Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:4352

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-05-2018
Datum publicatie
04-06-2018
Zaaknummer
6789086
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Werknemer op staande voet ontslagen i.v.m. vechtpartij met collega op werkvloer. Verzoek werknemer tot vernietiging ontslag op staande voet afgewezen. Van werknemer mag verwacht worden dat hij zich bewust is van onacceptabel gedrag. Tegenverzoek werkgever vergoeding ex art 7:677 lid 2 te laat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0637
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Haarlem

Zaaknr.: 6789086 \ AO VERZ 18-58

Uitspraakdatum: 29 mei 2018

Beschikking in de zaak van:

[werknemer],

wonende te [woonplaats]

verzoekende partij

verder te noemen: [werknemer]

gemachtigde: mr. R.R. Suir

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Ebro Diensten B.V.,

gevestigd te Loosdrecht

verwerende partij

verder te noemen: Ebro Diensten

gemachtigde: mr. A.W. Hooijen

1 Het procesverloop

1.1.

[werknemer] heeft een verzoek gedaan, primair om de opzegging van de arbeidsovereenkomst door Ebro Diensten te vernietigen, en subsidiair om ten laste van Ebro Diensten een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een billijke vergoeding toe te kennen. Ebro Diensten heeft een verweerschrift ingediend en een tegenverzoek gedaan tot veroordeling van [werknemer] tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding.

1.2.

Op 15 mei 2018 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting hebben [werknemer] en Ebro Diensten bij brieven van 8, 9 en 10 mei 2018 nog stukken toegezonden.

2 De feiten

2.1.

[werknemer], geboren [in 1984], is op 9 januari 2017 in dienst getreden bij Ebro Diensten. De laatste functie die [werknemer] vervulde, is die van Productiemedewerker, met een salaris van € 2.199,71 bruto per maand exclusief vakantietoeslag. [werknemer] was laatstelijk door Ebro Diensten gedetacheerd bij Detailresult Groep B.V. (Deka Markt, locatie Velsen-Noord).

2.2.

Ebro Diensten houdt zich bezig met het detacheren van personeel in de rund- en varkensvleessector.

2.3.

Op 9 februari 2018 is [werknemer] door Ebro Diensten op staande voet ontslagen. Bij brief van die datum heeft Ebro Diensten aan [werknemer] het volgende meegedeeld:

(…) Vandaag (vrijdag 9 februari 2018) ben jij betrokken geweest bij een vechtpartij met een collega, [collega]. Op basis hiervan heeft onze klant Detailresult Groep BV jou en [collega] per direct weg gestuurd en jou en hem de toegang tot hun bedrijfspand en bedrijfsterrein voor onbepaalde tijd ontzegd.

We hebben de camerabeelden zoals door de klant gemaakt van het voorval bekeken. Hieruit blijkt dat jij begonnen met de vechtpartij door [collega] zo hard te duwen dat hij valt. Vervolgens worden over en weer rake klappen uitgedeeld. Nadat jij en [collega] uit elkaar worden gehaald door enkele aanwezige medewerkers deel jij nog een laatste vuistslag uit aan [collega].

Jouw gedrag is volstrekt onacceptabel. Jij hebt met jouw gedrag de veiligheid van jou zelf en van alle overige medewerkers in gevaar gebracht. Dit weegt des te zwaarder nu de werkzaamheden bij Detailresult Groep BV worden verricht in een risicovolle omgeving waar de kans op verwonding altijd aanwezig is. Jouw handelwijze in deze heeft ons ernstig geschokt en jij bent hierdoor ons vertrouwen zonder meer onwaardig geworden. Wij deelden jou reeds telefonisch mee, en bevestigen hierbij schriftelijk, dat wij jou hierbij op staande voet ontslaan. (…)

2.4.

Bij brief van 10 februari 2018 heeft [werknemer] onder meer bezwaar gemaakt tegen het ontslag op staande voet en verzocht om loondoorbetaling.

2.5.

Met ingang van 19 maart 2018 is [werknemer] werkzaam bij [nieuwe werkgever]

3 Het verzoek

3.1.

[werknemer] verzoekt – nadat hij ter zitting te kennen heeft gegeven dat zijn primaire verzoek komt te vervallen – om Ebro Diensten te veroordelen tot betaling van de vergoeding wegens onregelmatige opzegging ex artikel 7:672 lid 10 van het Burgerlijk Wetboek (BW), primair ter hoogte van € 10.690,61 bruto en subsidiair ter hoogte van € 3.563,54 bruto en een billijke vergoeding ex artikel 7:681 BW ter hoogte van € 3.221,33 bruto, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente. Verder verzoekt [werknemer] om Ebro Diensten te veroordelen tot verstrekking van een bruto/netto-specificatie met betrekking tot de verzochte betalingen op straffe van een dwangsom. Ten slotte verzoekt [werknemer] om Ebro Diensten te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.2.

Aan dit verzoek legt [werknemer] ten grondslag – kort weergegeven – dat geen sprake is van een dringende reden voor een ontslag op staande voet.

4 Het verweer en het tegenverzoek

4.1.

Ebro Diensten verweert zich tegen het verzoek. Zij voert, primair, aan – samengevat – dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is verleend, zodat de verzoeken van [werknemer] afgewezen dienen te worden, subsidiair dat de hoogte van de vergoedingen op nihil dienen te worden gesteld en meer subsidiair dat de hoogte van de vergoedingen dienen te worden vastgesteld op een bedrag van in totaal € 2.322,86. Daarbij verzoekt Ebro Diensten om [werknemer] te veroordelen in de kosten van de procedure.

4.2.

In de zaak van het tegenverzoek wordt door Ebro Diensten verzocht om [werknemer] te veroordelen tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding ex artikel 7:677 lid 2 BW ter hoogte van € 9.291,40 en de kosten van de procedure. [werknemer] heeft hiertegen verweer gevoerd.

5 De beoordeling

het verzoek

5.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of aan [werknemer] een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een billijke vergoeding moet worden toegekend.

5.2.

[werknemer] heeft het verzoek tijdig ingediend, omdat het is ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen is geëindigd (art. 7:686a lid 4, sub a BW).

5.3.

Voor de beoordeling van de door [werknemer] verzochte vergoedingen dient te worden beoordeeld of Ebro Diensten [werknemer] al dan niet ten onrechte op staande voet heeft ontslagen. Volgens artikel 7:677 lid 1 BW moet een ontslag op staande voet onverwijld worden gegeven, onder gelijktijdige mededeling van de dringende reden voor dat ontslag.

5.4.

Niet gesteld of gebleken is dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven.

5.5.

Als dringende reden in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW worden op grond van het bepaalde in artikel 7:678 lid 1 BW beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van een dringende reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen.

5.6.

In de brief van 9 februari 2018 wordt – samengevat – als reden voor het ontslag op staande voet aangevoerd dat [werknemer] betrokken is geweest bij een vechtpartij met een collega. [werknemer] heeft erkend dat hij betrokken is geweest bij de betreffende vechtpartij, waarbij hij de collega een duw heeft gegeven en heeft geslagen, maar [werknemer] heeft gesteld dat niet hij, maar de collega de vechtpartij is begonnen en dat hij slechts uit noodweer heeft gehandeld.

5.7.

Partijen hebben een verschil van mening omtrent de lezing van de overgelegde, ter zitting getoonde, camerabeelden van het incident dat heeft plaatsgevonden op 9 februari 2018. Zo stelt [werknemer] zich op het standpunt dat hij het omdraaien van de collega heeft ervaren als een voorbereidingshandeling om hem in het gezicht te slaan, zodat [werknemer] zijn collega ter verdediging een duw heeft gegeven. Volgens Ebro Diensten heeft [werknemer] met deze duw de discussie tussen hem en de collega laten escaleren, terwijl de collega op dat moment juist een de-escalatiehandeling verrichtte door zich van [werknemer] weg te draaien (met zijn armen in rust langs zijn lichaam, zodat [werknemer] hierin geen enkele dreiging heeft kunnen zien).

5.8.

Tussen partijen staat vast dat na de duw een worsteling tussen [werknemer] en de collega is ontstaan. Naar het standpunt van Ebro Diensten heeft [werknemer] nadat de situatie door collega’s was gesust, nogmaals laten escaleren door de collega in het gezicht te slaan. [werknemer] stelt dat hij deze klap in het heetst van de strijd, bevangen door adrenaline, heeft gegeven, waarbij meespeelt dat de collega zich zeer negatief uitliet over de zieke stiefmoeder van [werknemer].

5.9.

De kantonrechter acht op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting, meer in het bijzonder de camerabeelden, onvoldoende aannemelijk geworden dat [werknemer] zich in een noodweersituatie bevond. Deze beoordeling acht de kantonrechter evenwel niet van doorslaggevend belang omdat in de gegeven omstandigheden niet van belang is wie de situatie heeft laten escaleren en wat de reden van de verrichtte handelingen is geweest. Vast staat dat [werknemer] betrokken is geweest bij een vechtpartij op de werkvloer, terwijl van een werknemer verwacht mag worden dat hij zich er bewust van is dat dit onacceptabel gedrag is.

5.10.

Dit geldt temeer nu in het onderhavige geval naar het oordeel van de kantonrechter voldoende aannemelijk is geworden dat sprake is van een werkplek waar potentieel gevaarlijke omstandigheden bestaan, met de kans op substantiële verwondingen. Immers staat als onweersproken vast dat op deze werkplaats regelmatig sprake is van een gladde vloer en er met scherpe messen wordt gewerkt. Vechtpartijen op de werkvloer behoeven naar het oordeel van de kantonrechter, gelet op de veiligheid van het personeel, niet door de werkgever te worden getolereerd. De kantonrechter is dan ook met Ebro Diensten van oordeel dat het handelen van [werknemer] onacceptabel is en een dringende reden in de zin van de wet oplevert.

5.11.

De kantonrechter acht de gevolgen van het ontslag voor [werknemer] voorts niet dermate groot dat – hoewel het ontslag op staande voet te gelden heeft als ultimum remedium – sprake is van een buitensporige maatregel. Daarbij neemt de kantonrechter mede in aanmerking dat sprake was van een kortdurend dienstverband op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en de omstandigheid dat de kansen voor [werknemer] op de arbeidsmarkt gelet op zijn leeftijd en de aard van de werkzaamheden gunstig zijn. [werknemer] heeft ook binnen afzienbare tijd na het ontslag een nieuwe baan met een vergelijkbaar salaris gevonden.

5.12.

Gelet op het voorgaande is het op 9 februari 2018 gegeven ontslag rechtsgeldig.

5.13.

Uit artikel 7:681 lid 1, sub a, BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer een billijke vergoeding kan toekennen, indien de werkgever heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Nu hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is, zal het verzoek van [werknemer] om toekenning van die billijke vergoeding worden afgewezen. Om diezelfde reden zal de verzochte vergoeding wegens onregelmatige opzegging worden afgewezen.

5.14.

Gelet op het voorgaande zal ook het verzoek van [werknemer] tot veroordeling van Ebro Diensten tot verstrekking van een bruto/netto-specificatie worden afgewezen.

5.15.

De proceskosten komen voor rekening van [werknemer], omdat hij ongelijk krijgt.

het tegenverzoek

5.16.

Ebro Diensten heeft verzocht om [werknemer] te veroordelen tot betaling van een vergoeding als bedoeld in artikel 7:677 lid 2 BW.

5.17.

Uit artikel 7:686a lid 4, sub a, BW volgt dat de bevoegdheid om een verzoekschrift bij de kantonrechter in te dienen, vervalt twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, indien het een verzoek op grond van artikel 7:677 BW betreft. De arbeidsovereenkomst is geëindigd op 9 februari 2018 en het verweerschrift van Ebro Diensten, waarin het zelfstandig tegenverzoek is opgenomen, is door de griffie van de rechtbank ontvangen op 3 mei 2018. Het verzoek van Ebro Diensten is dus ontvangen meer dan twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd en daarmee te laat ingediend. Het verzoek zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

5.18.

De proceskosten komen voor rekening van Ebro Diensten, omdat zij ongelijk krijgt. Vanwege de samenhang tussen het verzoek en het tegenverzoek, zullen de kosten van [werknemer] ten aanzien van het tegenverzoek op nihil worden gesteld.

6 De beslissing

De kantonrechter:

het verzoek

6.1.

wijst het verzoek af;

6.2.

veroordeelt [werknemer] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van Ebro Diensten tot en met vandaag vaststelt op € 600,00 (salaris gemachtigde);

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

het tegenverzoek

6.4.

verklaart het verzoek niet-ontvankelijk;

6.5.

veroordeelt Ebro Diensten tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [werknemer] tot en met vandaag vaststelt op nihil;

6.6.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gewezen door mr. W. Aardenburg, kantonrechter en op 29 mei 2018 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter