Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:4677

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21-02-2018
Datum publicatie
06-06-2018
Zaaknummer
6092933 CV EXPL 17-5721
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verklaring voor recht dat Dexia in strijd heeft gehandeld met artikel 41 NR 1999 en daarmee onrechtmatig jegens eiser heeft gehandeld doordat de tussenpersoon bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomsten zonder vergunning jegens de afnemer als financieel adviseur dan wel beleggingsadviseur is opgetreden en Dexia hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn. Veroordeling van Dexia tot betaling aan eiser van een deel van de door eiser geleden schade. Dexia kan niet aansprakelijk worden gehouden voor de gestelde hypotheekschade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton – locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 6092933 CV EXPL 17-5721

datum uitspraak: 21 februari 2018

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

[eiser]

te [woonplaats]

eiser in conventie

verweerder in (voorwaardelijke) reconventie

hierna te noemen [eiser]

gemachtigde mr. G. van Dijk (Leaseproces)

tegen

de besloten vennootschap Dexia Nederland B.V.

te Amsterdam

gedaagde in conventie

eiseres in reconventie

hierna te noemen Dexia

gemachtigde mr. T.R. van Ginkel

In conventie en in (voorwaardelijke) reconventie

1 De procedure

[eiser] heeft Dexia op 19 juni 2017 gedagvaard.

Dexia heeft geantwoord en een (voorwaardelijke) eis in reconventie ingediend. Nadat de kantonrechter had beslist dat de zaak zich niet leent voor een comparitie van partijen na antwoord, heeft [eiser] schriftelijk op het antwoord in conventie en de eis in reconventie gereageerd. Partijen hebben over en weer nog gereageerd, [eiser] als laatste.

2 De feiten

a. Dexia is de rechtsopvolgster onder algemene titel van Bank Labouchere N.V., alsmede van Legio-Lease B.V. (hierna: Labouchere of Legio-Lease) en Dexia Bank Nederland N.V. Waar hierna sprake is van Dexia worden haar rechtsvoorgangsters daaronder mede begrepen.

[eiser] heeft, via de tussenpersoon Spaar Select, de volgende effectenleaseovereenkomsten met Dexia gesloten, te weten:
I. Allround Sparen met vooruitbetaling met contractnummer [xxx] van 22 februari 2000,

II. Overwaarde Effect met contractnummer [yyy] van 22 februari 2000,

hierna te noemen de Overeenkomsten.

Op advies van Spaar Select, in de persoon van adviseur [A] , heeft [eiser] de Overeenkomsten gefinancierd door het sluiten van een derde hypothecaire lening van NLG 130.000,00 op zijn woning.

De overeenkomsten zijn in december 2004 op verzoek van [eiser] tussentijds beëindigd, waarbij [eiser] naast het verlies van zijn inleg een restschuld van in totaal
€ 22.978,83 aan de Overeenkomsten heeft overgehouden. [eiser] heeft de restschuld betaald.

Bij brief van 15 februari 2006 heeft de gemachtigde van [eiser] onder meer het volgende aan Dexia geschreven: “Hierbij bericht ik u dat bovengenoemde cliënt mij verzocht heeft zijn belangen in het geschil met u te behartigen.

De contracten worden hierbij voor zover nog nodig, vernietigd c.q. ontbonden op grond van de artikelen 3:44 lid 4 BW (misbruik van omstandigheden), 6:74 BW (wanprestatie), 6:162 BW (onrechtmatige daad), 6:194 BW (misleidende reclame) en 6:228 BW (dwaling). Namens cliënt wordt het recht voorbehouden om hiertoe nog nadere gronden aan te voeren.

Op grond van het bovenstaande wordt u hierbij verzocht, en voor zover nodig gesommeerd, om binnen twee weken na heden alle door cliënt aan u betaalde bedragen, vermeerderd met de wettelijke rente, terug te betalen alsmede het BKR te Tiel op de hoogte te stellen van het feit dat de contracten met terugwerkende kracht nietig zijn en dus geacht moeten worden nimmer te hebben bestaan. (..)”

De zogenaamde “Duisenberg-regeling” voor effectenleaseproducten is door het Gerechtshof Amsterdam op 25 januari 2007 op grond van de Wet op de Collectieve Afwikkeling Massaschade algemeen verbindend verklaard. [eiser] heeft door middel van een “opt out”-verklaring aangegeven niet aan deze regeling gebonden te willen zijn.

Dexia heeft geweigerd de door [eiser] geleden schade te vergoeding, behoudens de vergoeding van een gedeelte van de restschuld waarvoor Dexia in 2012 erkende schadeplichtig te zijn op basis van het zogenoemde Hofmodel.

3 Het geschil in conventie en in reconventie

In conventie

3.1.

[eiser] vordert, samengevat, een verklaring voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en/of toerekenbaar jegens hem tekort is geschoten op de in de dagvaarding genoemde gronden en veroordeling van Dexia tot betaling van een vergoeding voor de door hem geleden schade, bestaande uit de door hem betaalde bedragen aan inleg in de effectenleaseovereenkomsten en de betaalde restschulden, te vermeerderen met wettelijke rente. Tevens vordert [eiser] een verklaring voor recht dat Dexia aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden hypotheekschade, bestaande uit de afsluitkosten, de notariskosten, de taxatiekosten en de betaalde hypotheekrente voor het gedeelte van de hypotheek dat gebruikt is om de inleg in de effectenleaseovereenkomsten te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente.
Ten slotte vordert [eiser] veroordeling van Dexia tot vergoeding van de gemaakte buitengerechtelijke kosten conform rapport Voorwerk II, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag en van de kosten van het geding, het salaris gemachtigde daaronder begrepen, evenals de nakosten.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vordering, zakelijk weergegeven, ten grondslag dat Dexia is tekortgeschoten in haar tweeledige zorgplicht. Zij had [eiser] in niet mis te verstane bewoordingen moet waarschuwen voor het risico van een restschuld. Dexia had voorts onderzoek moeten doen naar de financiële positie van [eiser] ten einde te kunnen beoordelen of deze redelijkerwijs in staat was de lasten uit de overeenkomsten te kunnen dragen. Dexia heeft dit nagelaten. Verder verwijt [eiser] Dexia dat zij zaken heeft gedaan met een tussenpersoon zonder vergunning. Het is een cliëntenremisier – in casu Spaar Select – niet toegestaan om naast het aanbrengen van cliënten, ook advies over beleggingsproducten te geven. Spaar Select heeft [eiser] daarover echter wel advies gegeven, en Dexia wist dat. De Hoge Raad heeft in arresten van 2 september 2016 (ECL:NL:HR2016:2012 en 2015) beslist dat een aanbieder van effectenleaseproducten geen zaken mocht doen met een cliëntenremisier die zich niet aan de vrijstellingsregels hield. De handelwijze van Dexia kwalificeert als onrechtmatige daad. Door het handelen van Dexia zijn er effectenlease-overeenkomsten gesloten, die bij een juist handelen van Dexia niet waren afgesloten. Hierdoor heeft [eiser] schade geleden, bestaande uit de inleg in de overeenkomsten en de betaalde kosten en hypotheekrente voor de afgesloten hypotheek. Dexia dient deze schade geheel te voldoen. De Hoge Raad heeft in voormeld arrest overwogen dat bij advisering door de cliëntenremisier de vergoedingsplicht van Dexia 100% bedraagt. [eiser] maakt verder aanspraak op wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten.

3.3.

Dexia voert gemotiveerd verweer en concludeert tot niet ontvankelijk verklaring van [eiser] in zijn vorderingen, althans tot afwijzing daarvan, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

In (voorwaardelijke) reconventie

3.4.

Dexia vordert in voorwaardelijke reconventie, onder de voorwaarde dat de rechtbank het in de conclusie van antwoord opgenomen verweer in conventie met betrekking tot de klachtplicht en verjaring verwerpt, [eiser] te bevelen om binnen twee weken na betekening van het ten deze te wijzen vonnis aan Dexia tegen vergoeding van de kosten daarvan kopie te verstrekken van het dossier dat Leaseproces omtrent hem heeft aangelegd, althans van het intakeformulier of de intakeformulieren die Leaseproces omtrent hem heeft opgemaakt, onder bepaling dat [eiser] een dwangsom zal verbeuren van € 500,00 per dag of gedeelte daarvan dat hij in gebreke blijft aan dat bevel te voldoen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

3.5.

De vordering in voorwaardelijke reconventie is gebaseerd op artikel 843a Rv. Dexia voert aan dat van [eiser] gevergd kan worden dat hij open kaart speelt en het volledige dossier overlegt, te meer nu het onderhavige debat ook in 2007 gevoerd had kunnen worden en het slechts aan [eiser] te wijten is dat daarmee een decennium is gewacht. [eiser] stelt zelf dat in 2007 sprake is geweest van een uitvoerige intake-procedure bij Leaseproces, waarin de gang van zaken in 2001 ongetwijfeld uitvoerig aan de orde is gekomen. Het is Dexia bovendien bekend dat Leaseproces destijds gebruik maakte van intakeformulieren, waarin onder meer de vraag werd gesteld of was gewezen op de risico’s van het afgenomen product.

3.6.

Dexia vordert in reconventie voorts een verklaring voor recht dat de Overeenkomsten met nummers [xxx] en [yyy] rechtsgeldig tot stand zijn gekomen, niet zijn vernietigd en niet blootstaan aan vernietiging op enige grond waarop van de zijde van [eiser] een beroep kan worden gedaan, alsmede een verklaring voor recht dat [eiser] met betrekking tot de genoemde overeenkomsten niet werd blootgesteld aan het risico op een onaanvaardbaar zware financiële last, alsmede een verklaring voor recht dat Dexia niets meer verschuldigd is aan [eiser] .

3.7.

Aan de vorderingen in reconventie legt Dexia samengevat ten grondslag dat zij er belang bij heeft dat de gemachtigde van [eiser] in de onderhavige procedure al haar stellingen die betrekking hebben op de rechtsgeldigheid en aantastbaarheid van de overeenkomsten en/of de aansprakelijkheid van Dexia in verband met enige schade uit deze overeenkomsten aan de orde stelt.

3.8.

[eiser] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op de stellingen van partijen zal in het hiernavolgende worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1

De vorderingen in conventie en in reconventie lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4.2

Dexia betwist niet dat zij haar zorgplicht jegens [eiser] geschonden heeft. Tussen partijen is slechts de hoogte van de schade en de mate van eigen schuld bij [eiser] in geschil.

4.3

[eiser] heeft gewezen op het arrest van 2 september 2016 van de Hoge Raad, waarbij algemene overwegingen zijn gegeven over de wijze waarop de schade moet worden verdeeld (ECLI:NL:HR:2016:2012).

4.4

Uit de overwegingen van voornoemd arrest volgt dat, indien de tussenpersoon bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst jegens de afnemer als financieel adviseur dan wel beleggingsadviseur is opgetreden zonder over de benodigde vergunning te beschikken en Dexia hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn, Dexia in strijd heeft gehandeld met artikel 41 NR 1999 en daarmee (niet alleen wegens schending van haar in het arrest De Treek/Dexia vermelde zorgplichten, maar) ook op deze grond jegens de afnemer onrechtmatig heeft gehandeld. Niet aangetoond hoeft te worden dat Dexia wist of behoorde te weten dat de tussenpersoon niet over de benodigde vergunning beschikte toen zij ten opzichte van de afnemer mede als beleggingsadviseur optrad, omdat het in het hiervoor bedoelde geval op de weg van Dexia lag om te onderzoeken of die tussenpersoon over de daartoe benodigde vergunning beschikte (r.o. 5.6.1.). Indien Dexia wist of behoorde te weten van het beleggingsadvies door de tussenpersoon en deze niet over een vergunning beschikte, had Dexia behoren te weigeren met de (particuliere) afnemer te contracteren (r.o. 5.6.3.). Als zij dat toch heeft gedaan, eist de billijkheid volgens de Hoge Raad in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft, zowel wat betreft een eventuele restschuld als wat de door de afnemer betaalde rente, aflossing en kosten aangaat. Dit geldt ook als de mogelijke financiële gevolgen van de leaseovereenkomst geen onaanvaardbaar zware last voor de afnemer vormden (r.o. 5.7.).

4.5

Dexia voert inhoudelijk verweer. Allereerst beroept zij zich echter op verjaring en op schending van de klachtplicht door [eiser] . Daarover wordt als volgt overwogen.

Klachtplicht en verjaring

4.6

Nog afgezien van de brief van [eiser] die hiervoor onder d is aangehaald en die als klacht valt te beschouwen, de verdere correspondentie tussen partijen en de door Dexia begonnen procedure die is geëindigd met een vonnis van 21 oktober 2015 (zaaknummer 3178011 / CV EXPL 14-6900), geldt het volgende.

4.7

Uit het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad volgt dat, indien een effectenleaseovereenkomst tot stand is gekomen via een tussenpersoon die zonder in het bezit te zijn van de daarvoor vereiste vergunning beleggingsadvies heeft gegeven, het beroep op de billijkheidsgronden als bedoeld in artikel 6:101 BW slaagt en dat dit tot gevolg heeft dat de vergoedingsplicht van Dexia niet wordt verminderd wegens eigen schuld van de afnemer zoals in effectenleasezaken doorgaans gebruikelijk is. In een dergelijk geval komt alle schade voor rekening van Dexia. Er is dus sprake van de billijkheidsregel van artikel 6:101 BW en niet van een vordering die kan verjaren. Evenmin vormt het feit dat de tussenpersoon zonder vergunning een beleggingsadvies heeft gegeven een gebrek in een prestatie op grond waarvan een vordering uit wanprestatie of onrechtmatige daad wordt ingesteld en waarop artikel 6:89 van toepassing is. Dat de bewijsmogelijkheden volgens Dexia door het verloop van de tijd zijn afgenomen vormt dan ook geen reden om het beroep van [eiser] op de billijkheidsgronden als bedoeld in artikel 6:101 BW op grond van artikel 6:89 BW af te wijzen. Het beroep van Dexia op verjaring en op het niet voldoen aan de klachtplicht als bedoeld in artikel 6:89 BW wordt dan ook afgewezen.

Artikel 41 NR 1999

4.8

Tussen partijen is niet in geschil dat Spaar Select niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. Er moet dus worden beoordeeld of Spaar Select beleggingsadvieswerkzaamheden verrichtte en of Dexia daarvan op de hoogte was of behoorde te zijn.

4.9

De Hoge Raad heeft overwogen (r.o. 4.7.) dat de Wte 1995 aldus moet worden uitgelegd dat, indien een cliëntenremisier zich niet beperkt tot het aanbrengen van een potentiële belegger bij een beleggingsinstelling of effecteninstelling maar die belegger tevens in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf adviseert, de aldus handelende cliëntenremisier over een vergunning dient te beschikken. In een in het arrest geciteerde beleidsbrief van 5 februari 2002 heeft de Stichting Toezicht Effectenverkeer (hierna:STE) zich uitgelaten over het verschil tussen werkzaamheden waarvoor wel en waarvoor geen vergunning is vereist. De Hoge Raad heeft met betrekking tot deze brief vastgesteld dat de inhoud daarvan in overeenstemming is met hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen (r.o. 4.6.4.), zodat deze ook door de kantonrechter zal worden gevolgd. De STE heeft in genoemde brief verklaard:

“Indien een cliëntenremisier klanten die bij effecteninstellingen worden of zijn aangebracht, tevens beroeps- of bedrijfsmatig adviseert over (specifieke) effectentransacties, dan verricht hij feitelijk orderremisier- dan wel vermogensbeheeractiviteiten en is hij vergunningplichtig. Het is daarbij niet relevant of de klanten effectenorders zelf doorgeven aan de betrokken effecteninstelling.

De cliëntenremisier mag (potentiële) klanten wel informeren over kenmerken van beleggingscategorieën (informatie over wat een aandeel is, wat een obligatie is of wat effectenleaseproducten zijn), omdat dit geen adviezen over effectentransacties of beheeractiviteiten betreffen.

De cliëntenremisier mag dus niet beroeps- of bedrijfsmatig adviseren c.q. aanprijzen om bijvoorbeeld een specifiek aandeel, een specifiek beleggingsfonds of een bepaalde obligatie of een specifiek effectenleaseproduct te kopen.

Indien de cliëntenremisier een transactiegerelateerde vergoeding (bijvoorbeeld provisie, commissie of een andersoortige vergoeding) ontvangt van de uitvoerende effecteninstelling, gaat de STE er van uit dat de cliëntenremisier aantoont dat hij geen adviezen over effectentransacties verstrekt aan betrokken klanten. De cliëntenremisier kan dit bijvoorbeeld aantonen door middel van schriftelijke stukken waarin aan de klant wordt gecommuniceerd dat de cliëntenremisier de klant niet mag adviseren over effectentransacties.”

4.10

Vast staat dat Spaar Select als bedrijfsmatig handelend tussenpersoon betrokken was bij de totstandkoming van de onderhavige effectenleaseovereenkomsten. Dexia heeft niet betwist dat zij Spaar Select in verband daarmee een vergoeding betaalde. Gelet op het voorgaand is van belang of Spaar Select meer heeft gedaan dan het verstrekken van informatie over een of meerdere effectenleaseproducten, bijvoorbeeld door een op de persoon van [eiser] gericht financieel advies te geven en/of te adviseren een specifiek effectenleaseproduct te kopen.

4.11

Volgens [eiser] zijn de Overeenkomsten als volgt tot stand gekomen. [A] (hierna: [A] , een medewerker van Spaar Select, heeft een bezoek aan [eiser] gebracht en hem geïnformeerd over de effectenleaseovereenkomsten. Het eerste gesprek was een inleidend gesprek waarbij [A] naar de financiële situatie van [eiser] vroeg. [eiser] maakte kenbaar dat hij vermogen wilde opbouwen om meer financiële reserve te creëren, bijvoorbeeld voor de studie van zijn kinderen of aanpassingen aan zijn woning. Naar aanleiding van deze doelstelling adviseerde [A] een tweetal producten van Dexia , te weten het Allround Sparen product en het Overwaarde Effect product. Bovendien zou [eiser] zijn doorlopend krediet kunnen aflossen en zou hij zijn lopende Koersplanpolis bij Aegon kunnen beëindigen, wat een maandelijkse besparing zou opleveren. [A] gaf aan dat [eiser] veel overwaarde op zijn woning had. Het was zonde om daar niets mee te doen: nu zit dat immers in de stenen. [eiser] zou volgens de adviseur een derde hypotheek van fl. 130.000,- kunnen nemen op zjn woning. Allereerst zou hij met dit geld zijn doorlopend krediet kunnen aflossen, waardoor hij ook direct zijn Koesplanpolis zou kunnen beëindigen. [eiser] zou vervolgens een groot deel van het opgenomen hypotheekbedrag kunnen gebruiken voor de inleg in het Allround Sparen product en het Overwaarde Effect product van Bank Labouchere. [eiser] zou met deze producten veel vermogen opbouwen. Er zou worden belegd in veilige en stabiele fondsen. Na vijf jaar zouden de producten veel rendement hebben opgeleverd. [eiser] zou vervolgens zijn derde hypotheek kunnen aflossen met de opbrengsten van de aandelenleaseovereenkomsten en alsnog een kapitaal van fl. 62.500,00 overhouden.

4.12

De adviseur heeft vervolgens een financieel plan opgesteld, waarin deze specifieke producten aan [eiser] werden aangeraden. In dit persoonlijk financieel plan heeft de adviseur nogmaals toegelicht en op papier gezet op welke wijze de spaarleaseconstructie na vijf jaar een aanzienlijk bedrag zou opleveren.

4.13

Volgens [eiser] heeft [A] alleen de positieve aspecten van de overeenkomsten benadrukt. Door [A] is niet gewezen op de specifieke risico’s. Zo heeft hij er niet op gewezen dat met een lening (de hypotheek) de rentelasten voor twee andere leningen (de effectenleaseovereenkomsten) werden betaald en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen de inleg geheel verloren kon gaan, de hypotheek niet kon worden afgelost en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomsten. [eiser] had zelf geen beleggingservaring. Hij vertrouwde volledig op het advies van de adviseur en hij was in de veronderstelling dat hij zijn doelstelling daadwerkelijk zou gaan realiseren. Het opvolgen van het advies heeft desastreus uitgepakt, aldus [eiser] .

4.14

Dexia heeft de door [eiser] gestelde feiten en omstandigheden waaronder de overeenkomsten tot stand zijn gekomen niet weersproken. Dexia heeft ook niet betwist dat zij op de hoogte was van een dergelijke gang van zaken. Zij voert in een algemeen betoog aan dat de medewerkers van Spaar Select altijd zorgvuldig te werk gingen bij het geven van uitleg aan potentiële cliënten en dat zij altijd hebben gewezen op de risico’s van de overeenkomsten.

4.15

De kantonrechter verwerpt dit betoog. Anders dan Dexia stelt is de inhoud van het advies, en in het bijzonder de vraag of de tussenpersoon wel of niet heeft gewezen op de risico’s van het product, in deze context niet relevant. Waar Dexia stelt goed te hebben geweten hoe de medewerkers van Spaar Select opereerden, behoorde zij ook op de hoogte te zijn geweest van de werkelijke gang van zaken. Dexia wist dat er actief geworven werd en zij behoorde daarom in dit concrete geval zich te realiseren dat de door [A] aanbevolen constructie door hem werd afgeschilderd als voordelig voor [eiser] . Dat [A] de nadruk legde op de voordelen van de constructie, betwist Dexia niet. Daarmee staat vast dat Dexia op de hoogte was, althans behoorde te zijn van de concrete, onjuiste en onzorgvuldige advisering.

4.16

Op grond van het voorgaande wordt geoordeeld dat [eiser] als potentiële cliënt bij Dexia is aangebracht door een cliëntenremisier die, in strijd met de Wte 1995, tevens beleggingsadvieswerkzaamheden heeft verricht zonder over de daarvoor noodzakelijke vergunning te beschikken, en dat Dexia hiervan op de hoogte behoorde te zijn en mogelijk ook op de hoogte was. Dit betekent, gelet op het voornoemde arrest van 2 september 2016, dat de billijkheid eist dat de vergoedingsplicht van Dexia tegenover [eiser] geheel in stand blijft, zowel wat betreft een eventuele restschuld als wat de door [eiser] betaalde rente, aflossing en kosten aangaat. [eiser] heeft aangegeven er mee in te stemmen dat het door hem als gevolg van de Overeenkomsten genoten fiscale voordeel ad € 3.812,62 op de door Dexia te betalen vergoeding in mindering wordt gebracht. De rente zal worden toegewezen telkens vanaf de dag der door [eiser] gedane betalingen.
Hypotheekschade

4.17

De kantonrechter is van oordeel dat Dexia niet aansprakelijk kan worden gehouden voor de door [eiser] gestelde hypotheekschade. [A] heeft deze constructie weliswaar aangeraden ter financiering van de effectenleasecontracten, maar het moet [eiser] duidelijk geweest zijn dat het bij een hypotheek gaat om een lening, hetgeen immers als een feit van algemene bekendheid mag worden gezien, en dus geld kostte. De gevolgen van het afsluiten van deze hypotheek moeten dan ook voor rekening van [eiser] blijven.
Buitengerechtelijke kosten

4.18

[eiser] vordert vergoeding van de buitengerechtelijke kosten. Dexia heeft zich daartegen verzet, omdat de vordering is verjaard alsook de dubbele redelijkheidstoets niet kan doorstaan, omdat de kosten niet zijn gespecificeerd en als zij al zijn gemaakt niet meer omvatten dan het opstellen van een eenvoudig briefje en gestandaardiseerde buitengerechtelijke werkzaamheden. Voor het overige gaan die niet verder dan de werkzaamheden waarop artikel 241 Rv ziet, aldus Dexia.
heeft in de procedure een aantal mails en brieven overgelegd waaruit blijkt dat Leaseproces mede voor [eiser] een groot aantal werkzaamheden heeft verricht om voor de afnemers die een effectenleaseovereenkomst hebben gesloten, waaronder [eiser] , voldoening buiten rechte te verkrijgen. Daarmee is voldoende aannemelijk gemaakt dat er buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt. Net zomin als de hoofdvordering is verjaard zoals hiervoor is overwogen, is dit deel van de vordering verjaard, zodat ook dat verweer wordt verworpen.
Wat de hoogte van de vergoeding van die kosten betreft overweegt de kantonrechter dat afspraken tussen [eiser] en de gemachtigde daarover in dezen niet bepalend zijn. Een vergoeding conform Rapport Voorwerk II is naar het oordeel van de kantonrechter zowel op zichzelf als qua omvang wel redelijk. Aangezien [eiser] geen hoofdsom vordert waaruit de vergoeding zich eenvoudig laat afleiden, zal de kantonrechter om discussie hierover te voorkomen de vergoeding schattenderwijs vaststellen op € 1.785,00.

4.19

Dexia zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in conventie.


De (voorwaardelijke) eis in reconventie

4.20

Nu de verweren met betrekking tot de klachtplicht en verjaring zijn verworpen is de voorwaardelijke vordering in reconventie onvoorwaardelijk geworden.

4.21

De achtergrond van deze vordering is dat de procedure, zoals Dexia stelt, ook in 2017 gestart had kunnen worden. Ervan uitgaande dat dit juist is, ziet de kantonrechter in het wachten tot 2017 geen verwijtbaar handelen jegens Dexia. Het is de kantonrechter ambtshalve bekend dat er een groot aantal procedures met vergelijkbare inzet als de onderhavige heeft gelopen en nog steeds loopt. Hieronder rekent de kantonrechter ook de procedures waar de stellingen zoals van [eiser] niet in de dagvaarding, maar als verweer naar voren zijn gebracht. Het heeft jaren, waarin veel van die procedures stil lagen, geduurd voordat tot in zodanige mate duidelijkheid bestond dat de kantonrechters tot eindvonnissen konden komen. In het bijzonder betreft dit de tussenpersoon-problematiek, waarvoor pas in september 2016 volledige duidelijkheid is ontstaan. Dit rechtvaardigt op zichzelf al het wachten. Dat Dexia nu in een nadeliger positie verkeert dan in 2007 het geval zou zijn geweest in een procedure die vervolgens traag zou verlopen, is concreet gesteld noch gebleken. Deze vorderingen in reconventie zullen dan ook worden afgewezen.

4.22

Gelet op het voorgaande is voor toewijzing van de overige vorderingen in reconventie geen grond, zodat ook deze zullen worden afgewezen. De kantonrechter tekent daarbij aan dat de door Dexia gevorderde verklaringen voor recht al in de eerdere procedure aan de orde zijn geweest en bij vonnis van 21 oktober 2015 zijn afgewezen.

4.23

Dexia zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in reconventie.

4.24

Wat partijen verder nog naar voren hebben gebracht behoeft geen bespreking meer, nu dit in het licht van hetgeen in dit vonnis is vastgesteld en overwogen, niet tot een andere beslissing kan leiden.

De beslissing

De kantonrechter:

In conventie

- verklaart voor recht dat Dexia in strijd heeft gehandeld met artikel 41 NR 1999 en daarmee onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld doordat de tussenpersoon bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomsten zonder vergunning jegens de afnemer als financieel adviseur dan wel beleggingsadviseur is opgetreden en Dexia hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn,

- veroordeelt Dexia tot betaling aan [eiser] van de door deze geleden schade, bestaande uit de door [eiser] betaalde bedragen aan inleg in de effectenleaseovereenkomsten en de betaalde restschulden, verminderd met hetgeen door Dexia reeds aan [eiser] is betaald en verminderd met een bedrag van € 3.812,62 wegens genoten fiscaal voordeel, en vermeerderd met de wettelijke rente telkens vanaf de dag der door [eiser] gedane betalingen tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt Dexia tot betaling aan [eiser] van de door deze gemaakte buitengerechtelijke kosten, vastgesteld op € 1.785,00;

- veroordeelt Dexia tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van [eiser] tot en met vandaag worden begroot op de volgende bedragen:

dagvaarding € 97,31

griffierecht € 78,00

salaris gemachtigde € 1.200,00;

- verklaart dit vonnis in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde;

In reconventie

- wijst de vordering af;

- veroordeelt Dexia tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van [eiser] tot en met vandaag worden begroot op € 600,00 aan salaris van de gemachtigde en verklaart dit vonnis in zoverre uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.