Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:5374

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
27-06-2018
Datum publicatie
03-07-2018
Zaaknummer
5644330 / CV EXPL 17-376
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Geen sprake van woekerpensioen? Niet gebleken dat het hanteren van de kostentoetsnorm bij pensioenverzekering niet redelijk zou zijn. Niet gebleken dat onjuiste rendementen zijn voorgespiegeld of dat te kort informatie is verstrekt. Vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2018/140
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 5644330 / CV EXPL 17-376 (H.K.)

Uitspraakdatum: 27 juni 2018

Vonnis in de zaak van:

[eiser]

wonende te [woonplaats]

eiser

verder te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. M.J. Meijer, advocaat

tegen

de naamloze vennootschap SRLEV N.V., mede h.o.d.n. Zwitserleven

gevestigd en kantoorhoudende te Alkmaar

gedaagde

verder te noemen: SRLEV

gemachtigde: mr. W. van Heest, advocaat.

1 Het procesverloop

1.1.

[eiser] heeft bij dagvaarding van 22 juli 2016 een vordering tegen SRLEV ingesteld bij de sectie Handel & Insolventie van deze rechtbank. SRLEV heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

Na een hiertoe door [eiser] opgeworpen bevoegdheidsincident heeft de sectie Handel & Insolventie van deze rechtbank bij vonnis in incident van 21 december 2016 de zaak in de stand waarin deze zich bevindt verwezen naar de sectie Kanton.

1.3.

Vervolgens heeft [eiser] een conclusie van repliek genomen, gevolgd door een conclusie van dupliek van SRLEV.

1.4.

Bij vonnis van 7 juni 2017 is een comparitie van partijen gelast. Deze is niet gehouden, omdat partijen met elkaar in overleg zijn getreden over een eventuele regeling.

1.5.

Op de rolzitting van 14 maart 2018 heeft [eiser] een akte voortzetting procedure genomen, waarna de kantonrechter bij vonnis van 28 maart 2018 andermaal een comparitie heeft gelast, welke comparitie is gehouden op 29 mei 2018, in aanwezigheid van partijen en hun gemachtigden. De griffier heeft aantekening gehouden van wat partijen ter toelichting naar voren hebben gebracht. De gemachtigden van beide partijen hebben pleitnotities overgelegd.

2 De feiten

2.1.

De rechtsverhouding tussen [eiser] en SRLEV is gelegen in de

pensioenovereenkomst die [eiser] via zijn (voormalige) werkgever bij SRLEV als pensioenuitvoerder met ingang van 1 januari 1999 heeft afgesloten. Ter uitvoering van die pensioenovereenkomst is een pensioenverzekering op basis van belegging afgesloten.

Op verzoek van [eiser] is meeverzekerd geweest een extra tijdelijk partnerpensioen.

2.2.

Hiertoe is een offerte opgesteld door toenmalig pensioenuitvoerder AXA (rechtsvoorganger van SRLEV), welke offerte door middel van een opdracht tot verzekering d.d. 28 juni 1999 door [eiser] is geaccepteerd. In deze offerte worden, bij een voortdurende pensioenopbouw tot 1 juni 2017, genoemd:

- een Beoogd Ouderdomspensioen van ƒ 11.328,-- (€ 5.140,42) en

- een Beoogd Partnerpensioen van ƒ 7.930,-- (€ 3.598,47).

De verschuldigde premie bedraagt op dat moment ƒ 468,80 (€ 212,73) per maand.

De beleggingen vonden plaats op basis van deelneming in het Obligatie Depot.

Na het sluiten van de verzekering is een polis afgegeven met nummer F 3006816.

2.3.

In 2008 heeft [eiser] gekozen voor een overstap naar Manager Beleggen.

Hiertoe is door hem op 29 november 2008 ondertekend het formulier “Overstappen naar REAAL belegt”. Op basis van de resterende looptijd is de waarde van de verzekerde eenheden overgebracht naar ‘Model Depot V’, een offensief beleggingsdepot.

2.4.

Met ingang van 1 juli 2010 heeft de toenmalige werkgever van [eiser] de oorspronkelijke collectieve pensioenverzekering beëindigd en is overgestapt naar het REAAL Groepsindividueel Pensioenplan (GIP). Hiertoe is een nieuwe polis opgesteld met nummer 1932005991, ingaande 1 juli 2010. Als gevolg van deze overstap is de voormelde pensioenverzekering met nummer F 3006816 premievrij gemaakt.

2.5.

Met ingang van 1 juni 2012 is als gevolg van de uitdiensttreding van [eiser] bij zijn werkgever Rusch B.V. ook de polis met nummer 1932005991 premievrij gemaakt.

2.6.

SRLEV heeft [eiser] met betrekking tot de verzekering onder polisnummer F 3006816 gecompenseerd voor een bedrag van € 893,13 (Compensatie BPR).

Met betrekking tot de verzekering onder polisnummer 1932005991 heeft geen compensatie plaatsgevonden.

2.7.

Bij brief van 11 juni 2013 heeft de gemachtigde van [eiser] aan SRLEV meegedeeld zich niet neer te leggen bij de geboden compensatie van € 893,13.

2.8.

Bij brief van 5 juli 2013 aan de gemachtigde van [eiser] deelt SRLEV mee, dat zij geen aanleiding ziet voor een hoger compensatiebedrag, omdat het aangeboden bedrag is gebaseerd op de kostentoetsnorm voor pensioenverzekeringen, die is vastgesteld tussen enerzijds de Stichting van de Arbeid en anderzijds het Verbond van Verzekeraars, waarbij ook de Financiële Ombudsman J.W. Wabeke betrokken is geweest.

2.9.

Bij brief van 15 juni 2015 heeft de gemachtigde van [eiser] aan SRLEV meegedeeld, dat een compensatiebedrag van € 30.000,-- als passend kan worden aangemerkt, gelet op de wanverhouding die is ontstaan tussen de betaalde inleg en de opgebouwde waarde in de pensioenpolis. SRLEV heeft hier niet mee ingestemd.

3 De vordering

3.1.

[eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
A. zal bepalen dat SRLEV jegens [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten / haar precontractuele zorgplicht heeft geschonden en/of onrechtmatig heeft gehandeld en mitsdien aansprakelijk is voor de hierdoor bij [eiser] opgetreden schade en hierbij te bepalen dat SRLEV deswege gehouden is tot vergoeding van die schade, die [eiser] heeft geleden of nog zal lijden, nader op te maken bij Staat en te vereffenen volgens de wet;
B. SRLEV zal veroordelen tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 1.250,--, te vermeerderen met btw, wegens gemaakt buitengerechtelijke kosten,
alsmede tot betaling van de proceskosten en de nakosten.

3.2.

[eiser] legt aan de vordering – kort weergegeven – het volgende ten grondslag.
In totaal is een bedrag van € 59.312,-- aan premie betaald voor voormelde verzekeringen, als volgt uit te splitsen:

premie voor pensioenopbouw € 52.395,00

premie voor premievrijstellingen bij arbeidsongeschiktheid € 2.463,00

premie overlijdensrisicoverzekering € 4.454,00.

Het destijds door (de rechtsvoorganger van) SRLEV voorgespiegelde rendement van 9,3% staat in geen verhouding tot het gerealiseerde rendement van 1,84%, welk rendement volgens [eiser] overigens niet is uitgekeerd. [eiser] verwijt SRLEV dat zij hem specifiek had moeten waarschuwen voor de rendementsrisico’s, zodat daar mogelijk op geanticipeerd had kunnen worden.

Ook verwijt [eiser] SRLEV dat niet inzichtelijk is gemaakt met welke kosten hij gedurende de looptijd van de overeenkomst rekening moest houden en wat voor effect dit zou hebben op de gewenste en voorgespiegelde kapitaalopbouw. De kosten waren [eiser] vooraf niet kenbaar gemaakt.

Door zo te handelen (niet waarschuwen en geen informatie over de kosten) is SRLEV jegens hem toerekenbaar tekortgeschoten. SRLEV heeft hierbij als professionele verzekeraar jegens [eiser], een consument, haar (pre)contractuele bijzondere maatschappelijke zorgplicht geschonden, wat tevens kan worden aangemerkt als onrechtmatige daad. Het vermogensnadeel bedraagt minimaal ruim € 40.000,--.

[eiser] verwijst voor wat betreft het geleden vermogensnadeel naar de door hem overgelegde rapporten van Get Smart Pensioenconflicten van 8 mei 2015 en 7 maart 2017. Hij verlangt ter compensatie van het geleden vermogensnadeel de uitbetaling van de misgelopen kapitaalopbouw. Het toegekende compensatiebedrag van € 893,13 is volstrekt onvoldoende.

4 Het verweer

4.1.

SRLEV betwist de vordering. Zij voert hiertoe – zakelijk samengevat – het volgende aan.

SRLEV betwist dat in de op haar rustende zorg- of informatieplicht jegens [eiser] is tekortgeschoten. Ook heeft zij niet een (pre)contractuele zorgplicht geschonden, noch heeft zij onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld.

Vanaf het begin is hij periodiek op de hoogte gehouden van de juiste en volledige informatie aangaande op te bouwen pensioenkapitalen en pensioenaanspraken. In de door [eiser] geaccepteerde offerte uit 1999 is sprake van een beoogd Ouderdoms- en Partnerpensioen, bij een voortdurend dienstverband tot 2027. [eiser] heeft op geen enkele wijze onderbouwd waarom een nadeelcompensatie van ruim € 40.000,-- zou moeten worden betaald in plaats van de uitbetaalde compensatie van € 893,13.

Gedurende de looptijd van beide polissen (nrs. F 3006816 en 1932005991) is [eiser] jaarlijks op de hoogte gestelde van de waardeontwikkelingen van de verzekerde eenheden en van de prognoses van de pensioenen.

4.2.

Ten aanzien van de gewenste kapitaalopbouw is SRLEV van mening dat [eiser] niet heeft gesteld op welk ‘consumentenrecht wat gaande is’ wordt gedoeld en welke norm daaruit zou moeten worden afgeleid. Hierbij moet bedacht worden dat bij aanvang van de verzekering in 1999 het betreffende recht een geheel ander karakter had dan in 2016. [eiser] had ermee bekend kunnen en moeten zijn dat de gewenste kapitaalopbouw ook niet behaald zou kunnen worden. SRLEV heeft [eiser] er keer op keer uitdrukkelijk op gewezen dat het kapitaal op de pensioendatum hoger of lager kan uitpakken dan de in de overzichten genoemde voorbeeldkapitalen. Er bestond voor SRLEV geen verplichting om [eiser] op dit punt extra te waarschuwen. Daarnaast is van belang dat naar verwachting het aan te kopen ouderdomspensioen en partnerpensioen veel hoger zou zijn dan de oorspronkelijk beoogde pensioenen indien [eiser] tot zijn pensioengerechtigde leeftijd (1 juni 2027) in dienst was gebleven.

4.3.

Voor wat betreft de in rekening gebracht kosten moet onderscheid worden gemaakt tussen de kosten voor het verzekeren van aanvullende risico’s en overige kosten.

Voor wat betreft de eerste categorie (kosten verzekeren aanvullende risico’s) heeft [eiser] kunnen lezen dat van het premiebedrag ad ƒ 468,80 de volgende kosten werden betaald:

- voor het aanvullend verzekeren van de premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid ƒ 25,70;

- voor het verzekeren van een arbeidsongeschiktheidsrente ƒ 51,40;

- van de resterende premie ad ƒ 391,70 werd als gevolg van het feit dat er zowel een tijdelijk als een levenslang partnerpensioen was meeverzekerd een bedrag per maand ingehouden ter dekking van het overlijdensrisico; de kosten waren nader beschreven in de algemene voorwaarden (U.L. 24.3);

Voor het daarnaast inzichtelijk maken van het effect van de overige kosten op de gewenste kapitaalopbouw bestond geen verplichting en dit was ook overigens niet relevant; [eiser] werd immers door periodieke pensioenoverzichten op de hoogte gehouden van het resultaat van de opbouw van het pensioenkapitaal (na aftrek van de kosten).

Het vorenstaande geldt evenzeer voor de polis die op 1 juli 2010 is ingegaan.

4.4.

Ten aanzien van het gestelde vermogensnadeel is SRLEV van mening dat het rapport van Get Smart Pensioenconflicten van 8 mei 2015 niet ter onderbouwing hiervan kan worden gebruikt, nu dit is gebaseerd op verschillende onjuiste uitgangspunten. Ook het aanvullend rapport van Get Smart Pensioenconflicten van 7 maart 2017 is niet bruikbaar, nu de berekening sterk afwijkt van het eerdere rapport en ook dit laatste rapport nog steeds ten onrechte uitgaat van het hanteren van de ‘toetsnorm voor levensverzekeringen op basis van beleggingen’ in plaats van de ‘toetsnorm voor pensioenverzekeringen op basis van beleggingen’. SRLEV heeft zich aan die laatste kostentoetsnorm gehouden.

Voor zover [eiser] aanvoert dat de beleggingen op enig moment wijzigden van obligaties naar aandelen, dan is de uitdrukkelijke keuze geweest van [eiser] zelf, welke keuze SRLEV niet kan worden tegengeworpen.

5 De beoordeling

5.1.

[eiser] heeft ter zitting meegedeeld dat hij geen beroep meer doet op het deskundigenrapport van Get Smart Pensioenconflicten van 8 mei 2015, omdat in dit eerste rapport de 2,5% van de Wabeke richtlijn is toegepast op de pensioenpremie in plaats van op het belegd vermogen. In het tweede rapport is de 2,5% op het belegd vermogen toegepast.

5.2.

De kantonrechter stelt vast, dat aan de ‘akte over voortzetting procedure’ van [eiser] in deze procedure geen betekenis kan worden gehecht, omdat in de akte wordt gesteld dat de werkgever van [eiser] zich in 1999 ten onrechte heeft onttrokken aan de verplichte deelneming in het bedrijfstakpensioenfonds PME. Echter, PME noch de (inmiddels failliete) werkgever is partij in de onderhavige procedure.

5.3.

[eiser] stelt, dat SRLEV toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen, haar zorgplicht heeft geschonden, dan wel onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser], waardoor zij aansprakelijk wordt gesteld voor de schade die is en/of zal worden geleden.

Opbouw pensioenkapitaal

5.4.

Uit de conclusie van repliek valt op te maken dat [eiser] zijn vordering toespitst op twee gronden.

In de eerste plaats valt SRLEV volgens [eiser] te verwijten dat de opbouw van het verzekerde pensioenkapitaal veel lager is uitgevallen dan op voorhand aan [eiser] voorgespiegeld en dat SRLEV derhalve is te kort geschoten in de op haar rustende informatie en zorgplicht. [eiser] stelt dat hem is voorgespiegeld dat een rendement van 4,71% haalbaar had moeten zijn. Hij verwijst hiervoor naar het rapport van Get Smart Pensioenconflicten van 7 maart 2017, waarin dit percentage door de deskundige in tabel 2 is becijferd. Dit percentage is volgens hem bij lange na niet gehaald.

5.5.

De kantonrechter is met SRLEV van oordeel, dat de door [eiser] geraadpleegde deskundige ten onrechte uitgaat van het hanteren van de ‘toetsnorm met betrekking tot levensverzekeringen op basis van beleggingen’ in plaats van de ‘toetsnorm met betrekking tot pensioenverzekeringen op basis van beleggingen’, die door de Ombudsman Financiële Dienstverleningen is geaccordeerd. Ook in het tweede rapport blijft de deskundige zich baseren op de norm voor levensverzekeringen, waarbij wordt uitgegaan van een maximale kostenafslag op het rendement van de 2,5%.

De kantonrechter is met SRLEV van oordeel, dat de toetsnorm voor pensioenverzekeringen in deze leidend is, nu hier sprake is van een algemeen aanvaarde kostentoetsnorm. De norm is vastgesteld tussen enerzijds de Stichting van de Arbeid en anderzijds het Verbond van Verzekeraars, waarbij ook de Financiële Ombudsman J.W. Wabeke betrokken is geweest. Door [eiser] is niet, althans onvoldoende onderbouwd gesteld waarom in deze zaak het toepassen van deze toetsnorm niet redelijk zou zijn. Deze norm houdt kort gezegd in, het maximeren van de kosten die per jaar door de verzekeraar mogen worden ingehouden op 1,5% over het opgebouwde vermogen en daarnaast mag maximaal 9,5% van de jaarpremie worden ingehouden om de overige kosten te dekken.

Nu zonder inhoudelijke onderbouwing door deskundige Get Smart voor de eerste toetsnorm met betrekking tot levensverzekeringen is gekozen, kan de berekening in dit tweede rapport niet dienen ter onderbouwing van de vordering. Ook de opmerking van de deskundige dat door anderen (in vergelijkbare omstandigheden) dit hogere percentage zou zijn gehaald, is niet voldoende concreet om hier enige waarde aan te kunnen toekennen. Nu [eiser] zijn vordering op dit punt met name heeft gebaseerd op de berekening van Get Smart dient de vordering te worden afgewezen. In dit verband wordt tevens geoordeeld, dat niet is gebleken dat [eiser] recht heeft op een hoger compensatiebedrag dan het aan hem toegekende bedrag van € 893,13.

Ook is de kantonrechter met SRLEV van oordeel, dat niet gezegd kan worden dat door (de rechtsvoorganger van) SRLEV aan [eiser] een hoger rendement is voorgespiegeld dan achteraf is behaald, nu in de offerte van juni 1999 wordt gesproken over “beoogd” en “voorbeeldkapitaal”.

5.6.

Gelet op het vorenoverwogene is niet komen vast te staan dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van SRLEV of dat zij onrechtmatig jegens [eiser] zou hebben gehandeld, dan wel dat SRLEV haar zorgplicht zou hebben geschonden. [eiser] zal niet tot het leveren van bewijs worden toegelaten, nu hij geen voldoende concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld waarop het bewijsaanbod is gebaseerd.

Informatieverstrekking

5.7.

In de tweede plaats stelt [eiser] dat de door SRLEV in rekening gebrachte kosten hem vooraf niet kenbaar (inzichtelijk) zijn gemaakt, zodat niet een juiste belangafweging (inschatting) hierover kon worden gemaakt. Dit klemt te meer, omdat volgens [eiser] achteraf is gebleken dat deze kosten te hoog zijn berekend, in ieder geval hoger – zo begrijpt de kantonrechter – dan partijen zijn overeengekomen.

5.8.

Naar het oordeel van de kantonrechter is niet gebleken dat SRLEV haar informatieplicht heeft geschonden.

SRLEV heeft gemotiveerd onderbouwd, dat zij aan [eiser] uitgebreide informatie heeft verstrekt met betrekking tot de kosten van het verzekeren van aanvullende risico’s. Bovendien waren de kosten nader beschreven in de algemene voorwaarden (U.L. 24.3). Door SRLEV is gemotiveerd betwist dat [eiser] deze voorwaarden niet zou hebben ontvangen. Ter zitting heeft [eiser] desgevraagd niet consistent verklaard dat hij de voorwaarden niet heeft ontvangen. Er wordt dan ook vanuit gegaan dat [eiser] de voorwaarden heeft ontvangen. Daarnaast is door SRLEV onbetwist gesteld dat zij bij brief van 5 juli 2013 [eiser] alle informatie heeft verstrekt die nodig is voor de vaststelling van de hoogte van de compensatie op basis van de kostentoetsnorm voor pensioenverzekeringen.

Voor wat betreft de overige kosten heeft SRLEV naar het oordeel van de kantonrechter zich terecht op het standpunt gesteld, dat er enerzijds destijds voor haar geen verplichting bestond om het effect van de overige kosten op de gewenste kapitaalopbouw inzichtelijk te maken en anderzijds [eiser] periodiek op de hoogte werd gehouden van het resultaat van de opbouw van het pensioenkapitaal (na aftrek van de kosten).

De conclusie moet zijn, dat niet is gebleken dat SRLEV op dit punt toerekenbaar tekort is geschoten of niet heeft voldaan aan haar zorgplicht jegens [eiser], dan wel jegens hem onrechtmatig zou hebben gehandeld.

5.9.

[eiser] stelt ook nog in punt 11 van de dagvaarding dat hij, ware hij juist geïnformeerd, anders zou hebben gehandeld zo nodig door bijstorting waardoor hij meer opbrengst had gegenereerd. Echter, deze stelling is verder niet onderbouwd en wordt overigens gemotiveerd door SRLEV betwist. Zo heeft [eiser] niet aangevoerd op welke norm – in het consumentrecht gaande – hij doelt, waarbij van belang is dat SRLEV terecht opmerkt dat het recht in 1999 op dit punt een ander karakter had dan in 2016. Het volledig tot in detail informeren van verzekerden was toen niet de norm.

Bovendien was in 2011 de prognose gebaseerd op een voorbeeldrendement van 4% (productie 5 bij conclusie van antwoord). Dit is beduidend lager dan de 9,3% die volgens [eiser] door de SRLEV aan hem is voorgespiegeld. Hierin heeft hij geen aanleiding gezien om tot bijstorting over te gaan. De stelling dat hij bij meer of andere informatie anders zou hebben gehandeld, wordt daarom gepasseerd. Een causaal verband tussen de gestelde tekortkoming en de gestelde schade is daarom niet komen vast te staan.

5.10.

De vordering van [eiser] dient daarom te worden afgewezen.

5.11.

Gelet op het vorenoverwogene behoeft het overigens door partijen aangevoerde verder geen nadere bespreking.

5.12.

De proceskosten komen voor rekening van [eiser], omdat hij ongelijk krijgt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

wijst de vordering af;

6.2.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van SRLEV tot en met vandaag vaststelt op € 800,-- aan salaris gemachtigde van SRLEV.

6.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van Rijn, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter