Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:4605

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
07-03-2018
Datum publicatie
06-06-2018
Zaaknummer
6497713 / CV EXPL 17-10704
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Huur woning. Toewijzing vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst op grond van dringend eigen gebruik. Verhuis- en herinrichtingsvergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 6497713 / CV EXPL 17-10704

Uitspraakdatum: 7 maart 2018

Vonnis in de zaak van:

1 [eiser]

2. [eiseres]

beide wonende te [woonplaats] , Verenigde Staten

eisers in conventie (in de hoofdzaak en in het incident),

verweerders in voorwaardelijke reconventie

verder te noemen: [eiser] , [eiseres] en [eiser c.s.] (tezamen)

gemachtigde: mr. H.M. Hielkema

tegen

[gedaagde]

wonende te [plaats A]

gedaagde in conventie (in de hoofdzaak en in het incident)

eiser in voorwaardelijke reconventie

verder te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: T.C. Boer

1 Het procesverloop

1.1.

[eiser c.s.] heeft bij dagvaarding van 15 november 2017 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld alsmede een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord en daarbij een (voorwaardelijke) tegenvordering ingediend.

1.2.

Bij tussenvonnis van 27 december 2017 is een comparitie van partijen bepaald die heeft plaatsgevonden op 19 februari 2018. Beide partijen hebben daarbij gebruik gemaakt van zittingsaantekeningen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen verder ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft [eiser c.s.] nog verschillende producties toegezonden.

2 De feiten

2.1.

[eiser c.s.] is sinds 2004 eigenaar van de villa aan de [a-straat] te [plaats A] .

2.2.

In 2012 is [eiser c.s.] met het gezin (bestaande uit de ouders met hun drie toen minderjarige kinderen) verhuisd naar de Verenigde Staten.

2.3.

Voornoemde villa heeft [eiser c.s.] met ingang van 15 september 2012 verhuurd aan [gedaagde] voor een huurprijs van thans € 4.189,30 per maand. De villa wordt sindsdien door [gedaagde] , zijn echtgenote en zijn twee dochters (thans acht en zes jaar oud) bewoond.

2.4.

De oudste dochter van [eiser c.s.] , [dochter] van thans 21 jaar oud, is in 2016 naar Nederland teruggekeerd om aan de [Hogeschool te plaats B] te gaan studeren.

2.5.

Dochter [dochter] heeft in Nederland psychiatrische klachten ontwikkeld die culmineerden in een suïcide poging.

2.6.

De huisarts van [dochter] , [huisarts] heeft op 5 november 2017 in een verwijsbrief geschreven:
“(…) [dochter] melde zich bij op 22 mei jongstleden na een ziekenhuis opname, waar zij behandeld werd voor een nieuw gediagnosticeerde chronische midische aandoening. De eerste symptomen traden op in het begin van 2017, waarvoorzij aanvankelijk geen medische hulp inriep. De situatie verslechterde in de loop der maanden, haar studieresultaten gingen achteruit en uiteindelijk heeft het geleid tot een ziekenhuis opname. Een belangrijke oorzaak die geleid heeft tot deze situatie, acht ik het alleen op kamers wonen, ver bij haar familie vandaan. Kort na ontslag kwam ze bij mij onder behandeling en na het instellen van medicatie is zij eind mei j.l. naar haar familie in de V.S gegaan waar de behandeling tijdelijk is overgenomen. Ik onderstreep dat [dochter] veel zorg en begeleiding van haar familie nodig blijft hebbenbij terugkeer in Nederland waar ze haar studie in [plaats B] gaat hervatten. (…)”
In een brief van 7 januari 2018 aan de gemachtigde van [eiser c.s.] heeft [huisarts] geschreven: “(…) In [plaats B] ging het aanvankelijk redelijk goed tot eind 2016 – begin 2017. [dochter] miste de bescherming van haar gezin (…) en had veel negatieve gedachten over het feit dat zij draagster was van het letale borstkankergen. Zoals ik al schreef ging het vanaf januari 2017 bergafwaarts en raakte zij in een ernstige depressie met zeer intensieve angstaanvallen. Dit resulteerde in een tentamen suicidii in mei 2017 waarvoor zij werd opgenomen in een ziekenhuis en direct na ontslag naar de VS werd gerepatrieerd. Daar is zij onder behandeling gekomen van [psychiater] , een psychiater verbonden aan [Universiteit] te [woonplaats] . Uit deze geschiedenis moge duidelijk zijn dat het van groot belang is voor stabiliteit en het verdere herstel van [dochter] dat zij haar studie kan blijven vervolgen aan de Universiteit van [plaats B] , in de beschermde omgeving van haar gezin en de meest vertrouwde woonomgeving c.q. haar ouderlijk huis in [plaats A] . (…)”

2.7.

[psychiater] heeft op 8 november 2017 over [dochter] geschreven: “(…) I was informed that the patient and family will return to the Netherlands. My recommendations include the continuation of her medical treatment by her Dutch family practitioner and medical specialist, for her to resume her academic studies, and for her to remain with her family in a safe environment. I am recommending that she not go back to her former [plaats B] apartment to live by herself, where she might risk isolation and relapse. (…)”

2.8.

In een brief van 31 oktober 2017 heeft de [Hogeschool te plaats B] bevestigd dat [dochter] vanaf februari 2018 haar studie weer zal oppakken.

2.9.

Bij aangetekende brief van 29 augustus 2017 heeft de gemachtigde namens [eiser c.s.] de huur tegen 1 maart 2018 opgezegd omdat [eiser c.s.] zich genoodzaakt ziet om in verband met de ziekte van [dochter] met het gezin terug te keren naar Nederland. Bij brief van 10 oktober 2017 heeft de gemachtigde [gedaagde] er op gewezen dat er voor hem andere passende woonruimte beschikbaar is, te weten een vrijstaande villa aan [de b-straat] te [plaats A] voor een huurprijs van € 3.950,- per maand.

2.10.

[dochter] en haar moeder zijn inmiddels teruggekeerd naar Nederland en verblijven tijdelijk bij een vriendin, [vriendin] te [plaats C] .

2.11.

Bij brief van 6 februari 2018 heeft prof. Dr. [naam] aan [eiser] geschreven: “(…) Bij deze bevestig ik u dat u per 1 september 2018 in dienst zult treden als [functie] van [werkgever te plaats D] . (…)”

3 De vordering in de bodemprocedure

3.1.

[eiser c.s.] vordert - samengevat - dat de kantonrechter, waar mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. De huurovereenkomst tussen partijen beëindigt per 1 maart 2018;

II. [gedaagde] veroordeelt het gehuurde binnen drie dagen na betekening van dit vonnis met alle daarin vanwege hem aanwezige goederen en personen te ontruimen op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag;

III. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de kosten van ontruiming binnen zeven dagen na toezending van en conform het proces verbaal van ontruiming van de deurwaarder, dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente;

IV. [gedaagde] veroordeelt in de kosten en de nakosten van de procedure.

3.2.

Hij legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat de huur tussen partijen dient te eindigen op grond van dringend eigen gebruik ex artikel 7:274 lid 1 sub c BW. Daartoe voert [eiser c.s.] aan dat de dringende noodzaak is gelegen in de voor het herstel van dochter [dochter] vereiste gezinshereniging in de oude woning in Nederland. Volgens [eiser c.s.] is voldoende gebleken dat voor [gedaagde] andere passende woonruimte verkrijgbaar is. Ten slotte dienen de belangen van [gedaagde] bij het behoud van het gehuurde te wijken voor die van [eiser] bij de beëindiging van de huur.

4 Het verweer in de bodemprocedure

4.1.

[gedaagde] betwist de vordering. Hij voert daartoe aan dat de dringende noodzaak onvoldoende is gebleken: uit niets blijkt waarom [eiser c.s.] nu juist in het gehuurde moet terugkeren en waarom een andere woning niet zou voldoen. [gedaagde] betwist voorts dat andere passende woonruimte voor hem beschikbaar is. Ten slotte voert [gedaagde] aan dat zijn belang bij het behoud van het gehuurde, bestaande uit de diepe geworteldheid van hem en zijn gezin in de buurt waar het gehuurde gelegen is, dient te prevaleren boven de belangen van [eiser c.s.] [gedaagde] maakt voorts bezwaar tegen de gevorderde dwangsommen en tegen de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad.

5 De tegenvordering en het verweer in de bodemprocedure

5.1.

[gedaagde] vordert bij wijze van voorwaardelijke tegenvordering dat de kantonrechter, uitvoerbaar bij voorraad [eiser c.s.] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 5.910,- aan verhuiskosten te vermeerderen met de proceskosten, inclusief de nakosten en de wettelijke rente.

5.2.

Hij legt een beroep op het bepaalde in artikel 7:275 BW aan de tegenvordering ten grondslag.

5.3.

[eiser c.s.] betwist de tegenvordering niet en stemmen daarmee in. Deze aanspraak kan in conventie worden vastgesteld.

6 De provisionele vordering ex 223 Rv en het verweer

6.1.

[eiser c.s.] vordert bij voorlopige voorziening dat [gedaagde] wordt bevolen het gehuurde te ontruimen op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag bij gebreke waarvan [eiser c.s.] wordt gemachtigd de ontruiming zelf te bewerkstelligen zo nodig met behulp van de sterke arm, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het incident.

6.2.

[eiser c.s.] voert aan spoedeisend belang te hebben bij ontruiming van de woning, welke belang is gelegen in de eerder aangevoerde dringende noodzaak. Van [eiser c.s.] kan niet worden gevergd de bodemprocedure af te wachten.

6.3.

[gedaagde] voert verweer tegen deze voorziening en heeft daartoe - samengevat – naast hetgeen hij in de bodemprocedure heeft aangevoerd, naar voren gebracht dat het vereiste spoedeisende belang ontbreekt. Voorts strijdt de incidentele vordering met het uitgangspunt van artikel 7:272 BW dat een opgezegde huurovereenkomst van kracht blijft totdat de rechter onherroepelijk heeft beslist.

7 De beoordeling


De hoofdzaak

7.1.

Een vordering gegrond op dringend eigen gebruik ex artikel 7:274 BW kan alleen slagen indien aan de volgende cumulatieve eisen is voldaan:
- het eigen gebruik moet dringend zijn;
- er moet vervangende passende woonruimte voor de huurder aanwezig zijn;
- de beëindigingbelangen van de verhuurder moeten zwaarder wegen dan de woonbelangen van de huurder.
Bij de beoordeling hiervan gaat het om de actuele situatie, maar daarbij kunnen toekomstige ontwikkelingen eventueel een rol spelen.

7.2.

Ten aanzien van de dringendheid van het eigen gebruik overweegt de kantonrechter als volgt. [eiser c.s.] woont thans met het gezin in de Verenigde Staten en wenst naar Nederland terug te keren in verband met de medische toestand van dochter [dochter] . Uit de door [eiser c.s.] in dat verband overgelegde medische verklaringen blijkt voldoende dat het voor het herstel en de verdere stabiliteit van [dochter] noodzakelijk is dat zij haar studie kan vervolgen vanuit een veilige woonomgeving, te weten bij haar ouders. Voorts blijkt uit de aanstellingsbrief van [werkgever te plaats D] dat [eiser] per 1 september 2018 aldaar in dienst treedt. [eiseres] heeft haar werk in de Verenigde Staten opgezegd, is inmiddels terug in Nederland en verblijft met [dochter] bij een vriendin. Uit de brief van de [Hogeschool te plaats B] volgt dat [dochter] haar studie per februari 2018 weer heeft oppakt.

7.3.

De kantonrechter is van oordeel dat gelet op het voorgaande voldoende is aangetoond dat [eiser c.s.] met het gezin weer in Nederland komt wonen. Het verweer van [gedaagde] ziet daar ook niet zozeer op, maar hij betwist met name dat het voor [eiser c.s.] dringend noodzakelijk is dat hij weer in het gehuurde terugkeert. Ten aanzien van de dringendheid van bewoning van het gehuurde geldt als uitgangspunt dat de omstandigheid dat er voor de verhuurder andere mogelijkheden zijn om in zijn behoefte te voorzien aan toewijzing van de vordering tot huur beëindiging wegens dringend eigen gebruik niet in de weg staat, tenzij de keuze voor die andere mogelijkheid bepaald aangewezen is (zie HR 26 april 1985, NJ 1985, 802). Hoewel er vermoedelijk ook andere mogelijkheden voor [eiser c.s.] zijn om in zijn behoefte aan huisvesting te voorzien, zijn die andere mogelijkheden onder de gegeven omstandigheden niet bepaald aangewezen. Het ligt immers voor de hand dat [eiser c.s.] terugkeert naar de woning die zijn eigendom is, waar hij met het gezin langdurig woonde voor het vertrek naar de Verenigde Staten en welke woning ligt op een plek die op reisafstand ligt van de werkplek van [eiser] ( [plaats D] ) en de school van [dochter] ( [plaats B] ). Het gehuurde en de omgeving waarin het gehuurde ligt zijn voor [dochter] bovendien vertrouwder dan enige andere woning waar zij niet eerder woonde. Ook de sociale contacten van het gezin zijn (deels) aan de woning en de woonomgeving gebonden. Het ligt alleen al om fiscale redenen niet voor de hand dat [eiser c.s.] enerzijds een woning waarop nog een hypotheek rust, verhuurt en anderzijds voor eigen gebruik een nieuwe woning koopt. Vast staat dan ook dat [eiser c.s.] het gehuurde dringend nodig heeft voor eigen gebruik.

7.4.

De volgende vraag die moet worden beantwoord is of voldoende is gebleken dat voor [gedaagde] andere passende woonruimte beschikbaar is. Uitgangspunt is dat [eiser c.s.] aannemelijk moet maken dat er voldoende andere passende woonruimte voor [gedaagde] beschikbaar is. Die passende woonruimte hoeft wat betreft grootte, huurprijs, ligging of woonklimaat niet gelijk te zijn aan de thans door [gedaagde] gehuurde woning. Ook woonruimte die een wezenlijk ander woongenot kan bieden, kan passend zijn. Bij de beoordeling van de vraag of een woning passend is, moet rekening worden gehouden met de navolgende omstandigheden:
- [gedaagde] bewoont het gehuurde thans met zijn echtgenoten en twee jonge kinderen (zes en acht jaar);
- gelet op de omstandigheid dat [gedaagde] gedurende een periode van vijf jaar in staat is geweest om een huurprijs van circa € 4.000,- per maand te betalen, kan er van uit worden gegaan dat hij over een meer dan gemiddeld ingekomen beschikt, hij in elk geval niet is aangewezen op sociale woningbouw en ook koopwoningen voor hem een mogelijkheid zijn;
- de kinderen gaan naar de [school] in [plaats A] en het is in het belang van de kinderen (en met name de oudste die extreem verlegen is) dat zij in de nabijheid van deze school blijven wonen;
- [gedaagde] is werkzaam in [plaats B] ;
- [gedaagde] woont met zijn gezin inmiddels vijf jaar in [plaats A] en heeft daar zijn sociale leven opgebouwd.

7.5.

Rekening houdend met deze omstandigheden kan de door [eiser c.s.] aangedragen huurwoning aan [de b-straat] in [plaats A] als passend worden aangemerkt. Deze woning niet alleen passend voor [gedaagde] en zijn gezin, maar ook qua grootte en prijs ook vergelijkbaar met de thans door hem bewoonde woning. Dat de woning verder weg ligt van de school van de kinderen van [gedaagde] waardoor zij niet meer lopend maar op de fiets daarheen moeten gaan, maakt de woning wellicht minder aantrekkelijk maar daarmee nog niet “niet-passend”. [eiser c.s.] heeft voorts stukken overgelegd waaruit blijkt dat zowel in [plaats A] zelf als in de omgeving daarvan ( [plaatsen E, F en G] ) woningen te huur en te koop zijn die qua grootte, ligging en huurprijs als passend voor [gedaagde] kunnen worden aangemerkt. Aan de voorwaarde dat voldoende is gebleken dat voor [gedaagde] andere passende woonruimte beschikbaar is, is dus voldaan.

7.6.

Ten slotte moet komen vast te staan dat de belangen van [eiser c.s.] bij beëindiging van de huur zwaarder wegen dan het woonbelang van [gedaagde] . Het belang van [eiser c.s.] is met de vaststelling van de dringende noodzaak om het gehuurde weer zelf in gebruik te nemen gegeven. Terugkeer naar de woning die eigendom is van [eiser c.s.] en waarin [eiser c.s.] voorheen woonde met het gezin is in het belang van de gezondheid van dochter [dochter] en ook nodig geworden door de nieuwe baan van [eiser c.s.] [gedaagde] heeft bij het behoud van de woning geen bijzonder belang anders dan dat een verhuizing ingrijpend en onprettig is. Dit belang dient te wijken voor dat van [eiser c.s.] Dit geldt te meer nu [gedaagde] ter zitting ook te kennen heeft gegeven dat het aankopen van een eigen woning financieel gunstiger voor hem zou kunnen zijn en hij zich ook op de markt voor koopwoningen aan het oriënteren is.

7.7.

De conclusie is dan ook dat de vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst zal worden toegewezen, met dien verstande dat de kantonrechter in alle omstandigheden van het geval aanleiding ziet om de einddatum van de huur en daarmee de datum van ontruiming te bepalen op 15 augustus 2018. Dit geeft [gedaagde] de mogelijkheid om naar andere woonruimte uit te zien. [eiser] zelf verblijft met de twee jongste kinderen nog enige maanden in de Verenigde Staten terwijl [eiseres] en dochter [dochter] thans onderdak in Nederland hebben.

7.8.

[gedaagde] heeft verweer gevoerd tegen de dwangsom die [eiser c.s.] vordert voor het geval [gedaagde] niet vrijwillig zou ontruimen. Nog daargelaten dat er geen aanwijzingen zijn dat [gedaagde] niet vrijwillig tot ontruiming zou overgaan, geldt dat een dwangsom ook niet nodig is omdat de deurwaarder de ontruiming ook zonder de medewerking van [gedaagde] kan bewerkstelligen. De termijnproblematiek waaraan [eiser c.s.] in de dagvaarding refereert, doet zich hier niet voor omdat de ontruimingstermijn op vijf maanden na de datum van dit vonnis is vastgesteld.

7.9.

Tegen de vordering om [gedaagde] te veroordelen de kosten van ontruiming aan [eiser c.s.] (vermeerderd met de wettelijke rente daarover) te vergoeden indien het op een gedwongen ontruiming zou aankomen, is geen verweer gevoerd, zodat deze vordering zal worden toegewezen, met dien verstande dat daaraan een maximum van € 3.000,- zal worden verbonden en de rente eerst gaat lopen vanaf de dag van ontruiming.

7.10.

[gedaagde] heeft in voorwaardelijke reconventie toewijzing van vergoeding voor verhuis- en herinrichtingskosten gevorderd ter hoogte van € 5.910,-. [eiser c.s.] heeft in reactie daarop aangegeven zich hiertegen niet te verzetten en voorgesteld om dit bedrag conform het bepaalde in artikel 7:275 BW in conventie vast te stellen. De kantonrechter zal dienovereenkomstig handelen. Aangezien [eiser c.s.] te kennen hebben gegeven zich niet te verzetten tegen de gevorderde vergoeding, zal de kantonrechter geen termijn ex artikel 7:275 lid 2 BW stellen.

7.11.

De gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad van dit vonnis zal niet worden toegewezen. De regel van artikel 7:272 lid 1 BW dat de overeenkomst van kracht blijft tot onherroepelijk over de beëindigingvordering is beslist, brengt mee dat uitvoerbaarheid bij voorraad alleen onder uitzonderlijke omstandigheden (indien de belangen van [eiser c.s.] daartoe zouden nopen) toegewezen kan worden. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn dergelijke omstandigheden onvoldoende gesteld of gebleken. [eiser c.s.] heeft weliswaar een doorslaggevend belang bij beëindiging van de huur, maar dat wil nog niet zeggen dat hij een dergelijk belang ook heeft bij de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad. De kantonrechter is van oordeel dat van [eiser c.s.] gevergd kan worden dat hij in afwachting van een eventueel hoger beroep, voorziet in andere tijdelijke huisvesting. Gelet op de omstandigheid dat de huur die [eiser c.s.] maandelijks van [gedaagde] ontvangt ongeveer het dubbele is van hetgeen [eiser c.s.] aan hypothecaire lasten aan de bank moet afdragen, mag worden aangenomen dat [eiser c.s.] de financiële mogelijkheid heeft om tijdelijk woonruimte te huren. Bij dat oordeel betrekt de kantonrechter ook het voornemen van [gedaagde] om zelf een woning te kopen omdat dit voor hem financieel aantrekkelijker zal zijn. Niet uit te sluiten valt dat [gedaagde] nog vóór het einde van het hoger beroep hierin zal zijn geslaagd.


De provisionele vordering

7.12.

[eiser c.s.] heeft als provisionele voorziening gevorderd dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis. [eiser c.s.] heeft daartoe aangevoerd dat hij een zodanig dringend belang heeft bij ontruiming van het gehuurde op korte termijn dat van hem niet kan worden gevergd de bodemprocedure, die nog lange tijd zou kunnen duren, af te wachten. [gedaagde] heeft zich tegen de gevorderde voorziening verzet stellende dat deze in strijd is met het bepaalde in artikel 7:272 BW, dat zijn belangen in deze zwaarder dienen te wegen dan die van [eiser c.s.] en dat in het incident gelijktijdig met de hoofdzaak moet worden beslist.

7.13.

De provisionele vordering zal worden afgewezen gelet op het navolgende. Ten eerste heeft [eiser c.s.] daarbij geen belang meer nu een eventuele voorziening alleen geldt voor de duur van het geding en haar werking verliest zodra in de hoofdzaak einduitspraak is gedaan in de instantie die de voorziening verleent (of heeft verleend) ongeacht of tegen die einduitspraak een rechtsmiddel wordt aangewend en ongeacht of die einduitspraak uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Ten tweede zou toewijzing van de gevorderde ontruiming strijdig zijn met hetgeen in de hoofdzaak is overwogen en beslist (zie r.o. 7.7 en 7.11).

De tegenvordering

7.14.

Op de voorwaardelijke tegenvordering is al in conventie beslist, zodat deze hier geen nadere bespreking behoeft.


In conventie (hoofdzaak en incident) en in reconventie

7.15.

De kantonrechter ziet in de uitkomst van deze procedure aanleiding om de proceskosten te compenseren aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

8 De beslissing

De kantonrechter:

In de hoofdzaak en in het incident ex artikel 223 Rv:

8.1.

beëindigt de huurovereenkomst tussen partijen per 15 augustus 2018;

8.2.

veroordeelt [gedaagde] om de woning aan de [a-straat] te [plaats A] uiterlijk op 15 augustus 2018 met de daarin vanwege hem aanwezige goederen en personen tot ontruimen en te verlaten met afgifte aan [eiser c.s.] van de sleutels en al hetgeen tot het gehuurde behoort ter vrij een algehele beschikking van [eiser c.s.] te stellen;

8.3.

veroordeelt [gedaagde] om de kosten van de ontruiming tot een maximum bedrag van € 3.000,- aan [eiser c.s.] te voldoen, zulks binnen zeven dagen na toezending van en conform het proces verbaal van ontruiming van de deurwaarder (waaraan de eventuele nota’s van de bij de ontruiming ingeschakelde derden zullen zijn gehecht, een en ander conform artikel 9 lid 3 van het Besluit Tarieven Ambtshandelingen Gerechtsdeurwaarders), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der ontruiming tot aan die der algehele voldoening;

8.4.

stelt de door [eiser c.s.] aan [gedaagde] te betalen tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingsvergoeding vast op een bedrag van € 5.910,- en veroordeelt [eiser c.s.] tot betaling daarvan aan [gedaagde] ;

8.5.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

8.6.

wijst al het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. H.J. Huyzer, griffier.

De griffier De kantonrechter