Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:6314

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
05-07-2018
Datum publicatie
02-08-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 2813
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep gericht tegen het besluit van de besliscommissie van het Schadeschap luchthaven Schiphol tot het toekennen van een schadevergoeding. Verweerder heeft vanwege bijzondere omstandigheden de linaire benadering niet mogen toepassen. Ook heeft verweerder het deskundigenrapport van LBP niet aan de besluitvorming ten grondslag mogen leggen. Tevens beroep overschrijding redelijke termijn. Gegrond.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 17/2813

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 juli 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr.drs. C.C.J. Hartendorf),

en

de besliscommissie van het Schadeschap luchthaven Schiphol, verweerder

(gemachtigde: mr.dr. B.J.P.G. Roozendaal).

Procesverloop

Bij besluit van 22 april 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een schadevergoeding van € 38.000,- toegekend, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 25 augustus 2009.

Bij besluit van 9 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser (gedeeltelijk) gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij aan eiser een aanvullende schadevergoeding van € 12.250,- toegekend, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 25 augustus 2009. Tevens zijn deskundigenkosten tot een bedrag van € 2.223,38 en kosten van rechtsbijstand tot een bedrag van € 742,50 vergoed.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en vergezeld door ing. [naam 1] van [naam bedrijf 1] B.V. (deskundige op het gebied van geluid). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen te reageren op het door eiser overgelegde deskundigenrapport van [naam 1] van 1 februari 2018 en de door eiser overgelegde notitie “Bijdrage grondgeluid landende vliegtuigen aan geluidsbelasting Ke” van [naam 1] van 14 februari 2018.

Verweerder heeft van de geboden gelegenheid gebruik gemaakt voor wat betreft de notitie van 14 februari 2018 met het overleggen van een brief van 27 maart 2018 van [naam adviesbureau 1] B.V. ( [naam adviesbureau 1] ). Eiser heeft daarop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 24 mei 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en vergezeld door ing. [naam 1] van [naam bedrijf 1] B.V.. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door ing. [naam 2] van [naam adviesbureau 1] (deskundige op het gebied van geluid).

Overwegingen

1.1

Eiser is eigenaar van een dubbele agrarische arbeiderswoning (de woning) op een perceel van ongeveer 2000 m2 aan de [adres] (de onroerende zaak). De vader van eiser, [naam 3] , heeft de onroerende zaak op 2 mei 1979 in eigendom verkregen. Eiser heeft de onroerende zaak op 30 juli 2001 in eigendom verkregen. De onroerende zaak ligt in een ‘driehoek’ tussen de Rijkswegen A5 en A9 en de vijfde start- en landingsbaan van de luchthaven Schiphol (de Polderbaan). De afstand van de woning tot de Polderbaan is ongeveer 600 meter en tot de A5 respectievelijk de A9 ruim een kilometer.

1.2

De woning heeft in het verleden op de nominatie gestaan om gesloopt te worden, maar dat is niet gebeurd. Vanwege de slechte staat van onderhoud is de woning niet voor een Schiphol-isolatieproject in aanmerking gekomen, althans niet zonder aanzienlijke bijbetaling. Verder is eiser de zogenoemde egalisatievergoeding misgelopen, omdat hij te laat was met het aanvragen daarvan.

1.3

Op 20 augustus 2009 heeft eiser, mede namens zijn vader, een verzoek om schadevergoeding ingediend wegens de aanleg van de Polderbaan, de instelling van geluidszones, het luchthavenindelingbesluit en het luchthavenverkeerbesluit van 20 februari 2003, de aanleg van de A5 en de aanpassing van de IJweg. De vader van eiser is inmiddels overleden en eiser is in zijn rechten getreden.

2.1

Verweerder heeft naar aanleiding van eisers verzoek de Adviescommissie Schadeschap luchthaven Schiphol onder leiding van mr. [naam 4] (Adviescommissie [naam adviescommissie 1] ) gevraagd een advies uit te brengen. In het advies van 30 oktober 2012 (Advies [naam adviescommissie 1] ) wordt geadviseerd aan [naam 3] een schadevergoeding toe te kennen van € 50.000,- omdat aanvrager in een planologisch gewijzigde en nadeliger positie is komen te verkeren als gevolg van het in werking treden van het bestemmingsplan “Schiphol-West e.o.” per 29 april 1999 (de peildatum). De gewogen geluidsbelasting, uitgedrukt in de waarde Kosteneenheid (Ke), als gevolg van het nieuwe bestemmingsplan is toegenomen van 45 Ke tot 53 Ke ten opzichte van het oude bestemmingsplan “Landelijk Gebied”. Onder dat bestemmingsplan was de aanleg van de Polderbaan niet mogelijk. De waarde van de onroerende zaak vóór de peildatum wordt getaxeerd op € 350.000,-, de waarde erna op € 300.000,-. Daarmee komt de schade op € 50.000,-. In deze waardevermindering is verdisconteerd dat de onroerende zaak een verminderde situeringswaarde heeft verkregen en dat de woning niet voor isolatie in aanmerking is gekomen, althans niet zonder aanzienlijke bijbetaling. Er is geen rekening gehouden met nadien verkregen bouwvergunningen, omdat deze pas op 3 november 2006 zijn verkregen. Voor het overige heeft eiser naar het oordeel van de Adviescommissie [naam adviescommissie 1] geen schade geleden.

2.2

Verweerder heeft de Adviescommissie [naam adviescommissie 1] om een nader advies gevraagd. Bij nader advies van 21 november 2013 (Nader Advies I) heeft de Adviescommissie [naam adviescommissie 1] op de door eiser tegen het Advies [naam adviescommissie 1] ingebrachte bedenkingen gereageerd en is de taxatie en waardedaling van de onroerende zaak nader onderbouwd. Uiteengezet wordt dat een hogere waardedaling is vastgesteld dan op basis van de doorgaans gehanteerde vuistregel van 1% waardedaling per 1 Ke stijging geluidsbelasting (de lineaire benadering) kan worden verwacht, omdat de woning niet voor isolatie in aanmerking is gekomen. Met het grondlawaai dat wordt veroorzaakt door het gebruik van de straalmotor bij het afremmen van landende vliegtuigen (reverse thrust) wordt al rekening gehouden in de Ke-waarde. Grondlawaai door startende vliegtuigen komt op de IJweg naar verwachting niet uit boven de “Vercammen 3-10%” curve, het niveau waarvan 3 tot 10% van de doorsnee bevolking hinder zou kunnen ondervinden, en is daarom geen schadefactor.

2.3.

Bij nader advies van 16 juni 2014 (Nader Advies II) heeft de Adviescommissie [naam adviescommissie 1] op verzoek van verweerder nader uiteengezet waarom volgens haar het gegeven dat de woning niet voor isolatie in aanmerking is gekomen, tot een hogere waardedaling dient te leiden dan volgt uit toepassing van de lineaire benadering. Hoewel geluidsisolerende maatregelen zowel voor- als nadelen hebben, gaat het naar de mening van de Adviescommissie [naam adviescommissie 1] te ver om te stellen dat het gehele voordeel kan worden weggestreept tegen de nadelen. Per saldo resteert voor eiser het nadeel dat zijn woning zich niet in geïsoleerde staat bevindt.

3. Bij het primaire besluit volgt verweerder de adviezen van de Adviescommissie [naam adviescommissie 1] , met uitzondering van het verdisconteren van de niet geïsoleerde staat van de woning in de waardedaling. Verweerder past de lineaire benadering toe en kent op grond daarvan een schadevergoeding toe van € 28.000,- wegens toename van de geluidsbelasting. Daarnaast kent verweerder een bedrag van € 10.000,- toe wegens verminderde situeringswaarde.

4. Eiser heeft in bezwaar een tegenadvies van [naam adviesbureau 2] BV ( [naam adviesbureau 2] ) ingebracht. [naam adviesbureau 2] taxeert de waarde van de onroerende zaak vóór de peildatum op € 358.000,- en erna op € 50.000,-. De schade zou daarmee uitkomen op een bedrag van € 308.000,-.

5.1

Verweerder heeft in de bezwaarfase een nieuw advies gevraagd aan een andere adviescommissie onder leiding van mr. [naam 5] (Adviescommissie [naam adviescommissie 2] ) over de vraag of de extra geluidsbelasting door de ‘reverse thrust’ wel of niet al in de berekening van de Ke-waarde is meegenomen. Bij advies van 7 november 2016 (Advies [naam adviescommissie 2] ) oordeelt de Adviescommissie [naam adviescommissie 2] dat dit feitelijk niet het geval is. De bijdrage van de reverse thrust aan de totale geluidbelasting van de woning is niet nihil of verwaarloosbaar. De aard en intensiteit van de reverse thrust is op verzoek van de Adviescommissie [naam adviescommissie 2] onderzocht door adviesbureau [naam adviesbureau 1] . [naam adviesbureau 1] heeft daarover op 3 november 2016 gerapporteerd. In het Advies [naam adviescommissie 2] wordt op basis van deze rapportage geconcludeerd dat bij een relatief beperkt aantal landingen de geluidhinder door de reverse thrust leidt tot overschrijding van de “Vercammen 3-10%” curve. De overschrijding valt in de categorie ‘gering’ en leidt tot een extra waardevermindering van de onroerende zaak van 3,5%. Dit komt neer op een aanvullend schadebedrag van € 12.250,-.

5.2

Bij nader advies van 19 april 2017 (Nader Advies [naam adviescommissie 2] ) heeft de Adviescommissie [naam adviescommissie 2] op verzoek van verweerder nog een aantal vragen beantwoord naar aanleiding van de door eiser tegen het Advies [naam adviescommissie 2] ingebrachte bedenkingen. De Adviescommissie [naam adviescommissie 2] ziet hierin geen aanleiding om af te wijken van haar eerdere advies.

6. Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan eiser een aanvullende schadevergoeding van € 12.250,- toegekend, op grond van het Advies [naam adviescommissie 2] . Verweerder ziet in het tegenadvies [naam adviesbureau 2] geen aanleiding nader advies te vragen aan de Adviescommissie [naam adviescommissie 1] of de Adviescommissie [naam adviescommissie 2] . De afwijking van het Advies [naam adviescommissie 1] op het punt van de isolatie acht verweerder voldoende gemotiveerd in het primaire besluit. Verder heeft [naam adviesbureau 1] rekening gehouden met de wensen van eiser voor wat betreft de geluidsmetingen van de reverse thrust. Die metingen kunnen dus gebruikt worden.

De gestelde schade van eiser als huurder is deels verjaard en voor het overige anderszins verzekerd en komt dus niet voor vergoeding in aanmerking. Er had namelijk huurverlaging verzocht kunnen worden.

De gestelde inkomensschade acht verweerder niet aangetoond, want deze schadepost heeft betrekking op de periode van 1989 tot en met eind 2003, terwijl de Polderbaan pas in november 2003 in gebruik is genomen.

Tot slot komt de gevraagde vergoeding voor deskundigenkosten verweerder nogal hoog voor. Verweerder acht toekenning van een bedrag van € 2.223,38 voor de taxatie van [naam adviesbureau 2] redelijk. Voor rechtsbijstand in de primaire fase wordt geen vergoeding toegekend en voor rechtsbijstand in de bezwaarfase een bedrag van € 742,50.

Bespreking van de beroepsgronden

Hoorplicht

7. Eisers beroepsgrond dat de hoorplicht is geschonden, is op de zitting besproken en vervolgens door eiser ingetrokken. De rechtbank gaat om die reden niet in op deze grond.

Waardedaling van de onroerende zaak

8. Eiser voert in de eerste plaats aan dat toepassing van de lineaire benadering onvoldoende recht doet aan de bijzonderheden in deze zaak, met name vanwege de ligging van zijn woning vlakbij de Polderbaan en twee snelwegen en de enorme geluidsbelasting die dit met zich mee brengt. Bij hogere geluidsbelastingniveau’s en in een groene omgeving, zoals in deze zaak, bedraagt de waardedaling van een onroerende zaak meer dan 1% per 1 Ke. Daarbij komt dat de woning niet geïsoleerd is, hetgeen in de schadevergoeding tot uitdrukking dient te komen. De niet geïsoleerde staat komt voort uit de onjuiste communicatie van de overheid in het verleden. De woning zou namelijk gesloopt worden. Daarom heeft eiser niet meer in de woning geïnvesteerd. Uiteindelijk kon de woning echter blijven staan, maar was de staat van de woning te slecht om voor isolatie in aanmerking te komen en kon eiser ook niet in aanmerking komen voor een vergoeding voor isolatie bij herbouw van een woning op het perceel. De omvang van de schade van eiser is dus veel groter dan waarop deze door de beide adviescommissies is gesteld. Daarbij is verweerder, aldus eiser, ook nog ten onrechte afgeweken van de adviezen van de Adviescommissie [naam adviescommissie 1] op het punt van de isolatie.

9.1

Verweerder heeft de schade van eiser berekend door de lineaire benadering toe te passen, met een correctie voor grondgeluid door de reverse thrust en een correctie voor de verminderde situeringswaarde. Daarbij wijst verweerder erop dat de Afdeling eerder zonder restrictie heeft geoordeeld dat ‘de besliscommissie er ook voor [kan] kiezen om, gelet op het door haar reeds verrichte onderzoek naar waardedalingen van woningen als gevolg van geluidsbelasting in het kader van het vijfbanenstelsel, de maatstaf te hanteren dat een toename van [1] Ke geluidbelasting leidt tot 1% waardedaling van een woning’ (uitspraak van de Afdeling van 10 november 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO3436). In het geval van eiser betekent dat een waardedaling van 8%. Daarbij komt dan nog een waardedaling van 3,5% in verband met grondgeluid en een waardedaling van € 10.000,- wegens de verminderde situeringswaarde. In totaal zou de waardevermindering van eisers woning daarmee € 50.250,- bedragen.

9.2

Voor schade als gevolg van de inwerkingtreding van een bestemmingsplan voorzag tot 1 juli 2008 artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) in een schaderegeling. Op grond van artikel 9.1.13 van de Invoeringswet Wet ruimtelijk ordening is op een verzoek om schadevergoeding in verband met het bestemmingsplan “Schiphol-West en omgeving” het recht volgens artikel 49 WRO nog van toepassing, mits het verzoek om schadevergoeding is ingediend voor 1 september 2010. Dat is in deze zaak het geval. Op grond van artikel 9 van de Gemeenschappelijke regeling Schadeschap Luchthaven Schiphol wordt het verzoek door verweerder behandeld en afgedaan.

9.3

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dient voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade te worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient het planologisch regime na de wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het oude planologisch regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar wat maximaal op grond van het oude planologisch regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3095.

9.4

De rechtbank overweegt als volgt. De schade in planschadezaken die bestaat in waardevermindering van een woning wordt vastgesteld op het verschil tussen de prijs die die woning zou hebben opgebracht onder het oude planologische regime en de prijs in de nieuwe situatie. Daarbij wordt uitgegaan van de prijs die een redelijk denkend en handelend koper onmiddellijk voor de inwerkingtreding van de planologische wijziging en op het tijdstip direct daarna voor een woning of perceel zou hebben geboden. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:37. Het gebruik van een (op onderzoek gebaseerde) maatstaf, zoals de regel van 1% waardedaling per 1 Ke, kan daarbij uiteraard zeer behulpzaam zijn. Maar een dergelijke maatstaf blijft een hulpmiddel dat niet voor alle situaties bruikbaar is. In deze zaak is sprake van een aantal bijzondere omstandigheden die, in onderling verband en samenhang bezien, maken dat verweerder bij de schadeberekening naar het oordeel van de rechtbank aanleiding had moeten zien de lineaire benadering los te laten. In zoverre is de onderbouwing van de schadeberekening in het bestreden besluit gebrekkig. Die omstandigheden zijn de volgende.

9.5

In de eerste plaats is sprake van een woning die niet geïsoleerd is en waarbij ook in de toekomst geen geluidsisolerende maatregelen van rijkswege meer kunnen of zullen worden getroffen. Hierin verschilt de woning van eiser van heel veel andere woningen in het gebied die te maken hebben met vliegtuiglawaai. De invloed van (een toename van) geluid op de woning van eiser is door het ontbreken van isolatie veel groter dan wanneer de woning wel geïsoleerd zou zijn. Een redelijk denkend en handelend koper zal er rekening mee houden dat de woning niet geïsoleerd is en de kosten die daarmee gemoeid zijn verdisconteren in de prijs die hij bereid is te betalen. Er is geen reden waarom de schade die voortkomt uit de niet-geïsoleerde staat van de woning niet voor rekening van de schadeveroorzaker zou hoeven komen. Verweerder heeft de niet-geïsoleerde staat van de woning daarom niet, in afwijking van de adviezen van de Adviescommissie [naam adviescommissie 1] , als irrelevant terzijde mogen schuiven.

9.6

Verder is sprake van extra geluidsbelasting door de reverse thrust, omdat de woning van eiser op aanmerkelijk kortere afstand van de Polderbaan is gelegen dan vele andere woningen die te maken hebben met vliegtuiglawaai. Daar komt bij dat de reverse thrust tot gevolg heeft dat de jaarronde gewogen geluidsbelasting feitelijk hoger uitpakt dan 53 Ke. [naam 1] heeft berekend dat de geluidsbelasting inclusief reverse thrust zelfs uitkomt op 56 Ke. [naam 2] heeft deze precieze uitkomst betwist, maar is het wel met [naam 1] eens dat de reverse thrust zorgt voor een feitelijk hogere geluidsbelasting dan in de Ke-contouren is vastgelegd. Verder zijn partijen het erover eens dat in de periode rond de peildatum de inzet van de overheid erop gericht was om woningen binnen de 55 Ke-contour, die niet konden worden geïsoleerd, aan te kopen en te slopen. Daargelaten welke berekening van de deskundigen nu uiteindelijk de juiste is, duidelijk is dat de geluidsbelasting inclusief reverse thrust waaraan de niet geïsoleerde woning van eiser is blootgesteld van een dermate hoog niveau is dat dit minst genomen heel dicht in de buurt komt van het niveau waarvan de overheid het onwenselijk vond om er mensen (niet geïsoleerd) te laten wonen. Ook op dit punt verkeert eiser in een bijzondere situatie.

9.7

Tot slot blijkt uit het rapport van [naam 1] van 1 februari 2018, waarbij gebruik is gemaakt van de meetgegevens die ten grondslag liggen aan het [naam adviesbureau 1] rapport van 3 november 2016, dat de bij een aantal landingen gemeten maximale geluidsniveaus de vastgestelde richt- en grenswaarden fors worden overschreden, zowel in de dagperiode als in de avond- en nachtperiode. Dat betekent dat eiser wordt blootgesteld aan excessieve geluidspieken, waardoor op dat moment bijvoorbeeld een normaal gesprek niet meer mogelijk is en slaapverstoring kan optreden. Voor andere woningen die te maken hebben met vliegtuiglawaai is dat niet of in veel mindere mate het geval.

9.8

De rechtbank is van oordeel dat deze bijzondere omstandigheden tezamen tot de conclusie leiden dat de lineaire benadering in deze zaak niet toegepast dient te worden. Dit betekent dat deze beroepsgrond van eiser slaagt. Verweerder zal een nieuwe beslissing op de bezwaren van eiser moeten nemen. Bij de schadeberekening dient uitgangspunt te zijn wat een redelijk denkend en handelend koper voor de onroerende zaak zou hebben betaald op de peildatum, na de planologische wijziging, met inachtneming van de genoemde bijzondere omstandigheden. Bij de bepaling van de waarde die nog aan de woning toegekend kan worden, voor zover die er nog is, dient de slechte staat van onderhoud van de woning en het vrijwel ontbreken van isolatie in aanmerking te worden genomen. Verder dient bij het bepalen van de waarde van de grond en de aanwezige bouwmogelijkheden, in elk geval inzichtelijk te worden gemaakt in hoeverre de bouwkosten worden beïnvloedt door de vermoedelijk benodigde extra isolatie. Daarbij dient te worden toegelicht welke invloed dit heeft op de prijs die een redelijk denkend en handelend koper bereid zou zijn te betalen.

9.9

Eisers beroepsgrond dat verweerder het taxatierapport van [naam adviesbureau 2] niet terzijde had mogen schuiven en daarin aanleiding had moeten zien een nader advies aan de Adviescommissie te vragen, behoeft gelet op deze uitkomst geen bespreking meer.

Deskundigenrapport grondgeluid

10.1

Eiser voert verder aan dat verweerder zich niet op het rapport van [naam adviesbureau 1] van 3 november 2016 heeft mogen baseren voor de berekening van het grondgeluid, omdat dit rapport onjuist is en onzorgvuldig tot stand is gekomen. [naam 1] heeft op diverse punten gefundeerde kritiek geleverd op dit rapport. Verder is het maar de vraag hoe onafhankelijk [naam adviesbureau 1] is, omdat er mailcontacten zijn tussen verweerder en [naam adviesbureau 1] , waarin eiser niet is betrokken en waarin [naam 2] uitlatingen doet die twijfel doen rijzen aan diens onafhankelijkheid, aldus eiser.

10.2

De rechtbank overweegt als volgt. Er is geen aanleiding de onafhankelijkheid van [naam adviesbureau 1] in twijfel te trekken. De omstandigheid dat er tussen [naam adviesbureau 1] en verweerder als opdrachtgever contact is geweest in het kader van de vraag of er nog een extra meting uitgevoerd moet worden, is daarvoor onvoldoende. De daarbij door [naam 2] gemaakte opmerking dat er bij de eerdere metingen nauwelijks grote vrachtvliegtuigen zijn geland en dat je je dan kunt afvragen ‘waar we het dan over [hebben] als het blijkbaar zo incidenteel voorkomt’, maakt dat niet anders. De meetresultaten veranderen er niet door en het is uiteindelijk ook niet [naam 2] maar de Adviescommissie [naam adviescommissie 2] die verweerder adviseert over de schade die het gevolg is van het grondgeluid.

10.3

Voor wat betreft de gestelde onjuistheden en onzorgvuldigheden in het [naam adviesbureau 1] rapport constateert [naam 1] in zijn rapport van 1 februari 2018 onder meer dat de metingen van [naam adviesbureau 1] in strijd zijn met het meetprotocol, omdat alleen in het midden van eisers slaapkamer is gemeten in plaats van (ook) in de hoeken. Verder zijn de meetperiodes zo lang dat de gemiddelden lager uitvallen. Ook zijn er buiten metingen verricht, terwijl het gaat om de geluidsbelasting in de woning. Daar komt nog bij dat de “Vercammen geen” curve of de “Vercammen 20 dB(A)” curve toegepast had moeten worden, aldus [naam 1] .

10.4

De rechtbank stelt vast dat [naam adviesbureau 1] metingen heeft uitgevoerd in de slaapkamer van eiser. Uit de bij het rapport gevoegde foto’s blijkt dat de meetapparatuur naast het bed van eiser is opgesteld, enigszins uit het midden en wat meer in de hoek van de slaapkamer. Gelet op het schuine dak is het niet aannemelijk dat eiser zich veel verder in de hoek van de slaapkamer zal ophouden. Daar wordt het dak te laag om te kunnen staan. Zijn bed staat ook niet in de hoek. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk dat vanwege de gekozen meetpositie geen juist inzicht is verkregen in de geluidsbelasting binnenshuis.

10.5

Voor wat betreft de meetperioden heeft [naam 2] op de zitting toereikend toegelicht dat in zijn rapport weliswaar gemiddelden zijn opgenomen ter informatie, maar dat die gemiddelden niet zijn gebruikt voor de berekening van de geluidsbelasting door grondgeluid. Datzelfde geldt voor de metingen die buiten zijn verricht. Deze resultaten hiervan zijn genoemd in het rapport, maar niet gebruikt bij de berekeningen. Ook op dit punt is het rapport van [naam adviesbureau 1] niet onjuist of onzorgvuldig.

10.6

Verder overweegt de rechtbank het volgende ten aanzien van de verschillende Vercammen-curven. De Adviescommissie [naam adviescommissie 2] neemt tot uitgangspunt voor het bepalen van de eventuele waardevermindering van de woning van eiser als gevolg van grondgeluid, de ligging van de woning ten opzichte van de “Vercammen 3-10%” curve, die aangeeft wanneer ten minste 3 tot 10% van de doorsneebevolking hinder van laagfrequent geluid ondervindt. Zoals deze rechtbank eerder in andere zaken heeft overwogen is het niet onredelijk dat de “Vercammen 3-10%” curve wordt gebruikt als maatstaf om te bepalen of sprake is van een dusdanige hinder dat geconcludeerd moet worden tot een waardedaling van de woningen, omdat bij een overschrijding van deze curve 3 tot 10% van de doorsnee bevolking het geluid als hinderlijk ervaart (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 augustus 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:6702). De andere Vercammen-curven zijn voor de bedoelde beoordeling onvoldoende bruikbaar, omdat deze curven de gemiddelde gehoorgrens volgen en niets zeggen over de mate van ervaren hinder. Overschrijding van deze laatste twee curven leidt ertoe dat laagfrequent geluid weliswaar hoorbaar is, maar dat hoeft nog niet te betekenen dat dit geluid ook als hinderlijk wordt ervaren. Niet gebleken is dat het daarbij uitmaakt of laagfrequent geluid in avond- of nachturen ervaren wordt. Bij overschrijding van de “Vercammen 3-10%” curve wordt het grondgeluid door een niet heel geringe groep als hinderlijk ervaren. Daarmee is de omvang van deze hinder zodanig dat aannemelijk is dat overschrijding leidt tot een waardedaling van de woningen. Een andere geobjectiveerde maatstaf van ervaren hinder door grondgeluid in relatie tot waardedaling van woningen is niet beschikbaar. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat ook overschrijding van de “Vercammen geen” curve of de “Vercammen 20 dB(A)” curve leidt tot een waardedaling van de woning.

10.7

[naam 1] heeft verder kritiek geuit op het feit dat [naam adviesbureau 1] slechts metingen heeft uitgevoerd in de zomerperiode, bij droog weer en met gewassen op de velden. Deze kritiek treft wél doel. De rechtbank acht het, zoals ook is overwogen in de uitspraak van 8 augustus 2017, in beginsel begrijpelijk dat [naam adviesbureau 1] niet alleen gebruik maakt van metingen tijdens de meest ongunstige (weers)omstandigheden voor grondgeluidhinder. Extremen zullen zich immers weinig voordoen, waardoor te verwachten valt dat de invloed van hinder door grondgeluid in de meest ongunstige situaties op de waarde van de woning gering is. Maar in dit geval heeft [naam adviesbureau 1] ten onrechte uitsluitend meetgegevens uit het tijdvak juni-juli bij de beoordeling betrokken. Daardoor is een groot deel van het jaar buiten beschouwing gebleven, terwijl niet in geschil is dat bij koud weer, minder begroeiing en een hardere of nattere ondergrond het niveau van het grondgeluid hoger kan zijn. Door geen metingen tijdens het koudere en nattere deel van het jaar bij de beoordeling te betrekken, valt niet uit te sluiten dat [naam adviesbureau 1] geen representatief beeld heeft kunnen krijgen van het grondgeluid jaarrond, waardoor de hinder ten gevolge van het grondgeluid mogelijk is onderschat. Dat maakt dat kan worden getwijfeld aan de juistheid en volledigheid van de rapportage van [naam adviesbureau 1] en de daarin getrokken conclusies.

10.8

Het vorenstaande betekent dat verweerder het op het rapport van [naam adviesbureau 1] van 3 november 2016 gebaseerde Advies [naam adviescommissie 2] niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. De beroepsgrond van eiser slaagt. [naam adviesbureau 1] zal om het beeld te completeren één of meerdere metingen moeten uitvoeren in de herfst- of winterperiode, onder de genoemde omstandigheden.

Overige schadeposten

11.1

Eiser stelt verder immateriële schade, schade als huurder en inkomensschade te hebben geleden door de aanleg van de vijfde baan. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

11.2

Bij de beoordeling van een verzoek om planschadevergoeding spelen subjectieve elementen, zoals een negatieve gevoelswaarde bij een bestemming, geen rol. Er is geen plaats voor een afzonderlijke vergoeding van immateriële schade wegens verminderd woongenot. Het gekapitaliseerde, in objectieve zin verminderde woongenot is al in de waardevermindering begrepen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 13 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO0241. Verder is causaal verband tussen de gestelde psychische problematiek en de inwerkingtreding van het bestemmingsplan “Schiphol-West e.o.” niet aannemelijk geworden.

11.3

Verweerder stelt zich voor wat betreft huurschade van eiser terecht op het standpunt dat het schadeverzoek is verjaard voor zover het betrekking heeft op huurschade onder het vierbanenstelsel. De verjaringstermijn voor het indienen van een schadeverzoek voor die schade verliep namelijk op 17 oktober 2007 en het verzoek is ingediend op 20 augustus 2009 (zie de uitspraak van de Afdeling van 9 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU3717).

Voor zover het verzoek betrekking heeft op huurschade als gevolg van de aanleg van de Polderbaan, heeft te gelden dat deze schade op andere wijze verzekerd is. Eiser had destijds namelijk om huurverlaging kunnen verzoeken en dat heeft hij, zoals eiser op de zitting heeft bevestigd, niet gedaan.

11.4

Verder is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden dat de gestelde inkomensschade van eiser het gevolg is van het in werking treden van het bestemmingsplan “Schiphol-West e.o.” per 29 april 1999. De bedrijfsresultaten van eiser liepen in de jaren daarvoor namelijk ook al terug. Bovendien is de Polderbaan feitelijk pas eind 2003 in gebruik genomen, terwijl de gestelde inkomensschade de periode van 1989 tot en met 2003 beloopt.

11.5

De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat verweerder zich in navolging van de Adviescommissie [naam adviescommissie 1] op het standpunt heeft mogen stellen dat deze schadeposten niet voor vergoeding in aanmerking komen.

12.1

Eiser voert verder aan dat hij voor nadeelcompensatie in aanmerking dient te komen. Er is een speciale last op hem komen te rusten, omdat aan overige burgers rondom Schiphol bescherming is geboden tegen geluidshinder en aan hem niet. Eisers woning is immers niet voor isolatie in aanmerking gekomen, aldus eiser.

12.2

Op de zitting is verduidelijkt dat dit betoog een subsidiair standpunt betreft, voor het geval eisers primaire betoog dat bij de schadeberekening ten onrechte geen rekening is gehouden met de niet-geïsoleerde staat van de woning, niet zou slagen. Nu de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld dat die beroepsgrond slaagt, behoeft deze beroepsgrond geen bespreking meer.

13. Eiser verzoekt tot slot vergoeding van de aanloopkosten van de geplande, maar nooit gerealiseerde, nieuwbouw op het perceel. Verweerder heeft deze kosten naar het oordeel van de rechtbank mogen afwijzen, omdat deze kosten geen gevolg zijn van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan “Schiphol-West e.o.”.

Redelijke termijn

14.1

Eiser doet een beroep op overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank overweegt daarover het volgende.

14.2

In procedures als deze mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep bij de rechtbank ten hoogste anderhalf jaar duren. Doorgaans zal geen sprake zijn van een overschrijding van de redelijke termijn, indien de fase van bezwaar en beroep gezamenlijk niet langer dan twee jaar heeft geduurd. In deze zaak is er geen aanleiding van die termijn af te wijken. In beginsel is een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn is overschreden. De te beoordelen periode vangt aan op de datum waarop het bezwaarschrift is ingediend en loopt door tot de datum waarop de rechtbank in eerste aanleg uitspraak doet.

14.3

Het bezwaarschrift is ontvangen op 1 juni 2015. De rechtbank doet uitspraak op 5 juli 2018. Dit betekent dat de redelijke termijn met een periode van ruim dertien maanden is overschreden. Uitgaande van een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, brengt dit mee dat recht bestaat op € 1.500,- schadevergoeding. De overschrijding van de redelijke termijn moet in dit geval geheel aan verweerder worden toegerekend, omdat de vertraging in de bezwaarfase is opgetreden. De rechtbank heeft ruim binnen de termijn van anderhalf jaar voor behandeling van het beroep uitspraak gedaan.

Kosten in de aanvraagfase en in bezwaar

15.1

Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte de kosten van juridische bijstand in de aanvraagfase niet heeft vergoed en dat verweerder bij de vaststelling van de vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase ten onrechte niet is afgeweken van de forfaitaire vergoeding en niet de werkelijke kosten heeft vergoed.

15.2

Eiser heeft zich in de aanvraagfase laten bijstaan door de huidige gemachtigde, destijds werkzaam bij [naam 6] adviseurs en accountants ( [naam 6] ). De rechtbank acht de inschakeling van rechtsbijstand door eiser in de aanvraagfase redelijk. Welke werkzaamheden [naam 6] in de aanvraagfase voor eiser heeft verricht, is door eiser niet onderbouwd en blijkt voor het grootste deel ook niet uit de overgelegde facturen. De gefactureerde ‘juridische werkzaamheden’ kunnen namelijk ook op andere procedures en werkzaamheden zien, zoals een kennelijk door eiser gevoerde bestemmingsplanprocedure.

De factuur van 2 augustus 2013 vermeldt voor wat betreft de periode tot en met juni 2013 een bedrag van € 363,40 voor ‘Aanvraag bij Schadeschap luchthaven Schiphol’. Dit lijkt verband te houden met de op 3 mei 2013 bij verweerder binnengekomen reactie van eiser op het conceptadvies van de Adviescommissie [naam adviescommissie 1] . Eiser schrijft in deze reactie dat hij bij het opstellen daarvan is bijgestaan door de gemachtigde. Deze factuur komt daarom voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de omvang van de verrichte werkzaamheden (3,6 uur) niet redelijk is of dat het gehanteerde uurtarief (ongeveer € 100,- per uur) niet redelijk is. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat een bedrag van € 439,71 (inclusief BTW) voor tijdens de aanvraagfase gemaakte kosten dient te worden toegewezen. In zoverre slaagt deze beroepsgrond. De rechtbank zal op dit punt zelf in de zaak voorzien door verweerder te veroordelen deze kosten aan eiser te vergoeden.

16. De kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase komen op grond van artikel 7:15 van de Awb voor vergoeding in aanmerking. De hoogte van deze kosten wordt bepaald op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). De rechtbank ziet geen aanleiding het Besluit niet toe te passen en gaat daarom voorbij aan declaraties van de gemachtigde. Verweerder heeft aan eiser een bedrag toegekend van € 742,50, gebaseerd op 1 punt voor het verschijnen bij de hoorzitting en 0,5 punt voor de reactie op het Nader Advies [naam adviescommissie 2] , bij een gemiddelde zwaarte van de zaak en een vergoeding van € 495,- per punt. De rechtbank acht dit niet onjuist. Het betoog van eiser slaagt niet.

17. Eiser voert tot slot aan dat verweerder ten onrechte een lagere vergoeding voor de kosten van de inschakeling van deskundige [naam adviesbureau 2] in de bezwaarfase heeft toegekend.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder deze kosten heeft mogen afwijzen op de grond dat deze hoog voor komen en niet gespecificeerd zijn. Ook in beroep is geen specificatie naar uurtarief en het aantal bestede uren ingebracht. De tijdsbesteding van 24,5 uur, waar verweerder bij de toekenning vanuit is gegaan, is door eiser niet weersproken. Mede in aanmerking genomen de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2014, ECLI:RVS:2014:2592, 11 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:336, 3 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:222 en van 15 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1650, is de rechtbank van oordeel dat verweerder daarom in dit geval een forfaitair bedrag van € 75,- per uur voor het inroepen van een deskundige door eiser heeft kunnen hanteren. De rechtbank acht de tijdsbesteding waar verweerder vanuit is gegaan ook niet onredelijk. Het betoog van eiser slaagt dus niet.

Conclusie

18. Het beroep tegen het bestreden besluit is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder dient met inachtneming van deze uitspraak, en dan met name de overwegingen 9.4 tot en met 9.8, 10.7 en 10.8, een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van eiser. Verweerder dient zich opnieuw te beraden op de vaststelling van de waardevermindering van de woning van eiser en zal nieuw advies moeten inwinnen en aanvullend onderzoek moeten laten uitvoeren naar grondgeluid door de reverse thrust. De rechtbank acht het verder wenselijk dat partijen de gelegenheid krijgen hoger beroep in te stellen tegen het oordeel van de rechtbank, voordat extra kosten worden gemaakt en tijd wordt besteed aan advisering en onderzoek. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding voor het toepassen van de bestuurlijke lus en gaat de opdracht opnieuw te beslissen pas in na het onherroepelijk worden van deze uitspraak.

19. Eiser heeft verzocht te bepalen dat verweerder een dwangsom verbeurt indien niet binnen de daarvoor te stellen termijn een nieuw besluit wordt genomen. De rechtbank ziet daarvoor geen aanleiding. Verweerder zal nieuw advies moeten inwinnen en aanvullend onderzoek moeten laten uitvoeren alvorens een nieuw besluit kan worden genomen. Gelet daarop heeft verweerder slechts gedeeltelijk in eigen hand of aan de door de rechtbank te stellen termijn wordt voldaan en is het verbinden van een dwangsom daaraan op dit moment niet passend.

Kosten in beroep

20. Eiser verzoekt vergoeding van de kosten van de deskundige [naam 1] die hij in beroep heeft ingeschakeld. Met betrekking tot de werkzaamheden van [naam 1] heeft eiser twee facturen overgelegd van de Nederlandse Stichting Geluidshinder van 5 februari 2018 en van 28 februari 2018. Vanwege de rapportages die [naam 1] heeft uitgebracht, komen deze kosten tot een bedrag van in totaal € 6.382,75 (inclusief BTW) voor vergoeding in aanmerking. Verder heeft eiser zich ter zitting door [naam 1] als deskundige laten bijstaan. Ook de kosten daarvan komen voor vergoeding in aanmerking. [naam 1] heeft ter zitting laten weten dat zijn uurtarief € 90,- (exclusief BTW) bedraagt. De rechtbank stelt de vergoeding voor zijn aanwezigheid vast op basis van 5 uur aanwezigheid op de twee zittingen, 2 uur voorbereidingstijd, en totaal 7 uur reistijd (Holten-Haarlem). De vergoeding daarvoor bedraagt dan € 1.524,60 (inclusief BTW).

De rechtbank gaat voorbij aan het betoog van verweerder dat de kosten in verband met de tweede zitting niet voor vergoeding in aanmerking komen. De zitting van 15 februari 2018 is aangehouden omdat eiser kort voor de zitting het rapport van [naam 1] had ingediend en verweerder nog de gelegenheid wenste te krijgen daarop schriftelijk te reageren. De reden voor de late indiening van de rapporten van [naam 1] is gelegen in het feit dat eiser de meetgegevens van [naam adviesbureau 1] uit 2016 pas half december 2017 heeft ontvangen. Dat een tweede zitting nodig was, kan eiser dus niet tegengeworpen worden. Ook die kosten komen daarom voor vergoeding in aanmerking.

21. De rechtbank veroordeelt verweerder in de gemaakte proceskosten in beroep. De rechtbank ziet ook hier geen aanleiding het Besluit niet toe te passen en stelt de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.252,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de eerste zitting en 0,5 punt voor het verschijnen op de tweede zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1). Hetgeen bij de deskundigenkosten is overwogen over de tweede zitting, is ook hier van toepassing.

22. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van eiser, uiterlijk binnen zesentwintig weken na het onherroepelijk worden van deze uitspraak, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

veroordeelt verweerder tot vergoeding aan eiser van:
- door eiser geleden immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 1.500,-;
- door eiser in de aanvraagfase gemaakte kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, tot een bedrag van € 439,71;
- door eiser in verband met de behandeling van zijn beroep gemaakte deskundigenkosten, tot een bedrag van € 7.907,65;
- door eiser in verband met de behandeling van zijn beroep gemaakte kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, tot een bedrag van € 1.252,50;

draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiser te vergoeden;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Drenth, voorzitter, en mr. W.J.A.M. van Brussel en mr. S.M. van Velsen, leden, in aanwezigheid van mr. M. van Excel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.