Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:6535

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
09-07-2018
Datum publicatie
27-07-2018
Zaaknummer
6835188 AO VERZ 18-28
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak. Het verzoek van de werkgever, een beveiligingsorganisatie, om ontbinding van de arbeidsovereenkomst kan worden toegewezen op de h-grond. Dit, omdat de toestemming voor de werknemer om werkzaamheden te mogen verrichten op grond van artikel 7 lid 2 Wpbr is ingetrokken, waardoor de werkgever de werknemer niet meer mag en kan laten werken. De werkgever moet wel loon tijdens ziekte blijven betalen, omdat de werknemer al ziek was voor intrekking van de toestemming als bedoeld in artikel 7 lid 2 Wpbr. De primaire reden waarom de werknemer de overeengekomen arbeid niet verricht, is dus gelegen in de ongeschiktheid wegens ziekte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0889
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Zaanstad

Zaaknr./rolnr.: 6835188 \ AO VERZ 18-28

Uitspraakdatum: 9 juli 2018

Beschikking in de zaak van:

de besloten vennootschap G4S Security Service B.V.,

gevestigd te Amsterdam

verzoekende partij

verder te noemen: G4S

gemachtigde: mr. M. Koster

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats]

verwerende partij

verder te noemen: [verweerder]

gemachtigde: mr. M.H.J. van Geffen

1 Het procesverloop

1.1.

G4S heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. [verweerder] heeft een verweerschrift en een tegenverzoek ingediend.

1.2.

Op 11 juni 2018 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting hebben partijen bij brieven van 7 juni 2018 nog stukken toegezonden. Ook op de zitting zijn nog stukken overgelegd.

2 De feiten

2.1.

[verweerder] , geboren [geboortedag] 1961, is op 13 augustus 2001 in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) G4S. De laatste functie die [verweerder] vervulde, is die van Beveiliger A, met een salaris van € 2.137,12 bruto per vier weken. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Particuliere Beveiliging van toepassing (hierna: de CAO).

2.2.

G4S is een onderneming die zich bezighoudt met beveiliging. G4S is ook een beveiligingsorganisatie in de zin van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: Wpbr).

2.3.

Artikel 7 lid 2 van de Wpbr luidt als volgt:

“Een beveiligingsorganisatie of recherchebureau als bedoeld in het eerste lid stelt geen personen te werk die belast zullen worden met werkzaamheden, anders dan bedoeld in het eerste lid, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van de korpschef. (...).”

2.4.

In artikel 7 lid 5 Wpbr staat:

“De toestemming, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid kan worden ingetrokken indien zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan de toestemming niet zou zijn verleend, indien zij zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest op het tijdstip waarop de toestemming werd verleend.”

2.5.

Artikel 2.1 van de Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2014 (hierna: Bpbr) bepaalt onder meer het volgende:

“In artikel 7 van de wet is opgenomen dat een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau geen personen te werk mag stellen voordat voor deze personen toestemming is verkregen van de korpschef. In de praktijk zal de beveiligingsorganisatie (...) zich voor de toestemming moeten wenden tot de politiechef (...) daar deze bevoegdheid door de korpschef aan de politiechefs van de regionale eenheden is gemandateerd. (...) Toestemming is vereist voor al het personeel van een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau en dus niet uitsluitend voor het personeel dat beveiligings- of recherchewerkzaamheden verricht.”

2.6.

Artikel 12 lid 4 van de CAO luidt als volgt:

“Een werkgever mag een werknemer slechts in dienst nemen en houden, indien de

werknemer in het bezit is van de toestemming van de overheid om de functie van

beveiliger uit te oefenen.”

2.7.

[verweerder] heeft op 19 februari 2018 een ongeval gehad met zijn bromfiets en is in verband daarmee vanaf die datum wegens ziekte ongeschikt voor zijn werkzaamheden.

2.8.

In een besluit van 26 februari 2018, gericht aan [verweerder] , heeft de politiechef van Amsterdam meegedeeld dat de ten behoeve van [verweerder] verleende toestemming om werkzaamheden te mogen verrichten voor G4S, zoals bedoeld in artikel 7 lid 2 Wpbr, is ingetrokken. Daarbij is toegelicht dat feiten en omstandigheden bekend zijn geworden op grond waarvan de politiechef [verweerder] onvoldoende betrouwbaar vindt om werkzaamheden te verrichten voor een beveiligingsorganisatie. In dat kader is onder meer overwogen dat de genoemde feiten en omstandigheden als een ernstige aantasting van de rechtsorde worden beschouwd en dat het algemeen belang van een betrouwbare veiligheidszorg zwaarder weegt dan het belang van [verweerder] .

2.9.

Met een brief van de politiechef van 26 februari 2018, die door G4S is ontvangen op 6 maart 2018, is aan G4S mededeling gedaan van het hiervoor genoemde besluit van 26 februari 2018. Daarbij is de nadere motivering van dat besluit niet aan G4S kenbaar gemaakt, in verband met de bescherming van de privacy van [verweerder] .

2.10.

G4S heeft met ingang van 7 maart 2018 de loonbetaling aan [verweerder] gestaakt.

2.11.

In een ‘Adviesverslag’ van 20 maart 2018 heeft bedrijfsarts gesteld dat [verweerder] geschikt is om passende arbeid te verrichten, zonder beperking in uren.

2.12.

[verweerder] heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de politiechef van Amsterdam van 26 februari 2018 tot intrekking van de toestemming om werkzaamheden te mogen verrichten voor G4S. [verweerder] heeft in dat kader ook een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend bij de rechtbank Noord-Holland, afdeling Bestuursrecht. In een uitspraak van 31 mei 2018 heeft de rechtbank dat verzoek van [verweerder] afgewezen.

3 Het verzoek

3.1.

G4S verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] . Aan dit verzoek legt G4S ten grondslag – kort gezegd – dat zij [verweerder] niet meer in dienst mag houden en niet meer mag laten werken, omdat de ten behoeve van [verweerder] verleende toestemming om werkzaamheden te mogen verrichten voor G4S, zoals bedoeld in artikel 7 lid 2 Wpbr, is ingetrokken bij het besluit van de politiechef van Amsterdam van 26 februari 2018. Volgens G4S moet die intrekking gebaseerd zijn op eigen gedragingen van [verweerder] , en zijn die gedragingen aan te merken als verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] .

3.2.

Voor zover geen verwijtbaar handelen of nalaten kan worden aangenomen, meent G4S dat sprake is van andere omstandigheden die zodanig zijn dat van G4S in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Ontbinding op basis van deze grond is volgens G4S gerechtvaardigd, omdat intrekking van de toestemming als bedoeld in artikel 7 lid 2 Wpbr een omstandigheid oplevert waardoor de arbeidsovereenkomst niet meer kan worden voortgezet.

3.3.

Verder heeft G4S verzocht om te bepalen dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en dat hij daarom geen recht heeft op een transitievergoeding. Ook is in dat kader een verzoek gedaan om [verweerder] te veroordelen tot het overleggen van stukken waaruit blijkt om welke reden de toestemming zoals bedoeld in artikel 7 lid 2 Wpbr is ingetrokken.

4 Het verweer en het tegenverzoek

4.1.

[verweerder] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Hij voert daartoe aan – samengevat – dat de intrekking van de toestemming om werkzaamheden te mogen verrichten voor G4S niet betekent dat [verweerder] van die intrekking ook een verwijt kan worden gemaakt. [verweerder] wijst erop dat de reden voor die intrekking is gelegen in een verdenking van een strafbaar feit dat omstreeks 2001 of 2002 zou hebben plaatsgevonden, maar dat hij iedere betrokkenheid daarbij heeft ontkend en dat niet vaststaat dat het tot een strafrechtelijke veroordeling zal komen. Volgens [verweerder] is er ook geen reden voor ontbinding op de andere door G4S genoemde grond, omdat G4S in het kader van de re-integratie van [verweerder] de verplichting en de mogelijkheid heeft om [verweerder] te laten werken buiten de beveiligingssector en bij een andere werkgever. In aansluiting daarop stelt [verweerder] dat het verzoek om ontbinding ook moet worden afgewezen, omdat er nog herplaatsingsmogelijkheden zijn. Verder voert [verweerder] aan dat sprake is van een opzegverbod tijdens ziekte en dat ook dit in de weg staat aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

4.2.

Voor zover de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] om G4S te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding van € 29.443,00 bruto. Daarbij stelt [verweerder] dat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van zijn kant. Ook verzoekt [verweerder] om toekenning van een billijke vergoeding, omdat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst volgens [verweerder] het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van G4S. [verweerder] wijst er in dat verband op dat de conclusie van G4S dat [verweerder] zich schuldig zou hebben gemaakt aan een misdrijf waardoor hij het vertrouwen van G4S onwaardig is geworden, voorbarig is en iedere grondslag mist.

4.3.

Verder vraagt [verweerder] bij wijze van tegenverzoek om G4S te veroordelen tot betaling van het salaris van € 2.137,12 bruto per vier weken vanaf 7 maart 2018 tot aan het moment waarop het dienstverband rechtsgeldig zal zijn geëindigd. [verweerder] stelt dat hij tot op heden ongeschikt is voor het verrichten van zijn werk wegens ziekte en dat hij daarom aanspraak heeft op loondoorbetaling.

5 De beoordeling van het verzoek

waar gaat het om in deze zaak?

5.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. In geval van ontbinding moet ook worden beoordeeld of aan [verweerder] een billijke vergoeding kan worden toegekend.

5.2.

De kantonrechter stelt voorop dat volgens de wettelijke regels van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van [verweerder] binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt (artikel 7:669 lid 1 BW).

kan de arbeidsovereenkomst worden ontbonden wegens verwijtbaar handelen?

5.3.

Een redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst kan zijn gelegen in verwijtbaar handelen of nalaten van een werknemer (artikel 7:669 lid 3, onder e, BW). Die grond doet zich naar het oordeel van de kantonrechter echter niet voor. Daarbij is het volgende van belang.

5.4.

Vast staat dat de politiechef van Amsterdam in eerdergenoemd besluit van 26 februari 2018 de ten behoeve van [verweerder] verleende toestemming om werkzaamheden te mogen verrichten voor G4S, zoals bedoeld in artikel 7 lid 2 Wpbr, heeft ingetrokken. Blijkens dat besluit is de reden daarvoor dat [verweerder] onvoldoende betrouwbaar wordt geacht om werkzaamheden te verrichten voor een beveiligingsorganisatie, omdat feiten en omstandigheden zijn gebleken die als een ernstige aantasting van de rechtsorde kunnen worden beschouwd.

5.5.

Op de zitting heeft de kantonrechter kennisgenomen van de volledige tekst van het besluit van de politiechef van Amsterdam van 26 februari 2018, inclusief de motivering daarvan. [verweerder] heeft, nadat hem door de kantonrechter is meegedeeld dat hij niet tot antwoorden is verplicht, zijn visie gegeven op die motivering. Ook de advocaat van G4S heeft kennisgenomen van de motivering en de visie van [verweerder] , en heeft daarop kunnen reageren. Daarbij heeft de kantonrechter, met toepassing van de wettelijke bepaling daarvoor, bepaald dat kennisneming van die motivering en de visie daarop van [verweerder] is voorbehouden aan de advocaat van G4S, die daarvoor bijzondere toestemming heeft gekregen, omdat kennisneming daarvan door G4S zelf de persoonlijke levenssfeer van [verweerder] onevenredig zou (kunnen) schaden (artikel 22a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). De behandeling van de zaak op de zitting heeft op dit punt ook buiten aanwezigheid van G4S plaatsgevonden, maar wel in aanwezigheid van de advocaat van G4S.

5.6.

Uit de volledige tekst en motivering van het besluit van de politiechef van Amsterdam van 26 februari 2018 blijkt dat [verweerder] vanwege een recente aangifte wordt verdacht van een strafbaar feit dat zou hebben plaatsgevonden in 2001 of 2002, en dat die verdenking niet ziet op feiten die direct verband houden met de werkzaamheden die [verweerder] voor G4S verricht.

5.7.

Vast staat ook dat [verweerder] ontkent dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten, dat er op dit moment nog geen sprake is van een strafrechtelijke procedure of vervolging en dat er dus ook nog geen (onherroepelijke) strafrechtelijke veroordeling heeft plaatsgevonden. Er is overigens geen aanwijzing of bewijs dat [verweerder] zich daadwerkelijk schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit.

5.8.

Een enkele verdenking van een strafbaar feit in 2001 of 2002, welke verdenking niet ziet op een feit dat direct verband houden met de werkzaamheden die [verweerder] voor G4S verricht, is onvoldoende om te kunnen oordelen dat sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] , zodanig dat van G4S in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Daarbij weegt ook mee dat het strafbare feit waarvan [verweerder] wordt verdacht zich al zeer lange tijd geleden zou hebben voorgedaan en dat niet is gesteld of gebleken dat het functioneren van [verweerder] daardoor op enige wijze zou zijn beïnvloed of gehinderd.

kan de arbeidsovereenkomst worden ontbonden wegens de zogenoemde h-grond?

5.9.

De kantonrechter is van oordeel dat de arbeidsovereenkomst wel moet worden ontbonden op de door G4S aangevoerde, zogenoemde h-grond, namelijk wegens andere omstandigheden die zodanig zijn dat van G4S in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (artikel 7:669 lid 3, onder h, BW). Daartoe wordt het volgende overwogen.

5.10.

De h-grond is een ‘vangnetbepaling’ voor omstandigheden die niet vallen onder één van de andere wettelijke gronden voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst, maar die toch van dien aard zijn dat van de werkgever niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst voort te zetten. Daarbij gaat het blijkens de wetsgeschiedenis van deze bepaling om bijvoorbeeld gevallen waarin sprake is van detentie en illegaliteit van een werknemer, of de situatie dat een werkgever niet (meer) beschikt over een tewerkstellingsvergunning voor de werknemer (Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 46).

5.11.

Zoals hiervoor al is overwogen, staat vast dat de ten behoeve van [verweerder] verleende toestemming om werkzaamheden te mogen verrichten voor G4S, zoals bedoeld in artikel 7 lid 2 Wpbr, is ingetrokken. Dat betekent dat G4S [verweerder] op grond van de Wpbr en artikel 2.1 Bpbr niet meer mag laten werken, ook niet in andere dan beveiligingswerkzaamheden, en dat G4S op grond van artikel 12 lid 4 van de CAO [verweerder] ook niet meer in dienst mag houden. Omdat G4S [verweerder] niet meer mag laten werken en niet meer in dienst mag houden, kan van haar niet worden gevergd de arbeidsovereenkomst voort te zetten. Het verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de h-grond is daarom toewijsbaar. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat het intrekken en ontbreken van de toestemming als bedoeld in artikel 7 lid 2 Wpbr ook aansluit bij de voorbeelden genoemd in de wetsgeschiedenis waar ontbinding van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd werd gevonden.

5.12.

[verweerder] heeft aangevoerd dat hij bezwaar heeft aangetekend tegen de intrekking van de toestemming om werkzaamheden te mogen verrichten, bedoeld in artikel 7 lid 2 Wpbr, en dat hij zo nodig ook in beroep zal gaan bij de bestuursrechter, zodat het nog mogelijk is dat die intrekking ongedaan wordt gemaakt of de toestemming alsnog zal worden verleend. Echter, dat nog een bestuursrechtelijke procedure loopt tegen de intrekking van de toestemming kan er niet aan afdoen dat die toestemming op dit moment ontbreekt en dat G4S [verweerder] dus niet meer mag laten werken en niet meer in dienst mag houden. Een bestuursrechtelijk bezwaar of beroep schorst ook niet de werking van het besluit van de politiechef van Amsterdam van 26 februari 2018 (artikel 6:16 van de Algemene wet bestuursrecht). Onder omstandigheden is nog denkbaar dat het beroep van G4S op artikel 7 lid 2 Wpbr en artikel 12 lid 4 van de CAO naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dat zou zich bijvoorbeeld kunnen voordoen als de intrekking van de toestemming als bedoeld in artikel 7 lid 2 Wpbr op een evidente misslag berust of er voldoende concrete aanwijzingen zijn dat die intrekking op zeer korte termijn ongedaan wordt gemaakt. Daarvan is echter geen sprake. In eerdergenoemde uitspraak van 31 mei 2018 heeft de rechtbank Noord-Holland het verzoek van [verweerder] om een voorlopige voorziening te treffen ook afgewezen.

ligt herplaatsing nog in de rede?

5.13.

Herplaatsing van [verweerder] is niet mogelijk en ligt niet in de rede. G4S mag [verweerder] immers niet meer laten werken en mag hem ook niet meer in dienst houden. De stelling van [verweerder] dat G4S in het kader van de re-integratie van [verweerder] de mogelijkheid heeft om [verweerder] te herplaatsen bij een andere werkgever, treft geen doel. De wettelijke regels ten aanzien van herplaatsing brengen mee dat de verplichting tot herplaatsing is beperkt tot de onderneming van G4S of de groep van ondernemingen waartoe G4S behoort (artikel 7:669 lid 1 BW en artikel 9 van de Ontslagregeling). Niet ter discussie staat dat deze ondernemingen allemaal beveiligingsorganisaties zijn, waar [verweerder] niet kan en mag werken. De wettelijke bepaling ten aanzien van de re-integratieverplichting van G4S, op grond waarvan G4S eventueel ook de inschakeling van [verweerder] in voor hem passende arbeid in het bedrijf van een andere werkgever moet bevorderen, speelt in dit geval geen rol (artikel 7:658a lid 1 BW). Het gaat hier immers om de verplichting tot herplaatsing in het kader van een verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst en niet om de re-integratieverplichting ten aanzien van een zieke en arbeidsongeschikte werknemer. Bovendien ligt ook herplaatsing bij een andere werkgever niet in de rede, omdat G4S [verweerder] niet meer in dienst mag houden.

staat het opzegverbod tijdens ziekte in de weg aan ontbinding?

5.14.

De kantonrechter stelt vast dat sprake is van een opzegverbod, omdat [verweerder] ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Dit opzegverbod staat echter niet in de weg aan ontbinding, omdat het verzoek geen verband houdt met de ziekte van [verweerder] (artikel 7:671b lid 6 BW). Het verzoek wordt immers toegewezen op de genoemde h-grond en vanwege het ontbreken van de toestemming als bedoeld in artikel 7 lid 2 Wpbr. Dat staat los van de ongeschiktheid wegens ziekte.

met ingang van welke datum wordt ontbonden?

5.15.

De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van G4S zal toewijzen en dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden met ingang van 9 augustus 2018. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure (artikel 7:671b lid 8, onder a, BW). Daarbij wordt in aanmerking genomen dat op de zitting is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat op grond van de CAO tegen iedere dag mag worden opgezegd en dat geen opzegging tegen het einde van de maand vereist is.

5.16.

G4S heeft verzocht om bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst geen rekening te houden met de opzegtermijn, omdat de ontbinding het gevolg zou zijn van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] . Zoals volgt uit wat hiervoor onder 5.8 is overwogen, ziet de kantonrechter geen reden om te oordelen dat sprake is van verwijtbaar gedrag van [verweerder] , dus ook niet van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten.

is er grond voor toekenning van een billijke vergoeding?

5.17.

Er is geen grond om aan [verweerder] een billijke vergoeding toe te kennen. Voor toekenning van een billijke vergoeding is alleen plaats indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever (artikel 7:671b lid 8, onder c, BW). Ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zal zich slechts voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat, of als een werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren (Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34). Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden op de h-grond en vanwege het ontbreken van de toestemming als bedoeld in artikel 7 lid 2 Wpbr. Dat houdt geen verband met verwijtbaar handelen of nalaten van G4S.

moet er gelegenheid worden gegeven voor intrekking van het verzoek?

5.18.

Omdat aan de ontbinding geen billijke vergoeding wordt verbonden, hoeft G4S geen gelegenheid te krijgen het verzoek in te trekken. Hierna, in het kader van het tegenverzoek van [verweerder] , zal G4S worden veroordeeld tot betaling aan [verweerder] van een transitievergoeding. Ook daarin ziet de kantonrechter geen reden om G4S de gelegenheid te geven tot intrekking van haar verzoek. Hiervoor is geoordeeld dat G4S [verweerder] niet meer kan tewerkstellen en niet meer in dienst mag houden, zodat ontbinding van de arbeidsovereenkomst moet volgen. Onder die omstandigheden valt niet in te zien dat G4S het verzoek tot ontbinding nog zou willen intrekken. G4S heeft overigens ook niet verzocht om in geval van veroordeling tot betaling van een transitievergoeding nog de gelegenheid te krijgen voor intrekking van haar verzoek.

is er reden voor een veroordeling tot overlegging van stukken?

5.19.

Het verzoek van G4S om [verweerder] te veroordelen tot het overleggen van stukken waaruit blijkt om welke reden de toestemming zoals bedoeld in artikel 7 lid 2 Wpbr is ingetrokken, wordt afgewezen. Op zichzelf kan G4S, indien zij daarbij een rechtmatig belang heeft, een afschrift of een uittreksel vorderen van bepaalde stukken (artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Echter, zoals volgt uit de overweging onder 5.5, heeft de advocaat van G4S inmiddels kennis kunnen nemen van de reden voor genoemde intrekking. Gelet daarop heeft G4S geen belang meer bij een veroordeling van [verweerder] om de betreffende stukken te overleggen. Overigens heeft [verweerder] ook een gewichtige reden om die stukken niet te overleggen, vanwege de bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer, en is in dit geval een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van die stukken al gewaarborgd.

is er reden voor een proceskostenveroordeling?

5.20.

De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, maar daarbij is geen (ernstig) verwijtbaar gedrag van één van beide partijen aangenomen. Het is daarom redelijk om te bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

6 De beoordeling van het tegenverzoek

waar gaat het om in deze zaak?

6.1.

Het gaat in deze zaak in de eerste plaats om de vraag of G4S moet worden veroordeeld om aan [verweerder] een transitievergoeding te betalen van € 29.443,00 bruto.

is voldaan aan de voorwaarden voor het recht op een transitievergoeding?

6.2.

Niet in geschil is dat op zichzelf aan de wettelijke voorwaarden voor het recht op een transitievergoeding is voldaan (artikel 7:673 lid 1 BW). Partijen discussiëren wel over de vraag of de transitievergoeding het gevorderde bedrag van € 29.443,00 bruto is, dan wel een bedrag van € 27.463,63 bruto, zoals G4S stelt. Op de berekening van beide partijen is wel wat af te dingen. [verweerder] is ten onrechte uitgegaan van het jaarloon over 2017, G4S is ten onrechte uitgegaan van een ontbinding per 1 juli 2018, en beide partijen hebben geen volledige duidelijkheid gegeven over hun berekeningen, bijvoorbeeld over de vraag hoe zij het maandloon hebben berekend. De kantonrechter zal gelet daarop uitgaan van het gemiddelde van de door beide partijen genoemde bedragen, dus van een bedrag van € 28.453,32 bruto. G4S zal daarom worden veroordeeld tot betaling daarvan. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding zal worden toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 9 september 2018 (artikel 7:686a lid 1 BW).

6.3.

Het betoog van G4S dat geen aanspraak bestaat op een transitievergoeding, omdat G4S door intrekking van de toestemming bedoeld in artikel 7 lid 2 Wpbr noodgedwongen ontbinding moet verzoeken en die ontbinding dus in feite niet op haar initiatief plaatsvindt, treft geen doel. Het is G4S die in deze zaak ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzoekt. Juist voor zo’n geval kent de wet aan de werknemer een recht op een transitievergoeding toe. De wet voorziet niet in de mogelijkheid daarop een uitzondering te maken, zoals G4S kennelijk voorstaat. Dat de intrekking van de toestemming bedoeld in artikel 7 lid 2 Wpbr ook tot het einde van een arbeidsovereenkomst kan leiden door middel van een ontbindende voorwaarde, in welk geval volgens G4S geen recht zou bestaan op een transitievergoeding, is in dit geval niet relevant. Vast staat immers dat in de arbeidsovereenkomst tussen partijen geen ontbindende voorwaarde is opgenomen.

is sprake van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten?

6.4.

De stelling van G4S dat [verweerder] geen recht heeft op een transitievergoeding, omdat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] , gaat niet op. Dat blijkt uit wat hiervoor is overwogen onder 5.8 en 5.16.

is er recht op loondoorbetaling?

6.5.

[verweerder] heeft ook verzocht om G4S te veroordelen tot betaling van het salaris van
€ 2.137,12 bruto per vier weken, vanaf 7 maart 2018 tot aan het moment waarop het dienstverband rechtsgeldig zal zijn geëindigd. De kantonrechter overweegt dat die vordering door [verweerder] kan worden ingediend in deze verzoekschriftprocedure, omdat het gaat om een vordering die voldoende verband houdt met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst (artikel 7:686a lid 3 BW en Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 121).

6.6.

Niet ter discussie staat dat [verweerder] vanaf 19 februari 2018 wegens ziekte ongeschikt is voor het verrichten van zijn werkzaamheden en dat hij in beginsel aanspraak heeft op volledige loondoorbetaling tijdens ziekte, mede gelet op de toepasselijke CAO.

6.7.

Volgens G4S geldt in dit geval niet de wettelijke verplichting tot loondoorbetaling tijdens ziekte (artikel 7:629 lid 1 BW). G4S stelt dat moet worden uitgegaan van de algemene wettelijke regel dat een werknemer alleen recht op loon behoudt als hij de overeengekomen arbeid niet heeft verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen (artikel 7:628 lid 1 BW). G4S meent dat die laatste regel van toepassing is, omdat [verweerder] medisch wel in staat is om passende arbeid te verrichten, maar niet kan en mag werken voor G4S vanwege de intrekking van de toestemming bedoeld in artikel 7 lid 2 Wpbr. Die omstandigheid behoort in de visie van G4S in redelijkheid niet voor haar voor rekening, maar voor die van [verweerder] te komen.

6.8.

De kantonrechter volgt het standpunt van G4S niet. De primaire reden waarom [verweerder] de overeengekomen arbeid niet verricht, is gelegen in de ongeschiktheid wegens ziekte. Pas nadat die ongeschiktheid al was ingetreden, is de toestemming bedoeld in artikel 7 lid 2 Wpbr ingetrokken. [verweerder] is immers ziek geworden op 19 februari 2018, terwijl het besluit van de politiechef van Amsterdam om de verleende toestemming in de zin van artikel 7 lid 2 Wpbr in te trekken, dateert van 26 februari 2018. Dat betekent dat het recht op loon moet worden beoordeeld aan de hand van de bijzondere wettelijke bepaling die geldt voor loondoorbetaling tijdens ziekte en niet aan de hand van de algemene wettelijke bepaling die geldt voor gevallen waarin de werknemer de arbeid niet verricht. Daarbij neemt de kantonrechter ook in aanmerking dat geen sprake is van een absolute onmogelijkheid van [verweerder] om te werken in eigen of andere passende werkzaamheden, maar van een situatie waarin G4S vanwege de omstandigheid dat zij en de aan haar verbonden ondernemingen beveiligingsorganisaties zijn in de zin van de Wpbr, [verweerder] na intrekking van de toestemming bedoeld in artikel 7 lid 2 Wpbr niet meer mogen laten werken. Verder is geen sprake van een wettelijke uitsluitingsgrond voor het recht op loondoorbetaling tijdens ziekte (artikel 7:629 lid 3 BW). Met name heeft [verweerder] niet geweigerd om passende arbeid te verrichten of geweigerd om mee te werken aan zijn re-integratie. G4S heeft ook niet gesteld dat zich een uitsluitingsgrond voordoet en heeft in dit verband ook geen loonsanctie opgelegd.

6.9.

De verwijzing door G4S naar een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam, waarin is geoordeeld dat een intrekking van de toestemming zoals bedoeld in artikel 7 lid 2 Wpbr in beginsel voor risico van de werknemer komt, treft geen doel (Gerechtshof Amsterdam, 26 augustus 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:3532 en JAR 2014/256). Die uitspraak is gedaan in het kader van een beoordeling van de rechtsgeldigheid van een ontbindende voorwaarde in een arbeidsovereenkomst en niet in het kader van de vraag of een zieke werknemer recht heeft op loondoorbetaling. Ook een verwijzing naar een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden gaat niet op (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 maart 2015, ECLI: NL:GHARL:2015:1507 en JAR 2015/109). In die uitspraak was sprake van een detentie van een zieke werknemer, waardoor volgens het hof elke mogelijkheid tot werken fundamenteel werd geblokkeerd. Dat kan niet op één lijn worden gesteld met het geval dat hier aan de orde is.

6.10.

[verweerder] heeft in een gewijzigd verzoek nog gevraagd om een veroordeling tot loondoorbetaling, “vermeerderd met in de aan de ziekmelding voorafgaande 52 weken verdiende gemiddelde onregelmatigheidstoeslag”. Uit artikel 72 van de CAO, in verbinding met artikel 1 van de CAO, volgt dat een werknemer gedurende de eerste zes maanden van ziekte recht heeft op doorbetaling van loon tot 100%, waarbij tot het loon ook behoort de in de (aan de ziekteperiode) voorgaande 52 weken verdiende gemiddelde onregelmatigheidstoeslag. G4S erkent dit ook. Gelet daarop kan de gewijzigde vordering van [verweerder] worden toegewezen. G4S heeft erop gewezen dat voor haar niet duidelijk is of [verweerder] onregelmatigheidstoeslag heeft ontvangen en heeft verzocht om de gelegenheid te krijgen voor een reactie op de wijziging van de vordering. De kantonrechter ziet geen reden om G4S die gelegenheid te geven. De veroordeling om bij loondoorbetaling rekening te houden met een onregelmatigheidstoeslag, houdt immers nog niet in dat [verweerder] ook daadwerkelijk aanspraak heeft op doorbetaling van loon, vermeerderd met onregelmatigheidstoeslag. Dat zal afhankelijk zijn van de vraag of [verweerder] in de periode van 19 februari 2017 tot 19 februari 2018 een onregelmatigheidstoeslag heeft ontvangen, en zo ja, wat de gemiddelde onregelmatigheidstoeslag dan is geweest. Partijen moeten daar zelf relatief eenvoudig uit kunnen komen aan de hand van de salarisspecificaties over die periode.

6.11.

De conclusie is dat de loonvordering van [verweerder] zal worden toegewezen. Ook de vordering tot afgifte van loonspecificaties en tot betaling van het normaliter in april 2018 te betalen vakantiegeld kan worden toegewezen, omdat daartegen geen afzonderlijk verweer is gevoerd. De gevorderde wettelijke verhoging wordt afgewezen, omdat G4S om op zichzelf begrijpelijke en verdedigbare redenen heeft geweigerd loon te betalen, ook al krijgt zij daarin uiteindelijk geen gelijk. De gevorderde wettelijke rente wordt wel toegewezen, omdat G4S te laat betaalt.

moet er nog worden beslist op het verzoek om een voorlopige voorziening?

6.12.

Het verzoek van [verweerder] om voor de duur van deze zaak een voorlopige voorziening te treffen, wordt afgewezen, omdat met deze uitspraak al een einde komt aan de zaak (artikel 223 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

is er reden voor een proceskostenveroordeling?

6.13.

Gelet op de samenhang tussen het verzoek en het tegenverzoek, en de aard van de zaak, zal ook hier worden bepaald dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten dragen.

7 De beslissing

De kantonrechter:

het verzoek

7.1.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 9 augustus 2018;

7.2.

wijst het verzoek voor het overige af;

7.3.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

7.4.

verklaart onderdeel 7.1 van deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

het tegenverzoek

7.5.

veroordeelt G4S om aan [verweerder] een transitievergoeding te betalen van € 28.453,32 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 9 september 2018 tot aan de dag van de gehele betaling;

7.6.

veroordeelt G4S om aan [verweerder] , tegen behoorlijk bewijs van kwijting en onder gelijktijdige afgifte van deugdelijke specificaties, te betalen het achterstallig salaris van € 2.137,12 bruto per vier weken en de overige loonemolumenten, vanaf 7 maart 2018 tot 9 augustus 2018, en het normaliter in april 2018 te betalen vakantiegeld, onder verrekening van hetgeen na 7 maart 2018 reeds aan [verweerder] is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldag tot de dag van gehele voldoening;

7.7.

wijst het verzoek voor het overige af;

7.8.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

7.9.

verklaart onderdeel 7.5 en 7.6 van deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gewezen door mr. P.J. Jansen, kantonrechter en op 9 juli 2018 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter