Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:4729

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
06-04-2018
Datum publicatie
07-06-2018
Zaaknummer
AWB - 15 _ 4778
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Prejudiciële vragen van de rechtbank inzake antidumpingrechten inzake fietsen. De rechtbank verzoekt het Hof van Justitie uitspraak te doen over de vraag of Uitvoeringsverordening 501/2013 geldig is voor zover zij betrekking heeft op 2 producent-expediteurs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NLF 2018/1375 met annotatie van Arjan Wolkers
Viditax (FutD), 07-06-2018
FutD 2018-1581
NTFR 2018/1684 met annotatie van mr. B.A. Kalshoven
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummers: HAA 15/4778 en HAA 15/4779

uitspraak van de meervoudige kamer van 6 april 2018 in de zaken tussen

[X] , gevestigd te [Z] , eiseres

(gemachtigde: K. Winters),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Eindhoven, verweerder.

Procesverloop

HAA 15/4778

Verweerder heeft met dagtekening 29 april 2014 aan eiseres een uitnodiging tot betaling (hierna: utb) uitgereikt ten bedrage van € 234.275,37 aan antidumpingrechten.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 24 september 2015 de utb gehandhaafd.

HAA 15/4779

Verweerder heeft met dagtekening 27 februari 2014 aan eiseres een utb uitgereikt ten bedrage van € 229.990,88 aan antidumpingrechten.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 24 september 2015 de utb gehandhaafd.

Beide zaken

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2018 te Haarlem.

Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde en diens kantoorgenoten [A] en [B] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. dr. M.J.W. van Casteren en mr. T.J.W. Spanbroek.

Overwegingen

Feiten

HAA 15/4778

1. In de periode 27 september tot en met 15 oktober 2012 heeft [A BEDRIJF] B.V. (hierna: [A BEDRIJF] ) in naam en voor rekening van eiseres zes aangiften gedaan voor het brengen in het vrije verkeer van fietsen met land van oorsprong en land van verzending Sri Lanka. De fietsen zijn aangegeven onder GN-code [A CODE] dan wel Taric-code [A CODE] . Bij elke aangifte is een certificaat van oorsprong Form A overgelegd afkomstig van de Departement of Commerce te Colombo, Sri Lanka. Op vier Form A’s staat [B BEDRIJF] Ltd te Sri Lanka (hierna: [B BEDRIJF] ) en op twee Form A’s staat [C BEDRIJF] Ltd te Sri Lanka (hierna: [C BEDRIJF] ) als exporteur vermeld. Blijkens de overgelegde bescheiden zijn de fietsen aan eiseres geleverd door [D BEDRIJF] Ltd te Hong Kong, [E BEDRIJF] Ltd te Hong Kong en [F BEDRIJF] te Frankrijk.

2. Verweerder heeft op de voet van artikel 78 van het Communautair Douanewetboek (hierna: CDW) bij [A BEDRIJF] een controle na de invoer ingesteld naar aanleiding van de aanvaardbaarheid van voormelde aangiften. Het naar aanleiding daarvan opgemaakte controlerapport van 24 april 2014 houdt in dat is bevonden dat de fietsen onder Taric-code [A CODE] , met aanvullende code [B CODE] , vallen en dat voor dergelijke fietsen die in de periode van 27 september 2012 tot en met 5 juni 2013 zijn aangegeven voor het brengen in het vrije verkeer een antidumpingrecht van 48,5% moet worden betaald, hetgeen tot een correctie van € 234.275,37 leidt.

HAA 15/4779

3. In de periode 13 februari tot en met 21 mei 2013 heeft [G BEDRIJF] B.V. (hierna: [G BEDRIJF] ) in naam en voor rekening van eiseres 14 aangiften gedaan voor het brengen in het vrije verkeer van – kort gezegd – rijwielen. In 13 aangiften is als land van verzending Sri Lanka genoemd en in één aangifte is als land van verzending Volksrepubliek China (hierna: VRC) genoemd. In 13 aangiften is als land van oorsprong Sri Lanka genoemd en in één aangifte is als land van oorsprong Frankrijk genoemd. De fietsen zijn in twaalf gevallen aangegeven onder Taric-code [A CODE] en in twee gevallen onder TARIC-code [C CODE] . Bij elke aangifte is een certificaat van oorsprong Form A overgelegd afkomstig van de Departement of Commerce te Colombo, Sri Lanka. Op alle Form A’s staat [C BEDRIJF] als exporteur vermeld. Blijkens de overgelegde bescheiden zijn de fietsen aan eiseres geleverd door [F BEDRIJF] te Frankrijk, [H BEDRIJF] Ltd. te Hong Kong en [I BEDRIJF] Ltd. te Hong Kong.

4. Verweerder heeft op de voet van artikel 78 van het CDW bij [G BEDRIJF] een controle na de invoer ingesteld naar aanleiding van de aanvaardbaarheid van voormelde aangiften. Het naar aanleiding daarvan opgemaakte controlerapport van 27 februari 2014 houdt in dat de rijwielen zijn aangegeven onder Taric-code [A CODE] dan wel [C CODE] . Opgemerkt wordt dat Taric-code [C CODE] onjuist is en dat dit Taric-code [A CODE] , met aanvullende code [B CODE] , moet zijn, omdat het gaat om uit Sri Lanka verzonden tweewielige rijwielen met kogellagers, zonder motor. Omdat voor rijwielen die in de periode van 27 september 2012 tot en met 5 juni 2013 onder Taric-code [A CODE] zijn aangegeven voor het brengen in het vrije verkeer een antidumpingrecht van 48,5% moet worden betaald, leidt dit tot een correctie van € 229.990,88.

5. Ter zitting van de rechtbank van 26 februari 2018 heeft eiseres desgevraagd verklaard dat gelet op alle bij de betreffende aangiften behorende bescheiden sprake is van een aantal verschrijvingen en dat in de aangifte van 21 mei 2013 waarin bij land van verzending VRC is aangegeven moet worden gelezen land van verzending Sri Lanka alsmede dat in de twee aangiften van 16 april 2013 waarin de rijwielen onder TARIC-code [C CODE] zijn aangegeven dit moet worden gelezen als TARIC-code [A CODE] .

Beide zaken

6. Op grond van deze bevindingen zijn de utb’s uitgereikt.

Geschil
7. In geschil is of de utb’s terecht zijn uitgereikt. Meer in het bijzonder is in geschil of Uitvoeringsverordening 501/2013 ook betrekking heeft op rijwielen waarvoor verweerder niet het bewijs heeft geleverd dat deze van Chinese oorsprong zijn en – zo deze vraag bevestigd wordt beantwoord – of Uitvoeringsverordening 501/2013 geldig is.

Relevante regelgeving en de totstandkoming daarvan

8. In Uitvoeringsverordening (EU) nr. 990/2011 van de Raad van 3 oktober 2011 (Publicatieblad L 261/2 van 6 oktober 2011) is een definitief antidumpingrecht ingesteld op rijwielen van oorsprong uit de VRC naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 1225/2009.

9. In Verordening (EU) nr. 875/2012 van de Commissie van 25 september 2012 (Publicatieblad L 258/21 van 26 september 2012) heeft de Commissie de opening van een onderzoek aangekondigd naar de mogelijke ontwijking van de bij Verordening (EU) nr. 990/2011 van de Raad ingestelde antidumpingrechten op rijwielen van oorsprong uit de VRC, door de invoer van rijwielen, verzonden uit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië, al dan niet aangegeven als van oorsprong Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië, en tot onderwerping van deze invoer aan registratie.

10. Op 16 januari 2013 heeft de Commissie een controlebezoek verricht aan de bedrijfspanden van [C BEDRIJF] . Bij brief van 28 januari 2013 heeft de Commissie [C BEDRIJF] medegedeeld dat zij voornemens is om artikel 18, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 betreffende beschermende maatregelen tegen de invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (hierna: de Basisverordening) toe te passen en het verzoek om vrijstelling af te wijzen. Overeenkomstig artikel 18, vierde lid, van de basisverordening heeft [C BEDRIJF] tot niet later dan 7 februari 2013 de tijd gekregen om een nadere toelichting te verstrekken. Bij brief van 7 februari 2013 heeft [C BEDRIJF] een nadere toelichting gegeven voorzien van 43 bijlagen. De Commissie heeft deze nadere toelichting om verschillende redenen buiten beschouwing gelaten en het verzoek om vrijstelling afgewezen. Eiseres heeft ter zitting van de rechtbank van 26 februari 2018 verklaard dat zij een onderhoud bij de Commissie heeft aangevraagd om de stukken van [C BEDRIJF] die de Commissie buiten beschouwing heeft gelaten alsnog aan de Commissie over te leggen, maar dat de Commissie geen kennis heeft willen nemen van deze stukken.

11. In Uitvoeringsverordening (EU) nr. 501/2013 van de Raad van 29 mei 2013 (Publicatieblad L 153/1 van 5 juni 2013) is het definitieve antidumpingrecht dat bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 990/2011 is ingesteld op de invoer van rijwielen van oorsprong uit de VRC uitgebreid tot de invoer van rijwielen verzonden uit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië. In deze uitvoeringverordening heeft de Raad – voor zover thans van belang – onder meer overwogen:

“(…)

1.4.

Investigation

(21) Four producers/exporters in Indonesia, one in Malaysia, six in Sri Lanka and two in Tunisia submitted replies to the exemption forms. (…)

(22) The Commission carried out the verification visits at the premises of the following companies:

(…)

- [J BEDRIJF] Limited, [A PLAATSNAAM] , Sri Lanka,

- [K BEDRIJF] Limited, Colombo, Sri Lanka,

- [L BEDRIJF] , Colombo, Sri Lanka,

- [M BEDRIJF] Ltd, [B PLAATSNAAM] , Sri Lanka,

- [C BEDRIJF] Pvt Ltd, [C PLAATSNAAM] , Sri Lanka,

- [N BEDRIJF] (Pvt) Ltd, Colombo, Sri Lanka,

(…).

2.3.

Degree of cooperation and determination of the trade volumes

(…)

2.3.3.

Sri Lanka

(35) The six Sri Lankan companies that submitted a request for exemption in accordance with Article 13(4) of the basic Regulation represented 69 % of the total imports from Sri Lanka to the Union during the RP. The overall import volumes from Sri Lanka were established on the basis of the data from Comext.

(36) One of the companies withdrew its request for exemption during the investigation on the grounds that it had stopped the production of bicycles in Sri Lanka. Therefore, data with regard to this company were disregarded.

(37) The cooperation of the second company was found to be insufficient. The data submitted was unverifiable as the value and volume of parts of Chinese origin purchased by the company could not be reliably determined. Moreover, the value and volume of the parts used in the manufacturing process could not be verified as they were purchased by a third party and only consigned to the company for assembly.

(38) Therefore, in accordance with Article 18(4) of the basic Regulation, the company was informed of the intention to disregard the information submitted by it and was granted a time limit to provide its comments. The company did not provide any comments.

(39) The cooperation of another company was also considered insufficient. The information provided could not be verified on-spot as the company withheld essential information. More specifically, it failed to prepare information explicitly requested prior to the on-spot verification, such as the working sheets or the list of its related companies, thus impeding the verification process. On the other hand, the purchase value of parts of local origin as reported by the company was found unreliable, notably as the investigation revealed at least some links between the company and its local supplier of bicycle parts that were going beyond a normal buyers and sellers relationship and which could not be clarified by the company.

(40) In accordance with Article 18(4) of the basic Regulation, the company was informed of the intention to disregard the information submitted by it and was granted a time limit to provide its comments. In response, the company contested the findings and submitted further evidence and explanations. None of the newly submitted evidence could have been accepted. Firstly, because it could not have been verified anymore since provided after the on-spot visit, In most cases the newly submitted evidence was found to be inconsistent with the explanations and evidence gathered on spot. As regards the newly submitted explanations, these were found to be insufficient as they did not address the main outstanding issues, in particular, the missing clarifications regarding related companies.

(41) Therefore the information provided by the company in question had to be disregarded.

(42) Findings with regard to this company were therefore based on facts available in compliance with Article 18 of the basic Regulation.

(…)

2.5.

Conclusion on the change in the pattern of trade

(58) The overall decrease of the exports from the PRC to the Union and the parallel increase of exports from Indonesia, Malaysia, Sri Lanka and Tunisia to the Union and the increase of exports from the PRC to Indonesia, Malaysia, Sri Lanka and Tunisia after the increase of the anti-dumping measures in July 2005 constitutes a change in the pattern of trade between the countries concerned, on the one hand, and the Union, on the other hand, within the meaning of Article 13(1) of the basic Regulation.

(…)

2.6.

Nature of the circumvention practices

(…)

2.6.3.

Sri Lanka

Transhipment

(77) The exports of the initially cooperating Sri Lankan companies amounted to 69 % of the total Sri Lankan exports to the Union in the RP. For three out of the six initially cooperating companies, the investigation did not reveal any transhipment practices. For the remaining exports there was no cooperation as explained in recitals 35 to 42.

(78) Therefore, in light of the change of the pattern of trade concluded in recital 58 between Sri Lanka and the Union within the meaning of Article 13(1) of the basic Regulation and the fact that not all Sri Lankan producers/exporters came forward and/or cooperated it can be concluded that the exports of those producers/exporters can be attributed to transhipment practices.

(79) The existence of transhipment of Chinese-origin products via Sri Lanka is therefore confirmed.

Assembly operation

(80) The sources of raw materials (bicycle parts) and the cost of production were analysed for each cooperating company to establish whether any assembly operation in Sri Lanka is circumventing the existing measures according to the criteria of Article 13(2) of the basic Regulation.

(81) For three out of the six companies that initially cooperated the Chinese-origin raw materials (bicycle parts) did not constitute 60 % or more of the total value of the parts of the assembled product. It was not necessary, therefore, to examine whether or not the value added to the parts brought in, during the assembly operation, was greater than 25 % of the manufacturing cost. Consequently, assembly operations were not established with regard to these three companies.

(82) Article 18(1) of the basic Regulation was applied to two other companies as explained in recitals 37 to 42 above, while one other company withdrew its cooperation during the on-spot verification as mentioned in recital 36 above. Therefore, the existence of assembly operations within the meaning of Article 13(2) of the basic Regulation was not established.”

Beoordeling van het geschil

Toepasselijkheid Uitvoeringsverordening 501/2013

9. Eiseres stelt zich allereerst op het standpunt dat op verweerder de bewijslast rust dat de rijwielen de oorsprong VRC hebben. Verweerder heeft niet aan zijn bewijslijst voldaan en Uitvoeringsverordening 501/2013 is daarom niet van toepassing op de onderhavige rijwielen. Bovendien heeft eiseres aangetoond dat in het onderhavige geval geen sprake is van ontwijking dan wel assemblage en het is in strijd met doel en strekking van de antidumpingheffing om dan enkel naar het land van verzending van de rijwielen te kijken, aldus eiseres.

10. De rechtbank overweegt als volgt. De titel, punt 116 van de preambule en artikel 1, eerste lid, van Uitvoeringsverordening 501/2013 houden in dat het definitieve antidumpingrecht dat bij Uitvoeringsverordening 990/2011 is ingesteld op de invoer van rijwielen van oorsprong uit de VRC wordt uitgebreid tot de invoer van rijwielen verzonden uit, onder andere, Sri Lanka. Enkel het land van verzending en niet het land van oorsprong van de rijwielen is van belang voor de verschuldigdheid van het antidumpingrecht. Uitvoeringsverordening 501/2013 zou bovendien zinledig zijn indien eiseres wordt gevolgd in haar stelling dat deze verordening enkel betrekking heeft op rijwielen waarvan door verweerder wordt bewezen dat deze van Chinese oorsprong zijn. Indien verweerder dat bewijs kan leveren, is het antidumpingrecht immers reeds verschuldigd op grond van Uitvoeringsverordening 990/2011, zodat van enige uitbreiding van de werking van het antidumpingrecht dan geen sprake is. Voorts strookt het niet met de doelstelling van artikel 13 van de Basisverordening, te weten de doeltreffendheid van het ingestelde antidumpingrecht, als een individuele onafhankelijke importeur in de Unie de gelegenheid krijgt voor de door hem ingevoerde goederen te bewijzen dat geen sprake is van ontwijking door overlading of assemblage.

11. Nu het land van verzending van de onderhavige rijwielen Sri Lanka is, is Uitvoeringsverordening 501/2013 van toepassing.

Geldigheid Uitvoeringsverordening 501/2013

12. Eiseres stelt voorts dat Uitvoeringsverordening 501/2013 ongeldig is en dat de utb’s dienen te worden vernietigd. De ingestelde antidumpingrechten kunnen op grond van artikel 13 van de Basisverordening niet worden uitgebreid, omdat de Raad uit de informatie waarover hij beschikte niet geldig kon afleiden dat sprake was van verzending na overlading op het niveau van Sri Lanka en evenmin dat [C BEDRIJF] en [B BEDRIJF] hierbij betrokken waren. Eiseres wijst in dat verband op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 26 januari 2017 in de gevoegde zaken C-248/15P, C-254/15 P en

C-260/15 P ( [O BEDRIJF] Ltd, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie).

13. De rechtbank stelt voorop dat een marktdeelnemer die zich benadeeld acht door de toepassing van een zijns inziens onwettige antidumpingverordening dit geschil voor de nationale rechter kan brengen en zich voor die rechter kan beroepen op de ongeldigheid van de betreffende verordening (vgl. Hof van Justitie van de Europese Unie 14 juni 2012,

C-533/10 (CIVAD), r.o. 33).

14. In het hiervoor onder 12 genoemde arrest heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie drie hogere voorzieningen afgewezen en daartoe – voor zover thans van belang – onder meer overwogen:

“1 By their appeals, [O BEDRIJF] Ltd, the Council of the European Union and the European Commission seek to have set aside the judgment of the General Court of the European Union of 19 March 2015, [L BEDRIJF] v Council (T-413/13, not published, ‘the judgment under appeal’ EU:T:2015:164), by which that court annulled Article 1(1) and (3) of Council Implementing Regulation (EU) No 501/2013 of 29 May 2013 extending the definitive anti-dumping duty imposed by Implementing Regulation (EU) No 990/2011 on imports of bicycles originating in the People’s Republic of China to imports of bicycles consigned from Indonesia, Malaysia, Sri Lanka and Tunisia, whether declared as originating in Indonesia, Malaysia, Sri Lanka and Tunisia or not (OJ 2013 L 163, p. 1) (‘the regulation at issue’), in so far as that regulation concerns [L BEDRIJF] (‘ [L BEDRIJF] ’).

(…)

Findings of the Court

-Substance

i) Preliminary observations

(…)

57 Next, with regard to the burden of proving circumvention, Article 13(1) of the basic regulation provides that circumvention of anti-dumping measures is established when four conditions are met. First, there must be a change in the pattern of trade between a third country and the European Union or between individual companies in the country subject to measures and the European Union. Second, that change must stem from a practice, process or work for which there is insufficient due cause or economic justification other than the imposition of the duty. Third, there must be evidence of injury to EU industry or that the remedial effects of the anti-dumping duty are being undermined. Fourth, there must be evidence of dumping.

(…)

ii) The errors of law in the application of Article 13(1) ot the basic regulation

(…)

74 Thus, that recital [i.e. recital 78 of the regulation at issue] forms part of a section of the regulation at issue headed ‘Transhipment’, which addresses the second of the four conditions set out in paragraph 57 above. In that section, the Council stated, first of all, in recital 77 of the regulation at issue, that for three out of the six initially cooperating companies, the investigation did not reveal any transhipment practices. For the remaining exports to the European Union, the Council stated that no cooperation had been forthcoming. Next, in recital 78 of the regulation, the Council stated, first, that it had been established in recital 58 that there had been a change in the pattern of trade between Sri Lanka and the European Union and, second, that not all Sri Lankan producer-exporters came forward and cooperated. It concluded that exports of those producer-exporters to the European Union could be ‘attributed’ to transhipment practices. Lastly, in recital 79 of the regulation at issue, the Council found that the existence of transhipment of Chinese-origin products via Sri Lanka was confirmed.

75 The conclusion as to the existence of transhipment operations therefore relates to all the producer-exporters who refused to cooperate and is based on two findings, that is, first, that there had been a change in the pattern of trade and, second, that some of the producer-exporters had failed to cooperate.

76 As is apparent from the principles set out in paragraphs 65 to 69 above, it is not possible to conclude on the basis of those two findings either that [L BEDRIJF] was involved in transhipment operations as an individual producer-exporter or that such practices existed at national level in Sri Lanka.

77 First, while the EU institutions are authorised, in the case of insufficient cooperation, to rely on a body of consistent evidence in concluding that anti-dumping measures have been circumvented, there is nevertheless no legal presumption whereby it is possible to infer directly from an interested party’s failure to cooperate that such circumvention exists. Furthermore, those institutions must have evidence to show that each of the four conditions for demonstrating circumvention set out in paragraph 57 above is met, including the condition that the change in the pattern of trade must stem from circumvention practices. It follows that the Council was not entitled to infer from the simple fact that some of the producer-exporters failed to cooperate that transhipment had occurred.

78 Second, as a change in the pattern of trade is the first of the four conditions to be met in order for circumvention to be properly established, the Council was not entitled to rely on the finding that there had been such a change as evidence of the fact that the second of the four conditions, which requires that such a change should stem from circumvention practices, was established.

79 Therefore, as the Council was not entitled to conclude, on the basis of those two findings in recital 78 of the regulation at issue, either that [L BEDRIJF] was involved in transhipment operations as an individual producer-exporter or that such practices existed at national level in Sri Lanka, the General Court did not err in law in finding, in paragraph 99 of the judgment under appeal, that there was no justification for the Council’s conclusion that [L BEDRIJF] had engaged in transhipment or, as a consequence, in upholding the action and annulling Article 1(1) and (3) of the regulation at issue, in so far as it concerned that company.”

15. [C BEDRIJF] is in overwegingen 39 tot en met 42 van Uitvoeringsverordening 501/2013 door de Raad aangemerkt als onderneming die geen medewerking heeft verleend. Nu [B BEDRIJF] niet met zoveel woorden wordt genoemd in de overwegingen van Uitvoeringsverordening 501/2013, gaat de rechtbank er vanuit dat [B BEDRIJF] behoort tot de in overweging 78 van Uitvoeringsverordening 501/2013 genoemde categorie van Sri Lankaanse producenten-exporteurs die zich niet kenbaar hebben gemaakt en geen medewerking hebben verleend. Voor zowel [C BEDRIJF] als [B BEDRIJF] heeft de Raad zijn conclusie dat zij zich bezig houden met verzending na overlading gebaseerd op de verandering in de structuur van het handelsverkeer tussen Sri Lanka en de Unie enerzijds en het gebrek aan medewerking van deze ondernemingen anderzijds.

16. Nu het Hof van Justitie van de Europese Unie in het hiervoor onder 14 geciteerde arrest heeft geoordeeld dat de Raad uit de informatie waarover hij beschikte niet geldig kon afleiden dat sprake was van verzending na overlading op het niveau van Sri Lanka en hetgeen ten aanzien van de individuele producent-exporteur [L BEDRIJF] (hierna: [L BEDRIJF] ) is overwogen naar het oordeel van de rechtbank evenzeer geldt ten aanzien van de individuele producenten-exporteurs [C BEDRIJF] en [B BEDRIJF] , heeft de rechtbank gerede twijfel of Uitvoeringsverordening 501/2013 voor zover betrekking hebbend op [C BEDRIJF] en [B BEDRIJF] geldig is.

17. Aangezien de nietigverklaring van artikel 1, eerste en derde lid, van Uitvoeringsverordening 501/2013, voor zover betrekking hebbend op [L BEDRIJF] , door de Unierechter niet betekent dat de Uitvoeringsverordening ook nietig is ten aanzien van andere producenten-exporteurs die zich in dezelfde situatie bevinden als [L BEDRIJF] (vgl. Hof van Justitie van de Europese Unie 4 februari 2016, gevoegde zaken C-659/13 en C-34/14 (C&J Clark International Ltd en Puma SE), r.o. 185 en onderdeel 3 van de verklaring voor recht), zal de rechtbank gelet op het vorenoverwogene op de voet van artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie prejudiciële vragen voorleggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie met betrekking tot de uitlegging van het recht van de Unie.

Beslissing

De rechtbank verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie uitspraak te doen over de volgende vragen:

1) Is Uitvoeringsverordening 501/2013 geldig voor zover zij betrekking heeft op producent-exporteur [C BEDRIJF] ?

2) Is Uitvoeringsverordening 501/2013 geldig voor zover zij betrekking heeft op producent-exporteur [B BEDRIJF] ?

De rechtbank houdt verder iedere beslissing aan en schorst het geding totdat het Hof van Justitie van de Europese Unie naar aanleiding van vorenstaand verzoek uitspraak heeft gedaan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.L.C. Bijvoet, voorzitter, en mr. M.C.A. Onderwater en mr. W.M.C. Schipper, leden, in aanwezigheid van E. Hoekman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 april 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: