deze procedure niet verschenen en tegen haar is daarom verstek verleend. [gedaagde 2] heeft dus ook geen verweer gevoerd tegen de vordering. Gelet daarop zal de kantonrechter de vordering tegen [gedaagde 2] toewijzen, zoals weergegeven onder de beslissing, omdat deze hem niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt (artikel 139 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv)). Omdat [gedaagde 1] wel is verschenen, moet het vonnis in deze zaak ook ten aanzien van [gedaagde 2] worden beschouwd als een vonnis op tegenspraak (artikel 140 lid 3 Rv).

5.3.

Partijen zijn het erover eens dat [gedaagde 1] door overgang van onderneming per 1 februari 2017 de werkgever van [eiseres] is geworden. Dat betekent dat de rechten en verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde 2] van rechtswege op [gedaagde 1] zijn overgegaan (artikel 7:663 van het Burgerlijke Wetboek (hierna: BW)). [gedaagde 2] is daarnaast op grond van de wet nog gedurende een jaar na de overgang naast [eiseres] hoofdelijk verbonden voor de nakoming van de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst, die zijn ontstaan vóór dat tijdstip.

5.4.

Het verweer van [gedaagde 1] dat de arbeidsovereenkomst bij brief van 14 april 2017 is beëindigd, treft geen doel. [eiseres] heeft betwist dat zij de door [gedaagde 1] overgelegde ontslagbrief van 14 april 2017 heeft ontvangen en zij stelt dat ook niet vast staat dat die brief is verzonden. Op de zitting heeft [gedaagde 1] erkend dat zij geen bewijs heeft van verzending of ontvangst van de brief van 14 april 2017. Gelet daarop moet ervan worden uitgegaan dat die brief [eiseres] nooit heeft bereikt en dat ook niet kan worden aangenomen dat de brief is verzonden. Dat betekent dat deze brief nooit werking heeft gehad (artikel 3:37 lid 3 BW). De arbeidsovereenkomst is dus niet geëindigd per 14 april 2017.

5.5.

De arbeidsovereenkomst is ook niet geëindigd door het einde van de opleiding van [eiseres] als kraamverzorgster bij Scheidegger. [eiseres] heeft betwist dat zij de opleiding als kraamverzorgster heeft gestaakt, maar ook als dit wel het geval zou zijn, is er geen grond om te oordelen dat de arbeidsovereenkomst daardoor is geëindigd. In de arbeidsovereenkomst staat geen ontbindende voorwaarde waaruit volgt dat de arbeidsovereenkomst eindigt indien de opleiding als kraamverzorgster wordt gestaakt, en er is ook geen opleidings- of leerovereenkomst waarin dit is opgenomen.

5.6.

[eiseres] heeft op grond van artikel 12 van de arbeidsovereenkomst recht op doorbetaling van 100% van het loon als zij wegens ziekte ongeschikt is om haar werkzaamheden te verrichten. Naar de kantonrechter begrijpt, stelt [gedaagde 1] dat [eiseres] zich niet heeft ziekgemeld en zij betwist kennelijk ook dat [eiseres] wegens ziekte ongeschikt is voor haar werkzaamheden. Dat standpunt van [gedaagde 1] kan niet worden gevolgd. [eiseres] heeft in de hiervoor aangehaalde e-mail aan Kraamzorg Roza van 6 november 2016 duidelijk aangegeven dat zij ziek is en daardoor niet kan werken. Die e-mail valt niet anders te begrijpen dan als ziekmelding. Dat [gedaagde 1] heeft begrepen en wist dat sprake was van ziekte en een ziekmelding van [eiseres] , volgt ook uit de hiervoor genoemde WhatsApp-correspondentie van 3 april 2017. Daarin bevestigt [naam] immers – namens [gedaagde 1] – dat [eiseres] ziek is, maar weigert hij een bedrijfsarts in te schakelen. De kantonrechter stelt dus vast dat [eiseres] zich op 6 november 2016 heeft ziekgemeld en dat [gedaagde 1] op de hoogte was van die ziekmelding en de ziekte van [eiseres] . Voor zover [gedaagde 1] betwist dat [eiseres] ziek is, moet daaraan worden voorbijgegaan, omdat die betwisting niet gemotiveerd, niet onderbouwd en ondeugdelijk is. [gedaagde 1] heeft geen feiten of argumenten aangevoerd waaruit zou kunnen volgen dat [eiseres] niet daadwerkelijk ziek is. De betwisting is bovendien ondeugdelijk, omdat het niet aan [gedaagde 1] is om vast te stellen of [eiseres] ziek is, maar aan een (bedrijfs-)arts. [gedaagde 1] is op grond van de Arbeidsomstandighedenwet en de Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar van het UWV ook verplicht om een bedrijfsarts of arbodienst in te schakelen bij de beoordeling van de ziekte van [eiseres] en bij de begeleiding en re-integratie (artikel 14 en artikel 14a van de Arbeidsomstandighedenwet en artikel 2 van de Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar). Die verplichting volgt ook uit goed werkgeverschap en de re-integratieverplichtingen van [gedaagde 1] (artikel 7:611 en artikel 7:658a BW). Uit het feit dat [gedaagde 1] heeft nagelaten om een bedrijfsarts of arbodienst in te schakelen, volgt temeer dat ervan moet worden uitgegaan dat [eiseres] wegens ziekte ongeschikt is voor haar werkzaamheden, vanaf 6 november 2016 tot heden.

5.7.

[eiseres] heeft in verband met haar bevalling op 11 juli 2017 recht op zes weken zwangerschapsverlof en tien weken bevallingsverlof (artikel 3:1 Wazo). [gedaagde 1] stelt dat [eiseres] geen melding heeft gemaakt van haar zwangerschap en dat zij dus ook geen verlof kan hebben genoten of opgenomen. Die stelling gaat niet op. Op de zitting heeft [eiseres] toegelicht dat zij al in december 2016 met [gedaagde 2] , en ook met [gedaagde 1] , die destijds als medewerker voor [gedaagde 2] werkzaam was, heeft gesproken over haar zwangerschap. [gedaagde 1] heeft ervoor gekozen om niet op de zitting te verschijnen, hoewel zij daartoe wel verplicht was en daarvoor ook was opgeroepen. De kantonrechter verbindt aan het feit dat [gedaagde 1] desondanks niet op de zitting is verschenen het gevolg dat genoemde toelichting van [eiseres] , die dus ook niet is weersproken door [gedaagde 1] , voor juist wordt gehouden. Dat betekent dat als vaststaand wordt aangenomen dat de zwangerschap bekend en gemeld was bij [gedaagde 1] . Dat [eiseres] feitelijk geen zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft genoten, is dus te wijten aan [gedaagde 1] en komt voor haar risico. Nu [eiseres] geen zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft genoten, heeft zij haar recht op loonbetaling tijdens ziekte behouden, ook over de periode waarover zij dat verlof normaal gesproken wel zou hebben gehad (artikel 7:629 lid 4 BW). Overigens was het ook aan [gedaagde 1] om de aanvraag voor toekenning van een uitkering in verband met zwangerschap en bevalling in te dienen bij het UWV, zoals voorgeschreven in de wet (artikel 3:11 Wazo). Dat [gedaagde 1] dit heeft nagelaten, komt eveneens voor haar rekening en risico, temeer omdat [gedaagde 1] eveneens heeft verzuimd om een bedrijfsarts of arbodienst in te schakelen, die de zwangerschap van [eiseres] ook hadden kunnen onderkennen en melden. [eiseres] heeft daarom ook op grond van goed werkgeverschap recht op loondoorbetaling jegens [gedaagde 1] .

5.8.

[gedaagde 1] heeft de hoogte van het door [eiseres] gevorderde bedrag aan loon niet betwist. [gedaagde 1] zal daarom worden veroordeeld tot betaling van € 523,88 bruto per maand over de periode vanaf 1 februari 2017 tot aan het moment waarop rechtsgeldig een einde aan de arbeidsovereenkomst is gekomen. [gedaagde 1] zal ook worden veroordeeld tot betaling van de gevorderde wettelijke verhoging en de wettelijke rente, nu het loon te laat wordt betaald. De kantonrechter zal de volledige wettelijke verhoging toewijzen en ziet geen reden deze te matigen, omdat [gedaagde 1] op ondeugdelijke gronden de ziekte en ziekmelding van [eiseres] heeft ontkend en is blijven ontkennen, op ondeugdelijke gronden geen bedrijfsarts of arbodienst heeft ingeschakeld en op ondeugdelijke gronden de loonbetaling achterwege heeft gelaten. De vordering tot afgifte van loonspecificaties is niet betwist en zal daarom ook worden toegewezen, met dien verstande dat [gedaagde 1] daartoe een termijn van een maand na betekening van het vonnis krijgt, en de dwangsom wordt gemaximeerd.

5.9.

De conclusie is dat de kantonrechter de vorderingen van [eiseres] zal toewijzen.

5.10.

De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde 1] , omdat zij ongelijk krijgt. De gevorderde nakosten kunnen worden toegewezen, voor zover deze daadwerkelijk worden gemaakt.

de tegenvordering

5.11.

De vordering van [gedaagde 1] om [eiseres] te veroordelen tot betaling van € 5.263,50 in verband met opleidingskosten wordt afgewezen. Uit artikel 7 van de schriftelijke arbeidsovereenkomst volgt dat Kraamzorg Roza de opleidingskosten betaalt, dat [eiseres] na het behalen van een diploma voor een opleiding verplicht is drie jaar lang in dienst van Kraamzorg Roza werkzaam te blijven, en dat er alleen aanleiding kan zijn voor terugbetaling van opleidingskosten indien [eiseres] “vrijwillig eerder stopt”. Nog daargelaten de vraag of dit studiekostenbeding geldig is en of [eiseres] de opleiding heeft gestaakt, is er in ieder geval geen sprake van dat [eiseres] vrijwillig is gestopt met het dienstverband bij [gedaagde 1] . Dit dienstverband duurt immers voort. Er is daarom geen verplichting voor [eiseres] tot terugbetaling van studiekosten. Voor zover [gedaagde 1] aanvoert dat het studiekostenbeding anders moet worden uitgelegd, is daarvoor geen steun te vinden in de bewoordingen en strekking van dat beding. Eventuele onduidelijkheid over de inhoud en bedoeling van dat beding komt voor risico van [gedaagde 1] , die het beding heeft opgesteld en geformuleerd.

5.12.

De vordering van [gedaagde 1] om [eiseres] te veroordelen tot betaling van € 1.962,72, omdat [eiseres] zich ten onrechte niet zou hebben ziekgemeld, wordt ook afgewezen. Dat volgt uit wat hiervoor is overwogen onder 5.6.

5.13.

De voorwaarde waaronder [gedaagde 1] een vordering heeft ingediend tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen is in vervulling gegaan, omdat hiervoor is geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd per 1 april 2017 of enige andere datum. Echter, een vordering tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst moet op grond van de wet bij verzoekschrift worden ingediend (artikel 7:686a BW). De kantonrechter heeft daarom al op de zitting bepaald dat de procedure op dit onderdeel moet worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure (artikel 69 Rv). Op het verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst zal daarom bij een aparte beschikking worden beslist.

5.14.

De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van [gedaagde 1] zal afwijzen.

5.15.

De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde 1] , omdat zij ongelijk krijgt. De gevorderde nakosten kunnen worden toegewezen, voor zover deze daadwerkelijk worden gemaakt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

de vordering

6.1.

verklaart voor recht dat de omvang van de arbeidsovereenkomst van [eiseres] gemiddeld 47,63 uur per maand bedraagt;

6.2.

veroordeelt [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hoofdelijk, in die zin dat als de een betaalt de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan [eiseres] van € 523,88 bruto per maand aan loon, exclusief 8% vakantiegeld, over de periode van 1 november 2016 tot 1 februari 2017, vermeerderd met de wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW en de wettelijke rente van artikel 6:119 BW, vanaf de respectievelijke data van verzuim, tot aan de dag van gehele betaling;

6.3.

veroordeelt [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hoofdelijk, in die zin dat als de een zal hebben voldaan de ander zal zijn bevrijd, tot afgifte van loonspecificaties aan [eiseres] over de periode van 1 november 2016 tot 1 februari 2017, binnen een maand na betekening van dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom aan [eiseres] van € 100,00 per dag voor iedere dag dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hiermee in gebreke blijven, met een maximum van € 10.000,00;

6.4.

veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling aan [eiseres] van € 523,88 bruto per maand aan loon, exclusief 8% vakantiegeld, over de periode van 1 februari 2017 tot aan het moment waarop rechtsgeldig een einde aan de arbeidsovereenkomst is gekomen, vermeerderd met de wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW en de wettelijke rente van artikel 6:119 BW, vanaf de respectievelijke data van verzuim, tot aan de dag van gehele betaling;

6.5.

veroordeelt [gedaagde 1] tot afgifte van loonspecificaties aan [eiseres] over de periode van 1 februari 2017 tot aan het moment waarop rechtsgeldig een einde aan de arbeidsovereenkomst is gekomen, binnen een maand na betekening van dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom aan [eiseres] van € 100,00 per dag voor iedere dag dat [gedaagde 1] hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 10.000,00;

6.6.

veroordeelt [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hoofdelijk, in die zin dat als de een betaalt de ander zal zijn bevrijd, tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [eiseres] tot en met vandaag vaststelt op:

dagvaarding € 200,08

griffierecht € 147,00

salaris gemachtigde € 400,00

en veroordeelt [gedaagde 2] en [gedaagde 1] tot betaling binnen veertien dagen na dit vonnis van
€ 100,00 aan nakosten, voor zover deze nakosten daadwerkelijk worden gemaakt;

6.7.

verklaart de veroordeling in dit vonnis onder 6.2, 6.3, 6.4, 6.5 en 6.6 uitvoerbaar bij voorraad;

6.8.

wijst de vordering voor het overige af;

de tegenvordering

6.9.

wijst de vordering af;

6.10.

veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor [eiseres] worden vastgesteld op een bedrag van € 200,00 aan salaris van de gemachtigde van [eiseres] , en veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling binnen veertien dagen na dit vonnis van € 100,00 aan nakosten, voor zover deze nakosten daadwerkelijk worden gemaakt;

6.11.

verklaart de veroordeling in dit vonnis onder 6.10 uitvoerbaar bij voorraad;

6.12.

bepaalt dat de procedure met betrekking tot de vordering tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst moet worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Jansen en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter