Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:545

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
31-01-2018
Datum publicatie
06-09-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 1325
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Loonbelasting. Concernregeling niet van toepassing. Er is geen sprake van een in concernverband opererende inhoudingsplichtige. Voor de uitleg van het begrip ‘belang’ in de concernregeling moet niet worden gekeken naar de invulling van dat begrip in andere wetsbepalingen. Daar komt bij dat de juridische en economische eigendom voor de toepassing van de concernregeling doorslaggevend zijn en dat wordt aangesloten bij het nominaal gestort kapitaal.

Wetsverwijzingen
Wet op de loonbelasting 1964 32
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 06-09-2018
V-N Vandaag 2018/1862
FutD 2018-2370
NLF 2018/2029 met annotatie van Frank Werger
NTFR 2018/2413 met annotatie van mr. drs. S. Oosterbaan
Belastingadvies 2018/21.6
V-N 2019/3.10 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer: HAA 17/1325

uitspraak van de meervoudige kamer van 31 januari 2018 in de zaak tussen

De [X] B.V., gevestigd te [Z] , eiseres

(gemachtigde: T.F.W. Kramer),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft bij geschrift, op 11 april 2016 door verweerder ontvangen, bezwaar gemaakt tegen haar afdracht op aangifte loonheffingen over het tijdvak januari 2016.

Verweerder heeft het bezwaar bij uitspraak van 27 januari 2017 afgewezen.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2018 te Haarlem.

Eiseres is verschenen in de persoon van haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. F. van Mierlo, mr. J.B. Wieken, S. Karstens en D. Varkevisser.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is uitgever van onder meer [A] en het [B] . De Belgische vennootschap [C] N.V. (hierna: [C] ) houdt alle gewone aandelen in eiseres. Deze aandelen vertegenwoordigen ongeveer 59% van het geplaatst kapitaal. Ongeveer 39% van het overige geplaatste kapitaal wordt via de overige (preferente) aandelen gehouden door de [D] (hierna: [D] ), die ook het enige prioriteitsaandeel houdt.

2. De rechtspersoon naar buitenlands recht [E] (hierna: [E] ) hield op 1 januari 2014 alle aandelen in [F] B.V. (hierna: [F] ), via haar dochtervennootschap [G] N.V., uitgever van onder andere [H] en het [I] .

3. Op 30 juni 2014 heeft [C] een openbaar bod uitgebracht op alle uitstaande aandelen van [E] . Op 1 september 2014 hebben de aandeelhouders van [E] dat bod geaccepteerd.

4. Op 19 september 2014 heeft de Autoriteit Consument & Markt (hierna: ACM) besloten dat voor de overname van [E] door [C] een vergunning van de ACM vereist is. Op 8 oktober 2014 heeft de ACM de aanvraag voor de benodigde vergunning ontvangen. Vervolgens heeft de ACM nader onderzoek verricht. Op 8 januari 2015 heeft de ACM haar voorlopige bevindingen aan [C] en [E] toegezonden. Zij hebben op 12 januari 2015 hun zienswijze ingebracht en op 21 januari 2015 een verklaring afgegeven dat zij bereid zijn de vergunningvoorschriften te aanvaarden. Op 11 februari 2015 heeft de ACM de voor de overname vereiste vergunning afgegeven.

5. Op 16 februari 2015 heeft [C] de aandelen in [E] verkregen. Op 31 maart 2015 heeft [C] deze aandelen geleverd aan eiseres.

6. Op 25 februari 2016 heeft eiseres in de aangifte loonheffingen over het tijdvak januari 2016 de eindheffing overschrijding forfaitaire werkkostenregeling aangegeven tot een bedrag van € [#] die ziet op het kalenderjaar 2015.

Geschil
7. In geschil is of [F] per 1 januari 2015 kan worden aangemerkt als een met eiseres gezamenlijk in concernverband opererende inhoudingsplichtige als bedoeld in artikel 32 van de Wet op de Loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB) en daarmee aanspraak kan maken op toepassing van de faciliteit van voormeld wetsartikel (hierna: de concernregeling).

Indien deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, is niet in geschil dat de verschuldigde loonheffing met een bedrag van € [##] moet worden verminderd. Indien deze vraag ontkennend moet worden beantwoord, is het bedrag van de afdracht tussen partijen niet in geschil.

8. Eiseres beantwoordt voormelde vraag bevestigend. Eiseres voert in dit verband het volgende aan. Het begrip belang is in artikel 32 van de Wet LB in de parlementaire geschiedenis niet nader omschreven. Een vergelijking met artikel 10a van de Wet LB en met de artikelen 10a, 12a en 20a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 leidt echter tot de conclusie dat zij vanaf 30 juni 2014 (materieel) belang had in [F] , aangezien de waardeontwikkeling van [E] vanaf dat moment voor haar rekening kwam. Tevens is voldaan aan het vereiste dat het belang ten minste 95% dient te bedragen, aangezien de positie van [D] gelijk te stellen is aan die van een schuldeiser, zodat de aandelen die door haar worden gehouden bij het bepalen van het belang buiten beschouwing moeten blijven. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de verschuldigde loonheffing met een bedrag van € [##] .

9. Verweerder beantwoordt voormelde vraag ontkennend. Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat in casu voor de toepassing van de concernregeling is vereist dat eiseres op 1 januari 2015 beschikt over de juridische en economische eigendom van de aandelen in [F] en dat dit niet het geval is. Voor het geval de juridische eigendom niet van belang mocht zijn stelt verweerder zich subsidiair op het standpunt dat eiseres niet eerder dan op 11 februari 2015 de economische eigendom van de aandelen [F] heeft verkregen. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

10. Artikel 31a van de Wet LB luidt, voor zover van belang:

“1. Het bedrag van de verschuldigde belasting met betrekking tot vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f en onderdeel g, wordt per inhoudingsplichtige bepaald.(…)”

11. Artikel 32 van de Wet LB luidt, voor zover van belang:

“1. In afwijking van artikel 31a, eerste lid, kan de belasting die door alle gezamenlijk in concernverband opererende inhoudingsplichtigen is verschuldigd met betrekking tot vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f en onderdeel g, worden bepaald alsof deze inhoudingsplichtigen gezamenlijk één inhoudingsplichtige zijn. Deze belasting wordt aangegeven en afgedragen door de tot het concernverband behorende inhoudingsplichtige met het grootste bedrag aan loon waarover in het kalenderjaar met toepassing van de artikelen 20a, 20b, 26 en 26b belasting is geheven.

2. Een inhoudingsplichtige opereert gezamenlijk met een andere inhoudingsplichtige in concernverband, indien gedurende het gehele kalenderjaar:

a. de inhoudingsplichtige voor ten minste 95% belang heeft in die andere inhoudingsplichtige;

b. die andere inhoudingsplichtige voor ten minste 95% belang heeft in de inhoudingsplichtige, of

c. een derde voor ten minste 95% belang heeft in de inhoudingsplichtige, terwijl deze derde tevens voor ten minste 95% belang heeft in die andere inhoudingsplichtige.(…)”

12. De invoering van artikel 32 van de Wet LB maakte onderdeel uit van het Belastingplan 2015. In de Nota naar aanleiding van het Verslag wordt over het begrip belang opgemerkt (Kamerstukken II 34 002, nr. 10, blz. 56):

“De leden van de fracties van het CDA en de PVV vragen waarom niet is aangesloten bij een bestaande concerndefinitie zoals die voor de fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting of de omzetbelasting. Bij het zoeken naar een eenvoudig uitvoerbare regeling is onder meer onderzocht of de reeds in de fiscaliteit gehanteerde definities van concern voldoende houvast boden om te voldoen aan de eisen van eenvoudige uitvoerbaarheid door de Belastingdienst. Een van die eisen betreft het afbakenen van de groep die voor toepassing in aanmerking komt. Het vertrekpunt vormt de inhoudingsplichtige. Vanuit dat vertrekpunt is de eis gerold van 95% belang met een alles-of- nietsbenadering die hierna nader wordt toegelicht. Een andere eis van uitvoerbaarheid ziet erop dat de Belastingdienst geen aanvullende processen hoeft in te regelen. Daarmee is het afgeven van een beschikking door de inspecteur afgevallen. Voorts gold als eis dat voor de toepassing van de concernregeling geen wijzigingen in de loonaangifteset mogen worden aangebracht. Daaruit zijn de administratieve voorwaarden voortgekomen die in de URLB 2011 worden opgenomen en die het mogelijk moeten maken bij controle van een onderdeel van het concern toch het gehele beeld van de toepassing van de werkkostenregeling te krijgen. Er is dus gekozen voor een eenvoudige benadering van een concerndefinitie zodat de regeling eenvoudig uitvoerbaar is voor de Belastingdienst zonder dat er nadere vastlegging zoals een beschikking noodzakelijk is en tegelijkertijd ook voor een inhoudingsplichtige snel duidelijk is of hij voldoet aan de voor de toepassing geldende voorwaarden.

De leden van de fracties van het CDA en de PVV vragen hoe belang uitgelegd moet worden bij het beoordelen van de vraag of er gebruik kan worden gemaakt van de concernregeling. Voor toepassing van de concernregeling is doorslaggevend de juridische en economische eigendom. Daarmee wordt aangesloten bij het nominaal gestort kapitaal er wordt dus niet getoetst aan de hand van een eventuele stemrechtverdeling.”

13. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat voor de uitleg van het begrip ‘belang’ in de concernregeling tevens moet worden gekeken naar de invulling van het begrip ‘belang’ in andere wetsbepalingen. Uit de wetsgeschiedenis van de concernregeling volgt immers dat de wetgever er met het oog op een eenvoudig te hanteren criterium bewust voor heeft gekozen niet aan te sluiten bij een bestaande concerndefinitie.

14. Het standpunt van eiseres staat voorts haaks op het uit de wetsgeschiedenis af te leiden uitgangspunt dat de juridische en economische eigendom voor de toepassing van de concernregeling doorslaggevend zijn, en dat wordt aangesloten bij het nominaal gestort kapitaal. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat zij reeds op 30 september 2014 de juridische eigendom van [F] had, aangezien vast staat dat de aandelen in [F] eerst op 16 februari 2015 aan [C] en op 31 maart 2015 aan eiseres zijn geleverd. Het betoog van eiseres dat [C] met ingang van 30 september 2014 aanspraak kon maken op de levering van de aandelen in [E] en dat daarmee voldaan is aan het vereiste van juridisch eigendom faalt, reeds omdat een verbintenisrechtelijke aanspraak tot levering van de aandelen niet met de daadwerkelijke levering van die aandelen gelijkgesteld kan worden. Voorts zou de consequentie van dit betoog zijn dat de toepassing van de concernregeling een onderzoek zou vergen naar de wijze waarop verschillende inhoudingsplichtigen zich in juridische en economische zin tot elkaar verhouden, wat zich slecht verdraagt met een eenvoudig uitvoerbare concernregeling die de wetgever blijkens de wetsgeschiedenis op het oog heeft gehad. De omstandigheid dat het bewijsrisico daarbij, naar eiseres stelt, op de inhoudingsplichtige zou komen te liggen maakt dit niet anders.

15. Uit het vorenoverwogene volgt dat [F] per 1 januari 2015 niet kan worden aangemerkt als een met eiseres gezamenlijk in concernverband opererende inhoudingsplichtige als bedoeld in artikel 32 van de Wet LB en daarmee geen aanspraak kan maken op toepassing van de concernregeling. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

Proceskosten

16. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Koenis, voorzitter, en mr. M.C.A. Onderwater en mr. B. van Walderveen, leden, in aanwezigheid van E. Hoekman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.