Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:5738

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-07-2018
Datum publicatie
23-07-2018
Zaaknummer
6730160
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Luchtvaartzaak. Incident. Verzet tijdig ingesteld? Luchtvaartmaatschappij voert aan dat de verzettermijn niet is ingegaan nu het verstekvonnis niet is betekend aan een bestuurder van de rechtspersoon. De kantonrechter oordeelt dat de kennisneming van het vonnis door een natuurlijk persoon, werkzaam bij de rechtspersoon op de vestigingslocatie, in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden als daad van de rechtspersoon zelf. Luchtvaartmaatschappij niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2018/221
JBPR 2018/66 met annotatie van Jongbloed, A.W.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 6730160 \ CV EXPL 18-1966

Uitspraakdatum: 18 juli 2018

Vonnis in het incident in de zaak van:

1 [passagier 1] , wonende te [woonplaats] ,

2. [passagier 2], wonende te [woonplaats] ,

3. [passagier 3], wonende te [woonplaats] ,

4. [passagier 4], wonende te [woonplaats] ,

5. [passagier 5], wonende te [woonplaats] ,

6. [passagier 6], wonende te [woonplaats] ,

7. [passagier 7], wonende te [woonplaats] ,

8. [passagier 8], wonende te [woonplaats] ,

9. [passagier 9], wonende te [woonplaats] ,

10. [passagier 10], wonende te [woonplaats] ,

11. [passagier 11], wonende te [woonplaats] ,

12. [passagier 12], wonende te [woonplaats] ,

13. [passagier 13], wonende te [woonplaats] ,

14. [passagier 14], wonende te [woonplaats] ,

15. [passagier 15], wonende te [woonplaats] ,

16. [passagier 16], wonende te [woonplaats] ,

17. [passagier 17], wonende te [woonplaats] ,

18. [passagier 18], wonende te [woonplaats] ,

19. [passagier 19], wonende te [woonplaats] ,

20. [passagier 20], wonende te [woonplaats] ,

21. [passagier 21], wonende te [woonplaats] ,

22. [passagier 22], wonende te [woonplaats] ,

23. [passagier 23], wonende te [woonplaats] ,

24. [passagier 24], wonende te [woonplaats] ,

25. [passagier 25], wonende te [woonplaats] ,

26. [passagier 26], wonende te [woonplaats] ,

opposanten in de hoofdzaak, eisers in het incident

hierna te noemen: de passagiers,

gemachtigde: Claimingo B.V.

tegen

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Corendon Dutch Airlines B.V.
gevestigd te Lijnden
geopposeerde in de hoofdzaak, gedaagde in het incident,

hierna te noemen: Corendon

gemachtigde: mr. M.E. Futselaar (USH Legal Professionals)

1 Het procesverloop

1.1.

De passagiers hebben bij dagvaarding van 8 december 2017 een vordering tegen Corendon ingesteld. Corendon is niet verschenen, waarna Corendon bij verstekvonnis van 17 januari 2018 is veroordeeld.

1.2.

Bij dagvaarding van 26 februari 2018 is Corendon in verzet gekomen van dat verstekvonnis. De passagiers hebben een incidentele conclusie tot niet ontvankelijkheid genomen. Hierop heeft Corendon schriftelijk gereageerd.

2 De vordering in de hoofdzaak

2.1.

De passagiers hebben bij inleidende dagvaarding van Corendon, naast nevenvorderingen, betaling gevorderd van € 10.800,00. De passagiers hebben aan de vordering ten grondslag gelegd dat zij op 6 augustus 2017 vanaf Funchal (Portugal) naar Amsterdam-Schiphol zouden vliegen. Corendon heeft de passagiers, na annulering van de oorspronkelijke vlucht, omgeboekt naar een andere vlucht. De vervangende vlucht was vertraagd. De passagiers zijn met een vertraging van 48 uur op hun eindbestemming aangekomen. Op grond van de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Europese Hof van Justitie stellen de passagiers dat Corendon vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is hen te compenseren conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 400,00 per passagier.

2.2.

Bij vonnis van 17 januari 2018 heeft de kantonrechter van deze rechtbank Corendon bij verstek veroordeeld tot betaling van het gevorderde. Ook de nevenvorderingen zijn toegewezen.

3 De vordering in het incident

3.1.

De passagiers hebben in hun incidentele conclusie gevorderd dat Corendon niet ontvankelijk wordt verklaard. Zij leggen aan hun vordering ten grondslag dat het verzet niet tijdig is gedaan. Op grond van artikel 143 lid 2 en 3 Rv dient het verzet te worden gedaan binnen vier weken na betekening van het verstekvonnis aan de veroordeelde in persoon, of na het plegen van deze van enige daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging hem bekend is of na de dag waarop het vonnis ten uitvoer is gelegd. Het verstekvonnis d.d. 25 januari 2018 is in persoon betekend. Nu de verzetstermijn afliep op 22 februari 2018 en Corendon het verzet op 26 februari 2018 heeft ingesteld, is het verzet niet tijdig gedaan.

3.2.

Corendon heeft verweer gevoerd. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in het incident

4.1.

Ten aanzien van de stellingen van de passagiers wordt het volgende overwogen.

4.2.

Corendon concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering. Zij stelt daartoe dat de verzet termijn niet is aangevangen. Het verstekvonnis is immers in persoon afgegeven aan [betrokkene] terwijl in het geval het gaat om een rechtspersoon, slechts in persoon kan worden betekend indien de deurwaarder dit afgeeft aan een bestuurder van die rechtspersoon. [betrokkene] is geen bestuurder van Corendon. Er mag niet worden verondersteld dat het vonnis vanaf de betekeningsdatum bij Corendon bekend was. Verder betwist Corendon dat er sprake is van enige voor de aanvang van de verzet termijn relevante daad van bekendheid.

4.3.

De kantonrechter stelt voorop dat in artikel 143 lid 2 Rv is bepaald dat het verzet moet worden gedaan binnen vier weken na betekening van het vonnis of enige uit kracht daarvan opgemaakte of ter uitvoering daarvan strekkende akte aan de veroordeelde in persoon, of na het plegen door deze van enige daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging aan hem bekend is.

4.4.

Niet in geschil is dat op 25 januari 2018 een rechtsgeldige betekening heeft plaatsgevonden van het verstekvonnis op het adres van Corendon. Ter discussie staat of met deze betekening, waarbij het exploot door de deurwaarder is uitgereikt aan een medewerker van Corendon, die geen bestuurder is en niet voor ontvangst heeft getekend, geldt als een betekening in persoon die de verzet termijn heeft doen aanvangen.

4.5.

Vooropgesteld wordt dat betekening in persoon in dit verband strikt moet worden opgevat, aangezien het gaat om een betekening op grond waarvan de veroordeelde (zelf) geacht moet worden bekend te zijn met het verstekvonnis, althans voldoende in de gelegenheid te zijn gesteld om van het bestaan en de essentiële inhoud van dit vonnis kennis te nemen, zodat hij vanaf dat moment kan beslissen of hij wel of niet in verzet zal gaan.

4.6.

Corendon heeft in haar verweer verwezen naar Tekst & Commentaar Burgerlijke Rechtsvordering, artikel 143 lid 2 en 3 (verzet termijnen) onder a. Betekening in persoon, sub kopje ‘gedaagde in persoon’, die luidt:

“Is gedaagde een rechtspersoon dan wel een vof of cv dan is sprake van betekening in persoon indien afschrift van het exploot wordt betekend aan een bestuurder (of, bij publiekrechtelijke rechtspersonen, een daartoe aangewezen persoon), een (beherend) vennoot of (na ontbinding) een vennoot (art. 48-51).”

4.7.

Daarnaast verwijst de kantonrechter naar de inhoud van Tekst & Commentaar Burgerlijke Rechtsvordering, artikel 143 lid 2 en 3 (verzet termijnen) onder b. Daad van bekendheid, sub kopje ‘gedaagde in persoon’, die luidt:

“(…) Bij rechtspersonen geldt dat beslissend is of de kennisneming door een natuurlijk persoon in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden als een daad van de rechtspersoon zelf op grond waarvan de wederpartij het ervoor mag houden dat aan de zijde van de rechtspersoon een zodanige bekendheid bestaat dat deze vennootschap daardoor vanaf dat tijdstip daadwerkelijk in staat is het nodige te doen om tijdig verzet in te stellen (HR 11 mei 1990, NJ 1990/544 (Weijl/Los Gauchos)). (…)

4.8.

De vraag waar het hier om gaat is of de kennisneming van het vonnis door [betrokkene] , werkzaam bij Corendon Dutch Airlines B.V. op de vestigingslocatie, in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden als een daad van Corendon zelf op grond waarvan de passagiers het ervoor mochten houden dat aan de zijde van Corendon een zodanige bekendheid bestond dat zij daardoor vanaf dat tijdstip daadwerkelijk in staat was het nodige te doen om tijdig van dat vonnis in verzet te komen.

4.9.

De kantonrechter beantwoordt deze vraag bevestigend. Dit leidt tot de conclusie dat Corendon door het uitbrengen van de verzet dagvaarding op 26 februari 2018 te laat verzet heeft ingesteld. Corendon zal in haar verzet niet-ontvankelijk worden verklaard. Het voorgaande leidt ertoe dat de incidentele vordering wordt toegewezen.

4.10.

Corendon zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.
6. De beslissing in incident

De kantonrechter:

6.1.

verklaart Corendon niet-ontvankelijk in haar verzet;

6.2.

veroordeelt Corendon in de kosten van het incident, aan de zijde van de passagiers tot op heden begroot op € 60,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter