Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:4486

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
30-05-2018
Datum publicatie
30-05-2018
Zaaknummer
6249663 \ CV EXPL 17-7439 en 6597770 \ CV EXPL 18-465
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zorgkantoor Zilveren Kruis vordert voorschot persoonsgebonden budget terug van budgethouder, omdat onvoldoende verantwoording is afgelegd over de besteding van het persoonsgebonden budget. Vordering tegen budgethouder wordt afgewezen wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid. Budgethouder is te goeder trouw en Zilveren Kruis had, gelet op de brief van (toenmalig) staatssecretaris van Rijn d.d. 7 december 2015 inzake de aanpak pgb-fraude, moeten onderzoeken of sprake is van fraude door een derde. Budgethouder heeft de stichting die het budget voor haar beheerde in vrijwaring opgeroepen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 6249663 \ CV EXPL 17-7439

Uitspraakdatum: 30 mei 2018

Vonnis in de zaak van:

de naamloze vennootschap Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V.

gevestigd te Utrecht

eiseres

verder te noemen: Zilveren Kruis

gemachtigde: GGN Mastering Credit N.V.

tegen

[eiseres/gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde

verder te noemen: [eiseres/gedaagde]

gemachtigde: mr. A.W. Boer

en in de vrijwaringszaak met zaaknr./rolnr.: 6597770 \ CV EXPL 18-465 van:

[eiseres/gedaagde]

wonende te [woonplaats]

eiseres in vrijwaring

verder te noemen: [eiseres/gedaagde]

gemachtigde: mr. A.W. Boer

tegen

de stichting Stichting Jehu

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in vrijwaring

niet verschenen

1 Het procesverloop in de hoofdzaak

1.1.

Zilveren Kruis heeft bij dagvaarding van 1 augustus 2017 een vordering tegen [eiseres/gedaagde] ingesteld. Bij akte van 15 november 2017 (tevens conclusie van antwoord in het vrijwaringsincident) heeft Zilveren Kruis haar eis verminderd. Op 24 januari 2018 heeft [eiseres/gedaagde] schriftelijk geantwoord. Na beraad heeft de kantonrechter een comparitie van partijen bepaald. Bij brief van 27 februari 2018 heeft Zilveren Kruis nog stukken toegezonden. De comparitie heeft plaatsgevonden op 4 april 2018. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.

2 Het procesverloop in de vrijwaringszaak

2.1.

Op 18 oktober 2017 heeft [eiseres/gedaagde] bij incidentele conclusie verzocht de Stichting Jehu te mogen oproepen in vrijwaring. In de conclusie van antwoord in het incident van 15 november 2017 heeft Zilveren Kruis zich gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter op dit punt. Bij vonnis van 27 december 2017 heeft [eiseres/gedaagde] toestemming gekregen Stichting Jehu in vrijwaring op te roepen, waarna Stichting Jehu bij exploot van 16 januari 2018 is gedagvaard om op de eis in vrijwaring te antwoorden. Stichting Jehu is niet verschenen, zodat verstek is verleend tegen Stichting Jehu.

3 De feiten in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak

3.1.

Zilveren Kruis is op basis van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) aangewezen als zorgkantoor en voert subsidieregelingen uit, waaronder het Persoonsgebonden Budget (hierna: pgb). Het zorgkantoor regelt de toekenning van de budgetten en berekent aan de hand van het indicatiebesluit van het Centrum Indicatiestelling Zorg de hoogte van de budgetten. Het zogenaamde ‘netto-budget’ – het bruto-budget min de eigen bijdrage – wordt door het zorgkantoor bij wijze van voorschot aan de budgethouder voldaan.

3.2.

Uit de toekenningsbeschikking, waarin staat welk budget is toegekend en voor welke periode, volgt dat de budgethouder binnen zes weken na iedere voorschotperiode verantwoording dient af te leggen aan het zorgkantoor over de uitgaven aan hulp, zorg en begeleiding. De budgethouder ontvangt daarvoor een verantwoordingsformulier. Budget dat niet aan de in de beschikking opgenomen zorg is besteed, moet na afloop worden terugbetaald. Dat geldt ook als de budgethouder nalaat om verantwoording af te leggen. Voor het terug te vorderen bedrag wordt door het zorgkantoor een voor beroep vatbare beslissing afgegeven, de Definitieve Afrekening pgb.

3.3.

Aan [eiseres/gedaagde] is een pgb toegekend. Bij brief, ontvangen op 5 oktober 2011, heeft [eiseres/gedaagde] verantwoording afgelegd voor de voorschotperiode van januari tot en met juni 2011, waarbij ook de zorgovereenkomst tussen [eiseres/gedaagde] en Stichting Jehu van 1 juni 2008 is meegestuurd. Uit de zorgovereenkomst volgt onder meer dat Stichting Jehu de pgb aanvraag voor [eiseres/gedaagde] zou doen en, indien nodig, de beroeps- en bezwaarschriftprocedures namens haar zou voeren. [eiseres/gedaagde] heeft Stichting Jehu in de zorgovereenkomst onherroepelijk gemachtigd tot uitsluitend en algeheel beheer, aanwending en verantwoording van het ontvangen pgb. Bij brief, ontvangen op 4 april 2012, heeft [eiseres/gedaagde] verantwoording afgelegd voor de voorschotperiode van 1 juli tot en met 31 december 2011. Ook bij die verantwoording is een zorgovereenkomst overgelegd, gedateerd 1 december 2010. Deze zorgovereenkomst bevat ten aanzien van het pgb dezelfde bepalingen als de eerstgenoemde zorgovereenkomst.

3.4.

De verantwoording die [eiseres/gedaagde] over de voorschotperiode 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 heeft afgelegd, is onvoldoende. In de Definitieve Afrekening pgb d.d. 17 juli 2013 is aangekondigd dat als gevolg hiervan € 23.400,08 van [eiseres/gedaagde] zal worden teruggevorderd. Tegen deze beslissing is [eiseres/gedaagde] niet in beroep gegaan, zodat deze onherroepelijk is geworden. Stichting Jehu heeft een (klein) deel van dit terug te vorderen bedrag terugbetaald aan het zorgkantoor.

3.5.

In een brief met als onderwerp “aanpak pgb-fraude: terugvorderen, zwarte lijst en rapportage ISZW” d.d. 7 december 2015, heeft staatssecretaris Van Rijn (VWS) aan de voorzitter van de Tweede kamer geschreven dat malafide organisaties die misbruik maken van kwetsbare budgethouders, moeten worden aangepakt, zodat die budgethouders niet langer de dupe worden van dit soort organisaties. Van Rijn merkt daarbij op dat er budgethouders zijn ‘die te goeder trouw hebben gehandeld en een zorgorganisatie feitelijk de zorg hebben laten regelen en het pgb laten beheren. Zij worden dan helaas ook met een terugvordering geconfronteerd, terwijl de oorzaak van de terugvordering bij een derde kan liggen’. In de brief staat dat alle zorgkantoren gezamenlijk inspanningen gaan verrichten om deze problematiek aan te pakken. De inspanningen daartoe houden concreet in dat:

  • -

    ‘Vanaf heden, de zorgkantoren iedere vermoedelijke pgb-fraudezaak afzonderlijk beoordelen om tot een zorgvuldige overweging te komen of de budgethouder te goeder trouw heeft gehandeld.

  • -

    Indien de budgethouder te goeder trouw heeft gehandeld, communiceert het zorgkantoor hier expliciet en zo snel mogelijk over naar de budgethouder.

  • -

    (..)

  • -

    Indien sprake is van een vermoeden van fraude bij een zorgorganisatie, doet het zorgkantoor al het mogelijke om dit te onderzoeken en, indien van toepassing, te bewijzen.

  • -

    In geval van een budgethouder die te goeder trouw is, is het vervolg dat de vordering van het zorgkantoor op de budgethouder wordt stopgezet. Dit neemt niet weg dat de budgethouder een vordering kan hebben op de vermoedelijk frauderende zorgverlener. Het zorgkantoor neemt deze vordering op de zorgaanbieder over.

  • -

    Het zorgkantoor vraagt de budgethouder mee te werken aan het cederen van de vordering aan het zorgkantoor. Dit kan een voorwaarde zijn om de budgethouder daadwerkelijk te vrijwaren van de vordering. Beoordeling of die voorwaarde wordt gesteld, vindt op individuele basis plaats.

  • -

    De zorgkantoren pakken de vermoedelijk frauderende zorgorganisatie op civielrechtelijke wijze aan. (..)

3.6.

De advocaat van [eiseres/gedaagde] heeft op 3 oktober 2017 per mail aan Zilveren Kruis medegedeeld dat hij van mening is dat [eiseres/gedaagde] in aanmerking dient te komen voor de toepassing van het hierboven, onder 3.5., beschreven beleid, omdat [eiseres/gedaagde] als budgethouder te goeder trouw is geweest en de dupe is geworden van het handelen van Stichting Jehu. De gemachtigde van Zilveren Kruis heeft bij mail van 6 oktober 2017 medegedeeld dat er geen fraudeonderzoek, zoals in de brief van Van Rijn is beschreven, heeft plaatsgevonden en dat daartoe ook geen aanleiding bestaat.

4 De vordering in de hoofdzaak

4.1.

Zilveren Kruis vordert, na vermindering van eis, dat de kantonrechter [eiseres/gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 20.235,68, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2017 tot de dag dat geheel wordt betaald. Dit bedrag is opgebouwd uit € 17.992,78 aan hoofdsom, € 1.155,47 aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw, en € 1.637,43 aan rente tot 1 augustus 2017. Op deze bedragen heeft Zilveren Kruis betalingen van € 300,00 en € 250,00 in mindering gebracht. Daarnaast vordert Zilveren Kruis betaling van de proceskosten.

4.2.

Zilveren Kruis legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat de Definitieve Afrekening pgb d.d. 17 juli 2013, waarin is bepaald dat [eiseres/gedaagde] onvoldoende verantwoording heeft afgelegd over de periode 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011, inmiddels formele rechtskracht heeft gekregen. Daarmee staat vast dat Zilveren Kruis onverschuldigd heeft betaald aan [eiseres/gedaagde], zodat [eiseres/gedaagde] deze bedragen moet terugbetalen. Omdat zij dit niet (volledig) heeft gedaan, is [eiseres/gedaagde] ook de rente en de buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd.

5 Het verweer in de hoofdzaak

5.1.

[eiseres/gedaagde] betwist niet dat de Definitieve Afrekening pgb d.d. 17 juli 2013 formele rechtskracht heeft gekregen en dat daaruit volgt dat (een deel van) het ontvangen pgb moet worden terug betaald. Zij voert echter aan dat sprake is van vermoedelijke pgb-fraude, als bedoeld in de brief van staatssecretaris Van Rijn, zoals geciteerd in r.o. 3.5. van dit vonnis. Zilveren Kruis had deze vermoedelijke fraude moeten onderzoeken. [eiseres/gedaagde] is te goeder trouw en het is onder deze omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar het onverschuldigd betaalde van haar terug te vorderen.

6 De vordering in de vrijwaringszaak

6.1.

[eiseres/gedaagde] vordert dat de kantonrechter Stichting Jehu veroordeelt, zo mogelijk gelijktijdig met het vonnis in de hoofdzaak, tot betaling aan [eiseres/gedaagde] van hetgeen waartoe [eiseres/gedaagde] als gedaagde in de hoofdzaak jegens Zilveren Kruis wordt veroordeeld, met inbegrip van de kostenveroordeling, alsmede tot betaling van de proceskosten van de vrijwaringsprocedure.

7 De beoordeling in de hoofdzaak

7.1.

[eiseres/gedaagde] stelt terecht niet ter discussie dat de civiele rechter in een procedure, waarin de invordering van een niet-verantwoord pgb aan de orde is, in beginsel ervan dient uit te gaan dat het onherroepelijk geworden terugvorderingsbesluit, zowel wat betreft inhoud als wat wijze van totstandkoming betreft, in overeenstemming is met de desbetreffende wettelijke voorschriften en algemene rechtsbeginselen. Dat laat echter onverlet dat [eiseres/gedaagde], als budgethouder, in een civiele procedure waarin het zorgkantoor het ingevolge een dergelijk besluit vastgestelde bedrag terugvordert, aan de orde kan stellen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat het zorgkantoor tot invordering van dit bedrag bij [eiseres/gedaagde] overgaat, een en ander conform de afspraak in voormelde brief van staatsecretaris Van Rijn. De vraag is dan ook of daarvan in deze zaak sprake is.

7.2.

Uit de brief van Van Rijn volgt dat indien sprake is van een vermoeden van fraude bij een zorgorganisatie, de zorgkantoren zich ertoe hebben verbonden om al het mogelijke te doen om dit te onderzoeken en, indien van toepassing, te bewijzen. Als bij dat onderzoek vervolgens blijkt dat sprake is van fraude terwijl de budgethouder te goeder trouw is, zal het zorgkantoor de vordering op de budgethouder stopzetten.

7.3.

Vast staat dat Zilveren Kruis bij de verantwoordingen voor 2011 twee zorgovereenkomsten tussen Stichting Jehu en [eiseres/gedaagde] heeft ontvangen, waaruit bleek dat [eiseres/gedaagde] Stichting Jehu onherroepelijk heeft gemachtigd tot uitsluitend en algeheel beheer, aanwending en verantwoording van het te ontvangen pgb voor de looptijd van het pgb. [eiseres/gedaagde] woonde in die tijd ook bij de Stichting Jehu en was vanwege psychische klachten in die tijd onvoldoende zelfredzaam. Toen de Definitieve Afrekening pgb onherroepelijk was geworden, heeft [A.] van Stichting Jehu namens [eiseres/gedaagde] een betalingsregeling met Zilveren Kruis getroffen, maar kwam deze uiteindelijk niet (geheel) na. Als gevolg hiervan wordt [eiseres/gedaagde] nu met een terugvordering geconfronteerd, terwijl de oorzaak van de terugvordering mogelijk bij Stichting Jehu ligt en [eiseres/gedaagde] te goeder trouw lijkt te zijn geweest. Deze omstandigheden wijze op een vermoeden van fraude door een derde waarvan een budgethouder die zelf te goeder trouw is, de dupe is geworden. Uit de brief van Van Rijn volgt dat dit dan nader onderzocht moet worden.

7.4.

Zilveren Kruis heeft aangevoerd dat zij in dit geval geen onderzoek hoefde te doen, omdat er nooit een fraudemelding door of namens [eiseres/gedaagde] is gedaan. Pas door de mail van de advocaat van [eiseres/gedaagde] van 3 oktober 2017, ontvangen nadat [eiseres/gedaagde] al was gedagvaard, kwam Zilveren Kruis er achter dat er mogelijk sprake zou zijn van fraude bij het beheer van het pgb van [eiseres/gedaagde]. Uit de brief van Van Rijn volgt echter dat het de bedoeling is om kwetsbare personen, die mogelijk de dupe zijn geworden van malafide organisaties, in bescherming te nemen en de malafide organisaties aan te pakken. Uit de brief blijkt niet dat dit afhankelijk zou zijn van een (tijdige) fraudemelding door de budgethouder. Naar aanleiding van de genoemde omstandigheden waaruit bleek dat Stichting Jehu feitelijk alles rond het pgb voor [eiseres/gedaagde] regelde, daarbij niet alle pgb-gelden voldoende had verantwoord en vervolgens het te veel ontvangen budget niet (volledig) terugbetaalde, had Zilveren Kruis al onderzoek moeten verrichten of sprake was van fraude door Stichting Jehu. Zilveren Kruis had dat in elk geval moeten doen naar aanleiding van de mail van de advocaat van [eiseres/gedaagde] van 3 oktober 2017, waarin melding wordt gemaakt van de mogelijke fraude.

7.5.

Onder deze omstandigheden is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat Zilveren Kruis zonder uit te zoeken of sprake is van pgb-fraude waarbij [eiseres/gedaagde] te goeder trouw was en de dupe is geworden van Stichting Jehu, is overgegaan tot invordering van het te veel betaalde pgb bij [eiseres/gedaagde]. Daarom zal de vordering worden afgewezen.

7.6.

De proceskosten komen voor rekening van Zilveren Kruis, omdat zij ongelijk krijgt.

8 De beoordeling in de vrijwaringszaak

8.1.

[eiseres/gedaagde] heeft in de vrijwaringszaak gevorderd dat Stichting Jehu tot alles wordt veroordeeld waartoe zij zal worden veroordeeld. Gelet op de uitkomst in de hoofdzaak wordt deze vordering tegen Stichting Jehu eveneens afgewezen.

8.2.

De vordering tot betaling van de proceskosten van [eiseres/gedaagde] in de vrijwaringsprocedure wordt toegewezen, aangezien Stichting Jehu niet heeft betwist dat [eiseres/gedaagde] haar terecht in vrijwaring heeft opgeroepen en dat [eiseres/gedaagde] daartoe proceskosten heeft moeten maken, terwijl Stichting Jehu evenmin de kosten zelf heeft betwist. De kantonrechter zal aan salaris gemachtigde 1 punt voor de dagvaarding toekennen en 0,5 punt voor de conclusie in het vrijwaringsincident, per punt met een waarde van € 400,00.

9 De beslissing

De kantonrechter:

in de hoofdzaak

9.1.

wijst de vordering af;

9.2.

veroordeelt Zilveren Kruis tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [eiseres/gedaagde] tot en met vandaag vaststelt op € 800,00 aan salaris gemachtigde;

in de vrijwaringszaak

9.3.

veroordeelt Stichting Jehu tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [eiseres/gedaagde] tot en met vandaag vaststelt op:

dagvaarding € 103,81

griffierecht € 79,00

salaris gemachtigde € 600,00;

9.4.

wijst de vorderingen voor het overige af;

9.5.

verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. Jansen en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter