Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:6282

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-07-2018
Datum publicatie
13-08-2018
Zaaknummer
AWB - 16 _ 3103
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gelet op de door verweerder ontvangen fotokopieën van microfiches en de door verweerder uitgevoerde identificatie die erin resulteerde dat eiser als rekeninghouder van voormelde rekening kon worden aangewezen, welke identificatie is bevestigd door Gerechtshof Den Haag in zijn uitspraak van 26 oktober 2012, bestond er voor verweerder voldoende aanleiding om eiser, nu dit ook voor de belastingheffing voor het jaar 2012 van belang kan zijn, nadere inlichtingen te vragen omtrent de hiervoor genoemde rekening bij A BANK. Eiser heeft onvoldoende inspanning geleverd om zijn vermeende gebrek aan kennis op te heffen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 47
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 14-08-2018
V-N Vandaag 2018/1724
FutD 2018-2227
V-N 2018/49.19.4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 16/3103

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 juli 2018 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser

(gemachtigde: mr. J.H. Sligchers),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 28 september 2015 een informatiebeschikking afgegeven met betrekking tot de op te leggen aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekering (ib/pvv) voor het jaar 2012.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 9 mei 2016 de informatiebeschikking gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 30 april 2018 heeft verweerder nadere stukken ingezonden. Een afschrift daarvan is aan eiser gezonden. Bij brief van 4 mei 2018 heeft eiser een nader stuk ingezonden. Een afschrift daarvan is aan verweerder gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2018 te Haarlem.

Namens eiser is verschenen mr. J.H. Sligchers. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door K.H. Kippersluis en mr. D.P. Laansma.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] .

2. Verweerder heeft fotokopieën van microfiches ontvangen inzake een bij [A BANK] (hierna: [A BANK] ) aangehouden rekening met rekeningnummer [A NUMMER] , met daarop een totaalsaldo per 31 december 1994 van fl 97.088. Verweerder heeft eiser geïdentificeerd als rekeninghouder.

3. Naar aanleiding van de hiervoor genoemde fotokopieën van microfiches zijn navorderingsaanslagen ib/pvv 1990 tot en met 2000 en navorderingsaanslagen vermogensbelasting 1991 tot en met 2000 opgelegd. Voor de jaren 2001 tot en met 2011 zijn de aangiften ib/pvv gecorrigeerd.

4. Met betrekking tot de onder 3 vermelde navorderingsaanslagen heeft het Gerechtshof Amsterdam op 10 juni 2010 (kenmerk: P04/03032), onder meer geoordeeld dat eiser terecht is geïdentificeerd als rekeninghouder van genoemde rekening. De Hoge Raad heeft bij arrest van 21 oktober 2011, nr. 10/03314, het geding verwezen naar het Gerechtshof Den Haag. Het Gerechtshof Den Haag heeft in zijn uitspraak van 26 oktober 2012, nummer BK-11/00830, geoordeeld dat de identificatie juist is.

5. Eiser heeft op 30 april 2014 aangifte ib/pvv over 2012 gedaan. In deze aangifte heeft eiser geen buitenlands vermogen aangegeven.

6. Naar aanleiding van de aangifte ib/pvv 2012 heeft verweerder bij brief van 18 augustus 2015 vragen gesteld over het aanhouden van vermogen in het buitenland, in het bijzonder over de onder 2 genoemde rekening bij [A BANK] . In deze brief zijn de volgende vragen gesteld:

“(…)

Om te kunnen beoordelen wat het verloop van de buitenlandse rekening is, verzoek ik u mij de volgende informatie te sturen:

- Wordt de rekening in 2012 nog steeds aangehouden?

- Zo ja, wat is het saldo inclusief onderliggende sub- en beleggingsrekeningen op 1 januari 2012?

- Indien niet langer vermogen in het buitenland wordt aangehouden, wanneer en op welke binnenlandse rekening is dit vermogen gestort of waar zijn de opnames voor aan gewend? Met ingang van welke datum is de rekening opgeheven?

- alle bescheiden over de buitenlandse bankrekening(en)

(…)”

7. Eiser heeft in antwoord op voormelde brief van verweerder bij brief van 7 september 2015 - voor zover hier van belang - het volgende bericht:

“De rekening die u noemt, rekening [A NUMMER] bij de [A BANK] , wordt door cliënt in 2012 niet aangehouden. Cliënt verwijst u naar de in afschrift bijgevoegde brieven die cliënt, desgevraagd door tussenkomst van zijn raadsman, mr. M.E. van Huet, van de [A BANK] heeft ontvangen:

1. de brief van 26 februari 2015, waaruit blijkt dat de door u genoemde rekening per 24 oktober 2001 definitief is gesloten in de boeken van de [A BANK] ;

2. de brief van 24 maart 2015, waarin het voorgaande — na grondig onderzoek door de [A BANK] — wordt bevestigd en tevens wordt vermeld dat de brief niet kan worden opgevat als een bevestiging dat cliënt is aan te merken als voormalig gerechtigde tot die rekening. Immers, ook de gegevens omtrent de identiteit van de gerechtigde tot die rekening zijn door de [A BANK] vernietigd.

Als gevolg van het voorgaande is mijn cliënt niet in staat tot het overleggen van méér gegevens ter zake van rekening [A NUMMER] .”

8. Verweerder heeft met dagtekening 28 september 2015 de in geding zijnde informatiebeschikking vastgesteld. In de beschikking is vastgesteld dat eiser niet heeft voldaan aan de op hem rustende informatieplicht ingevolge de artikelen 47 en 49 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en dat de vragen in de brief van 18 augustus 2015 niet volledig zijn beantwoord. De informatiebeschikking vermeldt dienaangaande het volgende:

“Voor de heffing is het van belang dat bekend wordt wat er met de aanwezige saldi op 24 oktober 2001 op de rekening in het buitenland is geschied. De verklaring van de bank van het tijdstip van opheffing van de rekening heb ik ontvangen. De verklaring waar de gelden en/of waardepapieren na opheffing van de rekening onder nummer [A NUMMER] heen zijn gegaan heb ik nog niet ontvangen.”

Geschil
9. In geschil is of verweerder terecht een informatiebeschikking heeft afgegeven.

10. Eiser stelt zich op het standpunt dat de informatiebeschikking niet in stand kan blijven, primair omdat hij de gestelde vragen bij brief van 7 september 2015 afdoende meent te hebben beantwoord. Hij stelt dat hij geen kennis draagt van stortingen op een binnenlandse rekening of aanwending van opnames van genoemde rekening. Verweerder is nu bezig met een ’fishing expedition’ omdat verweerder niet aannemelijk maakt dat eiser in 2012 over ander vermogen beschikt dan uit zijn aangifte blijkt.

Subsidiair stelt eiser dat de informatiebeschikking niet in stand kan blijven, omdat het mogelijk niet-voldoen aan de informatieverplichtingen aan hem niet kan worden aangerekend in verband met ernstige belemmeringen van fysieke en psychische aard.

11. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de gevraagde gegevens en inlichtingen niet of niet volledig zijn verstrekt. Eiser heeft niet aangegeven of de tegoeden op een andere rekening zijn gestort en evenmin waarvoor het opgenomen bedrag is aangewend, zo stelt verweerder.

Verweerder betwist de gestelde ernstige belemmeringen van fysieke en psychische aard, stelt dat eiser in staat moet zijn geweest de in de brief van 18 augustus 2015 gestelde vragen te beantwoorden en wijst daarbij op de in de aangifte ib/pvv 2012 vermelde dienstbetrekking bij het [A SCHOOL] .

12. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

13. Ingevolge artikel 52a, eerste lid, van de AWR kan de inspecteur, indien met betrekking tot een op te leggen aanslag, navorderingsaanslag of naheffingsaanslag of een te nemen beschikking niet of niet volledig wordt voldaan aan de verplichtingen ingevolge artikel 41, 47, 47a, 49, 52, dit vaststellen bij voor bezwaar vatbare beschikking (informatiebeschikking). De inspecteur wijst, aldus dat artikellid, in de informatiebeschikking op artikel 25, derde lid, van de AWR.

14. Artikel 47, eerste lid, van de AWR bepaalt het volgende:

"Ieder is gehouden desgevraagd aan de inspecteur:

a. de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn;

b. de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan - zulks ter keuze van de inspecteur - waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen."

15. Ingevolge artikel 49, eerste lid, van de AWR dienen de gegevens en inlichtingen duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te worden verstrekt, mondeling, schriftelijk of op andere wijze - zulks ter keuze van de inspecteur - en binnen een door de inspecteur te stellen termijn.

16. In artikel 25, derde lid, van de AWR is bepaald:

"Indien het bezwaar is gericht tegen een aanslag, een navorderingsaanslag, een naheffingsaanslag of een beschikking, met betrekking tot welke de vereiste aangifte niet is gedaan of sprake is van een onherroepelijk geworden informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a, eerste lid, wordt bij de uitspraak op het bezwaarschrift de belastingaanslag of beschikking gehandhaafd, tenzij is gebleken dat en in hoeverre die belastingaanslag of beschikking onjuist is. (…)"

17. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem gevraagde informatie voor de belastingheffing van eiser voor het jaar 2012 van belang kan zijn. Voor de aanwezigheid van een belang als bedoeld in artikel 47 van de AWR is namelijk slechts vereist dat het gevraagde op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing van de betrokken belastingplichtige (vgl. Hoge Raad 8 januari 1986, nr. 23 034, ECLI:NL:HR:1986:AW8125). Gelet op de door verweerder ontvangen fotokopieën van microfiches en de door verweerder uitgevoerde identificatie die erin resulteerde dat eiser als rekeninghouder van voormelde rekening kon worden aangewezen, welke identificatie is bevestigd door Gerechtshof Den Haag in zijn uitspraak van 26 oktober 2012, bestond er voor verweerder voldoende aanleiding om eiser, nu dit ook voor de belastingheffing voor het jaar 2012 van belang kan zijn, nadere inlichtingen te vragen omtrent de hiervoor genoemde rekening bij [A BANK] . Anders dan eiser stelt, is er geen sprake van een ‘fishing expedition’ nu de vragen gericht zijn op de bestemming van het tegoed op de specifiek aangeduide rekening [A NUMMER] .

18. Vervolgens komt de vraag aan de orde of eiser bij brief van 7 september 2015 reeds voldaan heeft aan zijn informatieverplichtingen. De vragen gesteld in de vragenbrief van 18 augustus 2015, waarnaar de informatiebeschikking verwijst, kunnen niet anders worden begrepen dan dat naar de bestemming van het tegoed op de per 24 oktober 2001 opgeheven rekening [A NUMMER] en de onderliggende stukken is gevraagd. Eiser heeft volstaan met het overleggen van een brief van [A BANK] waaruit blijkt dat de rekening per 24 oktober 2001 is opgeheven. Eiser heeft niets vermeld met betrekking tot de hoogte van het saldo op het moment van opheffing en evenmin aangegeven waar het tegoed is gebleven, bijvoorbeeld op welke wijze de gelden zijn aangewend dan wel op welke rekening het tegoed is gestort. Eiser heeft hiermee de gestelde vragen niet afdoende beantwoord.

19. Ten aanzien van het subsidiaire standpunt van eiser overweegt de rechtbank als volgt. In zijn arrest van 13 november 2015, nr. 15/0014, ECLI:NL:HR:2015:3273 heeft de Hoge Raad geoordeeld:

“2.3.1. (…) dat het niet-voldoen aan verplichtingen zoals in artikel 47, lid 1, AWR genoemd zonder nadelige gevolgen voor de belastingplichtige moet blijven indien het niet naleven van het wettelijk voorschrift hem niet kan worden aangerekend. De vraag of bedoelde nadelige gevolgen voor de belastingplichtige achterwege dienen te blijven, zal moeten worden beantwoord met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de in artikel 47, lid 1, AWR voorziene medewerking die de inspecteur verlangt. Voor zover die medewerking neerkomt op het mondeling of schriftelijk afleggen van een verklaring, zullen ernstige belemmeringen van fysieke en/of psychische aard onder omstandigheden toereikende grond kunnen zijn voor een bevestigende beantwoording van die vraag.

Voor zover de inspecteur verlangt dat de belanghebbende hem specifiek aangeduide bescheiden of op gegevensdragers vastgelegde informatie ter beschikking stelt, zal de vorenbedoelde vraag ontkennend moeten worden beantwoord indien de betrokkene, gelet op de omstandigheden van het geval, een beroep had kunnen en behoren te doen op de bijstand van een derde, en door diens tussenkomst (tijdig) aan het verzoek had kunnen worden voldaan.”

20. De rechtbank is van oordeel dat eiser, in het licht van de gemotiveerde weerspreking door verweerder, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet in staat is (geweest) de door verweerder gevraagde informatie te verstrekken. De rechtbank voegt hieraan toe dat, anders dan eiser kennelijk meent, ook is gevraagd naar bescheiden over andere buitenlandse bankrekeningen waarop het tegoed van rekening [A NUMMER] kon zijn gestort. Voor zover eiser ervan uitgaat dat hem niet is gevraagd naar dergelijk wilsonafhankelijk materiaal, volgt de rechtbank hem dus niet. Met het overleggen van de nadere stukken over andere buitenlandse rekeningen heeft verweerder er overigens ook op gewezen dat sprake moet zijn van dergelijk materiaal. Weliswaar heeft eiser zich enige inspanning getroost door beroep te doen op bijstand van een derde, en door diens tussenkomst [A BANK] te vragen naar een bevestiging van de opheffing van rekeningnummer [A NUMMER] , maar door niet ook te (laten) vragen naar andere rekeningnummers op zijn naam waarop het tegoed kan zijn gestort, heeft hij onvoldoende inspanning geleverd om zijn vermeende gebrek aan kennis op te heffen. Het niet-voldoen aan de informatieverplichtingen dient eiser gelet op dit een en ander te worden aangerekend.

21. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat verweerder de informatiebeschikking terecht heeft afgegeven. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.

22. Gelet op artikel 27e, tweede lid, van de AWR zal de rechtbank eiser een nieuwe termijn van vier weken stellen om alsnog de in de informatiebeschikking gevraagde informatie te verstrekken. Deze termijn begint te lopen vanaf de dag na die waarop deze uitspraak onherroepelijk is geworden.

Proceskosten

23. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- stelt eiser een termijn van vier weken, gerekend vanaf de dag na die waarop deze uitspraak onherroepelijk is geworden, om alsnog de in de informatiebeschikking gevraagde informatie te verstrekken.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. R.A.J.C. de Haas, voorzitter, en mr. A.A. Fase en
mr. S.K.A. Efstratiades, leden, in aanwezigheid van mr. M.C. Anema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.