Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:4537

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
04-06-2018
Datum publicatie
12-06-2018
Zaaknummer
6694131
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek werkgever tot ontbinding arbeidsovereenkomst. Negatieve werkhouding werknemer zorgt al jaren voor negatieve invloed op werkvloer. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft echter de handelwijze van werkgever – en niet het gedrag van werknemer – er uiteindelijk toe geleid dat een onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding is ontstaan. Werknemer stemt in met ontbinding onder toekenning van transitievergoeding en billijke vergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0694
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Haarlem

Zaaknr.: 6694131 \ AO VERZ 18-42

Uitspraakdatum: 4 juni 2018

Beschikking in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Facta Aandrijftechniek B.V.,

gevestigd te Uitgeest

verzoekende partij

verder te noemen: Facta

gemachtigde: mr. A.G. Moeijes

tegen

[werknemer] ,

wonende te [woonplaats]

verwerende partij

verder te noemen: [werknemer]

gemachtigde: mr. P.P.J.L. Appelman

1 Het procesverloop

1.1.

Facta heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. [werknemer] heeft een verweerschrift en een tegenverzoek ingediend.

1.2.

Op 15 mei 2018 heeft een zitting plaatsgevonden. Beide partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van pleitnotities. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen verder ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting hebben Facta en [werknemer] bij brieven van 7 respectievelijk 9 mei 2018 nog stukken toegezonden.

2 De feiten

2.1.

Facta houdt zich bezig met het repareren, onderhouden, inspecteren en verkopen van rotating equipment en alle aanverwante producten en diensten.

2.2.

[werknemer] , geboren [in 1966] , is op 30 november 1992 in dienst getreden bij Facta. De laatste functie die [werknemer] vervulde, is die van eerste monteur binnendienst, met een salaris van € 2.552,30 bruto per maand exclusief vakantietoeslag.

2.3.

Eind juli 2011 heeft de leidinggevende van [werknemer] , [leidinggevende 1] (hierna: [leidinggevende 1] ), een eerste gesprek met [werknemer] gevoerd omtrent zijn functioneren dan wel werkhouding en hebben zij ter verbetering hiervan afspraken met elkaar gemaakt. Op 29 september 2011, 7 juni 2012, 14 juni 2012, 5 oktober 2012 hebben vervolggesprekken plaatsgevonden.

2.4.

Naar aanleiding van een incident heeft [directeur] , directeur Facta, op 8 oktober 2012 telefonisch contact opgenomen met [werknemer] en met hem afgesproken dat hij een week vrij zou nemen om de gemoederen tot rust te laten komen.

2.5.

Bij brief van 12 juli 2013 heeft Facta [werknemer] een laatste officiële waarschuwing gegeven, met als reden dat [werknemer] op 11 juli 2013 het uitvoeren van een werkopdracht heeft geweigerd. Daarbij is aan [werknemer] medegedeeld dat indien er in de komende tijd geen verbetering wordt waargenomen in zijn werkhouding of er zich nog een incident voordoet, [werknemer] zal worden ontslagen.

2.6.

Medio 2015 is een eerste verbetertraject gestart, met als verbeterpunten (samengevat): focussen op eigen werk, volledig invullen van dossiers, foutloos werken en verhogen werktempo. Deze punten zouden tweewekelijks met [werknemer] worden besproken.

2.7.

Op 17 september 2015 is [werknemer] door [leidinggevende 1] in het kader van een beoordelingsgesprek beoordeeld met een 1,7 (waarbij 1= onvoldoende, 2= voldoende, 3= goed, 4= zeer goed). [leidinggevende 1] heeft daarbij aangegeven dat de afgelopen maanden sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. [werknemer] ervaart dit niet zo.

2.8.

Op 5 juli 2017 is een tweede verbetertraject opgestart, waarbij de verbeterpunten (werken conform procedures, orde en netheid op de werkplek, plannen en organiseren, flexibiliteit, klantgerichtheid, samenwerken en kwaliteitsgerichtheid) gedurende een periode van drie maanden tussentijds zouden worden geëvalueerd.

2.9.

Bij brief van 29 november 2017 heeft [leidinggevende 1] aan [werknemer] het volgende geschreven:

(…) Op 5 juli 2017 zijn we met elkaar een verbetertraject ingegaan met uiteindelijk doel een werkbare en prettig werkomgeving en samenwerken. Met vaste regelmaat, iedere twee weken m.u.v. de vakantieperiode, hebben we vervolgens een evaluatiegesprek gehouden. (…) Inmiddels hebben we al op 2 november jl. kunnen concluderen dat er geen reden is om de voortgangsgesprekken in te plannen. Het gaat goed. (…) Vandaag is de laatste formele afspraak geweest. Ik ben blij dat we het traject vandaag positief kunnen afronden (…).

2.10.

Per 1 januari 2018 is de afdeling van [werknemer] in twee groepen gesplitst en is [werknemer] onder de leiding geplaatst van [leidinggevende 2] (hierna: [leidinggevende 2] ).

2.11.

In de derde week van januari 2018 is door Facta een camera opgehangen in de werkplaats waar – onder andere – [werknemer] werkzaam was. [werknemer] heeft hiertegen bezwaar gemaakt en een klacht ingediend. De camera is op 5 februari 2018 door Facta verwijderd.

2.12.

Op 8 februari 2018 zijn de ramen bij de werkplek van [werknemer] vervangen door matglas. [werknemer] heeft hierover zijn onvrede geuit.

3 Het verzoek

3.1.

Facta verzoekt de arbeidsovereenkomst met [werknemer] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, sub a, van het Burgerlijk Wetboek (BW), in verbinding met artikel 7:669 lid 3, sub e, dan wel sub d, sub g, of sub h, BW, zonder toekenning van de transitievergoeding of enige andere vergoeding aan [werknemer] en zonder inachtneming van een opzegtermijn.

3.2.

Aan dit verzoek legt Facta ten grondslag dat sprake is van – kort gezegd – (ernstig) verwijtbaar handelen zijdens [werknemer] , dan wel van disfunctioneren, een verstoorde arbeidsverhouding of van omstandigheden die zodanig zijn dat van Facta redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Ter onderbouwing daarvan heeft Facta naar voren gebracht dat [werknemer] door zijn negatieve werkhouding al jaren een negatieve invloed heeft op het bedrijf. Er zijn vanaf 2011 meerdere verbetertrajecten ingezet, maar zonder resultaat. Diverse leidinggevenden geven aan dat zij geen plaats meer voor [werknemer] zien in het team. Voor Facta is de maat vol.

4 Het verweer en het tegenverzoek

4.1.

[werknemer] stemt in met de ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst, met dien verstande dat als einddatum (primair) 1 januari 2019 wordt aangehouden, dan wel (subsidiair) dat rekening wordt gehouden met de opzegtermijn van vier maanden. Daarbij verzoekt [werknemer] dat Facta wordt veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding ter hoogte van € 36.973,64 bruto en een billijke vergoeding ter hoogte van € 310.317,16 bruto. Verder verzoekt [werknemer] om Facta te veroordelen tot afgifte van zijn privéspullen en om intern een door [werknemer] opgestelde verklaring te doen uitgaan aan alle medewerkers van Facta, op straffe van een dwangsom. Ten slotte verzoekt [werknemer] om Facta te veroordelen in de kosten van de procedure.

4.2.

Voor zover de kantonrechter het verzoek van Facta zal afwijzen dan wel voor het geval Facta haar verzoek zal intrekken, verzoekt [werknemer] bij wijze van tegenverzoek om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden op grond van een verstoorde arbeidsverhouding, met dien verstande dat rekening wordt gehouden met, dan wel onder toekenning van, al hetgeen onder 4.1. is beschreven.

4.3.

[werknemer] voert hiertoe – kort weergegeven – aan dat ook hij van mening is dat sprake is van een dermate verstoorde arbeidsverhouding zodat zijn terugkeer bij Facta feitelijk onmogelijk is geworden. Deze verstoring is volledig en wellicht zelfs bewust door Facta veroorzaakt, zodat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van Facta jegens [werknemer] .

5 De beoordeling

in de zaak van het verzoek

5.1.

Nu tussen partijen vast staat dat sprake is van een onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding en Facta in het verzoek de keuze omtrent de grond waarop de arbeidsovereenkomst ontbonden dient te worden aan de kantonrechter heeft gelaten, zal de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbinden op grond van een verstoorde arbeidsverhouding. Er is immers sprake van een redelijke grond voor ontbinding als bedoeld in artikel 7:671b lid 1, sub a, BW, in verbinding met artikel 7:669 lid 3, sub g, BW.

5.2.

De kantonrechter ziet, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen reden om te oordelen dat herplaatsing van [werknemer] binnen een redelijke termijn in de rede ligt.

5.3.

De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671b lid 8, sub a, BW ontbinden met ingang van 1 november 2018. Dit is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd. De kantonrechter ziet geen aanleiding om – zoals door [werknemer] primair is aangevoerd – de arbeidsovereenkomst te ontbinden per 1 januari 2019. Naar het oordeel van de kantonrechter is de verstoring van de arbeidsverhouding in overwegende mate te wijten aan Facta en kan haar hiervan een ernstig verwijt worden gemaakt, zodat – met toepassing van artikel 7:671b lid 8, sub a, BW – de proceduretijd niet in mindering zal worden gebracht op de opzegtermijn. In het navolgende zal de kantonrechter het oordeel omtrent de ernstige verwijtbaarheid nader onderbouwen.

5.4.

Vast staat dat ten aanzien van het functioneren en het gedrag van [werknemer] in 2015 een eerste verbetertraject heeft plaatsgevonden. Ondanks de daarop volgende negatieve beoordelingen heeft Facta, kennelijk, besloten om de situatie na het eerste verbetertraject enige tijd aan te zien, waarna medio 2017 een tweede verbetertraject is opgestart. In november 2017 is het tweede verbetertraject afgerond, waarbij [leidinggevende 1] heeft aangegeven dat er geen reden is om nog voortgangsgesprekken in te plannen. ‘Het gaat goed’, aldus [leidinggevende 1] . Dat de verhouding tussen [werknemer] en [leidinggevende 1] ook na het afronden van het tweede verbetertraject gespannen is gebleven, staat niet ter discussie.

5.5.

Per 1 januari 2018 is [werknemer] onder de leiding van [leidinggevende 2] geplaatst. [leidinggevende 2] heeft na twee maanden aangegeven dat er een onwerkbare situatie met [werknemer] is ontstaan. Facta heeft ter zitting verklaard dat zij hierdoor voor de keuze stond om [werknemer] ofwel nog een laatste kans te geven, ofwel om met elkaar om te tafel te gaan om te spreken over een vertrekregeling, ofwel om een ontbindingsprocedure aanhangig te maken. Facta heeft ervoor gekozen om een ontbindingsprocedure aanhangig te maken, omdat het geven van nog een kans aan [werknemer] volgens haar zou leiden tot een onaanvaardbare situatie op de werkvloer nu sprake was van onoverbrugbare problemen met zowel [leidinggevende 1] als [leidinggevende 2] (de enige teamleiders), omdat het gedrag van [werknemer] naar de mening van Facta onverbeterlijk is gebleken en omdat overleg om tot een vertrekregeling te komen door Facta werd ingeschat als kansloos.

5.6.

Facta heeft naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zich, nadat aan [werknemer] op 29 november 2017 is medegedeeld dat zijn verbetertraject positief was afgerond, dusdanige incidenten hebben voorgedaan waaruit blijkt dat thans sprake is van omstandigheden die maken dat van Facta niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. In de periode na 29 november 2017 heeft Facta geen enkel gesprek met [werknemer] gevoerd met betrekking tot zijn functioneren of zijn werkhouding. Evenmin heeft [werknemer] in de periode van 29 november 2017 tot 2 maart 2018 (de datum van het verzoekschrift) een brief of waarschuwing van Facta gekregen, waaruit hij zou hebben kunnen of moeten afleiden dat Facta van mening was dat het (toch) niet goed ging met zijn werkhouding en dat voor Facta de maat (bijna) vol was. Dit terwijl uit de overgelegde stukken blijkt dat Facta in de periode vóór 29 november 2017 [werknemer] meermaals heeft aangesproken op zijn functioneren en werkhouding en hem ook heeft gewaarschuwd voor de eventuele gevolgen indien er geen verbetering zou plaatsvinden. Dat na de wissel van leidinggevende is gebleken dat de problemen met de werkhouding van [werknemer] zijn toegenomen, zoals door Facta is gesteld, is dan ook niet aannemelijk gemaakt. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting blijkt ook niet dat [leidinggevende 2] [werknemer] heeft aangesproken op zijn functioneren of op zijn werkhouding.

5.7.

Het had naar het oordeel van de kantonrechter op de weg van Facta – als werkgeefster – gelegen om te proberen de (naar haar mening ontstane) negatieve verhouding tussen [leidinggevende 2] en [werknemer] te verbeteren. Dit heeft zij nagelaten. In plaats daarvan heeft Facta aan [werknemer] op 2 maart 2018 een vaststellingsovereenkomst overhandigd en op diezelfde datum een ontbindingsverzoek ingediend. Facta heeft naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende gedaan om de (volgens haar op dat moment al) verstoorde arbeidsverhouding te herstellen. Dit terwijl [werknemer] wel aannemelijk heeft gemaakt dat hij zelf reeds de nodige acties had ondernomen om de verhoudingen op de werkvloer te verbeteren.

5.8.

De kantonrechter acht verder voldoende aannemelijk geworden dat [werknemer] – zoals door hem is aangevoerd – pas na het lezen van de op 7 mei 2018 door Facta in het geding gebrachte verklaringen van vier medewerkers tot de conclusie is gekomen dat de arbeidsverhouding dusdanig is verstoord dat feitelijke terugkeer bij Facta voor hem onmogelijk is geworden. De kantonrechter begrijpt ook – gelet op het hetgeen in het voorgaande is overwogen – dat [werknemer] de gehele gang van zaken emotioneel als belastend heeft ervaren, hetgeen ook uit het verhandelde ter zitting is gebleken. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de handelwijze van Facta – en niet het gedrag van [werknemer] – er uiteindelijk toe geleid dat een onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding is ontstaan, hetgeen Facta zwaar valt aan te rekenen. Hiermee is naar het oordeel van de kantonrechter sprake van ernstig verwijtbaar handelen dan wel nalaten zijdens Facta.

5.9.

[werknemer] heeft een verzoek gedaan om Facta te veroordelen een transitievergoeding te betalen. Uit artikel 7:673 lid 1 BW volgt dat de werkgever aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd is indien – kort gezegd – de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd en de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever is ontbonden. Aan deze beide voorwaarden is voldaan en [werknemer] heeft dan ook aanspraak op een transitievergoeding. Het standpunt van Facta dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen zijdens [werknemer] , zodat aan hem op grond van artikel 7:673 lid 7, sub c, BW geen transitievergoeding toekomt, acht de kantonrechter – gelet op hetgeen onder 5.6. tot en met 5.8. is overwogen – niet aannemelijk geworden.

5.10.

[werknemer] heeft de hoogte van de transitievergoeding berekend op € 36.973,64 bruto. Facta heeft dat bedrag cijfermatig niet weersproken, zodat dat bedrag toewijsbaar is. Met toepassing van artikel 7:686a lid 1 BW zal de gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding worden toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst zal eindigen, dus vanaf 1 december 2018.

5.11.

[werknemer] heeft verder een verzoek gedaan om Facta te veroordelen een billijke vergoeding te betalen van € 310.317,16 bruto. Gelet op artikel 7:671b lid 8, sub c, BW is voor toekenning van een billijke vergoeding alleen plaats indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. In het voorgaande is reeds overwogen dat hiervan sprake is en de kantonrechter ziet dan ook aanleiding om aan [werknemer] een billijke vergoeding toe te kennen.

5.12.

Over de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding overweegt de kantonrechter het volgende. De billijke vergoeding moet – naar haar aard – in relatie staan tot het ernstig verwijtbare handelen of nalaten van de werkgever. Bij het bepalen van de omvang van de billijke vergoeding komt het verder aan op een beoordeling van alle omstandigheden van het geval (zie: HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR: 2017:1187 (New Hairstyle)). Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.

5.13.

De kantonrechter ziet geen aanleiding om, zoals door [werknemer] is aangevoerd, bij de berekening van de hoogte van de billijke vergoeding de uitkomst van het door [werknemer] overgelegde rapport van Arbeidsmarktresearch van de Universiteit van Amsterdam (hierna: het rapport) in aanmerking te nemen. Uit het rapport zou blijken wat de te verwachten resterende duur van de arbeidsovereenkomst is, waarmee ingeschat zou kunnen worden welke inkomensschade de werknemer lijdt door het ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. Het is de kantonrechter onduidelijk welke waarde aan de uitkomst van een dergelijk rapport moet worden gehecht. Immers is sprake van een computermodel waarbij de uitkomst afhankelijk is van de variabelen die worden ingevuld. Het is de kantonrechter niet bekend op welke wijze de berekening uiteindelijk wordt gemaakt en welke (externe) factoren verder eventueel in aanmerking worden genomen.

5.14.

Daarnaast heeft [werknemer] ter zitting verklaard dat hij de variabelen in het rapport heeft ingevuld gebaseerd op zijn huidige situatie bij Facta en dat het rapport slechts een beperkte mogelijkheid aanbiedt ten aanzien van het invullen van functies. [werknemer] heeft daarom ingevuld dat hij ‘metaalarbeider’ is, omdat elektromonteur niet ingevuld kon worden. Daarnaast heeft [werknemer] ook een beperkt geografisch werkgebied als variabele ingevuld. De kantonrechter acht aannemelijk dat de door [werknemer] ingevulde variabelen de uitkomst van het aantal relevante vacatures heeft beperkt, zodat de berekening van de geschatte inkomensschade op zijn minst een vertekend beeld geeft.

5.15.

De kantonrechter ziet in de omstandigheden van het geval aanleiding om de billijke vergoeding te begroten op een bedrag van € 75.000,00 bruto. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat, hoewel [werknemer] naar eigen zeggen een beperkte opleiding (LTS, KMBO en technische avondschool) heeft genoten, sprake is van een uitstekend vakman met jarenlange ervaring (hetgeen door [werknemer] niet is ontkend). [werknemer] heeft verder onweersproken gelaten de stelling van Facta dat in en rond het COROP gebied van Uitgeest (hetgeen [werknemer] zonder gegronde reden niet heeft ingevuld in het rapport) veel (grote) industriële bedrijven (zoals Tata Steel, Crown Van Gelder, Verkade en Duyvis) gevestigd zijn die regelmatig vacatures open hebben staan. Derhalve acht de kantonrechter de verwachting aannemelijk dat [werknemer] – zijn leeftijd mede in aanmerking genomen – binnen afzienbare tijd nadat zijn recht op een WW-uitkering zal komen te vervallen, een baan met een vergelijkbaar salaris zal vinden. Mede gelet op de duur van het dienstverband en de hoogte van het salaris acht de kantonrechter [werknemer] in voldoende mate gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen dan wel nalaten zijdens Facta door aan hem een billijke vergoeding van € 75.000,00 bruto toe te kennen. De door [werknemer] verzochte wettelijke rente, waartegen geen verweer is gevoerd, is toewijsbaar zoals verzocht.

5.16.

[werknemer] heeft verder verzocht om Facta te veroordelen tot afgifte van zijn privéspullen. Ter zitting heeft Facta reeds toegezegd dat zij de privéspullen van [werknemer] , voor zover deze zijn aangetroffen, bij hem zal afgegeven. De kantonrechter ziet geen reden om aan te nemen dat Facta de privéspullen van [werknemer] bewust heeft achtergehouden dan wel zal achterhouden, zodat dit verzoek bij gebrek aan belang zal worden afgewezen.

5.17.

Voorts heeft [werknemer] verzocht om Facta te veroordelen tot het intern te doen uitgaan van een door [werknemer] opgestelde verklaring aan alle medewerkers van Facta. Gelet op de inhoud van de verklaring en gelet op de uitkomst van de zaak ziet de kantonrechter geen aanleiding om dit verzoek toe te wijzen.

5.18.

Nu aan de ontbinding een vergoeding wordt verbonden, zal Facta gelet op artikel 7:686a lid 6 BW in de gelegenheid worden gesteld om het verzoek in te trekken binnen de hierna genoemde termijn.

5.19.

De proceskosten komen voor rekening van Facta, omdat zij ongelijk krijgt.

in de zaak van het tegenverzoek

5.20.

[werknemer] heeft bij wijze van voorwaardelijk tegenverzoek – namelijk voor het geval Facta het verzoek zal intrekken – verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van een verstoorde arbeidsverhouding, onder toekenning van hetgeen onder 4.1. is beschreven. [werknemer] baseert het tegenverzoek op dezelfde feiten en omstandigheden als waaronder Facta het verzoek heeft gedaan.

5.21.

Artikel 7:671c BW bepaalt – voor zover hier van belang – dat de kantonrechter, op verzoek van de werknemer, de arbeidsovereenkomst kan ontbinden wegens omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.

5.22.

Nu het tegenverzoek op dezelfde feiten en omstandigheden is gebaseerd als waaronder Facta het verzoek heeft gedaan, ziet de kantonrechter geen aanleiding af te wijken van hetgeen in het verzoek is overwogen en beslist.

5.23.

De proceskosten komen voor rekening van Facta, omdat zij ongelijk krijgt.

5.24.

Nu de overige stellingen van partijen niet tot een ander oordeel kunnen leiden, behoeven deze geen verdere behandeling.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

bepaalt dat de termijn, waarbinnen Facta het verzoek kan intrekken (door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de (gemachtigde van de) wederpartij), zal lopen tot en met 26 juni 2018.

Voor zowel het geval Facta het verzoek binnen die termijn intrekt als het geval Facta het verzoek niet binnen die termijn intrekt:

6.2.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 november 2018;

6.3.

veroordeelt Facta om aan [werknemer] de transitievergoeding te betalen van € 36.973,64 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 december 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

6.4.

veroordeelt Facta om aan [werknemer] een billijke vergoeding te betalen van € 75.000,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf heden tot aan de dag der algehele voldoening;

6.5.

veroordeelt Facta tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [werknemer] tot en met vandaag vaststelt op € 600,00 (salaris gemachtigde);

6.6.

wijst het meer of anders verzochte af;

6.7.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gewezen door mr. W. Aardenburg, kantonrechter en op 4 juni 2018 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter