Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:6346

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-07-2018
Datum publicatie
20-08-2018
Zaaknummer
C/15/265846 / HA ZA 17-758
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bankopnames bij leven erflaatster deden niet onrechtmatig..Erflaatster was voldoende in staat haar vermogensrechtelijke belangen te behartigen, en ziij heeft dochters nimmer ter verantwoording geroepen of aangegeven niet met de opnames in te stemmen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2018/344
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rolnummer: C/15/265846 / HA ZA 17-758

Vonnis van 25 juli 2018

in de zaak van

1 [eiser1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser2],

wonende te [woonplaats],

3. [eiser3],

wonende te [woonplaats],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. M.A. Kanning te Bloemendaal,

tegen

1 [gedaagde1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

advocaat mr. D. Winters te Hoofddorp.

Partijen zullen hierna de zonen (en afzonderlijk [eiser1], [eiser2] en [eiser3]) en de dochters (en afzonderlijk [gedaagde1] en [gedaagde2]) genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 3 januari 2018

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 12 juni 2018

  • -

    de schriftelijke reactie van mr. Kanning van 25 juni 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De vader van partijen, [vader], is op [datum] overleden. Ten tijde van zijn overlijden was de vader gehuwd met [moeder], de moeder van partijen, hierna te noemen: erflaatster.

2.2.

Erflaatster, geboren op [datum], bleef na het overlijden van haar echtgenoot zelfstandig wonen, maar had in verband met depressie en een drankprobleem gedurende enige tijd extra aandacht nodig.

2.3.

Mantelzorg werd in deze periode vooral verleend door de dochters die in de nabijheid van erflaatster woonden. Ook nadien hadden zij intensief contact met erflaatster. [eiser1] heeft enige tijd na het overlijden van vader het contact met erflaatster verbroken. [eiser3], die in [woonplaats] woont, bezocht erflaatster sporadisch. [eiser2] bezocht erflaatster met zekere regelmaat.

2.4.

In een rapport van neuropsychologisch onderzoek van 10 juni 2009 staat: “Samenvatting en conclusie (*):
Bij het neuropsychologisch onderzoek van mevrouw [moeder] staan stoornissen in het executief functioneren op de voorgrond. Hierbinnen worden planningsproblemen, overzichtsverlies, traag werktempo en een verhoogde interferentiegevoeligheid vastgesteld. De woordproductie is sterk verminderd. Tevens is er een beperking in zowel de gerichte als de verdeelde aandacht. Binnen het geheugen zien we een matige inprenting voor zowel gestructureerde als ongestructureerde informatie, echter heeft mevrouw baat bij herhaalde aanbieding. De eenmaal geleerde informatie, na herhaalde aanbieding, kan mevrouw na enige tijd ook weer ophalen en herkennen. Het visueel geheugen is slecht. Het associatief geheugen is daarentegen in orde. Tenslotte zijn er problemen met de visuoconstructie en het verbale abstractievermogen is wat verlaagd.
Bovenstaande stoornissen zijn passend bij een algehele cognitieve achteruitgang in het kader van alcoholmisbruik. Echter kunnen andere oorzaken, gezien de vasculaire risicofactoren, niet uitgesloten worden. Verder onderzoek, bijvoorbeeld beeldvorming, kan hier mogelijk meer duidelijkheid in geven. Aangezien mevrouw zelf een vooruitgang in haar functioneren bemerkt, wordt geadviseerd het NPO over een jaar te herhalen om te bepalen of er sprake is van achteruitgang, stabilisatie of mogelijk zelfs verbetering van de cognitieve functies.
Advies:
Gezien de planning- en overzichtsproblemen zal mevrouw in het dagelijks leven behoefte hebben aan structuur. Een terugval in alcoholmisbruik zal het cognitief functioneren ten alle tijden doen verslechteren.”
Ten tijde van dit onderzoek gebruikte erflaatster geen alcohol meer en zij heeft nadien geen terugvallen gehad.

2.5.

In december 2012 is erflaatster verhuisd naar een verzorgingstehuis.

2.6.

Bij beschikking van 20 augustus 2013 zijn de goederen van erflaatster onder beschermingsbewind geplaatst omdat erflaatster als gevolg van haar geestelijke toestand niet meer in staat was ten volle haar vermogensrechtelijke belangen zelf waar te nemen. De dochters zijn tot bewindvoerders benoemd.

2.7.

Op 28 januari 2015 is de moeder van de zonen en de dochters, mevrouw [moeder], overleden.

2.8.

In haar testament van 28 januari 2010 heeft erflaatster de zonen en de dochters benoemd tot erfgenamen.

2.9.

De nalatenschap is door de zonen beneficiair en door de dochters zuiver aanvaard. De lichte vereffening is van toepassing.

2.10.

[gedaagde1] is in het testament benoemd tot executeur.

2.11.

In een procedure bij de kantonrechter te Haarlem heeft [gedaagde1] verzocht om:
I. vervangende goedkeuring rekening & verantwoording executeur;
II. vaststelling van de verdeling ad € 25.866,67 per erfgenaam.
In diezelfde procedure hebben de zonen de volgende tegenverzoeken gedaan:
primair: informatieverschaffing ex art. 4:148 BW door executeur met dwangsom ad € 500 per dag;
subsidiair: verklaring voor recht einde taak executeur;
meer subsidiair: ontslag executeur en overdracht beheer aan de gezamenlijke erfgenamen.
In deze procedure hebben op 10 mei 2016 en 28 februari 2017 mondelinge behandelingen plaatsgevonden.

2.12.

In een door de kantonrechter te Haarlem op 28 februari 2017 opgemaakt proces-verbaal van de zitting in voormelde procedure hebben de zonen erkend dat [gedaagde1] haar taken als executeur goed heeft uitgeoefend en hebben zij haar volmacht gegeven om in haar hoedanigheid van erfgenaam de ervenrekening te beheren. [gedaagde1] heeft volgens dat zelfde proces verbaal erkend dat haar beheerstaken als executeur waren beëindigd.

2.13.

Op 9 juni 2016, 10 november 2016 en 16 maart 2017 zijn van de ervenrekening betalingen gedaan aan de raadsman van de dochters voor een totaal bedrag van € 5.537,79.

2.14.

De dochters hebben na het overlijden van erflaatster over het door hen gevoerde beschermingsbewind rekening en verantwoording afgelegd aan de kantonrechter. Deze heeft de eindafrekening goedgekeurd.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

De zonen vorderen samengevat - veroordeling van de dochters tot betaling ten behoeve van de nalatenschap van € 110.556,79, vermeerderd met wettelijke rente hierover en de proceskosten inclusief de nakosten en eveneens vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2.

De dochters voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

De dochters vorderen samengevat – dat de rechtbank bij vonnis bepaalt:
primair:
- dat vanaf de ervenrekening aan alle erfgenamen een bedrag wordt uitbetaald van
€ 20.907,- ter zake van de nalatenschap van de vader van partijen;
- dat de nalatenschap van erflaatster € 24.260,- bedraagt;

- dat elk der erfgenamen 1/5e deel zal ontvangen van die nalatenschap, zijnde een bedrag van € 4.852,-;
- dat [gedaagde1] als gevolmachtigde van de ervenrekening het bedrag van het erfdeel van vader en erflaatster aan ieder der erfgenamen zal uitbetalen uiterlijk één maand na het in deze te wijzen vonnis;
- dat na uitbetaling van de erfdelen de nalatenschap van vader en erflaatster is verdeeld en vereffend;
subsidiair
- dat de nalatenschap van erflaatster zal worden verdeeld met benoeming van een vereffenaar;
primair en subsidiair:
- dat de zonen worden veroordeeld in de proceskosten.

3.5.

De zonen voeren verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

Het conflict tussen partijen spitst zich toe op de jaren 2008 tot en met 2012 toen erflaatster nog zelfstandig woonde en nog niet onder beschermingsbewind was geplaatst. In deze periode was vader overleden en hadden de dochters, anders dan de zonen, intensief contact met erflaatster en hadden zij ook de beschikking over de bankpassen van erflaatster. De zonen voeren aan dat in die periode grote bedragen (tot een totaal van € 48.814,-) van de bankrekening van erflaatster zijn betaald voor goederen die niet voor erflaatster maar voor de dochters bestemd waren. Tevens werden in die periode hoge bedragen via de pinautomaat opgenomen (tot een totaal van € 56.205,-), welke bedragen niet zijn te rijmen met de leefomstandigheden van erflaatster en dus ook aan de dochters ten goede moeten zijn gekomen.

4.2.

De zonen stellen dat de dochters de onder 4.1. genoemde bedragen aan de boedel dienen te voldoen. Daartoe stellen zij dat:
- de dochters jegens erflaatster (en vervolgens jegens de zonen als opvolgers van erflaatster onder algemene titel) onrechtmatig hebben gehandeld door zich zonder toestemming van erflaatster deze bedragen toe te eigenen;
- erflaatster onverschuldigd heeft betaald en dat de dochters ongerechtvaardigd zijn verrijkt nu zij zich deze bedragen zonder toestemming van erflaatster hebben toegeëigend;
- voor zover de dochters beschikten over enige machtiging, zij gehouden waren om rekening en verantwoording af te leggen en zij bij gebreke daarvan slecht financieel beheer hebben gevoerd, hetgeen onrechtmatig is;
- voor zover sprake zou zijn van schenkingen aan de dochters, deze hebben plaatsgevonden door misbruik van omstandigheden.

4.3.

De dochters betwisten het voorgaande. De opnames en betalingen van de rekening van erflaatster hebben steeds met haar medeweten en goedkeuring plaatsgevonden. Voor zover het niet ging om uitgaven ten behoeve van erflaatster zelf, betroffen de uitgaven schenkingen.

4.4.

De door de zonen aangevoerde grondslagen onrechtmatige daad en ongerechtvaardigde verrijking berusten op hun stelling dat erflaatster met de betalingen en pinopnames vanaf haar bankrekeningen niet had ingestemd, althans dat zij vanwege haar lichamelijke en geestelijke toestand niet in staat was om haar vermogensrechtelijke belangen zelf naar behoren te behartigen, althans haar financiën te overzien. Ter onderbouwing van deze stelling voeren de zonen aan dat het vermogen van erflaatster in de periode vanaf 2008 tot haar overlijden aanzienlijk is afgenomen, dat de betalingen niet aan erflaatster ten goede zijn gekomen omdat deze niet passen bij iemand van haar leeftijd dan wel, blijkens de omschrijvingen, voor de dochters bestemd waren en dat het uitgavenpatroon veel hoger was dan gebruikelijk. Voorts hebben de zonen aangevoerd dat erflaatster na het overlijden van haar echtgenoot depressief is geraakt en dat zij te kampen kreeg met een alcoholverslaving. Blijkens het onder 2.4. genoemde onderzoek was haar geheugen slecht. Nadat zij in 2010 was behandeld wegens keelkanker, is haar spraakvermogen ernstig achteruit gegaan. Uiteindelijk is zij in 2012 opgenomen in een verpleegtehuis.

4.5.

De dochters betwisten dat de uitgaven zonder instemming van erflaatster hebben plaatsgevonden en dat zij niet meer in staat was haar vermogensrechtelijke belangen te behartigen. Zij hebben de uitgaven die in de periode 2008 tot en met 2012 zijn gedaan zoveel mogelijk toegelicht, terwijl ook uit de bankafschriften kan worden afgeleid waarop de betalingen betrekking hadden. Voor zover het niet ging om uitgaven ten behoeve van erflaatster zelf, was volgens hen sprake van schenkingen aan onder meer de dochters zelf, de kleinkinderen en een goede vriendin van erflaatster. Voorts zijn door erflaatster kosten vergoed die de dochters maakten in verband met de door hen verleende (intensieve) mantelzorg. De pinopnames zagen op de kosten van de huishouding, waaronder de huishoudelijke hulp die twee keer per week kwam en € 50,- per keer kostte. Voor wat betreft de geestelijke vermogens van erflaatster voeren de dochters aan dat zij kort na het overlijden van haar echtgenoot inderdaad een alcoholprobleem had, maar dat dit maar enige maanden heeft geduurd. Daarna was zij tot haar dood geheelonthouder. Zij was in staat zelfstandig te functioneren en had voldoende begrip van haar financiën. Weliswaar gingen haar geestelijke vermogens langzamerhand achteruit, maar toen zij in 2012 naar een verpleegtehuis verhuisde was dat, vanwege het toen beschikbaar komen van een kamer, eerder dan strikt noodzakelijk was. Toen erflaatster echt geen inzicht meer in haar financiën had, is zij op instigatie van de dochters onder beschermingsbewind geplaatst.

4.6.

De rechtbank oordeelt als volgt. Gesteld noch gebleken is dat erflaatster op enig moment aan de zonen (of één van hen) kenbaar heeft gemaakt dat zij niet instemde met betalingen en pinopnamen van haar bankrekening. Uit de door de zonen aangevoerde omstandigheden kan, gelet op hetgeen de dochters ter betwisting hebben aangevoerd, evenmin worden afgeleid dat erflaatster niet instemde met de betreffende uitgaven. Dat erflaatster er in de laatste jaren van haar leven voor koos in te teren op haar vermogen en zij daarbij wellicht andere keuzes maakte dan voorheen het geval was, kan niet leiden tot de conclusie dat zij met de uitgaven niet instemde. Er was immers geen reden meer om nog te sparen voor een onzekere toekomst. Ook uit de omstandigheid dat de dochters in die laatste jaren meer hebben geprofiteerd van de uitgaven van erflaatster dan de zonen, kan voormelde conclusie niet worden getrokken. De dochters zagen erflaatster nu eenmaal veel en verleenden intensieve mantelzorg, hetgeen van de zonen niet kan worden gezegd. Net zoals kinderen niet allemaal hun ouders op dezelfde manier behandelen, hoeven ouders hun kinderen niet allemaal op gelijke wijze te behandelen.

4.7.

De zonen hebben evenmin voldoende onderbouwd dat erflaatster niet meer in staat was haar vermogensrechtelijke belangen te behartigen en te overzien en dat zij, indien ze die vermogens nog wel had gehad, een andere keuze zou hebben gemaakt. Uit het onder 2.4. genoemde rapport volgt weliswaar dat sprake was van een algehele cognitieve achteruitgang in het kader van alcoholmisbruik, maar niet dat erflaatster niet meer in staat was haar financiële belangen te overzien. Verbetering van de situatie werd blijkens dit rapport niet uitgesloten. Een terugval in alcoholmisbruik zou de situatie doen verergeren, maar vast staat dat erflaatster geheelonthouder is geworden en gebleven. Bovendien was erflaatster circa een jaar na dit onderzoek in staat om haar testament te laten opmaken, althans heeft de notaris bij die gelegenheid kennelijk geen aanleiding gezien om zijn ministerie te weigeren. De lichamelijke en geestelijke vermogens zijn uiteindelijk wel zodanig achteruit gegaan dat opname in een verpleegtehuis aangewezen was, maar niet lang daarna is erflaatster op instigatie van de dochters onder beschermingsbewind gesteld. Uit hetgeen de zonen hebben aangevoerd kan onvoldoende worden afgeleid dat erflaatster voordien niet meer in staat was haar financiële situatie te overzien, althans in zodanige situatie verkeerde dat de dochters daarvan misbruik hebben gemaakt. Uit niets blijkt verder dat de bestedingen die ten laste van erflaatster zijn gedaan niet overeenkomstig haar wil zijn geweest.

4.8.

Gelet op het voorgaande kunnen de vorderingen voor zover deze zijn gebaseerd op onrechtmatig handelen dan wel ongerechtvaardigde verrijking niet slagen. De zonen hebben voorts nog aangevoerd dat de dochters gehouden waren rekening en verantwoording af te leggen over het door hen gevoerde financiële beheer. Nu zij dat hebben nagelaten, handelen zij onrechtmatig. De dochters hebben dit betwist.

4.9.

Er van uitgaande dat de dochters door erflaatster waren gevolmachtigd om haar financiële belangen te behartigen en uitgaven van haar bankrekening te doen, geldt dat gesteld noch gebleken is dat erflaatster bij leven de dochters ter verantwoording heeft geroepen omtrent de wijze waarop zij zich van hun taak hebben gekweten. Onder die omstandigheid hebben de zonen als erfgenamen evenmin het recht om de dochters ter verantwoording te roepen. Overigens hebben de dochters rekening en verantwoording afgelegd in die zin dat de administratie van erflaatster (inclusief alle bankafschriften) aan de zonen ter beschikking is gesteld en zij waar mogelijk de uitgaven hebben toegelicht. Van onrechtmatig financieel beheer is dus geen sprake.

4.10.

Ten slotte hebben de zonen nog aangevoerd dat indien sprake is van schenkingen, deze hebben plaatsgevonden door misbruik van omstandigheden. De schenkingen zouden door de dochters moeten worden terugbetaald. Met een beroep op artikel 7:176 BW voeren de zonen aan dat het aan de dochters is om te bewijzen dat van misbruik van omstandigheden geen sprake was. De dochters betwisten dat zij schenkingen moeten terug betalen. Erflaatster heeft bij de schenkingen geen voorbehoud gemaakt of deze bij leven herroepen. De schenkingen zijn niet gedaan met het vooruitzicht of de opzet om legitimarissen te benadelen. De schenkingen zijn ook niet bovenmatig.

4.11.

Uitgangspunt is dat schenkingen ingevolge artikel 4:229 BW alleen moeten worden ingebracht in de nalatenschap indien dit door de erflater is bepaald. Dat is hier niet het geval. Voor zover het betoog van de zonen aldus moet worden begrepen dat de schenkingen vernietigbaar zijn wegens misbruik van omstandigheden, geldt het volgende.

Het door de zonen gestelde misbruik bestaat er in dat de dochters erflaatster, wier geestelijke vermogens beperkt waren en die van hun mantelzorg afhankelijk was, ertoe hebben bewogen schenkingen aan hen te doen ofschoon ze wisten of moesten begrijpen dat zij erflaatster daarvan hadden moeten weerhouden. Zoals hiervoor onder 4.7 is overwogen, is niet komen vast te staan dat erflaatster in de periode 2008 tot en met 2012 wilsonbekwaam was of onvoldoende in staat was haar financiële belangen te overzien. Voorts kan uit hetgeen de zonen hebben aangevoerd niet worden afgeleid dat erflaatster de schenkingen aan de dochters heeft gedaan omdat zij van hen afhankelijk was. Evenmin kan daaruit worden afgeleid dat de dochters erflaatster hiervan hadden moeten weerhouden. Erflaatster heeft niet alleen aan de dochters maar ook aan de zonen schenkingen gedaan (schenking van € 5.000,- aan ieder van de erfgenamen). Verder is het niet ongebruikelijk dat een moeder schenkingen doet aan haar dochters, zeker wanneer deze dochters intensieve mantelzorg verlenen en daarvoor ook de nodige kosten maken. Derhalve is voldoende vast komen te staan dat van misbruik van omstandigheden geen sprake was.

4.12.

De zonen vorderen ten slotte betaling van € 5.537,79. Het betreft een betaling van de ervenrekening naar de advocaat van de dochters. Volgens de zonen heeft [gedaagde1] misbruik gemaakt van de haar verleende machtiging om namens de gezamenlijke erfgenamen het beheer over de ervenrekening te voeren. De advocaatkosten betreffen volgens de zonen geen kosten van de nalatenschap. Volgens de dochters gaat het hier om kosten van juridische bijstand die door [gedaagde1] zijn gemaakt in haar functie van executeur. Deze kosten zijn gemaakt in het kader van het verzoek van [gedaagde1] aan de kantonrechter tot vervangende goedkeuring van het door haar gevoerde beleid en vaststelling van de verdeling.

4.13.

Het verweer van de dochters wordt niet door enig stuk onderbouwd. De van de ervenrekening betaalde nota’s (met specificatie van de werkzaamheden) zijn niet overgelegd. De juistheid van het verweer van de dochters dat de in rekening gebrachte juridische werkzaamheden zagen op het executeurschap van [gedaagde1] kan daarom niet worden vastgesteld. Daar komt bij dat de door [gedaagde1] bij de kantonrechter ingediende verzoeken waarop de werkzaamheden volgens haar zeggen betrekking hadden, niet alleen zagen op goedkeuring rekening en verantwoording executeur maar ook op de vaststelling van de verdeling. Het verdelen van de nalatenschap behoort niet tot de taken van de executeur. Uit de door de zonen destijds ingediende tegenverzoeken volgt bovendien dat partijen toen al een conflict met elkaar hadden en ook om die reden ligt het in de rede dat de verleende juridische bijstand uitsluitend althans hoofdzakelijk betrekking had op [gedaagde1] (en haar zuster) als erfgenaam. Gelet op het voorgaande is er in elk geval onvoldoende reden om de kosten voor rekening van de nalatenschap te laten komen. De dochters zijn gehouden om aan de nalatenschap een bedrag van € 5.537,79 toe te voegen.

4.14.

De conclusie van het voorgaande is dat de vordering van de zonen zal worden afgewezen behoudens voor zover deze ziet op terugbetaling van een bedrag van € 5.537,79 aan de nalatenschap. Deze vordering zal op na te melden wijze in de behandeling van de reconventionele vorderingen worden meegenomen. Nu partijen familie van elkaar zijn zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

in reconventie

4.15.

De dochters hebben gevorderd dat aan alle erfgenamen ter zake van de nalatenschap van hun vader een bedrag van € 20.907,- en ter zake van de nalatenschap van erflaatster een bedrag van € 4.852,- per erfgenaam zal worden uitgekeerd, waarna de beide nalatenschappen zijn verdeeld en vereffend en partijen niets meer van elkaar te vorderen hebben. De zonen hebben zich hiertegen verzet, stellende dat zij het niet eens zijn met de boedelbeschrijving zodat van verdeling nog geen sprake kan zijn.

4.16.

De zonen hebben tegen de door de dochters gestelde omvang van de nalatenschap van hun vader en de verdeling daarvan geen bezwaren naar voren gebracht. De rechtbank gaat dan ook uit van de juistheid van hetgeen de dochters daarover hebben gesteld. Uit hetgeen de zonen in conventie ten aanzien van de omvang van de nalatenschap van erflaatster hebben aangevoerd, leidt de rechtbank het volgende af. De enige reden voor hen om de door de dochters opgestelde boedelbeschrijving te betwisten ligt in hun betoog dat de dochters een bedrag van € 110.556,79 aan de nalatenschap zouden moeten toevoegen. Nu in conventie reeds is geoordeeld dat de dochters een bedrag van € 5.537,79 aan de nalatenschap dienen te voldoen, ligt deze voor verdeling gereed.

4.17.

Na uitkering van de vordering die de erfgenamen inzake de nalatenschap van vader hebben (ieder € 20.907,-, totaal € 104.535,-) resteert een bedrag ter zake de nalatenschap van moeder van € 24.260,-. Daar moet bij opgeteld worden het door de dochters in te brengen bedrag van € 5.537,79, hetgeen leidt tot een bedrag van € 29.797,79. Ieder heeft dan recht op een bedrag van € 5.959,56. Aangezien de dochters ieder al € 2.768,90 (de helft van € 5.537,79) hebben ontvangen, hebben zij nog recht op betaling van € 3.190,66 terwijl de zonen het volledige bedrag van € 5.959,56 dienen te ontvangen. De vordering zal op deze wijze worden toegewezen.

4.18.

Aangezien partijen familie van elkaar zijn zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

In conventie en in reconventie

5.1.

bepaalt dat van de ervenrekening aan alle erfgenamen een bedrag wordt uitbetaald van € 20.907,- ter zake van de nalatenschap van vader [vader], overleden op [datum];

5.2.

bepaalt dat de nalatenschap van moeder, mevrouw [moeder], overleden op 28 januari 2015, € 29.797,79 bedraagt;

5.3.

bepaalt dat de zonen ieder een bedrag van € 5.959,56 van de nalatenschap van erflaatster ontvangen en de dochters ieder een bedrag van € 3.190,66;

5.4.

bepaalt dat [gedaagde1] als gevolmachtigde van de ervenrekening het bedrag van het erfdeel van vader en van erflaatster aan ieder der erfgenamen zal uitbetalen uiterlijk één maand na dit vonnis;

5.5.

bepaalt dat na uitbetaling van de erfdelen de nalatenschap van vader en van erflaatster is verdeeld en vereffend en dat partijen alsdan niets meer van elkaar te vorderen hebben;

5.6.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.7.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk en in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2018.1

Bij ontstentenis van mr. J.J. Dijk is dit vonnis ondertekend door mr. W.S.J. Thijs.

1 type: 703 coll: 830