Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:6085

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-07-2018
Datum publicatie
06-08-2018
Zaaknummer
C/15/261495 / HA ZA 17-517
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

vuurwerkongeval; aansprakelijkheid; Kelderluikciteria; eigen schuld (6:101 BW); billijkheidscorrectie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2018/233
PS-Updates.nl 2018-0615
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rolnummer: C/15/261495 / HA ZA 17-517

Vonnis van 18 juli 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. F.W. Brugman te Wognum,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. J. Streefkerk te Voorburg.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 26 juni 2017 met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 6 september 2017;

  • -

    de van de zijde van [eiser] op 22 mei 2018 ingezonden producties;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 6 juni 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op vrijdag 10 december 2010 vanaf circa 17:00 uur hadden circa 14 werknemers van pannendekkersbedrijf De Rooij in de bedrijfskantine aan het adres De Lange Ring 10 te Anna Paulowna een afscheidsfeest.

2.2.

Onder de aanwezigen waren [eiser] en de heer [naam] (hierna: [naam] ). [eiser] en [naam] hebben op het feest alcoholische dranken genuttigd.

2.3.

Om circa 21:30 uur heeft [naam] zijn vriendin thuis opgebeld met het verzoek hem op te laten halen, omdat hij alcohol had gedronken.

2.4.

De vriendin heeft hierop [gedaagde] , een vriend van [naam] , verzocht om [naam] op te halen. [gedaagde] kwam ter plaatse aan om omstreeks 21:45 uur en arriveerde met een auto.

2.5.

[gedaagde] had bij zich een vuurwerkstuk, bij partijen bekend onder de naam “Cobra 6”. Het gaat hier om vuurwerk waarvan het bezit verboden is en een overtreding oplevert van het bepaalde in het Vuurwerkbesluit.

2.6.

[gedaagde] heeft bij aankomst ter plaatse dit vuurwerk buiten aan [naam] getoond. [naam] heeft dit vuurwerk uit de handen van [gedaagde] gepakt, waarna [gedaagde] en [naam] naar binnen zijn gegaan, waar het feest nog gaande was.

2.7.

In de bedrijfskantine is het vuurwerk in handen gekomen van [eiser] . [eiser] heeft het stuk vuurwerk binnen aangestoken en slaagde er niet in dit tijdig naar buiten te werken, waarna het in zijn hand is geëxplodeerd. De explosie heeft buiten tot het sneuvelen van autoruiten geleid.

2.8.

[eiser] heeft door de explosie een groot deel van zijn rechterhand verloren en is als gevolg van dit ongeval volledig arbeidsongeschikt geraakt.

2.9.

Bij vonnis van de politierechter te Alkmaar van 13 juli 2012 is [gedaagde] strafrechtelijk veroordeeld voor het bezit van verboden vuurwerk.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
(i) verklaart voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor alle door [eiser] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het ongeval van 10 december 2010;
(ii) [gedaagde] veroordeelt om aan [eiser] te vergoeden alle door [eiser] als gevolg van voornoemd ongeval geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente, voor wat betreft het smartengeld vanaf de datum van het voorval en met betrekking tot de overige schadeposten vanaf 26 juni 2017 tot aan de dag van algehele betaling;
(iii) [gedaagde] veroordeelt in de kosten van dit geding en in de nakosten.

3.2.

[eiser] voert daartoe als volgt aan.

[gedaagde] is aansprakelijk voor de door [eiser] als gevolg van het ongeval geleden en nog te lijden schade, omdat [gedaagde] op onrechtmatige wijze een gevaarlijke situatie in het leven heeft geroepen als gevolg waarvan [eiser] het ongeval is overkomen, met alle schade voor hem tot gevolg.

[gedaagde] was er mee bekend dat op het feest (flink) alcohol werd genuttigd. Aan hem was namelijk al vóór het feest gevraagd om [naam] op te komen halen. Het was voor [gedaagde] meer dan waarschijnlijk dat men op het feest, onder invloed van alcohol, niet de vereiste oplettendheid zou betrachten.

[gedaagde] was verder bekend met de enorme impact en de korte ontstekingstijd van het bij hem aanwezige vuurwerk. Eerder op de dag had hij al eenzelfde stuk vuurwerk afgestoken.

Deze kennis heeft [gedaagde] er echter niet van weerhouden het vuurwerk mee naar binnen te (laten) nemen. Hij heeft zich het vuurwerk door [naam] laten afpakken en daardoor de controle erover verloren. Eenmaal binnen heeft hij zich niet meer om het vuurwerk bekommerd. Daardoor is het uiteindelijk in handen gekomen van [eiser] , die de nodige alcohol had genuttigd, niet wist dat het om illegaal en zwaar vuurwerk ging en geen idee had dat het vuurwerk al binnen 7 seconden tot ontploffing zou komen.

Door het vuurwerk mee te nemen naar het feest en zelfs mee naar binnen te (laten) nemen met de intentie dit daar af te steken, heeft [gedaagde] een gevaarzettende situatie in het leven geroepen.

[gedaagde] had het ongeval eenvoudig kunnen voorkomen. Hij had het vuurwerk thuis of in de auto moeten laten. In ieder geval had hij het niet mee naar binnen moeten (laten) nemen. Toen het eenmaal binnen was had hij controle over het vuurwerk moeten houden, althans hernemen. Hij had moeten voorkomen dat het vuurwerk in handen van derden zou komen. Door dit na te laten heeft hij onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld.

3.3.

[gedaagde] heeft deze stellingen weersproken. [gedaagde] stelt voorop dat hij niet de (bewuste) intentie heeft gehad om het stuk vuurwerk mee te nemen naar de bedrijfslocatie waar hij [naam] zou gaan ophalen. Toen [gedaagde] voordat hij wegging zijn jas aantrok, heeft hij niet gemerkt dat zich nog vuurwerk in zijn jaszak bevond. Ook had [gedaagde] na aankomst op de bedrijfslocatie niet de intentie om het vuurwerk mee naar binnen te nemen; hij wilde het in de auto achterlaten. Het is [naam] geweest, die het door [gedaagde] aan deze getoonde vuurwerk van hem, [gedaagde] , heeft afgepakt en mee naar binnen heeft genomen.

[gedaagde] erkent dat hij strafrechtelijk is veroordeeld voor het bezit van illegaal vuurwerk. Maar die veroordeling impliceert volgens hem geenszins dat hij onrechtmatig jegens derden zou hebben gehandeld, laat staan jegens [eiser] , die zelf het vuurwerk heeft gepakt en heeft ontstoken. De veroordeling betreft immers louter (de aanschaf c.q.) het bezit, niets meer of anders. In civielrechtelijk opzicht legt de veroordeling dan ook geen gewicht in de schaal.

Feitelijk en juridisch is volgens [gedaagde] doorslaggevend dat [eiser] , door zonder aanleiding het vuurwerk zelf te pakken, de verantwoordelijkheid voor en het risico ten aanzien van het vuurwerk op zich heeft genomen. [eiser] was ten tijde van het ongeval 35 jaar oud en wist terdege dat het bijzonder gevaarlijk is om vuurwerk binnen af te steken. En ondanks dat de omstanders, waaronder [gedaagde] , hem hebben toegeschreeuwd om het vuurwerk niet aan te steken, heeft [eiser] dat toch gedaan. Op dat moment was [eiser] zich bewust van het bijzondere gevaar van zijn handeling, hetgeen blijkt uit het feit dat hij half onder de tafel is gaan zitten om de lont aan te steken.

[gedaagde] kon niet weten in welke mate de aanwezigen (ieder voor zich) alcohol

hadden gedronken. Hij verkeerde in de veronderstelling dat hij [naam] thuis zou ophalen en is in de loop van de avond door diens echtgenote gebeld met de vraag om hem op diens werkadres op te pikken. [gedaagde] wist bij aankomst niet dat er gedronken werd en hoelang dat al had geduurd. Daar komt bij dat de omstandigheid dat [naam] meer had gedronken dan was toegestaan om auto te rijden, op zichzelf niet impliceerde dat de andere aanwezigen

“aangeschoten of zelfs dronken” zouden zijn.

[gedaagde] heeft feitelijk niet meer of anders gedaan dan dat hij het vuurwerk in zijn jaszak heeft meegenomen, zonder dat hij zich daarvan bewust was. Toen hij het in zijn jas aantrof en in de auto wilde leggen is het door [naam] uit zijn handen gepakt en mee naar binnen genomen. [eiser] heeft dat vuurwerk vervolgens in handen gekregen en de onvoorstelbare onvoorzichtigheid begaan om het binnen aan te steken. Die extreme handelwijze was voor [gedaagde] niet te voorzien. Gelet op alle omstandigheden van het geval moet daarom worden geoordeeld dat de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval zo gering was, dat [gedaagde] zich naar maatstaven van zorgvuldigheid niet heeft behoeven te onthouden van het door hem vertoonde gedrag, bestaande uit het (onbewust) meenemen van een illegaal stuk vuurwerk. [gedaagde] heeft derhalve niet onrechtmatig gehandeld.

Indien aan [gedaagde] al enige causale bijdrage zou kunnen worden toegerekend, zinkt die bijdrage op de voet van artikel 6:101 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in het niet bij de bijdrage van [eiser] . De door [eiser] gemaakte fouten zijn bovendien zoveel ernstiger dan die van [gedaagde] dat ook om deze reden de juridische balans totaal in het nadeel van [eiser] doorslaat en een eventuele vergoedingsplicht van [gedaagde] geheel vervalt.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank oordeelt als volgt.

[eiser] heeft zijn vordering gebaseerd op het zgn. Kelderluik-arrest (HR 5 november 1965, NJ 1966/136, m. nt. G.J. Scholten). De daarin geformuleerde criteria zijn in het arrest in de zaak Martina/Curacao (HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:47) door de Hoge Raad wat moderner geformuleerd, waardoor de Kelderluik-toets nu als volgt luidt:

Bij de beantwoording van de vraag of iemand veiligheidsmaatregelen dient te treffen ter voorkoming van de verwezenlijking van een door hem in het leven geroepen gevaar, dient te worden gelet op (i) in hoeverre de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid waarschijnlijk is, (ii) hoe groot de kans is dat daaruit ongevallen ontstaan, (iii) hoe ernstig de gevolgen kunnen zijn en (iv) in hoeverre het nemen van veiligheidsmaatregelen bezwaarlijk is.

Dient de beoordeling aan de hand van de Kelderluik-toets plaats te vinden?

4.2.

De Kelderluik-toets veronderstelt dat de schade waarvoor [eiser] [gedaagde] aansprakelijk houdt mogelijk (mede) een gevolg is van een door [gedaagde] in het leven geroepen gevaar. De rechtbank deelt de visie van [eiser] dat daarvan in het onderhavige geval kan worden gesproken. Vast staat dat [gedaagde] bij aankomst op de bedrijfslocatie waar het feest plaatsvond in het bezit was van zeer zwaar - en mede daarom illegaal - vuurwerk en dat hij dat vuurwerk bij aankomst buiten aan [naam] heeft getoond, waarna het door [naam] naar binnen is gebracht en binnen bereik is gekomen van aanwezigen die zich gedurende een aantal uren aan alcohol hadden gelaafd. Gelet op hetgeen algemeen bekend is omtrent de gevaren van enerzijds illegaal vuurwerk, anderzijds ruim alcoholgebruik, moet de combinatie van beide potentieel gevaarlijk worden geacht. Door [naam] niet te verhinderen het stuk vuurwerk van [gedaagde] mee naar binnen te nemen - een feestsituatie in, die [gedaagde] op dat moment niet kende - heeft [gedaagde] een gevaar in het leven geroepen waaruit vervolgens een ongeval is ontstaan.

Dat brengt mee dat de Kelderluik-criteria moeten worden nagelopen om na te gaan of [gedaagde] veiligheidsmaatregelen had moeten treffen ter voorkoming van de verwezenlijking van een door hem in het leven geroepen gevaar. De criteria moeten in onderlinge samenhang worden beschouwd.

i) in hoeverre was niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid waarschijnlijk?

4.3.

De rechtbank is van oordeel dat, in het algemeen gesproken, de kans dat het normaal gebruikelijke niveau van oplettendheid en voorzichtigheid niet in acht genomen wordt bij de hantering van zwaar vuurwerk, sterk toeneemt in een setting waarin alcohol worden genuttigd. Dit is een gevolg van de ontremmende werking van alcohol, die algemeen bekend kan worden geacht en die toeneemt naar mate men meer drinkt.

De rechtbank is ook van oordeel dat [gedaagde] zich van die vergrote kans bewust heeft kunnen zijn. [gedaagde] heeft ter comparitie weliswaar aangevoerd dat hij tot vlak voor het telefoontje met de vriendin van [naam] in de veronderstelling verkeerde dat hij [naam] thuis zou ophalen en er in het geheel geen weet van had dat [naam] had gedronken en hoe lang het feest bij zijn aankomst al had geduurd, maar de rechtbank acht die verklaring op een tweetal punten strijdig met zijn eerder afgelegde verklaring. Deze schriftelijke verklaring, gedateerd op 12 oktober 2016, en voor akkoord door [gedaagde] ondertekend luidt, voor zover van belang als volgt:

“Op de bewuste dag kreeg ik een telefoontje met de vraag of ik [naam] , een vriend van mij, kon komen ophalen. [naam] was op een bedrijfsfeestje of zoiets, waar hij te veel had gedronken om zelf nog te kunnen rijden. Ik had niet gedronken, zodat ik hem inderdaad kon gaan ophalen.”

4.4.

Uit deze verklaring blijkt dat [gedaagde] bij aankomst er in ieder geval van op de hoogte was dat hij [naam] op een bedrijfsfeest ophaalde en dat deze te veel had gedronken om nog zelf te kunnen rijden. Gelet op de aard van het feest en het tijdstip waarop dit speelde (vrijdagavond om 21:45 uur), had [gedaagde] rekening kunnen en moeten houden dat er sprake was van een setting als hierboven bedoeld, waarbij [naam] niet de enige zou zijn die veel alcohol had gedronken.

ii) hoe groot is de kans dat daaruit ongevallen ontstaan?

4.5.

De rechtbank acht de kans dat het zware vuurwerk binnen door iemand wordt aangestoken en daardoor ongevallen ontstaan, weliswaar heel klein (omdat vuurwerk doorgaans niet binnen maar buiten wordt afgestoken), maar ook weer niet geheel denkbeeldig. Mede gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, is die enkele vaststelling onvoldoende om aan een onrechtmatigheidsoordeel in de weg te staan.

iii) Hoe ernstig kunnen de gevolgen zijn?

4.6.

De rechtbank is van oordeel dat, in het algemeen gesproken, de gevolgen van ondeskundig, particulier gebruik van zeer zwaar vuurwerk (zoals een Cobra 6) buitengewoon ernstig kunnen zijn. De rechtbank is ook van oordeel dat, in het algemeen gesproken, onder meer door de van algemene bekendheid te achten Sire-campagnes die rond de jaarwisseling jaarlijks op de televisie worden uitgezonden, in de samenleving een aanzienlijke mate van bewustheid van die gevolgen mag worden aangenomen.

iv) In hoeverre was het nemen van veiligheidsmaatregelen bezwaarlijk?

4.7.

Het gevaar had door [gedaagde] eenvoudig kunnen worden ingedamd door direct na binnenkomst de controle over het vuurwerk terug te nemen. Dat had gekund door er op te staan dat [naam] het onmiddellijk teruggaf, door het van hem terug te pakken of door het [eiser] te laten inleveren. Niet gebleken is dat [gedaagde] enig initiatief in die richting heeft ontplooid. Integendeel, het lijkt erop dat hij heeft geaccepteerd dat hij de controle over het vuurwerk kwijt was.

4.8.

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] aldus onrechtmatig heeft gehandeld: hij heeft zeer zwaar vuurwerk meegenomen naar een bedrijfsfeest waar ruim alcohol werd genuttigd en heeft het vuurwerk daarbij uit het oog verloren. Weliswaar was er een geringe kans dat het vuurwerk binnen door iemand zou worden afgestoken, maar gelet op het alcoholgebruik was deze kans ook weer niet geheel te verwaarlozen. Daarbij speelt een grote rol dat [gedaagde] wist of behoorde te weten dat de gevolgen van het ondeskundig afsteken van het zware, illegale vuurwerk tot ernstige gevolgen kon leiden. Het nemen van veiligheidsmaatregelen was daarbij geenszins bezwaarlijk en deze waren zeer eenvoudig te nemen. Hij had de controle over het vuurwerk moeten hernemen om te voorkomen dat er ongelukken zouden gebeuren. Nu hij dit niet heeft gedaan en [eiser] hierdoor schade heeft geleden, is hij gelet op deze omstandigheden hiervoor aansprakelijk.

4.9.

Daarmee is de rechtbank toe aan de bespreking van het subsidiair gedane beroep op eigen schuld van [eiser] . Dat moet worden beoordeeld aan de hand van art. 6:101 BW, dat luidt als volgt:

Wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, wordt de vergoedingsplicht verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist.

4.10.

Dit wetsartikel vindt alleen toepassing wanneer er sprake is van aan de benadeelde toe te rekenen “omstandigheden”. In gevallen waarin het gaat om eigen gedrag van de benadeelde omvat dat situaties waarin de benadeelde zich anders heeft gedragen dan van hem mocht worden verwacht.

Daarvan is in het onderhavige geval stellig sprake. De rechtbank onderschrijft de namens [gedaagde] gegeven typering van het gedrag van [eiser] als extreem onvoorzichtig en heeft de indruk dat ook [eiser] zelf die kwalificatie deelt. De omstandigheid dat hij onder invloed van alcohol heeft gehandeld doet daaraan niet af. Zijn onvoorzichtige gedrag omvat mede het in zodanige mate nuttigen van alcohol dat hij niet meer in staat was tot enig besef van het extreem gevaarzettende van zijn schadeveroorzakende gedrag.

4.11.

Artikel 6:101 BW stelt de verdeling van de schade primair afhankelijk van de aan beide toe te rekenen causale bijdragen tot de schadeveroorzakende gebeurtenis, waarbij echter moet worden geabstraheerd van de mate van verwijtbaarheid van dat gedrag, die bij de in het slot van de bepaling voorziene billijkheidcorrectie wordt meegenomen. Dat betekent voor het onderhavige geval, waarin beide causale bijdragen niet alleen in sine qua non verband staan met de schadeveroorzakende gebeurtenis, maar ook toerekenbaar zijn in de zin van art. 6:98 BW, dat vertrekpunt is dat partijen de schade gelijkelijk hebben veroorzaakt.

4.12.

De vraag is vervolgens of de daardoor geïmpliceerde 50/50 verdeling correctie behoeft. De rechtbank is van oordeel dat dit inderdaad het geval is en legt dit hierna stapsgewijs uit, waarna in 4.15 zij tot haar beslissing komt.

4.13. (

stap 1) Uit een oogpunt van billijkheid dient de verdeling ten gunste van [gedaagde] te worden bijgesteld naar 70% ( [eiser] ) / 30% ( [gedaagde] ), en wel omdat het gedrag van [eiser] aanzienlijk meer verwijtbaar is dan het gedrag van [gedaagde] . [eiser] ’s gedrag was immers uitvloeisel van een op de ontsteking van het vuurwerk gericht wilsbesluit en/of van een door het bewust innemen van aanzienlijke hoeveelheden alcohol veroorzaakt onvermogen om risico’s behoorlijk af te wegen, terwijl het gedrag van [gedaagde] veeleer valt te typeren als het onvoldoende risicobewust en alert reageren op een situatie waarin deze plotseling verzeild raakte (de onverwachte aanwezigheid van het stuk vuurwerk in zijn jaszak, het onverwachte afpakken daarvan door [naam] , de onbekende situatie binnen).

4.14. (

stap 2) Er zijn evenwel andere in het kader van de billijkheid in aanmerking te nemen omstandigheden die voor de rechtbank reden zijn om die correctie uiteindelijk toch niet toe te passen. Die liggen voor de rechtbank met name in de ernst van het door [eiser] ondervonden letsel en de gevolgen die dit voor [eiser] heeft, zodat haar een verdeling van 65% ( [eiser] ) en 35% ( [gedaagde] ) billijk voorkomt.

4.15. (

stap 3) De omstandigheid dat [gedaagde] tegen wettelijke aansprakelijkheid is verzekerd, biedt de rechtbank de ruimte om die, zonder dat de billijkheid daaraan in de weg staat, te waarderen op het gewicht dat daaraan (als uiteengezet in 4.11) op zichzelf bezien dient toe te komen. Aldus komt de rechtbank op een 50/50% waardering. De rechtbank zal echter de hiervoor gegeven waardering (65/35%) toepassen voor het geval mocht blijken dat de verzekeraar zich (met succes) op een uitsluitingsclausule beroept.

Dat betekent dat moet worden beslist als in 5.1. vermeld.

4.16.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op:

vastrecht € 78,00

salaris advocaat € 1.086,00 (2 punten à € 543,00)

Totaal € 1.164,00

De gevorderde nakosten worden toegewezen als hierna vermeld.

[eiser] procedeert op basis van een toevoeging. Wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag is een kostenveroordeling met de verplichting tot betaling van de explootkosten aan de griffier niet mogelijk.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor 50% van de schade die het gevolg is van het vuurwerkongeval van 10 december 2010 indien zijn WA-polis de schade dekt en voor 35% indien dat niet het geval is;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om die schade te vergoeden, als nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente, voor wat betreft het smartengeld vanaf de datum van het voorval en met betrekking tot de overige schadeposten vanaf 26 juni 2017 tot aan de dag van algehele betaling;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding, die tot op heden zijn te begroten op een bedrag van € 1.164,00;

5.4.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.5.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de beslissingen onder 5.2, 5.3. en 5.4. uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman, mr. A.K. Korteweg en mr. B. de Metz en in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2018.1

Bij ontstentenis van mr. A.H. Schotman is dit vonnis ondertekend door mr. A.K. Korteweg.

1 type: coll: