Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:563

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-01-2018
Datum publicatie
25-01-2018
Zaaknummer
15/871696-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

PROMIS, op tegenspraak.

Vermogensdelicten, bewijsoverwegingen ten aanzien van woninginbraken, woninginsluipingen en opzetheling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/871696-17 (P)

Uitspraakdatum: 18 januari 2017

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
4 januari 2018 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres]
,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [PI] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A.S. Heij en van hetgeen verdachte en zijn raadsman mr. M. Berbee, advocaat te Den Helder, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1:

Primair

hij in of omstreeks de periode van 22 augustus 2017 tot en met 23 augustus 2017 te Julianadorp, althans in het arrondissement Noord-Holland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan [adres 1] , heeft weggenomen (een) huissleutel(s) en/of een autosleutel en/of een kruimelzuiger (met (een) daarbij behorende opzetstuk(ken)), althans goederen en/of geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1] , althans eigenaar/benadeelde in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goederen/geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;

en/of

hij in of omstreeks de periode van 22 augustus 2017 tot en met 23 augustus 2017 te Julianadorp, althans in het arrondissement Noord-Holland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een auto (Nissan-Qashqai, [kenteken] ) en/of een Ray Ban zonnebril en/of acht euro, althans muntgeld, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1] , althans eigenaar/benadeelde, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel (onbevoegd gebruik van de sleutel van voornoemde auto);

Subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 22 augustus 2017 tot en met 28 augustus 2017 te Julianadorp en/of te Den Helder, in elk geval in Nederland, een (personen)auto (merk Nissan-Qashqai, [kenteken] ) en/of (een) sleutel(s), heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

Feit 2:

Primair

hij in of omstreeks de periode van 23 augustus 2017 tot en met 24 augustus 2017 te Oudesluis, althans in het arrondissement Noord-Holland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de [adres 2] heeft weggenomen een mobiele telefoon (merk Samsung Galaxy) en/of een ING bankpas en/of een rijbewijs en/of een ID kaart, althans goederen en/of geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 2] , althans eigenaar/benadeelde, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goederen/geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;

Subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 23 augustus 2017 tot en met 6 september 2017 in De Helder, in elk geval in Nederland, een mobiele telefoon (merk Samsung Galaxy) en/of een pinpas (op naam van [aangever 2] heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die telefoon wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

Feit 3:

hij op een of meer tijdstip(pen) of omstreeks 24 augustus 2017 te Julianadorp, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een pinautomaat van de ING Bank weg te nemen geldbedrag(en), geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 2] , en/of (telkens) die/dat weg te nemen geldbedrag(en) onder zijn/hun bereik te brengen door middel van een valse sleutel, te weten een bij een diefstal uit de woning van die [aangever 2] weggenomen (bank)pasje, heeft getracht (bij een geld/pinautomaat van de ING-bank aan de [adres 3] ) geld op te nemen/te

pinnen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 4:

hij op of omstreeks 26 augustus 2017 te Schagerbrug, althans in het arrondissement Noord-Holland met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de [adres 4] heeft weggenomen een horloge en/of een broek en/of een computer en/of een portemonnee, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 3] , althans eigenaar/benadeelde, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goederen/geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;

Feit 5:

hij op of omstreeks 27 augustus 2017 te "t Zand, althans in het arrondissement Noord-Holland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, in/uit een woning aan de [adres 5] heeft weggenomen goederen/geld, waaronder een Notebook en/of een ING bankpas en /of een ING creditcard en/of (een) betaalkaart(en) (merk Canadian) en/of een rijbewijs en/of contant geld en/of een medicatiekaart en/of (een) zorgverzekeringskaart(en) en/of een Canadees Kentekenbewijs en/of een permanente verblijfsvergunning kaart en/of een rugzak en/of een paspoort en/of een Canadese betaalpas en/of een telefoon en/of een

tablet en/of Canadese dollars en/of een portefeuille met inhoud, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 4] en/of [aangever 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

en/of

hij op of omstreeks 27 augustus 2017 te Den Helder, althans in het arrondissement Noord-Holland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een geldautomaat heeft weggenomen een geldbedrag van 1000 euro, in elk geval enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door (zonder toestemming)gebruik te maken van de bankpas van die [aangever 4] en/of de (bij die bankpas horende) pincode;

Feit 6:

hij in of omstreeks de periode van 2 september 2017 tot en met 3 oktober 2017 te Den Helder, een goed te weten een blauwe rugzak heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair (beide onderdelen), 2 primair, 3, 4, 5 (beide onderdelen) en 6 ten laste gelegde feiten.

3.2.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1:

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het primair ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken, omdat er geen, althans te weinig, bewijs in het dossier voorhanden is om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. De raadsman heeft hiertoe allereerst aangevoerd dat de in de woning van (de opa van) verdachte aangetroffen sleutelbos weliswaar wordt herkend door de aangever, maar dat is nagelaten technisch onderzoek te verrichten, bijvoorbeeld door te controleren of de sleutels op de verschillende sloten pasten. Verder heeft de raadsman opgemerkt dat het wat betreft de autosleutel volgens hem gaat om een replica van een Nissan Qashqai sleutel. Voorts heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat zelfs al zou de sleutelbos, de sleutelbos van de aangever zijn, het enkele feit dat deze sleutelbos bij verdachte is aangetroffen, niet maakt dat bewezen kan worden dat verdachte degene is geweest die de inbraak en de daaropvolgende diefstal van de Nissan Qashqai heeft gepleegd. Verdachte ontkent dit feit stellig.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat – uitgaande van de verklaring van verdachte over de feiten 2 en 3 – het subsidiaire feit (de heling van de Nissan Qashqai), gepleegd op 24 augustus 2017, wel kan worden bewezen.

Ten aanzien van feit 2:

De raadsman heeft bepleit dat verdachte van het primair ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken, omdat er geen (technisch) bewijs in het dossier voorhanden is om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.

Het subsidiair ten laste gelegde feit kan volgens de raadsman wel worden bewezen.

Ten aanzien van feit 3:

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat dit feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Ten aanzien van feit 4:

De verdediging heeft vrijspraak van dit feit bepleit. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte heeft verklaard dat hij de hem in de nacht van 24 augustus 2017 ter beschikking gestelde Nissan Qashqai, met bijbehorende autosleutel, diezelfde nacht aan “ [naam] ” heeft teruggegeven, ná het plegen van het onder 3 ten laste gelegde feit. De eventuele aanwezigheid van deze Nissan in de buurt van Schagerbrug ten tijde van de insluiping, en de vondst van een pinbon van de aangever in deze auto, betekent om die reden niet een link naar verdachte, aldus de raadsman.

Ten aanzien van feit 5:

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van deze feiten dient te worden vrijgesproken. Hij heeft met betrekking tot de ten laste gelegde diefstal uit de woning allereerst aangevoerd dat in het dossier onvoldoende bewijs voorhanden is dat verdachte in die woning is geweest en daar spullen heeft weggenomen. Er zijn in de woning van verdachte immers geen van dit feit afkomstige goederen aangetroffen en ook overigens ontbreekt ieder bewijs, aldus de raadsman, die subsidiair nog heeft betoogd dat niet alle in de tenlastelegging opgenomen goederen bij de diefstal op 27 augustus 2017 zijn weggenomen. Daarnaast geldt ten aanzien van het eveneens ten laste gelegde pinnen met de gestolen pinpas dat de processen-verbaal van herkenning die zich in het dossier bevinden, onvoldoende duidelijk zijn. Zo volgt uit de betreffende processen-verbaal niet op welke camerabeelden de herkenningen precies betrekking hebben; te weten die van 24 augustus 2017 (feit 3) of die van 27 augustus 2017 (feit 5). Voorts heeft de raadsman gesteld dat, los hiervan, verdachte en zijn mogelijke jas op het camerabeeld van 27 augustus 2017 op pagina 103 van het dossier onvoldoende herkenbaar in beeld zijn.

Ten aanzien van feit 6:

De raadsman heeft bepleit dat verdachte ook van dit feit dient te worden vrijgesproken. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt dat de in de slaapkamer van verdachte aangetroffen rugtas dezelfde is als de rugtas die bij de tweede, op 2 september 2017 gepleegde diefstal uit de woning van aangever [aangever 4] (feit 5) is weggenomen. De foto’s in het dossier zijn onvoldoende duidelijk. Daarnaast spreekt de aangever pas later over specifieke kenmerken van zijn tas, zoals een afgebroken lipje en de gekleurde onderzijde van de tas. Op de foto’s, gevoegd bij het aanvullend proces-verbaal van bevindingen van 19 oktober 2017, is een afgebroken lipje niet te zien, aldus steeds de raadsman.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de onder 1 primair (beide onderdelen), 2 primair, 3, 4, 5 (beide onderdelen) en 6 ten laste gelegde feiten op grond van de aan dit vonnis als bijlage gehechte en daarvan deel uitmakende bewijsmiddelen.1

De bewijsmiddelen zijn, ook in onderdelen, telkens slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

3.3.2

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van feit 1 primair:

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de Nissan Qashqai en de bijbehorende autosleutel in de nacht van 24 augustus 2017 van een kennis, genaamd “ [naam] ”, tot zijn beschikking heeft gekregen om hiermee geld te gaan pinnen (feit 3). De auto en de bijbehorende autosleutel heeft hij kort hierna, in diezelfde nacht, weer teruggegeven aan [naam] .

De rechtbank bezigt deze verklaring van verdachte tot het bewijs, omdat deze verklaring naar het oordeel van de rechtbank kennelijk leugenachtig is en is afgelegd om de waarheid te bemantelen, namelijk dat verdachte degene is geweest die tussen 22 en 23 augustus 2017 de hem onder 1 primair ten laste gelegde woninginbraak en de daarop gevolgde autodiefstal in Julianadorp heeft gepleegd.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van verdachte kennelijk leugenachtig is, omdat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de bij feit 1 primair tenlastegelegde woninginbraak gestolen sleutelbos, met daaraan de sleutel van de Nissan Qashqai, op 3 oktober 2017 tijdens de doorzoeking van de woning waar verdachte met zijn opa verblijft op de salontafel is aangetroffen. De opa van verdachte heeft toen desgevraagd aan de politie medegedeeld dat deze sleutelbos van verdachte was. De verklaring ter zitting van verdachte, inhoudende dat deze sleutelbos mogelijk in de vorige woning van zijn opa door iemand is achtergelaten en tijdens de verhuizing in een verhuisdoos is terechtgekomen en aldus is meeverhuisd, acht de rechtbank – reeds gelet op de plaats waar de sleutels op 3 oktober 2017 zijn aangetroffen (op de salontafel) en de verklaring van de opa van verdachte – dusdanig onaannemelijk dat deze door de rechtbank terzijde wordt gesteld.
Naar in het voorgaande ligt besloten, acht de rechtbank de door de aangever van de woninginbraak gedane herkenning van de hem door de politie getoonde, bij verdachte aangetroffen, sleutelbos geloofwaardig en betrouwbaar.

Ten aanzien van feit 2 primair:

Op grond van de bewijsmiddelen gebezigd bij feit 3 is bewezen dat verdachte zich op 24 augustus 2017 tussen 03.42 uur en 03.43 uur heeft schuldig gemaakt aan de onder feit 3 ten laste gelegde pogingen tot diefstal met een valse sleutel, namelijk een gestolen bankpas. Voornoemde bankpas is, samen met een telefoon en een aantal andere goederen, in de nacht van 23 op 24 augustus 2017 weggenomen uit een woning in Oudesluis. Aldus was verdachte zeer kort na de diefstal, in de nachtelijke uren gepleegd, in het bezit van de gestolen bankpas, eveneens in de nachtelijke uren. De rechtbank acht dit redengevend voor het bewijs van feit 2 primair. De verklaring van verdachte ter zitting dat hij de onder 2 primair ten laste gelegde woninginbraak niet heeft gepleegd, maar voornoemde bankpas diezelfde nacht van de hem bekende [naam] heeft gekregen, wordt door de rechtbank – onder verwijzing naar hetgeen hierover ten aanzien van feit 1 primair is overwogen – als volstrekt onaannemelijk terzijde gesteld.

De rechtbank acht voorts redengevend dat verdachte niet alleen kort na de inbraak over de weggenomen bankpas beschikte, maar dat hij ook in het bezit was van de eveneens bij de woninginbraak weggenomen mobiele telefoon van het merk Samsung Galaxy, zo uit de bewijsmiddelen blijkt. De verklaring van verdachte, eerst ter zitting afgelegd, dat hij deze telefoon op 25 augustus 2017 heeft gekocht van [naam] , stelt de rechtbank als onaannemelijk terzijde, in het licht van de bewijsmiddelen en hetgeen eerder over een verklaring van verdachte met betrekking tot [naam] is overwogen.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op het korte tijdsbestek tussen de gepleegde woninginbraak en de door verdachte verrichte pinpogingen met de weggenomen bankpas en het feit dat verdachte na de inbraak eveneens beschikte over de weggenomen mobiele telefoon – terwijl hiervoor ter terechtzitting geen aannemelijke verklaring is gegeven – wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal uit de woning, zoals onder 2 primair ten laste is gelegd.

Ten aanzien van feit 4:

De rechtbank stelt op basis van de bij feit 1 primair gebruikte bewijsmiddelen vast, dat verdachte in de periode van 22 tot en met 23 augustus 2017 de Nissan Qashqai met het [kenteken] en de daarbij behorende autosleutel heeft gestolen. Daarnaast volgt uit de bewijsmiddelen gebezigd bij feit 3, dat verdachte in de nacht van 24 augustus 2017 in deze Nissan Qashqai naar de pinautomaat is gereden waaruit hij meermalen heeft geprobeerd geld te stelen van de bankrekening van [aangever 2] . Voorts volgt uit de bewijsmiddelen van feit 1 primair dat verdachte op 3 oktober 2017 nog steeds in het bezit was van de autosleutel van de Nissan Qashqai, die volgens de opa van verdachte van verdachte was.

Uit de tot het bewijs gebezigde ARS-gegevens blijkt dat de Nissan Qashqai met het [kenteken] in de nacht van 26 augustus 2017 eerst in de buurt van Julianadorp wordt waargenomen en later in de buurt van Schagerbrug. Op voornoemde datum zijn tussen 00:00 uur en 09:10 uur goederen weggenomen uit een woning aan de [adres 4] te Schagerbrug, waaronder een broek van de aangever [aangever 3] met daarin een pinbon. Bij onderzoek in de Nissan Qashqai op 28 augustus 2017 is deze pinbon aangetroffen.

De rechtbank acht deze feiten en omstandigheden redengevend voor het bewijs dat verdachte, als zijnde de in die tijd feitelijke gebruiker van de Nissan Qashqai, de onder feit 4 ten laste gelegde diefstal uit de woning heeft gepleegd. Het gegeven dat verdachte ook tijdens het onderzoek ter terechtzitting, geconfronteerd met deze belastende feiten en omstandigheden, geen redelijke die redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven, draagt bij aan de overtuiging van de rechtbank.


Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank het onder 4 ten laste gelegde feit dan wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 5:

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat op 27 augustus 2017 na 01:00 uur een insluiping in een woning in ’t Zand heeft plaatsgevonden, waarbij onder andere een ING-bankpas van aangever [aangever 4] is weggenomen. Om 04:11 uur, diezelfde nacht, is een bedrag van € 1.000,- gepind bij een pinautomaat aan de [adres 6] te Den Helder met de aan [aangever 4] toebehorende bankpas. Op grond van de bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat het verdachte is geweest die deze pintransactie heeft verricht. Anders dan de raadsman heeft betoogd, acht de rechtbank de tot het bewijs gebezigde herkenning van verdachte duidelijk en betrouwbaar.

Gezien het korte tijdsbestek tussen de eerder vermelde insluiping in de woning in ’t Zand op 27 augustus 2017 ná 01:00 uur en de op die datum omstreeks 04:11 uur door verdachte verrichte pintransactie met de uit die woning afkomstige ING-bankpas, acht de rechtbank bewezen dat het verdachte moet zijn geweest die deze diefstal uit de woning in ’t Zand heeft gepleegd. Aan de overtuiging dat verdachte dit feit heeft begaan, draagt bij dat hij geen enkele verklaring heeft willen afleggen over de wijze waarop hij aan de bankpas is gekomen.

Ten aanzien van feit 6:

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat op 2 september 2017 bij een tweede diefstal op het adres [adres 5] in ’t Zand een blauwkleurige merkloze rugtas is weggenomen. Tijdens de doorzoeking op 3 oktober 2017 van de woning waar verdachte toen verbleef, is een blauwe merkloze rugtas aangetroffen. Deze rugtas is door de aangever herkend als zijn rugtas. De rechtbank ziet geen enkele aanleiding te twijfelen aan deze herkenning, nu aangever de rugtas herkent aan specifieke kenmerken.

De rechtbank is van oordeel dat nu onder feit 5 bewezen wordt geacht dat het verdachte is geweest die op 27 augustus 2017 de diefstal uit de woning [adres 5] in ’t Zand heeft gepleegd, waarbij volgens de aangifte van [aangever 4] een portemonnee uit diens blauwe rugtas is gestolen, het niet anders kan zijn dan dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de in zijn woning aangetroffen rugtas wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Hierbij acht de rechtbank van belang dat verdachte ter zitting geen enkele verklaring heeft gegeven voor het feit dat de rugtas bij hem in de woning is gevonden en hoe hij aan die rugtas is gekomen. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan opzetheling.

3.3.3.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair (beide onderdelen), 2 primair, 3, 4, 5 (beide onderdelen) en 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1:

Primair

hij in de periode van 22 augustus 2017 tot en met 23 augustus 2017 te Julianadorp met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning aan [adres 1] heeft weggenomen huissleutels en een autosleutel en een kruimelzuiger met daarbij behorende opzetstukken, toebehorende aan [aangever 1] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming;

en

hij in de periode van 22 augustus 2017 tot en met 23 augustus 2017 te Julianadorp met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een auto, Nissan Qashqai, [kenteken] , en een Ray Ban zonnebril en muntgeld, toebehorende aan [aangever 1] , waarbij verdachte de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel (onbevoegd gebruik van de sleutel van voornoemde auto);

Feit 2:

Primair

hij in de periode van 23 augustus 2017 tot en met 24 augustus 2017 te Oudesluis met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning aan de [adres 2] heeft weggenomen een mobiele telefoon, merk Samsung Galaxy, en een ING bankpas en een rijbewijs en een ID kaart, toebehorende aan [aangever 2] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming;

Feit 3:

hij op tijdstippen op 24 augustus 2017 te Julianadorp, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een pinautomaat van de ING Bank weg te nemen een geldbedrag toebehorende aan [aangever 2] , en telkens dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik te brengen door middel van een valse sleutel, te weten een bij een diefstal uit de woning van die [aangever 2] weggenomen bankpasje, heeft getracht bij een pinautomaat van de ING-bank aan de [adres 3] geld te pinnen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 4:

hij op 26 augustus 2017 te Schagerbrug met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning aan de [adres 4] heeft weggenomen een horloge en een broek en een computer en een portemonnee, toebehorende aan [aangever 3] ;

Feit 5:

hij op 27 augustus 2017 te ’t Zand. met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning aan de [adres 5] heeft weggenomen goederen en geld, waaronder een Notebook en een ING bankpas en een ING creditcard en een betaalkaart (merk Canadian) en een rijbewijs en contant geld en een medicatiekaart en zorgverzekeringskaarten en een Canadees kentekenbewijs en een permanente verblijfsvergunning kaart en een portefeuille met inhoud, toebehorende aan [aangever 4] of aan een ander dan aan verdachte;

en

hij op 27 augustus 2017 te Den Helder met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een geldautomaat heeft weggenomen een geldbedrag van 1000 euro, toebehorende aan [aangever 4] , waarbij verdachte dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door zonder toestemming gebruik te maken van de bankpas van die [aangever 4] en de bij die bankpas horende pincode;

Feit 6:

hij op 3 oktober 2017 te Den Helder een blauwe rugzak voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1 primair:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming

en

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.

Feit 2 primair:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming.

Feit 3:

poging tot diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd.

Feit 4:

diefstal.

Feit 5:

diefstal

en

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.

Feit 6:

opzetheling.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijk deel vordert de officier van justitie de door de reclassering in de rapportage van 21 december 2017 geadviseerde bijzondere voorwaarden te verbinden.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, onder verwijzing naar de persoonlijke omstandigheden van verdachte, verzocht geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen voor een langere duur dan vier maanden. Daarnaast zou een forse voorwaardelijke straf kunnen worden opgelegd met daaraan verbonden een proeftijd van eventueel vier jaren. Aan het voorwaardelijk deel kunnen de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, en door de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich in een zeer kort tijdsbestek, namelijk in de periode van 22 augustus 2017 tot en met 27 augustus 2017, schuldig gemaakt aan een groot aantal vermogensdelicten, waaronder twee woninginbraken en twee insluipingen in een woning. Dit zijn ernstige feiten. De woning is bij uitstek een plaats waar mensen zich veilig moeten kunnen voelen en waar hun spullen veilig moeten zijn. Verdachte heeft zich hiervan niets aangetrokken en is in de nachtelijke uren, terwijl de bewoner(s) nietsvermoedend lag(en) te slapen, woningen binnengegaan om spullen te stelen, kennelijk puur met het oog op eigen financieel gewin.

Daarnaast heeft verdachte met één van de uit de woningen weggenomen pinpassen gepoogd geld te stelen en met een andere pinpas daadwerkelijk geld gestolen. Verder heeft verdachte bij de woninginbraak in Julianadorp een auto gestolen, met behulp waarvan hij de dagen daarop andere strafbare feiten heeft kunnen plegen.

Tot slot heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke heling van een rugtas, die hij bij zijn aanhouding op 3 oktober 2017 in zijn bezit had. Heling is een ergerlijk feit omdat de onderliggende criminaliteit, in dit geval diefstal, profijtelijk wordt gemaakt en in stand wordt gehouden. De rechtbank rekent dit alles verdachte zwaar aan.

Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen de aard en ernst van de hiervoor beschreven feiten de oplegging van een vrijheidsbenemende straf.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank kennis genomen van:

  • -

    het op naam van verdachte staand uittreksel Justitiële Documentatie gedateerd 4 oktober 2017, waaruit blijkt dat verdachte reeds vele malen eerder ter zake van vermogensdelicten onherroepelijk tot vrijheidsbenemende straffen is veroordeeld. Dit heeft een strafverzwarend effect;

  • -

    het over verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 21 december 2017, opgesteld door L. Kok, als reclasseringswerker werkzaam bij reclassering Palier. Dit rapport houdt als conclusie onder meer het volgende in:

De sociale integratie van de heer [verdachte] is slecht te noemen. Het ontbreekt hem aan inkomsten, hij heeft geen structurele dagbesteding, er is sprake van een negatief netwerk en er is sprake van middelenproblematiek. Dit in combinatie met de persoonlijkheidsproblematiek maakt dat de kans op recidive hoog te noemen is.
GGZ reclassering Palier is van mening dat enkel een intensief plan van aanpak een bijdrage kan leveren aan het reduceren van de recidivekans en het bewerkstelligen van een blijvende positieve gedragsverandering. Een plaatsing in een instelling voor begeleid wonen, behandeling vanuit een forensisch ACT en/of verslavingszorg en begeleiding vanuit de reclassering is op dit moment passend aan de complexe problematiek. De heer [verdachte] heeft aangegeven de noodzaak in te zien van een dergelijk plan van aanpak en stelt zich te zullen conformeren aan de gestelde voorwaarden. GGZ reclassering Palier heeft de heer [verdachte] aangemeld bij begeleid wonen van Exodus. De heer [verdachte] is geaccepteerd en staat inmiddels op de wachtlijst. Het is op dit moment niet duidelijk wanneer betrokkene geplaatst kan worden.

GGZ reclassering Palier adviseert de heer [verdachte] te sanctioneren met een deels voorwaardelijke gevangenisstraf en hieraan onderstaande voorwaarden te verbinden:

- meldplicht

- behandelverplichting

- opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang.

De rechtbank houdt ten aanzien van de strafmaat rekening met de straffen die volgens de LOVS-oriëntatiepunten gebruikelijk zijn. Voor een woninginbraak met recidive en een insluiping in een woning met recidive zijn als oriëntatiepunten 5 maanden, respectievelijk 3 maanden gevangenisstraf opgenomen. In de onderhavige strafzaak komt daar nog een poging tot diefstal met een valse sleutel, een voltooide diefstal met een valse sleutel en een opzetheling bij.

De rechtbank neemt echter ook het advies van de reclassering over en op grond daarvan is een aanzienlijk voorwaardelijk strafdeel met langdurige proeftijd van belang met het oog op de hierna te noemen behandelverplichting en begeleiding.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van drie jaren, om verdachte te weerhouden van het plegen van strafbare feiten in de toekomst.

Daarnaast acht de rechtbank, ter terugdringing van het recidivegevaar, verplicht contact met de reclassering, een ambulante behandelverplichting en een opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang noodzakelijk. Dergelijke voorwaarden zullen aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.

7 Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

7.1.

Vordering benadeelde partij [aangever 1]

De benadeelde partij [aangever 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van (naar de rechtbank begrijpt) € 434,52 ingediend tegen verdachte, bestaande uit materiële schade, die hij als gevolg van het onder feit 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gestelde schade bestaat uit:

  • -

    Eigen risico/niet vergoede kosten autoverzekering € 89,41 (€ 859,15 - € 769,74)

  • -

    Vervanging visuitrusting € 345,11

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezen verklaarde feit [kort gezegd: woninginbraak en autodiefstal], door de handelingen van verdachte, rechtstreeks schade heeft geleden.

De rechtbank zal het gevorderde bedrag ten aanzien van het eigen risico/niet vergoede kosten autoverzekering geheel toewijzen, zijnde de niet door de verzekering vergoede schade. Verder zal de rechtbank – overeenkomstig het standpunt van de officier van justitie, waarbij de raadsman zich (subsidiair) heeft aangesloten – het gevorderde bedrag ten aanzien van de visuitrusting toewijzen tot een bedrag van € 170,85. Dit bedrag ziet op de onderbouwde aanschafkosten van een deel van de visuitrusting. De rechtbank zal de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaren, nu deze vordering voor het overige onvoldoende is onderbouwd.

De rechtbank zal de vordering toewijzen tot een totaalbedrag van € 260,26, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 augustus 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, aan Blaauboer voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.

De benadeelde partij kan de delen van de vordering, die tot niet-ontvankelijkheid zullen leiden, desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder feit 1 primair bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: woninginbraak en autodiefstal] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

7.2.

Vordering benadeelde partij [aangever 4]

De benadeelde partij [aangever 4] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 4.448,47 ingediend tegen verdachte, bestaande uit materiële en immateriële schade, die hij onder meer als gevolg van de onder feit 5 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gestelde schade bestaat uit:

  • -

    Niet verzekerde schade na eerste woninginbraak € 1.650,00

  • -

    Niet verzekerde schade na tweede woninginbraak € 1.798,47

  • -

    Immateriële schade € 1.000,00

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de onder 5 bewezen verklaarde feiten [kort gezegd: (gekwalificeerde) diefstallen], door de handelingen van verdachte, rechtstreeks schade heeft geleden.

De rechtbank zal het gevorderde bedrag ten aanzien van materiële schade toewijzen tot een bedrag van € 1.650,00, zijnde het bedrag dat betrekking heeft op de diefstal uit de woning die is gepleegd op 27 augustus 2017. De rechtbank is van oordeel dat dit deel van de vordering voldoende concreet is onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde vergoeding van de materiële schade ten gevolge van de tweede, op 2 september 2017, gepleegde diefstal niet als rechtstreekse schade als gevolg van een aan verdachte ten laste gelegd feit is aan te merken en derhalve niet toewijsbaar is. De benadeelde partij kan in dit deel van de vordering niet worden ontvangen.

De rechtbank zal de vordering voor wat betreft de immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren, nu de vordering op dat onderdeel onvoldoende is onderbouwd.

De rechtbank zal de vordering dan ook toewijzen tot een totaalbedrag van € 1.650,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 augustus 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [aangever 4] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.

De benadeelde partij kan de delen van de vordering, die tot niet-ontvankelijkheid zullen leiden, desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder feit 5 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: (gekwalificeerde) diefstallen] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 310, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank:

 Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 primair (beide onderdelen), 2 primair, 3, 4, 5 (beide onderdelen) en 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3.3 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4 vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

 Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van negentien (19) maanden.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot zes (6) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van drie (3) jaren.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

 zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

 ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

 medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

 zich binnen vijf dagen na afloop van zijn detentie, althans binnen vijf dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis, zal melden bij de reclassering op het adres: Stationsplein 21, 1703 WD te Heerhugowaard. Hierna moet hij zich blijven melden zo frequent en zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht;

 zal meewerken aan het behandelaanbod van een Forensische Polikliniek of een soortgelijke instelling, daaronder begrepen de mogelijkheid van een kortdurende klinische opname ten behoeve van crisis, detoxificatie, stabilisatie, observatie en/of diagnostiek voor de duur van maximaal zeven weken;

 zal meewerken aan een aanmelding en opname in een instelling voor begeleid wonen of een soortgelijke maatschappelijke opvang en zich zal houden aan de regels die gelden in de woonvorm.

Geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voormelde voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

 Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [aangever 1] geleden schade tot een bedrag van € 260,26 (zegge: tweehonderdzestig euro en zesentwintig cent), bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 augustus 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, aan Blaauboer, voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

 Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [aangever 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 260,26 (zegge: tweehonderdzestig euro en zesentwintig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 augustus 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door vijf (5) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

 Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [aangever 4] geleden schade tot een bedrag van € 1.650,00 (zegge: zestienhonderdvijftig euro), bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 augustus 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [aangever 4] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

 Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [aangever 4] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.650,00 (zegge: zestienhonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 augustus 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door zesentwintig (26) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. S. Jongeling, voorzitter,

mr. P.H.B. Littooy en mr. N.O.P. Roché, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.S.E. Bruinen,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 januari 2017.

1 De door de rechtbank in de bijlage als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.