Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:6328

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-07-2018
Datum publicatie
01-08-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 1894
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2019:1355, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De brief van 21 augustus 2017, waarin eiseres vraagt om te vergunnen dat de bestaande bebouwing op de (***) gedeeltelijk wordt gebruikt voor maximaal 1.500 m² vvo reguliere detailhandel, zoals schetsmatig weergegeven op een bijgevoegde tekening, is aan te merken als een aanvraag. Daarop is niet tijdig beslist, zodat van rechtswege een vergunning is ontstaan. Het door eiseres ingestelde beroep tegen het niet tijdig bekendmaken daarvan is dus gegrond.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 18/1894

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juli 2018 de zaak tussen

[eiseres] B.V., te [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.H. Meijer),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Ramsoekh).

Procesverloop

Bij brief van 21 augustus 2017 heeft eiseres verweerder verzocht planologisch mee te werken door te vergunnen dat de bestaande bebouwing op de [adres] gedeeltelijk wordt gebruikt voor maximaal 1.500 m² vvo reguliere detailhandel, zoals schetsmatig weergegeven op een bijgevoegde tekening.

Bij brief van 27 februari 2018 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld.

Bij brief van 24 april 2018 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig bekendmaken van een door haar aangevraagde en van rechtswege verleende omgevingsvergunning en de rechtbank tevens verzocht de hoogte van de verbeurde dwangsommen vast te stellen.

De rechtbank heeft besloten het beroep met toepassing van artikel 8:52 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) versneld te behandelen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juli 2018. Namens eiseres is verschenen mr. M.R. Kruisselbrink, kantoorgenoot van gemachtigde van eiseres. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door
mr. V.M. Behrens, beiden werkzaam bij de gemeente Alkmaar.

Overwegingen

1. Volgens eiseres heeft verweerder niet tijdig beslist op haar verzoek van 21 augustus 2017 en is van rechtswege een omgevingsvergunning verleend op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Daarnaast is verweerder in gebreke gesteld en zijn daarom dwangsommen verbeurd, aldus eiseres.

2. In deze procedure staat tussen partijen niet meer ter discussie dat verweerder de brief van eiseres van 21 augustus 2017 ook daadwerkelijk heeft ontvangen. De rechtbank gaat hier dan ook van uit.

3. Ingevolge artikel 1:3, derde lid, van de Awb wordt onder aanvraag verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.

Ingevolge artikel 4:1 wordt, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, de aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen.

Ingevolge artikel 4:2, eerste lid, van de Awb wordt de aanvraag ondertekend en bevat deze ten minste:

a. de naam en het adres van de aanvrager;

b. de dagtekening;

c. een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd.

Ingevolge het tweede lid verschaft de aanvrager voorts de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

Ingevolge artikel 4:20b, eerste lid, van de Awb is, indien niet tijdig op de aanvraag tot het geven van een beschikking is beslist, de gevraagde beschikking van rechtswege gegeven.

Ingevolge artikel 4:20c, eerste lid, van de Awb maakt het bestuursorgaan de beschikking bekend binnen twee weken nadat zij van rechtswege is gegeven.

Ingevolge artikel 8:55f, eerste lid, van de Awb kan de belanghebbende tegen het niet tijdig bekendmaken van een beschikking van rechtswege beroep instellen bij de bestuursrechter.

4.1

Het geschil spitst zich toe op de vraag of de brief van eiseres van 21 augustus 2017 moet worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Niet in geschil is dat eiseres geen aanvraag heeft ingediend overeenkomstig de procedure zoals opgenomen in hoofdstuk 4 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) en de Regeling omgevingsrecht. Dat eiseres deze weg niet heeft gevolgd, betekent op zichzelf evenwel niet dat de brief van 21 augustus 2017 geen aanvraag is als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb (vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:214). Voor de beantwoording van de vraag of die brief toch als aanvraag moet worden aangemerkt is van belang of de brief een voldoende concreet verzoek bevat om een omgevingsvergunning te verlenen (vgl. de uitspraak van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2246).

4.2

De rechtbank is van oordeel dat het verzoek van eiseres, zoals blijkt uit de brief en het bijbehorende kaartje, voldoende concreet en ondubbelzinnig is om als aanvraag te worden aangemerkt. Daarvoor is bepalend dat uit de brief duidelijk blijkt om welke locatie, vloeroppervlak en voorgenomen gebruik het gaat. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn betoog dat geen sprake is van een ondubbelzinnige aanvraag omdat de tekst van de brief afwijkt van de bijgevoegde tekening, nu het gearceerde deel van de tekening niet gelijk is aan 1500 m². Evident is namelijk dat de aanvraag – blijkens de bewoordingen daarvan – ziet op de bestaande bebouwing waarvan het oppervlak, zoals niet is bestreden en ter zitting door verweerder ook is aangegeven, overeenkomt met de genoemde 1500 m². Het betoog van verweerder dat eiseres gelet op de aard van haar werkzaamheden (ontwikkelen, kopen, verkopen en verhuren van onroerend goed) bekend moet worden geacht met het feit dat aanvragen voor omgevingsvergunning via het omgevingsloket dienen te worden ingediend, doet aan het voorgaande niet af. Ook de rechtbank neemt aan dat eiseres genoegzaam bekend is met de gebruikelijke werkwijze om via het omgevingsloket omgevingsvergunning aan te vragen. Dat neemt echter niet weg dat, gelet ook op de eerdergenoemde jurisprudentie van de Afdeling, een verzoek op een andere wijze gedaan – mits voldoende concreet – ook als aanvraag dient worden aangemerkt. Indien de intentie van verweerder was de brief niet als aanvraag in behandeling te nemen nu deze niet via het omgevingsloket was ingediend, had verweerder hierop adequaat dienen te reageren door dit schriftelijk aan te geven aan eiseres. Verweerder heeft ter zitting wel gesuggereerd dat eiseres waarschijnlijk telefonisch is verzocht een aanvraag via het omgevingsloket in te dienen, maar heeft dit niet concreet gemaakt of nader onderbouwd. Concluderend is de rechtbank dan ook van oordeel dat de brief van 21 augustus 2017 dient te worden aangemerkt als aanvraag in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

5. Vervolgens dient beoordeeld te worden of het niet tijdig beslissen op deze aanvraag heeft geleid tot de van rechtswege verlening van een omgevingsvergunning. Tussen partijen is niet in geschil dat ter zake van deze aanvraag omgevingsvergunning zou kunnen worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 4, van bijlage II van het Bor. Dat betekent dat de reguliere voorbereidingsprocedure (zoals bedoeld in paragraaf 3.2 van de Wabo) van toepassing is. Ingevolge artikel 3.9, derde lid, van de Wabo is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb van toepassing op de voorbereiding van dit besluit. Dat houdt in dat van rechtswege vergunning is verleend indien verweerder niet binnen de beslistermijn heeft beslist op de aanvraag. De rechtbank stelt vast, hetgeen tussen partijen ook niet in geschil is, dat verweerder niet binnen de daarvoor geldende beslistermijn van acht weken heeft beslist op de aanvraag. Gelet op het voorgaande is de gevraagde omgevingsvergunning derhalve op 18 oktober 2017 van rechtswege verleend.

6. Ingevolge artikel 4:20c, eerste lid, van de Awb dient verweerder een beschikking binnen twee weken nadat zij van rechtswege is gegeven, bekend te maken. Vast staat dat verweerder tot op heden de van rechtswege verleende vergunning niet heeft bekendgemaakt. Het door eiseres ingestelde beroep tegen het niet tijdig bekendmaken van een beschikking van rechtswege is dus gegrond.

7. In artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb is bepaald dat indien het beroep gegrond is en nog geen besluit bekendgemaakt is, de rechtbank bepaalt dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt. In het tweede lid is neergelegd dat de rechtbank aan haar uitspraak een nadere dwangsom verbindt voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank verweerder opdragen binnen een termijn van twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog de van rechtswege verleende beschikking bekend te maken. De rechtbank zal voorts met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepalen dat verweerder een dwangsom van € 100,-- verbeurt voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,--.

8. Eiseres heeft verweerder bij brief van 27 februari 2018 in gebreke gesteld in verband met het uitblijven van bekendmaking van de van rechtswege verleende omgevingsvergunning. Verweerder is op grond van artikel 4:20d, eerste lid, van de Awb een dwangsom verschuldigd vanaf de dag dat twee weken zijn verstreken sinds de ingebrekestelling. Nu verweerder nog niet tot bekendmaking is overgegaan, wordt de verbeurde dwangsom vastgesteld op € 1.260,--.

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1002,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,-- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

-
verklaart het beroep gegrond;

- stelt de hoogte van door verweerder verbeurde dwangsommen vast op € 1.260,--;

- draagt verweerder op om binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog bekend te maken dat een omgevingsvergunning van rechtswege is verleend aan eiseres;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,-- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van

€ 15.000,--;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338,-- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1002,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Brouwer, rechter, in aanwezigheid van

mr. Y.R. Boonstra-van Herwijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.