Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:6263

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
19-07-2018
Datum publicatie
22-08-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 4822
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontslag directeur basisschool wegens verstoorde arbeidsverhoudingen in overwegende mate aan bestuursorgaan te wijten. Rechtbank kent plus-vergoeding toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 17/4822

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 juli 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.G. Jansen),

en

het college van bestuur van de Stichting Zaan Primair voor Openbaar en (Voortgezet) Speciaal Onderwijs, verweerder

(gemachtigde: mr. V.G.A. Kellenaar).

Procesverloop

Bij besluit van 20 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het dienstverband met eiseres met ingang van 1 augustus 2017 beëindigd.

Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt en verweerder verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter. Verweerder heeft daarmee ingestemd en het bezwaarschrift doorgezonden aan de rechtbank.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en drs. [naam 1] (teamleider P&O).

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Eiseres is per 1 augustus 2014 aangesteld in de functie van directeur aan de door verweerder in stand gehouden basisscholen. Tot 1 januari 2016 heeft zij gewerkt als directeur op de OBS de Jagersplas. Vervolgens is zij overgeplaatst naar de OBS Het Eiland.

1.2

Op 3 februari 2016 heeft een gesprek plaatsgehad waarin werd teruggekeken op de periode op OBS de Jagersplas. Op 23 mei 2016 heeft een functioneringsgesprek plaatsgevonden. In het verslag van dat gesprek worden aandachts- en ontwikkelpunten genoemd, maar zijn geen concrete afspraken gemaakt.

1.3

Op 27 januari 2017 heeft een beoordelingsgesprek plaatsgevonden. Een drietal competenties, organisatieontwikkeling, zelfsturing en daadkracht, zijn als matig beoordeeld. Afgesproken is dat eiseres een (nieuwe) coach zal benaderen.

1.4

OBS Het Eiland is begin 2017 beoordeeld door de visitatiecommissie. Op 9 februari 2017 heeft de visitatiecommissie een eerste concept van het visitatierapport bekend gemaakt. Daarop is onder meer door eiseres gereageerd. Het rapport is op 2 maart 2017 vastgesteld.

1.5

Op 17 februari 2017 is P. de Jong door verweerder gepolst om eiseres te vervangen.

1.6

Op 1 en 2 maart 2017 hebben gesprekken tussen eiseres en een vertegenwoordiger van het bestuur, clusterdirecteur [naam 2] (hierna: [naam 2] ) plaatsgevonden. Van die gesprekken is geen verslaglegging voorhanden. Eiseres heeft zich op 5 maart 2017 ziek gemeld. De bedrijfsarts heeft op 4 april 2017 gerapporteerd dat de arbeidsongeschiktheid het gevolg is van een arbeidsconflict dat eerst moet worden opgelost.

1.7

Op 24 mei 2017 heeft verweerder aan eiseres het voornemen kenbaar gemaakt om aan haar ontslag te verlenen, primair gebaseerd op ongeschiktheid van eiseres voor de functie van schooldirecteur en subsidiair op verstoorde verhoudingen. Eiseres heeft een zienswijze ingediend. Verweerder heeft vervolgens het bestreden besluit genomen. Daaraan is uitsluitend de onherstelbaar verstoorde verhouding met werknemers van OBS Het Eiland en collega-directeuren, respectievelijk een onherstelbare vertrouwensbreuk met de clusterdirecteur en het college van bestuur ten grondslag gelegd. Aan het ontslag is de garantie op een uitkering conform de werkloosheidswet verbonden en het recht op een bovenwettelijke uitkering.

2. Het ontslag is gebaseerd op artikel 4.8, eerste lid, aanhef, sub k, van de CAO PO 2016-2017, waarin is bepaald dat de werknemer ontslag kan worden verleend op grond van andere met name genoemde en aan de werknemer schriftelijk meegedeelde redenen van gewichtige aard. Tussen partijen is niet meer in geschil dat die situatie ten tijde van het ontslagbesluit aan de orde was en dat verweerder bevoegd was eiseres ontslag te verlenen.

3. Eiseres betoogt dat de verstoorde verhouding in overwegende mate te wijten is aan verweerder. Zij maakt daarom aanspraak op een passende (plus-)vergoeding van € 14.000,-, een vergoeding voor ondervonden geestelijk leed van € 2.500,- en een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand ter hoogte van € 19.118,-, inclusief omzetbelasting.

4. Verweerder is - kort en zakelijk samengevat - van mening dat hij geen overwegend aandeel heeft in de ontstane situatie, zodat eiseres geen aanspraak kan maken op een plus-vergoeding conform de formule van de Centrale Raad van Beroep (CRvB).

Ook voor een vergoeding van geestelijk leed is naar de mening van verweerder geen aanleiding.

Voor wat betreft de kosten van rechtsbijstand is er geen reden af te wijken van een forfaitaire vergoeding op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

5. Voor toekenning van een vergoeding, naast hetgeen de toepasselijke rechtspositieregeling (als minimum) voorschrijft, bestaat op grond van vaste rechtspraak van de CRvB (zie de uitspraak van 28 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2044) in het algemeen slechts aanleiding als sprake is van een overwegend aandeel van het bestuursorgaan in het ontstaan en het voortbestaan van de verstoorde arbeidsrelatie. Vervolgens is voor de berekening van de hoogte van die vergoeding de mate van het overwegend aandeel van het bestuursorgaan van belang. Daarbij dient een onderscheid te worden gemaakt naar drie bandbreedten: 51 tot 65%, 65 tot 80% en 80 tot 100%, corresponderend met een factor van 0,5, 0,75 en 1. Het is verder redelijk bij de vaststelling van de hoogte van een vergoeding rekening te houden met de hoogte van het maandsalaris en de duur van het dienstverband. Gelet op de voor ambtenaren geldende bovenwettelijke voorzieningen, waaronder de aansluitende uitkering, is er aanleiding de vergoeding te matigen met 50%. Dit leidt tot de volgende, gangbare berekeningsmethode: bruto maandsalaris (inclusief vakantietoeslag) x (aantal dienstjaren gedeeld door 2) x 0,5, 0,75 of 1 van het aandeel.

6. Bij de vaststelling van het aandeel van verweerder in de verstoorde verhoudingen die hier aan de orde zijn, is het volgende in aanmerking genomen. Gelet op hetgeen uit de stukken is gebleken, zoals ook door partijen ter zitting nader toegelicht, neemt de rechtbank als vaststaand aan dat tot aan het gesprek van eiseres met [naam 2] er voor eiseres geen signalen waren dat haar functioneren op de OBS Het Eiland wezenlijk ter discussie stond, laat staan dat verweerder ter zake daarvan rechtspositionele maatregelen overwoog. Weliswaar had op 27 januari 2017 met eiseres een beoordelingsgesprek plaatsgevonden en waren een drietal competenties als matig beoordeeld, maar gesteld noch gebleken is dat eiseres naar aanleiding daarvan de wacht was aangezegd dan wel dat zij had kunnen en moeten begrijpen dat verweerder haar positie binnen de organisatie op korte termijn daarom ernstig zou heroverwegen. Vaststaat dat eiseres in het gesprek op 1 maart 2017 van de clusterdirecteur te horen kreeg dat zij niet langer in haar functie werkzaam zou kunnen blijven als directeur van OBS Het Eiland. De rechtbank neemt als vaststaand aan dat de bevindingen van de visitatiecommissie zoals neergelegd in de rapportage van 9 februari 2017 hiervoor de aanleiding zijn geweest. Wat daar verder ook van zij, dat eiseres door deze mededeling is overvallen is zonder meer te billijken. Vaststaat immers dat deze rapportage vóór het gesprek op 1 maart 2017 door het bestuur niet met eiseres is besproken, en dat van een evaluatie van de bevindingen of een inhoudelijke bezinning daarop nog in het geheel geen sprake was geweest. Dat deze mededeling eiseres niet in de koude kleren is gaan zitten, moet dan ook naar het oordeel van de rechtbank voor rekening en risico van verweerder worden gebracht. Dat eiseres vervolgens in een brief van 26 maart 2017 haar ongenoegen over de gang van zaken heeft geuit, kan haar, mede omdat haar inmiddels bekend was geworden dat verweerder al op 17 februari 2017, dus ruim voor het gesprek van 1 maart 2017, een opvolger voor eiseres had gepolst en ook daadwerkelijk op 6 maart 2017 al had benoemd, bezwaarlijk worden verweten. Anders dan namens verweerder is betoogd, ziet de rechtbank in de bewoordingen van de brief van 26 maart 2017 geen aanleiding voor het oordeel dat eiseres zich daarin op een onheuse of beledigende wijze jegens verweerder heeft geuit. Integendeel, naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres haar standpunt op een zakelijke en neutrale wijze verwoord. Dat eiseres in de brief heeft aangegeven haar aanspraken zo nodig in rechte te zullen afdwingen, doet daaraan niet af. Anders dan verweerder vermag de rechtbank dan ook niet in te zien dat eiseres met haar brief van 26 maart 2017 wezenlijk heeft bijgedragen aan een verdere escalatie van de verstoorde verhouding tussen eiseres en verweerder. Namens verweerder is gesteld dat nadien een poging is gedaan om middels mediation uit de ontstane impasse te komen. Vaststaat evenwel dat dit niet is gelukt, maar dat de poging daartoe zelfs polariserend heeft gewerkt, niet in de laatste plaats omdat verweerder eiseres hangende dat proces op 19 april 2017 – toen zij zich reeds arbeidsongeschikt had gemeld en derhalve ziek thuis zat – bij wege van ordemaatregel met een schorsing heeft geconfronteerd. Los van de vraag of een en ander op dat moment ook feitelijk een diffamerend karakter heeft gehad voor eiseres, invoelbaar is wel dat eiseres dit zo heeft opgevat, temeer omdat zij vrijwel tegelijkertijd door verweerder ervan in kennis werd gesteld dat een intern onderzoek zou worden geëntameerd naar haar functioneren als schooldirecteur. Onder deze omstandigheden valt het eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet zwaar aan te rekenen dat eiseres er geen vertrouwen meer in had dat verweerder nog een geloofwaardige poging wilde doen om de inmiddels zwaar verstoorde verstandhouding te herstellen teneinde het dienstverband te kunnen continueren.

7. Op grond van de bovenstaande overwegingen wordt het aandeel van verweerder op meer dan 80% geschat. De ontslagvergoeding moet dus berekend worden door 3 dienstjaren gedeeld door 2, te vermenigvuldigen met het bruto maandsalaris ten tijde van het ontslag (€ 4.081,-), inclusief vakantietoeslag (8%) en eindejaarsuitkering (6,3%) en daarop de factor 1 toe te passen. Dat leidt tot een bedrag van € 7.027,73.

8. Voor de door eiseres gevraagde vergoeding van immateriële schade is naar het oordeel van de rechtbank geen grond. Naar vaste rechtspraak van de CRvB (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2011:BU7806) kan geestelijk letsel onder omstandigheden worden aangemerkt als een aantasting van de persoon die recht heeft op vergoeding van immateriële schade. Daarvan zal echter niet snel sprake zijn. Bedacht moet worden dat in gevallen als het onderhavige in de regel wel sprake zal zijn van meer of minder psychisch onbehagen en van een zich gekwetst voelen door een onrechtmatig besluit. Aannemelijk is dat ook bij eiseres dergelijke gevoelens zijn ontstaan naar aanleiding van het ontslag en de wijze waarop dit procedureel tot stand is gekomen. Eiseres is er evenwel naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd aannemelijk te maken dat zij zodanig leed heeft ondervonden ten gevolge hiervan dat sprake is van geestelijk letsel. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade dient daarom te worden afgewezen.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank merkt hierbij op dat voor afwijking van de Bpb, zoals door eiseres verzocht, slechts aanleiding bestaat in uitzonderlijke gevallen waar de regeling onrechtvaardig zou uitpakken. Daarvan is in dit geval geen sprake.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- herroept het bestreden besluit voor zover daarbij aan eiseres geen ontslagvergoeding is

toegekend;

- bepaalt dat verweerder eiseres een ontslagvergoeding van € 7.027,73 dient te betalen;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. J.H.A.C. Everaerts, voorzitter, en mr. A. Buiskool en mr. L. van Dijk, leden, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.