Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:4854

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
04-06-2018
Datum publicatie
11-06-2018
Zaaknummer
6811380 AO VERZ 18-44
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak. Het verzoek van de werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer wordt afgewezen, maar de arbeidsovereenkomst wordt wel worden ontbonden wegens een verstoorde arbeidsverhouding. Werkgever wordt veroordeeld tot betaling van een transitievergoeding en een bonus van € 31.267,35 bruto.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0672
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 6811380 \ AO VERZ 18-44 (PA)

Uitspraakdatum: 4 juni 2018

Beschikking in de zaak van:

de besloten vennootschap The Gap Partnership Netherlands B.V.,

gevestigd te Amsterdam

verzoekende partij

verder te noemen: The Gap Partnership

gemachtigde: W.D. Kootstra

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats]

verwerende partij

verder te noemen: [verweerder]

gemachtigde: mr. D. Broekman

1 Het procesverloop

1.1.

The Gap Partnership heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. [verweerder] heeft een verweerschrift ingediend met tegenverzoeken.

1.2.

Op 8 mei 2018 heeft een zitting plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunt ter zitting toegelicht, mede aan de hand van pleitnotities. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting hebben The Gap Partnership en [verweerder] bij brieven van 3 mei 2018 en 4 mei 2018 nog stukken toegezonden.

2 De feiten

2.1.

The Gap Partnership is een onderneming die consultancydiensten, workshops en trainingen op het gebied van onder meer onderhandelingsvaardigheden levert en verzorgt.

2.2.

[verweerder] , geboren [geboortedag] 1982, is op 3 juni 2013 in dienst getreden bij de vennootschap naar Engels recht The Gap Partnership Ltd. Per 1 december 2014 is [verweerder] aansluitend in dienst getreden bij The Gap Partnership. De laatste functie die [verweerder] vervulde, is die van senior consultant, met een salaris van € 9.259,26 bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag en bonus.

2.3.

[verweerder] werkt voornamelijk vanuit huis en heeft sinds begin mei 2017 te maken met [leidinggevende] (hierna: [leidinggevende] ), Head of Western Europe, als leidinggevende.

2.4.

The Gap Partnership heeft een SalesForce-systeem, waarin [verweerder] onder meer zijn activiteiten en zijn bestaande en potentiële klantenkring dient bij te houden. Klanten van The Gap Partnership zijn in het SalesForce-systeem gekoppeld aan een consultant of accountmanager, die wordt aangeduid als Client Director. De Client Director kan een aanspraak op bonus verkrijgen (mede) op basis van de omzet die is gegenereerd bij de klant waaraan hij of zij in het SalesForce-systeem is gekoppeld.

2.5.

Bij e-mail van 12 juni 2017 heeft [leidinggevende] aan de consultants onder meer het volgende meegedeeld:

“I believe it is important to have clarity (and transparency) on the ownership of the relationship with and the sales targets for our existing clients as well as the BD prospects we are trying to add to our growing list of existing clients.

In order to create this clarity I have therefore prepared for the entire Western Europe team a full list of clients allocations and sales targets. (…)

I am happy to discuss these client lists/targets with you in the course of this week. If there are any mistakes in the client allocation list or any other super surprises (may be result of an oversight), please reply to me only so we can discuss.”

2.6.

Op 9 februari 2018 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [leidinggevende] en [verweerder] . In dit gesprek is aan de orde gesteld dat [verweerder] zich volgens [leidinggevende] in het SalesForce-systeem eigenmachtig en in plaats van andere collega’s als Client Director van bepaalde klanten had opgevoerd, zonder overleg met [leidinggevende] . Ook is een reiskostendeclaratie besproken van [verweerder] voor een klantbezoek aan België op 21 december 2017. Aan het eind van het gesprek heeft [leidinggevende] aangekondigd nader onderzoek te laten verrichten.

2.7.

Bij e-mail van 12 februari 2018 heeft [verweerder] aan [leidinggevende] het volgende geschreven:

“(…) My incorrect mileage claim was completely wrong by putting more mileage than I drove that day. I feel stupid, wrong and a fool. With this I lost your trust, and probably jeopardized my career at TGP (…).

Once again I fully apologise on the trust and mileage claim. It never should have happened. I would really like a chance to prove how committed I am to making this right, to you and to the business. If you are open to this, I suggest we would sit together for us to talk about what I can do to start building back the trust that I broke.”

2.8.

Op 6 maart 2018 is voornoemd onderzoek afgerond. In het onderzoeksrapport staat onder meer het volgende:

“Whilst this indicates there is some internal clarification required (training) on when/why we allocated opportunities to individuals it is also confirmation that LdR is aware that this is the tool that we use to determine bonus allocation vs targets set at the start of the year.

LdR’s mail confirmed his situation on the expense claim & in subsequent discussion what, on reflection, would have been the more appropriate way to approach such a situation.”

2.9.

[verweerder] is nadien op non-actief gesteld.

3. Het verzoek

3.1.

The Gap Partnership verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel d, dan wel onderdeel g, BW.

3.2.

Aan dit verzoek legt The Gap Partnership ten grondslag dat sprake is van – kort gezegd – verwijtbaar handelen van [verweerder] dan wel een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van The Gap Partnership redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Ter onderbouwing daarvan heeft The Gap Partnership gesteld dat [verweerder] zichzelf in het SalesForce-systeem ten onrechte als Client Director voor bepaalde klanten heeft opgevoerd, waardoor hij heeft geprobeerd zich te bevoordelen ten koste van zijn collega’s. Daarnaast heeft [verweerder] volgens The Gap Partnership een onjuiste reiskostendeclaratie ingediend en heeft hij zonder toestemming en overleg een vrije dag opgenomen. The Gap Partnership stelt dat zij [verweerder] niet meer kan vertrouwen, temeer omdat [verweerder] in zeer vergaande mate zelfstandig werkt en er daarom hoge eisen moeten worden gesteld aan zijn wijze van optreden en betrouwbaarheid. Naar de mening van The Gap bagatelliseert [verweerder] de situatie niettemin en brengt dat mee dat niet valt in te zien hoe het geschonden vertrouwen nog kan worden hersteld. The Gap Partnership meent dat [verweerder] ook ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en dat ontbinding daarom op zo kort mogelijke termijn kan plaatsvinden, waarbij aan [verweerder] geen transitievergoeding toekomt.

4 Het verweer

4.1.

[verweerder] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Hij voert daartoe aan – samengevat – dat geen sprake is geweest van verwijtbaar gedrag en dat ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet gerechtvaardigd is. [verweerder] erkent dat hij een onjuiste reiskostendeclaratie heeft ingediend, maar hij wijst erop dat het daarbij slechts om een vergissing ging. [verweerder] betwist dat hij onjuist is omgegaan met het SalesForce-systeem en stelt dat er geen sprake van is dat hij zich als Client Director van bepaalde klanten heeft geregistreerd met het doel om ten koste van collega’s een hogere bonus te verkrijgen. Ook ten aanzien van het opnemen van een vakantiedag is volgens [verweerder] geen benadeling van The Gap Partnership beoogd. Verder wijst [verweerder] erop dat The Gap Partnership niet heeft gehandeld conform haar eigen Disciplinary Procedure.

4.2.

Voor zover de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] om rekening te houden met de geldende opzegtermijn en om The Gap Partnership te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding van € 20.193,00 bruto. Daarnaast vordert [verweerder] betaling van een bedrag van € 31.267,35 bruto aan bonus en vernietiging van het tussen partijen overeengekomen concurrentie- en relatiebeding. Ook verzoekt [verweerder] om The Gap Partnership te veroordelen medewerking te verlenen aan de overdracht aan hem van een mobiel telefoonnummer.

5 De beoordeling

het verzoek

5.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.

5.2.

De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van [verweerder] binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan.

5.3

The Gap Partnership voert aan dat de redelijke grond voor ontbinding is gelegen in verwijtbaar handelen van [verweerder] , welk handelen zodanig is dat van The Gap Partnership als werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter zal hierna beoordelen of de door The Gap Partnership in dit kader naar voren gebrachte feiten en omstandigheden in voldoende mate zijn komen vast te staan en zo ja, of deze een ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens verwijtbaar gedrag rechtvaardigen, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel e, BW.

5.4.

Het eerste verwijt dat The Gap Partnership [verweerder] maakt, is dat [verweerder] een onjuiste reiskostendeclaratie heeft ingediend voor een zakenreis naar België op 29 januari 2018 en dat [verweerder] , nadat hij daarmee werd geconfronteerd, daarover geen open kaart heeft gespeeld. The Gap Partnership verwijst daarbij mede naar de e-mail van [verweerder] van 12 februari 2018 en naar aantekeningen van een skype-gesprek op 1 maart 2018 tussen [leidinggevende] , [naam] (hierna: [naam] ), Head of Global HR operations, en [verweerder] . [verweerder] heeft daartegenover gesteld dat hij inderdaad onzorgvuldig is geweest met het bijhouden van zijn administratie en met het indienen van de declaratie, maar dat geen sprake is geweest van opzet. [verweerder] wijst er ook op dat hij de reis en de declaratie in het systeem heeft ingevoerd nadat hij de betreffende dag al vijf uur achtereen bezig was geweest met het verwerken van zijn administratie, waardoor hij daarover niet goed heeft nagedacht. Daarbij heeft [verweerder] opgemerkt dat hij aanvankelijk wel het plan heeft gehad om naar de klant in België te gaan, maar dat dit plan later is afgeblazen. [verweerder] erkent dat hij tijdens het gesprek daarover op 9 februari 2018 niet direct de waarheid heeft verteld, namelijk dat hij de zakenreis naar België nooit had gemaakt. Volgens [verweerder] had dit te maken met het feit dat hij in dat gesprek plotseling en onverwacht werd geconfronteerd met verwijten, terwijl het gesprek eigenlijk over een sollicitatie zou gaan, waardoor hij aangeslagen was en niet adequaat reageerde. [verweerder] wijst erop dat hij in het gesprek uiteindelijk wel heeft gezegd dat de reis naar België inderdaad niet had plaatsgevonden, maar dat hij die dag wel in Breda is geweest en daarvoor ook reiskosten heeft moeten maken.

5.5.

De kantonrechter overweegt dat vast staat dat [verweerder] een onjuiste reiskostendeclaratie heeft ingediend, namelijk voor een zakenreis naar België die niet daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Eveneens staat vast dat [verweerder] , toen hij daarmee in een gesprek met [leidinggevende] werd geconfronteerd, aanvankelijk heeft volgehouden dat hij de zakenreis wel had gemaakt, maar pas na raadpleging van zijn computer heeft erkend dat dit niet zo was. Dat [verweerder] een onjuiste declaratie heeft ingediend en daarover niet direct duidelijkheid heeft gegeven en open kaart heeft gespeeld, is zeer onzorgvuldig en nalatig geweest. Naar het oordeel van de kantonrechter is echter niet komen vast te staan dat [verweerder] opzettelijk of bewust onjuist heeft gedeclareerd en evenmin dat [verweerder] heimelijk tewerk is gegaan met het doel om The Gap Partnership te benadelen. De kantonrechter acht voldoende aannemelijk dat de onjuiste declaratie voorkomt uit vergaande onzorgvuldigheid en slordigheid van [verweerder] bij het verwerken van zijn administratie. Dat blijkt ook uit de omstandigheid dat [verweerder] op 29 januari 2018 ongeveer vijf uur bezig is geweest met het verwerken van kennelijk achterstallige administratie. Anders dan The Gap Partnership stelt, volgt uit het enkele feit dat [verweerder] in het SalesForce-systeem ook de zakenreis naar België heeft geregistreerd niet zonder meer dat hij bewust onjuist heeft gedeclareerd. Zoals door [verweerder] op de zitting onbetwist is gesteld, kan alleen een reiskostendeclaratie worden ingediend als eerst de reis is ingevoerd. De reis en de declaratie kunnen dus tegelijkertijd en beide onopzettelijk onjuist zijn ingevoerd. Ook de stelling van The Gap Partnership dat uit de aantekeningen van het skype-gesprek van 1 maart 2018 volgt dat [verweerder] bewust een onjuiste declaratie heeft ingediend, kan geen doel treffen. [verweerder] heeft betwist dat hij de uitlatingen heeft gedaan zoals weergegeven in die aantekeningen en heeft opgemerkt dat hij daarvan voor het eerst heeft kennisgenomen door toezending van het verzoekschrift. Gebleken is dat de aantekeningen van het skype-gesprek eenzijdig door [leidinggevende] gemaakt zijn, zonder dat geheel duidelijk is of het om observaties van [leidinggevende] of om uitlatingen van [verweerder] gaat, terwijl ook vast staat dat deze aantekeningen nooit aan [verweerder] zijn verstrekt of toegezonden. Aan die aantekeningen komt daarom geen betekenis toe in dit kader. Gelet op het bovenstaande is de indiening van een onjuiste reiskostendeclaratie onvoldoende grond om te oordelen dat de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden wegens verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] .

5.6.

Het tweede verwijt dat The Gap Partnership [verweerder] maakt, is dat [verweerder] zichzelf in het SalesForce-systeem ten onrechte als Client Director voor bepaalde klanten heeft geregistreerd, waardoor hij heeft geprobeerd zich te bevoordelen ten koste van zijn collega’s. Volgens The Gap Partnership is ten minste voor een zestal klanten sprake geweest van een registratie als Client Director, terwijl [verweerder] geen betrokkenheid had bij die klanten. [verweerder] erkent dat hij zichzelf in de door The Gap Partnership genoemde gevallen als Client Director heeft geregistreerd, maar [verweerder] heeft erop gewezen dat hij ook de contactpersoon was voor deze klanten. Daarnaast stelt [verweerder] dat hij bij deze klanten geen omzet heeft behaald en dat de registratie als Client Director dus ook geen gevolg heeft gehad voor zijn bonus of die van collega’s. Volgens [verweerder] is er in het SalesForce-systeem ook geen directe relatie tussen de registratie als Client Director en de aanspraak op een bonus.

5.7.

De kantonrechter neemt als vaststaand aan dat de registratie als Client Director door [verweerder] in ieder geval in één geval heeft plaatsgevonden in overleg met een collega, omdat de stelling daarover van [verweerder] niet is betwist. Ook is op de zitting door The Gap Partnership erkend dat er geen absoluut verbod is voor een consultant om zich als Client Director in het SalesForce-systeem te registreren. Verder moet worden aangenomen dat [verweerder] niet heeft getracht genoemde registraties te verbergen, omdat onbetwist is dat [leidinggevende] via een e-mail steeds op de hoogte werd gesteld van wijzigingen van een registratie als Client Director, zij het slechts in de vorm van een lijst in een bijlage bij een dergelijke e-mail. Naar het oordeel van de kantonrechter is gelet op het voorgaande onvoldoende gebleken dat [verweerder] zich op een oneigenlijke wijze klanten heeft willen ‘toe-eigenen’ door zich te registreren als Client Director. Ook is niet komen vast te staan dat [verweerder] daarbij de bedoeling had om zich ten koste van collega’s te bevoordelen. In dit verband is er dus eveneens onvoldoende grond voor de conclusie dat [verweerder] zodanig verwijtbaar heeft gehandeld dat dit ontbinding van de arbeidsovereenkomst kan rechtvaardigen.

5.8.

Het derde verwijt dat The Gap Partnership [verweerder] maakt, is dat [verweerder] zonder voorafgaande toestemming een vrije dag heeft opgenomen op 23 februari 2018. [verweerder] heeft toegelicht dat hij aanvankelijk twee afspraken had staan op 23 februari 2018, maar dat één afspraak niet doorging en dat hij de andere afspraak heeft kunnen verplaatsen naar 22 februari 2018. Daardoor kon [verweerder] één dag eerder, namelijk al op 23 februari 2018 op vakantie, zoals hij heeft gedaan. Vast staat wel dat [verweerder] niet tijdig en niet vooraf met [leidinggevende] heeft overlegd over het opnemen van de vrije dag op 23 februari 2018. Hoewel [verweerder] in zoverre niet juist heeft gehandeld, is ook hier vooral sprake van onzorgvuldig en slordig handelen, dat niet kan worden aangemerkt als verwijtbaar handelen.

5.9.

Er is dus geen grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] .

5.10.

De arbeidsovereenkomst zal wel worden ontbonden wegens een verstoorde arbeidsverhouding, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel g, BW. Daarover wordt het volgende overwogen.

5.11.

Bij de beoordeling van de vraag of de arbeidsovereenkomst kan worden ontbonden wegens een verstoorde arbeidsverhouding, zal de kantonrechter moeten onderzoeken of uitgaande van de feiten en omstandigheden die – zo nodig na bewijslevering – zijn komen vast te staan, in redelijkheid kan worden geoordeeld dat sprake is van deze ontslaggrond (zie:

Hoge Raad, 16 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:220 (Bossers & Cnossen)).

5.12.

Zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen, staat vast dat [verweerder] een onjuiste reiskostendeclaratie heeft ingediend en dat hij, toen hij daarmee in een gesprek met [leidinggevende] werd geconfronteerd, niet direct open kaart heeft gespeeld. Ook staat vast dat [verweerder] zich als Client Director van een aantal klanten heeft geregistreerd en een vrije dag heeft opgenomen, zonder tijdig en voorafgaand overleg met [leidinggevende] .

5.13.

Naar het oordeel van de kantonrechter stelt The Gap Partnership terecht dat [verweerder] door deze gedragingen het vertrouwen van The Gap Partnership in hem zodanig heeft geschaad, dat in redelijkheid kan worden geoordeeld dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding die ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt. Weliswaar is niet komen vast te staan dat [verweerder] bewust een onjuiste reiskostendeclaratie heeft ingediend, maar door zijn slordige en onzorgvuldige wijze van handelen heeft [verweerder] wel het vertrouwen van The Gap Partnership op het spel gezet. Dit vertrouwen is verder geschaad doordat [verweerder] daarover eerst onjuiste en wisselende verklaringen heeft afgelegd, en pas na aandringen de waarheid op tafel heeft gelegd. Daarbij komt dat [verweerder] ook blijkens zijn eigen e-mail aan [leidinggevende] van 12 februari 2018 heeft erkend dat hij een vertrouwensbreuk heeft veroorzaakt, nu hij daarin zelf aangeeft dat zijn handelingen “completely wrong” waren en opmerkt: “With this I lost your trust”. De stelling van [verweerder] op de zitting dat deze e-mail in een opwelling is geschreven, kan de kantonrechter niet volgen, omdat de e-mail is verzonden drie dagen na het gesprek tussen [leidinggevende] en [verweerder] . Ook de omstandigheid dat [verweerder] zich, zonder overleg te voeren met [leidinggevende] , als Client Director heeft geregistreerd van bepaalde klanten, heeft bijgedragen aan het verlies van vertrouwen bij The Gap Partnership. Hoewel hiervoor is overwogen dat niet is komen vast te staan dat [verweerder] het doel heeft gehad om zich ten koste van collega’s te bevoordelen, had hij wel kunnen en behoren te weten dat overleg met [leidinggevende] over dergelijke registraties aangewezen was. [leidinggevende] had immers in zijn e-mail van 12 juni 2017, waarmee [verweerder] bekend was, duidelijk te kennen gegeven dat hij een nieuwe werkwijze voorstond ten aanzien van de allocatie van klanten en dat hij daarover de regie wilde voeren. In die e-mail heeft [leidinggevende] ook gevraagd om problemen of correcties ten aanzien van “the client allocation list” aan hem te melden ter bespreking. Gelet daarop had het in ieder geval op de weg van [verweerder] gelegen om eerst overleg te voeren met [leidinggevende] , alvorens eigenmachtig over te gaan tot het wijziging van registraties als Client Director. Dat [verweerder] wijzigingen van een registratie als Client Director aan [leidinggevende] heeft doorgegeven via een bijlage bij een e-mail, kan niet als een adequaat en voorafgaand overleg worden aangemerkt. Door dat overleg na te laten, heeft [verweerder] ook op dit punt het vertrouwen van [leidinggevende] , en daarmee van The Gap Partnership, geschaad. Hetzelfde geldt voor het achterwege laten van tijdig en voorafgaand overleg met [leidinggevende] over het opnemen van een vrije dag.

5.14.

De kantonrechter deelt de mening van The Gap Partnership dat zij temeer hoge eisen aan de betrouwbaarheid van [verweerder] kon en mocht stellen, omdat [verweerder] een grote mate van zelfstandigheid en vrijheid heeft in zijn functie. Ook in het licht daarvan rechtvaardigen genoemde incidenten de conclusie dat de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden wegens een verstoorde arbeidsverhouding.

5.15.

Het verweer van [verweerder] dat The Gap Partnership niet heeft gehandeld conform haar eigen Disciplinary Procedure treft geen doel. De kantonrechter stelt vast dat er geen bepaling in de arbeidsovereenkomst van [verweerder] is opgenomen waaruit volgt dat de Disciplinary Procedure onderdeel uitmaakt van de arbeidsverhouding tussen partijen. Ook overigens is er geen grond om aan te nemen dat die regeling van toepassing is of dat partijen daaraan gebonden zijn. Verder staat vast dat tussen partijen voorafgaand aan indiening van het ontbindingsverzoek gesprekken zijn gevoerd over de hiervoor genoemde incidenten, zodat [verweerder] geacht moet worden voldoende te zijn gehoord en voldoende gelegenheid te hebben gehad om zijn visie naar voren te brengen.

5.16.

Herplaatsing van [verweerder] ligt niet in de rede, omdat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden wegens een verstoorde arbeidsverhouding.

5.17.

De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van The Gap Partnership zal toewijzen en dat de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671b lid 8, onderdeel a, BW zal worden ontbonden met ingang van 1 augustus 2018. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure. The Gap Partnership heeft verzocht om bij ontbinding geen rekening te houden met een opzegtermijn, omdat volgens haar sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] . Zoals blijkt uit wat hiervoor onder 5.4 tot 5.8 is overwogen, is van verwijtbaar handelen geen sprake, en dus ook niet van ernstig verwijtbaar handelen.

5.18.

Omdat hierna zal worden beslist dat The Gap Partnership moet worden veroordeeld tot betaling van een transitievergoeding aan [verweerder] , zal The Gap Partnership in de gelegenheid worden gesteld om het verzoek in te trekken binnen de hierna genoemde termijn.

5.19.

Gelet op het feit dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden wegens een verstoorde arbeidsverhouding en geen sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van één van beide partijen, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen. Indien The Gap Partnership haar verzoek intrekt, zal zij de proceskosten van [verweerder] moeten betalen. De proceskosten van [verweerder] zullen in dat geval worden vastgesteld op een bedrag van € 600,00 voor salaris van de gemachtigde van [verweerder] .

het tegenverzoek

5.20.

Het verzoek van [verweerder] om The Gap Partnership te veroordelen een transitievergoeding te betalen van € 20.193,- bruto wordt toegewezen. Aan de voorwaarden voor het recht op een transitievergoeding wordt voldaan en The Gap Partnership heeft erkend dat de transitievergoeding € 20.193,- bruto bedraagt. The Gap Partnership heeft nog gesteld dat zij de transitievergoeding niet verschuldigd is, omdat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] . Zoals hiervoor onder 5.17 al is overwogen, is daarvan echter geen sprake. De veroordeling tot betaling van een transitievergoeding geldt alleen voor het geval The Gap Partnership haar verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet intrekt.

5.21.

[verweerder] maakt verder aanspraak op betaling van een bonus ter hoogte van een bedrag van € 31.267,35 bruto. [verweerder] verwijst daarbij naar een berekening, overgelegd als bijlage bij het verweerschrift. The Gap Partnership stelt daartegenover dat er geen aanspraak bestaat op een bonus, omdat de arbeidsovereenkomst van [verweerder] wordt ontbonden en hij niet vrijwillig vertrekt. The Gap Partnership beroept zich daarbij op een door haar overgelegde regeling, het zogenoemde ‘non-contractual profit-share plan’.

5.22.

Volgens artikel 5 van de schriftelijke arbeidsovereenkomst kan [verweerder] aanspraak maken op een bonus, onder de voorwaarden van de regeling van ‘The Gap Partnership Global Bonus Scheme’, aangehecht aan die arbeidsovereenkomst. [verweerder] heeft echter gesteld dat die regeling nooit is aangehecht aan de arbeidsovereenkomst en dat hij daarmee niet bekend is. The Gap Partnership heeft de regeling niet overgelegd en ook de inhoud daarvan niet weergegeven. Die regeling kan bij de beoordeling van de aanspraak op bonus dus geen rol spelen.

5.23.

[verweerder] heeft een brief van The Gap Partnership Ltd van 19 februari 2013 overgelegd, waarin staat dat de aanspraak op een bonus wordt bepaald volgens het ‘Group Bonus Scheme’. Die regeling is ook niet overgelegd. Wel wordt in die brief aangegeven dat de bonus afhankelijk is van omzet- en winsttargets en oploopt tot 22.5% van het salaris. In een brief van The Gap Partnership Ltd van 28 augustus 2014 is aan [verweerder] bevestigd dat hij per 1 december 2014 in dienst zal treden bij The Gap Partnership en dat zijn bonuspercentage gehandhaafd blijft op 22.5%. Blijkens een brief van The Gap Partnership Ltd van 19 december 2014 is een nieuwe bonusregeling van kracht geworden in 2015, waarbij de bonus wordt toegekend op basis van groepsprestaties, regioprestaties en individuele prestaties, maar ook deze nieuwe bonusregeling is niet overgelegd. In een brief van 25 februari 2015 wordt door The Gap Partnership Ltd aan [verweerder] meegedeeld dat zijn bonus over 2014 is vastgesteld op 22.5% van zijn salaris en uit brieven van latere datum volgt dat voor 2015, 2016 en 2017 een vergelijkbare bonus is vastgesteld.

5.24.

Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat The Gap Partnership geen van regelingen genoemd in de schriftelijke arbeidsovereenkomst en de brieven van 2013 en 2015 heeft overgelegd. Wel staat vast dat [verweerder] jaarlijks een bonus heeft gekregen, kennelijk steeds een bedrag gelijk aan 22.5% van zijn salaris. Verder moet ervan worden uitgegaan dat in de brief van The Gap Partnership Ltd van 28 augustus 2014 mede namens The Gap Partnership aan [verweerder] is bevestigd dat hij per 1 december 2014 in dienst zal treden bij The Gap Partnership, en dat zijn bonuspercentage gehandhaafd blijft op 22.5%. Onder deze omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat tussen partijen heeft te gelden dat is overeengekomen dat [verweerder] aanspraak heeft op een bonus van 22.5% van zijn salaris, indien wordt voldaan aan de vereiste omzet- en winsttargets. [verweerder] mocht daar gelet op de brief van The Gap Partnership Ltd van 28 augustus 2014 ook gerechtvaardigd op vertrouwen, mede gelet op het feit dat ieder jaar een bonus is toegekend.

5.25.

The Gap Partnership heeft nog een zogenoemd ‘non-contractual profit-share plan’ van maart 2017 overgelegd, waarin onder de kop “Your questions answered” de vraag staat: “If I leave the business involuntary, will I recieve a profit share?”, met als antwoord: “No”. De status en betekenis van deze regeling is voor de kantonrechter echter onvoldoende duidelijk geworden, nu het slechts gaat om een “Overview”, die alleen ziet op een bonus met een ‘non-contractual’ karakter, terwijl ook niet duidelijk is hoe deze regeling zich verhoudt tot de hiervoor genoemde andere regelingen en brieven. Verder zijn de bewoordingen van de regeling niet helder, nu niet nader wordt omschreven wat wordt bedoeld met “If I leave the business involuntary”. Daarbij komt dat niet alleen de tekst van genoemde regeling onduidelijk is, maar dat ook door de verschillende brieven en regelingen ondoorzichtig wordt welke regeling nu eigenlijk geldt en welke voorwaarden voor de bonus van toepassing zijn. Die onduidelijkheid komt voor rekening en risico van The Gap Partnership. Wel helder is de bepaling in de arbeidsovereenkomst dat [verweerder] in beginsel aanspraak heeft op een bonus en de mededeling in de brief van 28 augustus 2014 dat het bonuspercentage bij The Gap Partnership gehandhaafd blijft op 22.5%. Dat is daarom doorslaggevend voor het oordeel dat [verweerder] recht heeft op een bonus.

5.26.

Bij het verweerschrift heeft [verweerder] een berekening van de bonus overgelegd. Daarbij heeft [verweerder] gemotiveerd gesteld dat hij zijn persoonlijke targets heeft gehaald en dat ook de vereiste ondernemingstargets zijn gehaald. Pas op de zitting is door The Gap Partners betwist dat [verweerder] zijn persoonlijke targets heeft behaald, zonder dit nader te onderbouwen of te motiveren. The Gap Partnership heeft op de zitting verzocht om bij akte haar betwisting nader te mogen toelichten, maar de kantonrechter ziet geen aanleiding op dat verzoek in te gaan, omdat The Gap Partnership daartoe al voldoende gelegenheid heeft gehad. [verweerder] heeft zijn berekening immers al bij verweerschrift overgelegd en het standpunt van [verweerder] op dit punt was ook al bekend.

5.27.

Het voorgaande brengt mee dat The Gap Partnership zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 31.267,35 bruto aan bonus. De veroordeling tot betaling van een bonus geldt zowel in het geval dat The Gap Partnership haar verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst intrekt als in het geval zij dat verzoek niet intrekt.

5.28.

Het verzoek van [verweerder] om vernietiging van het concurrentie- en relatiebeding, zoals opgenomen in artikel 13 en artikel 14 van de arbeidsovereenkomst, wordt afgewezen, op de volgende gronden.

5.29.

Vooropgesteld wordt dat op grond van artikel 7:653 lid 2 (oud) BW en het huidige artikel 7:653 lid 3, onderdeel b, BW bedingen als hier aan de orde door de kantonrechter geheel of gedeeltelijk kunnen worden vernietigd, indien in verhouding tot het te beschermen belang van de werkgever, de werknemer door het beding onbillijk wordt benadeeld. In het kader van deze belangenafweging kan aan de zijde van de werkgever onder meer van belang zijn de vrees voor benadeling doordat de werknemer kennis draagt van bedrijfsgeheimen en persoonlijk contact heeft gehad met klanten of andere relaties van de werkgever. Aan de zijde van de werknemer kan onder meer de mogelijkheid van een positieverbetering een rol spelen alsmede het risico dat hij loopt om bij onverkorte toepassing van het beding ernstig nadeel te ondervinden bij het vinden van een passende werkkring.

5.30.

De kantonrechter neemt gelet op de stukken en gezien de aard van de functie van [verweerder] als vaststaand aan dat [verweerder] als senior consultant beschikt over voor zowel The Gap Partnership als voor (internationale) concurrenten waardevolle commerciële bedrijfsinformatie. The Gap Partnership heeft ook onbetwist gesteld dat [verweerder] veel kennis heeft van haar bedrijfsprocessen en tactieken, en dat hij beschikt over al haar les- en cursusmateriaal. Dat betekent dat The Gap Partnership een groot belang heeft bij handhaving van het concurrentie- en relatiebeding van artikel 13 en artikel 14 van de arbeidsovereenkomst.

5.31.

Dat [verweerder] in ernstige mate wordt belemmerd in zijn mogelijkheden om in een andere branche als consultant of verkoper aan de slag te kunnen gaan, heeft hij niet nader onderbouwd. [verweerder] heeft ook onvoldoende betwist de stelling van The Gap Partnership dat hij geen eenzijdig arbeidsverleden heeft en dat hij met evenveel succes andere producten en diensten moet kunnen verkopen. Eén en ander brengt mee dat voldoende vast staat dat het belang van The Gap Partnership bij bescherming van haar bedrijfsbelang zwaarder weegt dan het belang van [verweerder] om ontheven te worden van de verplichtingen uit het concurrentie- en relatiebeding.

5.32.

Wel zal het concurrentiebeding worden beperkt in tijdsduur, zoals subsidiair door [verweerder] is verzocht. De kantonrechter gaat ervan uit dat de kennis en informatie waarover [verweerder] beschikt tot uiterlijk zes maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst nog een reële bedreiging voor de bedrijfsbelangen van The Gap Partnership kan opleveren, maar nadien niet meer. Daarbij weegt mee dat [verweerder] sinds maart 2018 op non-actief is gesteld en niet meer werkzaam is, zodat zijn kennis en informatie sindsdien al beperkter is geworden. Gelet daarop leidt een belangenafweging ertoe dat [verweerder] onbillijk wordt benadeeld wanneer hij meer dan zes maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst nog aan het concurrentie- en relatiebeding blijft gebonden. Het in artikel 13 en 14 van de arbeidsovereenkomst opgenomen concurrentie- en relatiebeding zal daarom gedeeltelijk worden vernietigd, in die zin dat de duur van die bedingen zal worden beperkt tot zes maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst, te weten tot 1 februari 2019. Deze vernietiging geldt alleen in het geval dat The Gap Partnership haar verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet intrekt.

5.33.

[verweerder] heeft tot slot een verzoek gedaan om The Gap Partnership te veroordelen om medewerking te verlenen aan het overdragen van een telefoonnummer naar een door hem aan te wijzen telecomprovider. Deze vordering zal worden afgewezen. [verweerder] heeft weliswaar gesteld dat het betreffende telefoonnummer voorheen zijn privénummer was, maar vast staat ook dat hij zijn telefoonnummer heeft overgedragen aan The Gap Partnership en geen recht op teruggave daarvan heeft bedongen. Daarbij komt dat behoud van dat telefoonnummer voor The Gap Partnership van groot belang is, omdat zij begrijpelijkerwijs wil voorkomen dat [verweerder] of anderen gebruik kunnen maken van een telefoonnummer waarop [verweerder] voorheen voor klanten bereikbaar was. Het enkele feit dat het contract voor het betreffende telefoonnummer destijds door [verweerder] zelf is afgesloten, brengt ook niet mee dat The Gap Partnership gehouden is het telefoonnummer over te dragen aan [verweerder] . The Gap Partnership handelt in dit kader dus niet in strijd met goed werkgeverschap.

5.34.

Omdat beide partijen op punten ongelijk krijgen, zal de kantonrechter bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten dragen.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

bepaalt dat de termijn, waarbinnen The Gap Partnership het verzoek kan intrekken (door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de (gemachtigde van de) wederpartij), zal lopen tot en met 18 juni 2018.

Voor het geval The Gap Partnership het verzoek niet binnen die termijn intrekt:

6.2.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 augustus 2018;

6.3.

veroordeelt The Gap Partnership om aan [verweerder] een transitievergoeding te betalen van € 20.193 bruto;

6.4.

vernietigt het in artikel 13 en 14 van de arbeidsovereenkomst opgenomen concurrentie- en relatiebeding gedeeltelijk, in die zin dat de duur van die bedingen is beperkt tot zes maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst, te weten tot 1 februari 2019;

6.5.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

6.6.

verklaart onderdeel 6.2, 6.3 en 6.4 van deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

Voor het geval The Gap Partnership het verzoek binnen die termijn intrekt:

6.7.

veroordeelt The Gap Partnership tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [verweerder] tot en met vandaag vaststelt op € 600,00 aan salaris voor de gemachtigde van [verweerder] ;

6.8.

verklaart onderdeel 6.7 van deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

Zowel voor het geval The Gap Partnership het verzoek niet binnen die termijn intrekt als voor het geval The Gap Partnership het verzoek wel binnen die termijn intrekt:

6.9.

veroordeelt The Gap Partnership om aan [verweerder] de bonus te betalen van € 31.267,35 bruto;

6.10.

verklaart onderdeel 6.9 van deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gewezen door mr. P.J. Jansen, kantonrechter en op 4 juni 2018 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter