Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:4596

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
01-06-2018
Datum publicatie
04-06-2018
Zaaknummer
C/15/274632 FT RK 18.731
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

voorlopige voorziening ex artikel 287 lid 4 Fw afgewezen

Niet voldaan aan voorwaarden eerder afgegeven voorlopige voorziening. Huur over de maanden april en mei niet tijdig voldaan.

Minnelijk traject niet opgestart na afgeven beschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND voorlopige voorziening

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer: C/15/274632 FT RK 18.731

beschikking van 1 juni 2018

op het verzoek van:

[schuldenaar],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen schuldenaar,

tegen

de stichting Stichting Ymere,

gevestigd te Amsterdam,

hierna te noemen Stichting Ymere,

gemachtigde: Van der Hoeden/Mulder Gerechtsdeurwaarders en Juristen te Alkmaar.

1 Procedure

1.1.

Op 4 april 2018 heeft schuldenaar tegelijk met het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling een verzoek ingediend strekkende tot het instellen van een moratorium als bedoeld in artikel 287b lid 1 van de Faillissementswet (Fw). Bij beschikking van 4 april 2018 heeft de rechtbank een voorlopige voorziening ex 287 lid 4 Fw gegeven totdat op het moratorium verzoek is beslist, waarbij is bepaald dat Stichting Ymere gedurende de voorlopige voorziening niet mag over gaan tot ontruiming van de door schuldenaar gehuurde woning.

1.2.

Bij vonnis van 29 mei 2018 is het verzoek artikel 287b lid 1 Fw afgewezen. De rechtbank heeft hierbij overwogen dat schuldenaar niet heeft voldaan aan de voorwaarde zoals gesteld in de op 4 april 2018 afgegeven beschikking. Schuldenaar heeft niet tijdig de verschuldigde periodieke vergoeding aan de verhuurder voldaan. Daarnaast is onvoldoende vast komen te staan dat de betaling van de toekomstige periodieke vergoedingen is gewaarborgd.

1.3.

Vervolgens heeft schuldenaar op 1 juni 2018 wederom verzocht om een voorlopige voorziening ex artikel 287b lid 1 Fw teneinde een bij exploot van 17 mei 2018 tegen 5 juni 2018 aangezegde ontruiming van de door schuldenaar bewoonde woning tegen te gaan. Teneinde te voorkomen dat de ontruiming zal zijn geëffectueerd voordat op het verzoek ex artikel 287b Fw is beslist, heeft schuldenaar de rechtbank tevens verzocht een voorlopige voorziening ex artikel 287 lid 4 Fw te geven.

1.4.

Schuldenaar voert aan dat zijn situatie dusdanig is gewijzigd dat hij vanaf heden zorg kan dragen voor betaling van de toekomstige periodieke vergoeding aan de verhuurder. Schuldenaar is bij vonnis van 28 mei 2018 onder bewind gesteld en zijn advocaat heeft de beslagvrije voet inzake het beslag op zijn inkomen laten herberekenen waardoor schuldenaar thans in staat is de huur te betalen.

2 Beoordeling

2.1.

De rechtbank stelt op grond van de stukken vast dat in voornoemde beschikking van 4 april 2018 bij wijze van voorlopige voorziening de aangezegde ontruiming van de woning is geschorst teneinde schuldenaar in de gelegenheid te stellen om in een minnelijk traject tot overeenstemming te komen met zijn schuldeisers over een minnelijke schuldregeling. De rechtbank heeft daarbij onder meer bepaald dat de voorlopige voorziening slechts geldt indien de toekomstig verschuldigde periodieke vergoedingen aan Stichting Ymere worden voldaan.

2.2.

De rechtbank stelt vast dat schuldenaar niet aan de genoemde voorwaarde heeft voldaan, nu de huur over de maand mei 2018 niet tijdig is voldaan. De geldigheid van de voorlopige voorziening is daarmee komen te vervallen. De omstandigheid dat schuldenaar inmiddels wel de volledige huur over mei 2018 heeft voldaan en sinds 28 mei 2018 onder beschermingsbewind staat, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende reden om opnieuw over te gaan tot toewijzing van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. Daarvoor is het volgende redengevend.

2.3.

Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van schuldenaar gelegen om alles in het werk te stellen om aan de in de beschikking van 4 april 2018 gestelde voorwaarden te kunnen voldoen. Schuldenaar heeft dat onvoldoende gedaan. Zo is eerst bij brief van 18 april 2018 aan de beslagleggende deurwaarder (hierna: de deurwaarder) verzocht om de beslagvrije voet aan te passen, terwijl het beslag al op 13 juli 2017 is gelegd. Bovendien blijkt uit een brief van de deurwaarder van 15 maart 2018 dat al een herberekening van de beslagvrije voet heeft plaatsgevonden en dat deze is bepaald op € 1.242,81. Niet valt in te zien waarom schuldenaar met dat bedrag de huur over de maanden april en mei niet tijdig heeft voldaan. Daarnaast is de overeenkomst tot schuldhulpverlening tussen schuldenaar en mr. Raaijmakers eerst op 31 mei 2018 getekend en heeft schuldenaar pas op 1 juni 2018 contact opgenomen met Plangroep Haarlemmermeer tot het verstrekken van een overeenkomst tot schuldhulpverlening. Dit terwijl de Stichting Ymere de ontruiming al op 17 mei 2018 opnieuw had aangekondigd. De rechtbank begrijpt hieruit dat thans, twee maanden na het afgeven van de voorlopige voorziening ex artikel 287 lid 4 Fw, het minnelijk traject nog niet is opgestart. Vanaf 4 april 2018 is schuldenaar dan ook onvoldoende voortvarend aan de slag gegaan met het regelen van zijn schulden.

Ten aanzien van de Stichting Ymere is van belang het slechte betalingsgedrag van schuldenaar vanaf de aanvang van de huurovereenkomst in februari 2013, de eerdere ontbinding van de huurovereenkomst in 2016 en de coulance die Stichting Ymere toen jegens schuldenaar heeft betracht door een deel van de eerder ontstane huurachterstand kwijt te schelden.

2.4.

Afweging van de betrokken belangen zoals hiervoor weergegeven leidt ertoe dat het belang van Stichting Ymere bij definitieve beëindiging van de huurovereenkomst in dit geval zwaarder dient te wegen dan het belang van schuldenaar om een ontruiming van de door hem bewoonde woning te voorkomen. De gevraagde voorziening zal dan ook worden afgewezen.

2.5.

Op het verzoek ex artikel 287b lid 1 Fw zal separaat worden beslist. De datum waarop dit verzoek zal worden behandeld, wordt schuldenaar op korte termijn kenbaar gemaakt.

3 De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek ex artikel 287 lid 4 Fw af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.M. Kruithof, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier uitgesproken op 1 juni 2018.