Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:6118

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
24-07-2018
Datum publicatie
13-08-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 646
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ondanks het herhaalde verzoek van verweerder om de gemaakte kosten toe te lichten, heeft eiseres onvoldoende gespecificeerd aan welke zakelijke activiteit de verschillende kosten zijn toe te rekenen. Eiseres heeft daarover ook niets gesteld, anders dan dat alle door haar genoemde kosten zakelijk zijn. Daarmee heeft eiseres de zakelijkheid en aftrekbaarheid van de in geding zijnde kosten onvoldoende inzichtelijk en dus niet aannemelijk gemaakt. Van enige schending van het legaliteitsbeginsel door verweerder door te verwijzen naar jurisprudentie gewezen onder de Wet IB 1964 is voorts geenszins sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 14-08-2018
V-N Vandaag 2018/1721
FutD 2018-2231
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 18/646

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juli 2018 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiseres

(gemachtigde: B. Schoenmaker),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 26 oktober 2017 voor het jaar 2014 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 39.711. Daarbij heeft verweerder tevens belastingrente in rekening gebracht. Verweerder heeft met dezelfde dagtekening een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd, berekend naar een bijdrage-inkomen van € 24.808. Ook hierbij heeft verweerder belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 9 januari 2018 de aanslag ib/pvv 2014 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.276. De belastingrente is dienovereenkomstig verminderd. Daarbij heeft verweerder een kostenvergoeding voor bezwaar toegekend van € 246.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 5 januari 2018 de aanslag Zvw 2014 verminderd tot een berekend naar bijdrage-inkomen van € 19.013. De belastingrente is dienovereenkomstig verminderd.

Eiseres heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft op 28 juni 2018 een nader stuk van eiseres ontvangen en in kopie doorgezonden naar verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2018 te Haarlem.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.J.E. Lodder en S.F. Mamman.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] . Zij is actrice en verzorgt tevens trainingen en coaching.

2. Eiseres heeft aangifte ib/pvv over 2014 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.637. In deze aangifte heeft zij onder meer kosten van haar onderneming ten bedrage van € 6.133 opgevoerd. Hiervan is in bezwaar een gedeelte, te weten € 1.571,33, geaccepteerd.

Het betreft de volgende kosten:

Soort kosten Opgevoerd in aangifte Gehonoreerd in bezwaar

Gereden kilometers € 174 € 170,62

Reiskosten OV € 60 € 60

Accessoires/reparaties € 204 € 204

Kantoor/lidmaatschappen € 388 € 188,79

Telefoon/internet € 1.331 € 250

Vertering/pers. verzorging/

bühnekleding € 2.599 € 250

Cursus/studie/excursie € 929 € 0

Administratie/vakliteratuur € 448 € 447,92

Totaal € 6.133 € 1.571,33

Geschil
3. In geschil is of de in aftrek gebrachte ondernemingskosten terecht en tot het juiste bedrag zijn gecorrigeerd.

4. Eiseres stelt dat verweerder een deel van de kostenaftrek ten onrechte heeft geweigerd met verwijzing naar artikel 36 van de Wet op de inkomstenbelasting (Wet IB 1964), welk artikel betrekking heeft op werknemers. De voorwaarden die verweerder aan aftrek stelt, zijn niet opgenomen in de Wet IB 2001. Zulks is in strijd met het legaliteitsbeginsel. Voorts is gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel.

5. Verweerder stelt primair dat de in geding zijnde kosten niet zakelijk zijn en subsidiair dat de kosten van aftrek zijn uitgesloten op grond van artikel 3.15, eerste lid en artikel 3.16, tweede lid, van de Wet IB 2001. De uitzondering van artikel 3.16, zevende lid, is niet van toepassing. Van strijd met een van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is geen sprake.

6. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

7. De rechtbank stelt voorop dat het in beginsel op de weg van eiseres ligt om de aftrek van deze uitgaven als zakelijke kosten, voortvloeiend uit en indirect verband houdend met de door haar gedreven onderneming, aannemelijk te maken. Dit betekent dat eiseres, moet stellen en bij betwisting door verweerder desgevraagd moet onderbouwen dat en in hoeverre de kosten aftrekbaar zijn. Dat betekent ook dat indien verweerder vragen stelt over de aftrekbaarheid van verschillende kosten, eiseres gehouden is onderbouwende stukken en inlichtingen te verstrekken ter onderbouwing van haar stelling dat de kosten aftrekbaar zijn. Ondanks het herhaalde verzoek van verweerder om de gemaakte kosten toe te lichten, heeft eiseres onvoldoende gespecificeerd aan welke zakelijke activiteit de verschillende kosten zijn toe te rekenen. Eiseres heeft daarover ook niets gesteld, anders dan dat alle door haar genoemde kosten zakelijk zijn. Daarmee heeft eiseres de zakelijkheid en aftrekbaarheid van de in geding zijnde kosten (behoudens de navolgende) onvoldoende inzichtelijk en dus niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank acht de door verweerder toegelaten aftrek van € 250 voor telefoon/internet en € 250 voor vertering/persoonlijke verzorging, zonder nadere onderbouwing van de zijde van eiseres, zeker niet onredelijk.

Op basis van de door eiseres ter zitting gegeven toelichting op het lidmaatschap van het FNV [A NAAM] acht de rechtbank de daarmee samenhangende kosten ten bedrage van € 199,20 wel zakelijk. De rechtbank kan verweerder niet volgen dat dergelijke kosten getroffen worden door de aftrekbeperking van artikel 3.15, eerste lid, onder b, van de Wet IB 2001, zodat deze wel in aftrek dienen te worden toegestaan. Dat betekent dat recht bestaat op een totale kostenaftrek van € 1.770,53 (€ 1.571,33 + € 199,20).

8. Eiseres legt aan haar standpunt vooral ten grondslag dat verweerder de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het legaliteitsbeginsel, zou hebben geschonden door in zijn uitspraak op bezwaar te verwijzen naar de uitspraak van Hof Amsterdam van 20 februari 1995 (ECLI:NL:GHAMS:1995:AW1285) die is gewezen onder de Wet IB 1964.

Dit standpunt getuigt van een onjuiste (rechts)opvatting. In de eerste plaats heeft verweerder de zakelijkheid van kosten beoordeeld op basis van de Wet IB 2001. Voorts geldt dat de relevante wettelijke bepalingen ongewijzigd zijn overgenomen in de Wet IB 2001 zodat de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie met betrekking tot de gelijkluidende bepalingen in de Wet IB 1964 van groot belang blijven voor de uitleg van de betreffende artikelen in de Wet IB 2001. Van enige schending van het legaliteitsbeginsel door verweerder door te verwijzen naar jurisprudentie gewezen onder de Wet IB 1964 is geenszins sprake.

9. Ook overigens is naar het oordeel van de rechtbank op geen enkele wijze sprake van enige schending van een van de andere algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Eiseres brengt ter onderbouwing van haar stelling dat het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel zijn geschonden wederom de verwijzing naar de Wet IB 1964 naar voren. Zoals hiervoor reeds is overwogen, volgt de rechtbank eiseres hierin niet.

Tot slot beroept eiseres zich op het beginsel van fair play nu zij in beroep de kosten moet bewijzen en aannemelijk maken niet langer voldoende is. Dit betoog is onjuist aangezien er in de op eiseres rustende bewijslast door het instellen van beroep geen verandering is gekomen.

10. Uit het voorgaande volgt dat een grotere kostenpost in aanmerking dient te worden genomen dan waarvan bij de uitspraken op bezwaar is uitgegaan. Als gevolg hiervan wijzigt echter ook de MKB-winstvrijstelling. De rechtbank berekent deze als volgt: 14% van
(€ 38.516 (saldo fiscale winstberekening na uitspraak op bezwaar) -/- € 199 (kosten FNV [A NAAM] ) -/- € 7.280 (zelfstandigenaftrek)) is € 4.345. Dit resulteert in belastbare winst uit onderneming van € 26.692. Gelet hierop zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren, de uitspraken op bezwaar vernietigen, de aanslag ib/pvv verminderen tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.105 (€ 26.692 belastbare winst + € 11.822 inkomsten uit vroegere arbeid -/- € 11.409 belastbare inkomsten uit eigen woning) en de aanslag Zvw verminderen tot een berekend naar een bijdrage-inkomen van € 18.842
(€ 26.692 belastbare winst uit onderneming -/- € 7.850 in winst begrepen loon).

Proceskosten

11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten voor het beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de aanslag ib/pvv 2014 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.105 en vermindert de belastingrente dienovereenkomstig;

- vermindert de aanslag Zvw 2014 tot een berekend naar een bijdrage-inkomen van
€ 18.842 en vermindert de belastingrente dienovereenkomstig;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden besluiten;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.002; en

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.K.A. Efstratiades, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.C. Anema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.