Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:5865

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-07-2018
Datum publicatie
14-07-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 3140
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting. Hoorzitting niet in de plaats van de naheffingsaanslag en niet in de woonplaats van eiseres. De gemachtigde van eiseres is niet verschenen bij de hoorzitting en zij heeft geen gebruik gemaakt van het aanbod telefonisch te worden gehoord. Een verplichting tot het regelmatig ijken van de gebruikte controleapparatuur kan niet aan enig wettelijk voorschrift worden ontleend. Immateriële schadevergoeding in verband met afhandelingsduur bezwaar. Tijdverloop verwijtbaar aan de gemachtigde? Verhouding schadevergoeding en hoogte bestreden aanslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 17-07-2018
V-N Vandaag 2018/1552
FutD 2018-2001
Belastingblad 2018/374 met annotatie van L.J. Boone
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 17/3140

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juli 2018 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiseres

(gemachtigde: G. Veldhuisen),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Haarlem, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres op 15 april 2016 een naheffingsaanslag (aanslagbiljetnummer [# 1] ) parkeerbelasting opgelegd, ten bedrage van € 64,10.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2018. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde A.M. de Bie-Stokman.

Overwegingen

Feiten

1. Op 15 april 2016 omstreeks 14.31 uur constateerde een parkeercontroleur van de gemeente Haarlem dat de auto van eiseres, merk [A] , met kenteken [# 2] , aan het Kenaupark te Haarlem geparkeerd stond. Bij controle trof de parkeercontroleur geen geldig parkeerbewijs in de auto aan. De parkeercontroleur heeft vervolgens aan eiseres een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd ter hoogte van € 64,10. Het nageheven bedrag bestaat uit € 4,10 (parkeerbelasting) en € 60 (kosten van de naheffingsaanslag).

Geschil
2. In geschil is of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht en op goede gronden aan eiseres is opgelegd.

3. Eiseres stelt dat haar bezwaarschrift door verweerder niet met de benodigde zorgvuldigheid is behandeld, zodat de uitspraak op bezwaar niet in stand kan blijven. Zij acht de hoorplicht geschonden en ook heeft zij zich op het standpunt gesteld dat verweerder heeft verzuimd de door haar gevraagde stukken die met de naheffingsaanslag verband houden over te leggen. Tevens heeft eiseres betoogd dat zij voor het einde van de tijdsduur waarvoor de parkeerbelasting was betaald bij haar auto is teruggekeerd en is weggereden. Dat zij desalniettemin een naheffingsaanslag heeft ontvangen wijt eiseres aan een onjuiste tijdsaanduiding op de door verweerder gebruikte controleapparatuur. Voorts heeft eiseres verzocht haar een vergoeding toe te kennen voor de schade die zij heeft geleden als gevolg van de lange duur van de bezwaar- en beroepsprocedure.

4. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep en afwijzing van het verzoek om schadevergoeding.

5. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

6. Voor wat betreft de hoorplicht stelt de rechtbank vast dat eiseres in haar bezwaarschrift heeft verzocht te worden gehoord. Verweerder heeft eiseres, blijkens de uitspraak op bezwaar, uitgenodigd te worden gehoord op 6 december 2016 te Alkmaar. Toen eiseres daar niet is verschenen heeft verweerder eiseres opnieuw uitgenodigd om te worden gehoord op 22 december 2016 te Alkmaar. Nadat eiseres ook daar niet was verschenen heeft verweerder eiseres in de gelegenheid gesteld om op 30 december 2016 om 10 uur telefonisch te worden gehoord. Eiseres heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

7. Met de hierboven weergegeven handelwijze waarbij eiseres twee maal in de gelegenheid is gesteld in persoon te worden gehoord en een maal de mogelijkheid is geboden telefonisch te worden gehoord heeft verweerder zich voldoende inspanningen getroost om aan het verzoek van eiseres om te worden gehoord tegemoet te komen. Dat de beoogde hoorzitting plaats zou vinden in Alkmaar en niet in Haarlem waar verweerder is gevestigd maakt dat niet anders. Eiseres heeft zich immers voorzien van rechtskundige bijstand. Van een gemachtigde die beroepshalve rechtshulp verleent kan redelijkerwijs worden verwacht dat hij – binnen zekere grenzen – de tijd en moeite investeert die een adequate behartiging van de belangen van zijn cliënt vereist. Een reis van minder dan vijftig kilometer gaat die grenzen niet te buiten. Dat de kosten van rechtsbijstand, gegeven de verhoudingsgewijs geringe hoogte van de naheffingsaanslag, onder die omstandigheden onevenredig hoog zouden uitkomen, is een gevolg van de beslissing van eiseres voor de behartiging van haar belangen een beroep te doen op een rechtshulpverlener en is niet te wijten aan de handelwijze van verweerder. Daarbij komt dat verweerder de gemachtigde van eiseres ook in de gelegenheid heeft gesteld telefonisch te worden gehoord, waarmee de tijdsbesteding van haar gemachtigde beperkt was gebleven. Ook in haar stelling dat de hoorzitting prematuur was omdat zij nog niet over de door haar gewenste stukken beschikte volgt de rechtbank haar niet. Een hoorzitting is immers bij uitstek de gelegenheid om dat soort mogelijke beletselen uit de weg te nemen.

8. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat zij het parkeren heeft beëindigd binnen het tijdvak waarvoor zij de verschuldigde parkeerbelasting had voldaan. De enkele stelling van eiseres dat verweerders controleapparatuur een onjuist tijdstip weergaf is daartoe onvoldoende. Zonder een begin van tegenbewijs kan aangenomen worden dat de controleapparatuur die zich synchroniseert met de atoomklok het juiste tijdstip vermeldt. Dat verweerder niet beschikt over een ijkrapport waarmee dat kan worden aangetoond maakt dat niet anders. Een verplichting tot het regelmatig ijken van de gebruikte apparatuur kan niet aan enig wettelijk voorschrift worden ontleend. De Regeling meetmiddelen politie of een vergelijkbaar voorschrift is hierop immers niet van toepassing. Het ontbreken van een ijkrappoort is evenmin in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel of enig ander in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur, omdat geen sprake is van enige aanwijzing die duidt op het disfunctioneren van de controleapparatuur.

9. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Beoordeling van het verzoek om immateriële schadevergoeding

10. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden aangesloten bij de uitgangspunten als neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt als regel aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar dat die termijn is overschreden, waarbij ter bepaling van de totale vergoeding de geconstateerde overschrijding naar boven wordt afgerond. In een arrest van 29 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1361 heeft de Hoge Raad bepaald dat daarbij niet wordt uitgesloten dat deze forfaitaire berekeningswijze leidt tot een schadevergoeding die hoger is dan het bedrag aan belasting waarop het geschil betrekking heeft.

11. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de aan eiseres opgelegde naheffingsaanslag ontvangen op 31 mei 2016. Verweerder heeft uitspraak op het bezwaar gedaan met dagtekening 24 mei 2017. Vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift, 31 mei 2016, tot aan de uitspraak van de rechtbank is meer dan twee jaar verstreken. Van bijzondere omstandigheden die een langere termijn dan twee jaar rechtvaardigen, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Hoewel verweerder kan worden nagegeven dat de processuele houding van de gemachtigde van eiseres enigszins in de weg heeft gestaan aan een voortvarende afhandeling van het bezwaar kan daarin geen rechtvaardiging worden gevonden voor een afhandelingsduur van het bezwaar van twaalf maanden.

12. Op grond van de arresten van de Hoge Raad van 22 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6666 en 9 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:199 is een termijn van zes maanden voor de behandeling van een bezwaar redelijk en voor de beroepsfase een termijn van anderhalf jaar. De rechtbank zal de toerekening van de overschrijding van de redelijke termijn bepalen met inachtneming van het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. Gelet op het feit dat de termijn 31 mei 2016 is aangevangen en de rechtbank uitspraak doet op 12 juli 2018, is de voor de procedure in eerste aanleg in aanmerking te nemen termijn (afgerond) tweeëneenhalf jaar (26 maanden). De redelijke termijn is derhalve overschreden met (afgerond) een half jaar (6 maanden). Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 500. Deze overschrijding met zes maanden dient volledig te worden toegerekend aan de bezwaarfase.

13. Verweerder dient daarom de volledige schadevergoeding van € 500 te betalen.

14. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank op de voet van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht verweerder veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 500 voor de overschrijding van de redelijke termijn in de eerste fase.

Proceskosten

15. Nu de rechtbank een immateriële schadevergoeding aan eiseres heeft toegekend vanwege overschrijding van de redelijke termijn, is er aanleiding verweerder op de voet van artikel 8:75 van de Awb en het bepaalde in rechtsoverweging 3.14.2 van het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, te veroordelen in de proceskosten van eiseres. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 501 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501 en een factor 0,5 voor het gewicht van de zaak nu verweerder slechts wordt veroordeeld in de proceskosten van eiseres omdat aan haar een vergoeding voor immateriële schade wordt toegekend (vgl. Hoge Raad 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:660). Voor een vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten bestaat geen aanleiding, aangezien de uitspraak op bezwaar volledig in stand is gebleven (aldus Hoge Raad 20 maart 2015).

16. De rechtbank ziet voorts aanleiding verweerder op te dragen het door eiseres betaalde griffierecht van € 46 te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot betaling van een immateriële schadevergoeding aan
eiseres tot een bedrag van € 500;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 501;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht, zijnde een bedrag van € 46 aan
eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Kleefmann, rechter, in aanwezigheid van E.H. Mazel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.