Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:6365

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
24-07-2018
Datum publicatie
24-07-2018
Zaaknummer
15/871539-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak oplichting gesubsidieerde overheidsinstelling, niet ambtelijke omkoping en witwassen bewezen verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/871539-14

Uitspraakdatum: 24 juli 2018

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 10 juli 2018 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M. van Oosten en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw, mr. C.M. Peeperkorn, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:


Feit 1:

hij in of omstreeks de periode van 1 april 2009 tot en met 14 september 2012 te

Driehuis, gemeente Velsen en/of Santpoort-Zuid, gemeente Velsen en/of

Bloemendaal en/of Nieuw Vennep, gemeente Haarlemmermeer en/of Haarlem en/of

(elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen (te weten met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (telkens) (een of meer medewerker(s) van) stichting [slachtoffer] heeft/hebben bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedrag(en) (in totaal

ongeveer 16.393,76 euro) , in elk geval van enig goed, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (al dan niet in zijn, verdachtes, hoedanigheid als medewerker van de afdeling ICT en/of in de hoedanigheid van die [medeverdachte 1] als (waarnemend) Hoofd ICT van stichting [slachtoffer] en/of in de hoedanigheid van die [medeverdachte 2] als directeur van [bedrijf 1] )

- een (groot) aantal (vervalste) factu(u)r(en) aan hem, verdachte, laten richten en/of

- een (groot) aantal (vervalste) factu(u)r(en) (waarop het te betalen bedrag,

kosten en werkzaamheden waren opgehoogd) uit naam van [bedrijf 1] (gericht

aan hem, verdachte) ingediend bij de afdeling ICT van stichting [slachtoffer]

en/of

- ( vervolgens) die/een (groot) (aantal) (vervalste) ( [bedrijf 1] )

factu(u)r(en) namens de ICT afdeling van stichting [slachtoffer] voor

akkoord ondertekend en/of

- ( vervolgens) die/een (groot) aantal factu(u)r(en) uit naam van [bedrijf 1]

ter goedkeuring aangeboden aan de algemeen directeur en/of een of meer andere

medewerker(s) van stichting [slachtoffer] , teneinde die/een (te hoge)

factu(u)r(en) te laten uitbetalen door de afdeling financiën van stichting [slachtoffer]

en/of

- ( aldus) door het indienen van die/een (vervalste) ( [bedrijf 1] )

factu(u)r(en) de indruk gewekt bij (een of meer medewerkers) van stichting [slachtoffer]

dat er daadwerkelijk voor het/de op die factu(u)r(en) vermelde

bedrag en/of uren werkzaamheden waren verricht en/of kosten waren gemaakt door

[bedrijf 1] , waardoor (die medewerker(s) van) de stichting [slachtoffer]

werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;

Feit 2:

Hij In de periode van 1 maart 2005 tot en met 23 juli 2014 te Driehuis (NH), gemeente Velsen en/of Nieuw Vennep en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens), anders dan als ambtenaar, immers als medewerker van de afdeling ICT van

stichting [slachtoffer] , werkzaam zijnde in dienstbetrekking bij stichting

[slachtoffer] , naar aanleiding van hetgeen hij verdachte in zijn

dienstbetrekking heeft gedaan of nagelaten dan wel zou doen of nalaten, een gift, namelijk geld (te weten in totaal een bedrag van 120.000,- euro en/of een bedrag van 5464,- euro) en/of een auto (merk Suzuki) heeft aangenomen (van [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [bedrijf 1] ) en dit aannemen in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn werkgever;

Feit 3:

hij op een of meer tijdstip(pen)

in of omstreeks de periode van 1 maart 2005 tot en met 23 juli 2014 te Driehuis, gemeente Velsen en/of Bloemendaal en/of Nieuw-Vennep en/of Hoofddorp en/of Haarlem en/of Santpoort-Zuid, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen (te weten onder meer met [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] ), althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) meermalen (van) een of meer geldbedragen (te weten in totaal een bedrag van 120.000,- euro en/of een bedrag van in totaal 5464,- euro) en/of een auto (merk Suzuki) (telkens) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet

en/of gebruik gemaakt en/of (telkens) de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft/hebben verborgen en/of verhuld, althans

heeft/hebben verborgen/verhuld wie de rechthebbende op voornoemde geldbedragen

was en/of wie voornoemde geldbedragen voorhanden had, immers, heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) die/dat geldbedrag(en) (deels) gebruikt ter financiering van onder meer:

- een droger en/of een Ipad en/of een koffiezetapparaat en/of

- levensonderhoud en/of

- een of meer vakantie(s), terwijl hij,verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat bovenomschreven geldbedrag(en) en/of

voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf (te weten uit oplichting en/of valsheid in geschrifte).

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van het eerste feit, de oplichting, heeft zij het standpunt ingenomen dat sprake is van het medeplegen van dit feit.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, mede aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen, betoogd dat verdachte van alle hem ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken.

Meer in het bijzonder heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] onbetrouwbaar zijn en daarmee niet bruikbaar voor het bewijs. Met belastende verklaringen van medeverdachten moet behoedzaam worden omgegaan. Dat geldt in deze zaak des temeer gelet op de navolgende feiten en omstandigheden. [medeverdachte 1] was boos op verdachte, omdat die niets meer van zich had laten horen sinds hij, [medeverdachte 1] , ziek thuis zat. [medeverdachte 1] had verder toen hij door de politie werd verhoord te kampen met ernstige psychische problemen en stress. Tijdens een telefoongesprek met verdachte dat plaatsvond op

26 september 2014 heeft [medeverdachte 1] zijn tegenover de politie geuite voor verdachte belastende verklaringen ontkend. De verklaringen van [medeverdachte 1] zijn daarnaast op essentiële punten aantoonbaar onjuist gebleken, aldus nog steeds de raadsvrouw.

De raadsvrouw heeft daarnaast met betrekking tot de door verdachte bij de politie afgelegde verklaringen aangevoerd dat verdachte tijdens zijn eerste verhoren bij de politie bijzonder aangeslagen was. Hij heeft daar bovendien verklaard met de “kennis van nu”. In een later stadium heeft verdachte een en ander recht kunnen zetten.

3.3.

Vrijspraak
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en diens mededader(s).

Ook indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.

Uit de zich in het strafdossier bevindende stukken en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af.

Stichting [slachtoffer] (verder te noemen: [slachtoffer] ) heeft gedurende enige jaren goederen en diensten ingekocht bij het bedrijf [bedrijf 1] . De facturen van [bedrijf 1] , die op naam van verdachte stonden, zijn opgehoogd door kosten in rekening te brengen voor niet-verrichte werkzaamheden en door een hogere marge op de goederen te hanteren. [slachtoffer] heeft aldus betalingen gedaan voor niet verkregen diensten en teveel betaald voor aan haar geleverde goederen. Hierdoor is [slachtoffer] benadeeld. De bedragen waarmee de facturen zijn opgehoogd zijn verdeeld over drie personen, onder wie verdachte. Dit gebeurde in de vorm van een tegoed. De tegoeden van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] zijn door de eigenaar van [bedrijf 1] bijgehouden in een excelsheet. Van dit tegoed konden verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] goederen bestellen voor eigen gebruik. Verdachte heeft dat ook gedaan. De rechtbank kan op basis van het thans voorliggende dossier echter niet vaststellen dat verdachte zelf een materiële en/of intellectuele bijdrage heeft geleverd aan de oplichting van [slachtoffer] . Het dossier bevat geen bewijs waaruit kan worden afgeleid dat verdachte één van de ten laste gelegde oplichtingshandelingen heeft verricht. Uit het proces-verbaal “rapport [deskundige] ” van 9 februari 2015 en de daarbij behorende bijlage, het onderzoeksrapport van [deskundige] , forensisch accountant, van 27 oktober 2014 volgt juist dat verdachte geen betrokkenheid had bij de facturenstroom en de accordering van de facturen bij [slachtoffer] . Dit betekent dat niet valt uit te sluiten dat de oplichting is gepleegd door medeverdachte [medeverdachte 1] en de eigenaar van [bedrijf 1] en dat verdachte enkel in de opbrengst heeft gedeeld. Naar het oordeel van de rechtbank is die bijdrage van verdachte evenwel onvoldoende om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking en hem aan te merken als medepleger van de oplichting van [slachtoffer] .

3.4.

Het gebruik van de verklaringen van [medeverdachte 1] en verdachte voor het bewijs
Verklaringen van [medeverdachte 1]

Anders dan de raadsvrouw heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de door medeverdachte [medeverdachte 1] bij de politie afgelegde verklaringen. [medeverdachte 1] heeft concrete en gedetailleerde verklaringen afgelegd waarbij hij zichzelf niet heeft gespaard. Zijn verklaringen zijn consistent, in die zin dat [medeverdachte 1] zichzelf op hoofdlijnen niet heeft tegengesproken. Bovendien zijn de verklaringen van [medeverdachte 1] in lijn met de verklaringen die [medeverdachte 2] (eigenaar van [bedrijf 1] ), eerst als getuige en later als verdachte, heeft afgelegd. De verklaringen van [medeverdachte 1] stroken bovendien op belangrijke punten met de overige bevindingen van het onderzoek, zoals de rechtbank die in het dossier heeft aangetroffen. Dat [medeverdachte 1] hier en daar soms warrig heeft verklaard alsmede de inhoud van het door verdachte met [medeverdachte 1] gevoerde telefoongesprek, maakt dat niet anders.

Verklaringen van verdachte

Verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat hij in een aantal opzichten onjuist heeft verklaard in zijn politieverhoren, omdat hij overvallen was door zijn aanhouding. Hoewel de rechtbank zich kan voorstellen dat verdachte zich overvallen voelde door zijn aanhouding, brengt dat gegeven zonder bijkomende feiten en omstandigheden die niet zijn gebleken, naar het oordeel van de rechtbank niet mee dat hij daarom bij de politie (op punten) onjuist heeft verklaard. De verklaringen die verdachte op 24 en 25 juli 2014 heeft afgelegd zijn immers concreet, gedetailleerd en op hoofdlijnen consistent. Dat verdachte tijdens deze verhoren uitsluitend heeft verklaard met - zoals de verdediging het noemt - “kennis achteraf” acht de rechtbank niet aannemelijk. Anders dan het geval was bij zijn verhoor door de rechter-commissaris op 9 april 2015, had verdachte ten tijde van de eerste verhoren bij de politie nog geen kennis kunnen nemen van de inhoud van het strafdossier en de omvang van de tegen hem gerezen verdenking. Dat dossier was op dat moment immers nog niet aan hem of zijn raadsvrouw verstrekt. Daarnaast geldt dat verdachte ook op 16 september 2014 nog een verklaring heeft afgelegd die in hooflijnen overeenkomt met zijn eerdere verklaringen. Aangenomen mag worden dat verdachte tegen die tijd van de ergste schrik van de aanhouding bekomen was. Tot slot volgt uit de verhoren dat verdachte uit eigen beweging heeft verklaard. De verklaringen van verdachte ten overstaan van de politie zijn daarmee bruikbaar voor het bewijs.

3.5.

Redengevende feiten en omstandigheden
De door de rechtbank als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

De bewijsmiddelen zijn, ook in onderdelen, telkens slechts gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben en, voor zover het geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef onder 5˚, van het Wetboek van Strafvordering betreft, telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten op grond van het volgende.

[bewijsmiddelen 1]

[bewijsmiddelen 1]

[bewijsmiddelen 1]

[bewijsmiddelen 1]

[bewijsmiddelen 1]

[bewijsmiddelen 1]

[bewijsmiddelen 1]

[bewijsmiddelen 1]

[bewijsmiddelen 1]

[bewijsmiddelen 1]

[bewijsmiddelen 1]

[bewijsmiddelen 1]

[bewijsmiddelen 1]

[bewijsmiddelen 1]


[bewijsmiddelen 2]

[bewijsmiddelen 1]

[bewijsmiddelen 1]

[bewijsmiddelen 1] .

3.6.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 2
Uit de hiervoor onder 3.5 genoemde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte als medewerker automatisering in dienst van [slachtoffer] in de periode vanaf 1 november 2007, toen [medeverdachte 1] hoofd werd van de ICT afdeling, tot en met 2012 ten minste € 15.000,- per jaar heeft ontvangen van [medeverdachte 1] , zijn leidinggevende. Aldus acht de rechtbank bewezen dat verdachte in 4,5 jaar tijd een totaalbedrag van € 67.500,- van [medeverdachte 1] heeft aangenomen. Daarnaast heeft verdachte in 2009 een auto van het merk Suzuki Swift van [medeverdachte 1] gekregen. Ook volgt uit de bewijsmiddelen dat [medeverdachte 1] verdachte dat geld heeft aangeboden om ervoor te zorgen dat [bedrijf 2] een zakelijke relatie zou blijven onderhouden met [slachtoffer] , zodat hij zijn oplichting via de [bedrijf 2] -constructie kon blijven voortzetten. Verdachte heeft de geldbedragen aangenomen. Het ging daarbij steeds om grote bedragen contant geld die verdachte in een enveloppe werden gegeven.

Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat verdachte als medewerker automatisering in dienst van [slachtoffer] in ieder geval vanaf 2009 tot zijn aanhouding op 24 juli 2014 een tegoed had uitstaan bij [medeverdachte 2] / [bedrijf 1] , welk tegoed begin 2010 € 5.467,34 bedroeg. Door of namens verdachte is hierover ter terechtzitting verklaard dat dit tegoed was ontstaan omdat [medeverdachte 2] wilde dat [slachtoffer] goederen en diensten bleef inkopen bij [bedrijf 1] .

doen of nalaten
Wil sprake zijn van een doen of nalaten als bedoeld in artikel 328ter van het Wetboek van Strafrecht hoeft niet aangetoond te worden dat verdachte iets heeft gedaan dat hij anders niet zou hebben gedaan, noch dat hij enig nadeel heeft berokkend aan de werkgever of dat hetgeen gedaan is als ‘irregulier’ moet worden bestempeld. Het aannemen van giften teneinde in algemene zin een goede relatie met een zakenpartner in stand te houden is voldoende concreet (zie HR 27 november 1990, NJ 1991/318).

Ten aanzien van de in het dossier zogenoemde [bedrijf 2] -constructie doet dan ook niet ter zake of verdachte wist van de oplichting door [medeverdachte 1] van [slachtoffer] . De rechtbank gaat uit van de verklaring van verdachte dat hij wist dat [medeverdachte 1] een bonus ontving van [bedrijf 2] en dat [medeverdachte 1] verdachte daarin op zijn beurt liet meedelen. Daarmee is voldaan aan genoemd bestanddeel van de delictsomschrijving. Immers, daaruit volgt dat verdachte in navolging van [medeverdachte 1] op zijn beurt grote sommen geld heeft ontvangen om de zakelijke relatie met [bedrijf 2] in stand te houden.

Ten aanzien van [bedrijf 1] geldt dat verdachte heeft verklaard dat hij een tegoed ontving omdat [medeverdachte 2] de goede zakelijke relatie met [slachtoffer] in stand wilde houden en [medeverdachte 2] heeft in diezelfde lijn verklaard, zodat ook hier aan het bestanddeel ‘naar aanleiding van een doen of nalaten’ is voldaan.


in strijd met zijn plicht
Nog daargelaten dat verdachte geldbedragen heeft ontvangen onder zodanige omstandigheden dat hij redelijkerwijs moest aannemen dat hij handelde in strijd met zijn plicht - te weten gedurende een lange periode tweemaal per jaar grote bedragen contant geld in enveloppes en een flink tegoed bij een bedrijf dat verdachte naar eigen inzicht kon besteden - geldt het volgende. Onder handelen ‘in strijd met zijn plicht’ als bedoeld in artikel 328ter Sr wordt in elk geval (ook) begrepen het in strijd met de goede trouw tegenover de werkgever verzwijgen van het aannemen van een gift (artikel 328ter lid 3 Sr).

De rechtbank is van oordeel dat verdachte wist dat hij voornoemde giften had dienen te melden aan zijn werkgever [slachtoffer] . Het betrof betalingen die gedaan werden om een zakelijke relatie in stand te houden. Verdachte was bij die zakelijke relatie echter geen partij. Hij moest dus ook begrijpen dat de enige partij die daarvan zou mogen profiteren [slachtoffer] was en niet hij (of medeverdachte [medeverdachte 1] ) in privé. Het verweer dat verdachte het geld (deels) ontving van of via zijn leidinggevende doet daaraan niet af. Medeverdachte [medeverdachte 1] was immers niet de werkgever van verdachte. Dat verdachte dat ook begreep volgt uit zijn verklaring dat hij zich heeft laten verleiden en dat hij meerdere keren op het punt heeft gestaan om de afdeling financiën te vertellen dat zij de rekening met [bedrijf 2] moesten sluiten. Het standpunt van verdachte dat er geen regeling bestond op basis waarvan verdachte tot melding verplicht was, maakt het voorgaande niet anders.

3.7.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 3
Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte zich vanaf 1 november 2007 tot en met 23 juli 2014 bezighield met het witwassen van voornoemde giften, meer in het bijzonder de ontvangen gelden/het tegoed en de auto voortkomend uit verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen, kort gezegd: passieve omkoping. Alleen al omdat verdachte voormeld delict zelf had gepleegd, gaat de rechtbank ervan uit dat hij wist dat de in de bewezenverklaring genoemde goederen uit misdrijf zijn verkregen.

3.8.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 2:

hij in de periode vanaf 1 november 2007 tot en met 31 december 2012 te Velsen en/of elders in Nederland, meermalen, anders dan als ambtenaar, immers als medewerker van de afdeling ICT van stichting [slachtoffer] , werkzaam zijnde in dienstbetrekking bij stichting [slachtoffer] , naar aanleiding van hetgeen hij verdachte in zijn dienstbetrekking heeft gedaan of nagelaten dan wel zou doen of nalaten, een gift, namelijk geld (te weten in totaal een bedrag van 67.500,- euro en een bedrag van ongeveer 5464,- euro) en een auto (merk Suzuki) heeft aangenomen (van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en/of [bedrijf 1] ) en dit

aannemen in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn werkgever;

Feit 3:

hij in de periode vanaf 1 november 2007 tot en met 23 juli 2014 te Velsen, in elk geval in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte meermalen geldbedragen (te weten in totaal een bedrag van 67.500,- euro en een bedrag van ongeveer 5464,- euro) en een auto (merk Suzuki) verworven en voorhanden gehad en overgedragen en omgezet en gebruikt en (telkens) de herkomst verborgen en/of verhuld, immers, heeft verdachte (telkens) die geldbedragen (deels) gebruikt ter financiering van onder meer:
- een droger en een Ipad en een koffiezetapparaat en
- levensonderhoud en
- een of meer vakanties,

terwijl hij wist dat bovenomschreven geldbedragen en voorwerp - onmiddellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:


Feit 2


het, anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking, naar aanleiding van hetgeen hij in zijn dienstbetrekking heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, een gift aannemen en dit aannemen in strijd met de goede trouw verzwijgen tegenover zijn werkgever, meermalen gepleegd

Feit 3

van het plegen van witwassen een gewoonte maken

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte, gezien de ernst van de feiten en de lange pleegperiode enerzijds, en het eerder door het Openbaar Ministerie gedane schikkingsvoorstel en de forse overschrijding van de redelijke termijn van berechting anderzijds, zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 120 uur, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2.

Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht om toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, gelet op de ouderdom van het feit, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het feit dat in een reeds gevoerde civiele procedure tussen verdachte en de Stichting [instelling] (voorheen: [slachtoffer] ) een vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen. Op basis daarvan heeft verdachte ten gunste van [instelling] afstand gedaan van een bedrag van 4.183,78 euro en twee door de politie inbeslaggenomen auto’s. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht een (voorwaardelijke) taakstraf op te leggen.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is weliswaar niet de initiatiefnemer en organisator van deze grootschalige en langdurige benadeling van [slachtoffer] , maar dat neemt niet weg dat hij zich gedurende een reeks van jaren schuldig heeft gemaakt aan niet ambtelijke omkoping. Hij heeft steekpenningen aangenomen van zijn directe leidinggevende en van een belangrijke leverancier van zijn werkgever. Verdachte heeft deze giften voor zijn werkgever, een instelling die volledig werd gefinancierd met overheidsgeld, verzwegen. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij ten koste van [slachtoffer] flink heeft geprofiteerd van tienduizenden euro’s aan steekpenningen. Daarbij heeft verdachte kennelijk slechts zijn eigen financieel gewin voor ogen gehad.
Daarnaast heeft verdachte goederen verworven, voorhanden gehad, overgedragen, omgezet en gebruikt, terwijl hij wist dat deze goederen uit zijn eigen misdrijf, het aannemen van steekpenningen, afkomstig waren. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Verdachte heeft hier met zijn handelen aan bijgedragen.

Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en gezien de LOVS-oriëntatiepunten, is de rechtbank van oordeel dat in beginsel alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf als straf in aanmerking komt.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 13 juni 2018, waaruit blijkt dat verdachte nooit eerder met politie of justitie in aanraking is geweest.
Dat verdachte op zijn al gevorderde leeftijd een blanco strafblad heeft, zal bij het bepalen van de strafmaat in zijn voordeel worden meegewogen. Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat het plegen van de strafbare feiten voor verdachte reeds tot gevolg heeft gehad dat hij na een dienstverband van 18 jaar is ontslagen, en thans gezien zijn leeftijd niet meer eenvoudig een nieuwe baan heeft (of zal) kunnen vinden. In de omstandigheid dat verdachte inmiddels een schikking heeft getroffen met [instelling] ten aanzien van de schade ziet de rechtbank aanleiding de aan verdachte op te leggen straf enigszins te matigen.

Ten nadele van verdachte heeft de rechtbank nog meegewogen dat verdachte geen volledige openheid van zaken heeft gegeven. Weliswaar heeft hij bekend giften te hebben aangenomen, maar hij heeft het hiermee gemoeide bedrag gebagatelliseerd en de ernst van de bewezen verklaarde feiten miskend. Aldus heeft hij niet de volle verantwoordelijkheid genomen voor het laakbare van zijn handelen.

De rechtbank heeft tot slot in aanmerking genomen dat bij de berechting van de zaak sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Het uitgangspunt van de Hoge Raad is dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Regel is dat de overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden (HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578).

De termijn heeft een aanvang genomen op 24 juli 2014, op die datum is verdachte aangehouden en in verzekering gesteld. Op 25 juli 2014 is verdachte weer in vrijheid gesteld. Het eindvonnis wordt heden op 24 juli 2018 gewezen. Aangezien de rechtbank niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan anders moet worden geoordeeld, is sprake van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn.

Indien de redelijke termijn van berechting niet in zodanige mate was overschreden, dan was, - zoals hierboven vermeld - gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, geen andere straf passend geweest dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De overschrijding van de redelijke termijn in deze zaak bezien in samenhang met de hiervoor genoemde factoren resulteert er in dat de rechtbank het opleggen van een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van het na te noemen aantal uren op zijn plaats acht. De rechtbank zal daarnaast bepalen dat de tijd die in voorarrest is doorgebracht, op deze straf in mindering zal worden gebracht. De rechtbank wijkt hiermee af van de eis van de officier van justitie omdat de hoogte van de gevorderde taakstraf naar haar oordeel onvoldoende recht doet aan de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

22c, 22d, 57, 328ter en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

8 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.8 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 200 (tweehonderd) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 100 (honderd) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor elke dag die verdachte in verzekering heeft doorgebracht twee uren taakstraf, subsidiair één dag hechtenis, in mindering worden gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Hoendervoogt, voorzitter,

mr. H.P. van der Lelie en mr. J.J. Maarleveld, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. P.L. Ypma,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 juli 2018.

Mrs. Maarleveld en Ypma zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.