Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:4081

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-05-2018
Datum publicatie
01-06-2018
Zaaknummer
C/15/256110 / FA RK 17-1352
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In deze zaak is een verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap op grond van artikel 1:207 BW gedaan. De gestelde vader is overleden in 1994. De rechtbank is in dit geval van oordeel dat DNA-onderzoek niet nodig is aangezien verzoekster middels verklaringen en een getuigenverhoor is geslaagd in de bewijslevering dat de gestelde vader haar verwekker is. Nu ook overigens is voldaan aan hetgeen is bepaald in artikel 1:207 BW wijst de rechtbank het verzoek toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2018/211
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Alkmaar

SCH

zaak-/rekestnr.: C/15/256110 / FA RK 17-1352

beschikking van de meervoudige kamer voor familiezaken van 16 mei 2018

in de zaak van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: verzoekster,

advocaat voorheen mr. C. de Bie-Koopman, kantoorhoudende te Alkmaar, thans mr. P.G. Wemmers, kantoorhoudende te Alkmaar,

als belanghebbenden zijn aangemerkt:

[belanghebbende] ,

hierna te noemen: [belanghebbende] ,

indien in leven, wonende op een onbekend adres in Nieuw-Zeeland,

en

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [belanghebbende] ,

advocaat mr. S.M. Postma, kantoorhoudende te Amsterdam.

1 Procedure

1.1

In deze zaak zijn eerder beschikkingen gegeven op 18 oktober 2017 en 22 februari

2018. Voor een volledige weergave van het verloop van de procedure, de feiten tot de datum van deze beschikkingen en de verzoeken van verzoekster verwijst de rechtbank naar de inhoud daarvan.

1.2

Samengevat gaat het in deze procedure om het volgende:

Op 8 maart 2017 heeft de rechtbank het verzoekschrift van verzoekster ontvangen, waarin zij de rechtbank ingevolge artikel 1: 207 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) verzoekt het ouderschap vast te stellen van de heer [naam] , geboren op [datum] en overleden op [datum] .

Verzoekster heeft ter onderbouwing van haar verzoek – ook weer kort samengevat - aangevoerd dat haar moeder en de heer [naam] van 1942 tot en met 1947 een geheime relatie hebben gehad en dat de moeder na de beëindiging van de relatie zwanger bleek te zijn. De heer [naam] wist dat hij de vader moest zijn, maar kon gezien de bijzondere omstandigheden niet zijn verantwoordelijkheden nemen. Wel heeft de heer [naam] alimentatie betaald. Verzoekster is door omstandigheden opgegroeid bij haar neef en zijn vrouw, de familie [familie] . Toen verzoekster zeven jaar oud was, heeft de familie [familie] haar voor de eerste keer verteld dat haar vader de heer [naam] heet. Weer veel later is verzoekster verteld wie haar biologische vader was en hoe hij te bereiken was. Vervolgens heeft verzoekster contact met haar vader, de heer [naam] , opgenomen. De heer [naam] was blij dat verzoekster contact met hem opnam en na een bezoek hebben zij telefonisch contact gehouden. Het contact met de heer [naam] kon echter niet openbaar worden gemaakt. Op een later moment heeft verzoekster te horen gekregen dat de heer [naam] was komen te overlijden. Verzoekster heeft nooit de kans gehad haar vader beter te leren kennen, hem te vragen haar te erkennen als zijn dochter en de familieband daarmee vast te stellen. Zolang de familie [familie] leefde kon verzoekster het jegens hen niet verantwoorden dat zij haar biologische vader wilde leren kennen. Vanaf het moment dat de familie [familie] is komen te overlijden heeft verzoekster tevergeefs alles op alles gezet om bevestiging te krijgen van het feit dat de heer [naam] haar biologische vader is. Het enige dat verzoekster van haar vader heeft is een foto en verder heeft zij verklaringen van familieleden waaruit blijkt dat de heer [naam] haar biologische vader is. Verzoekster is van mening dat zij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de heer [naam] haar verwekker kan zijn geweest. Volgens verzoekster resteert als enige mogelijkheid dat lichaamseigen materiaal van de heer [naam] kan worden verkregen door afname van dat materiaal van het stoffelijk overschot van de heer [naam] , hetgeen zou meebrengen dat het graf moet worden geopend. Een minder bezwarende weg is er volgens verzoekster niet. Rechthebbend op het graf van de heer [naam] is [belanghebbende] en zij heeft laten weten haar medewerking te weigeren. Verzoekster is van mening dat [belanghebbende] dient te worden verplicht tot daadwerkelijke medewerking aan het onderzoek.

Verzoekster heeft verzocht, na wijziging van haar verzoek bij brief van 19 juni 2017, om:

- te bepalen dat de rechthebbende op het graf toestemming dient te verlenen tot opgraving van het lijk van de heer [naam] , geboren op [datum] en overleden op [datum] ;

- te bepalen dat de opgraving, daaronder begrepen het vervoer van het lijk van de begraafplaats naar het Forensisch Laboratorium voor DNA-onderzoek (hierna: [deskundige] ) en vice versa, en de herbegraving, zal geschieden door [bedrijf] ;

- een deskundigenonderzoek te bevelen, te weten een kenmerkenonderzoek door middel van DNA, ter beantwoording van de vraag of de heer [naam] haar biologische vader is;

- het [deskundige] tot deskundige te benoemen;

- het [deskundige] te verzoeken het hiervoor bevolen onderzoek te verrichten en daartoe al datgene te doen dat het nuttig en nodig oordeelt;

- te bepalen dat de kosten van de deskundige vooreerst ten laste van ’s Rijks Kas komen;

- het vaderschap van de heer [naam] vast te stellen.

1.3

Op 19 juni 2017 heeft een regiezitting plaatsgevonden in aanwezigheid van

verzoekster, bijgestaan door mr. de Bie-Koopman. Tijdens deze zitting is – onder meer – besproken dat [belanghebbende] als rechthebbende op het graf van de [naam] in deze zaak moet worden betrokken. Nadien is [belanghebbende] aangeschreven en op 3 oktober 2017 heeft de rechtbank de brief van mr. S.M. Postma van 3 oktober 2017 ontvangen waarin hij zich als advocaat stelt voor [belanghebbende] .

1.4

In eerder genoemde beschikking van 18 oktober 2017 heeft de rechtbank:

- verzoekster opgedragen om nadere informatie te verschaffen over de technische mogelijkheid om via lijkopgraving over DNA van de heer [naam] , geboren op [datum] en overleden op [datum] , te beschikken teneinde zijn gestelde vaderschap te kunnen vaststellen, en (zo mogelijk) daarbij bij benadering opgave te doen van de kosten van een dergelijk onderzoek;- bepaald dat verzoekster deze informatie uiterlijk op 13 december 2017 aan de rechtbank moet hebben overgelegd;

- belanghebbenden in de gelegenheid gesteld om schriftelijk op deze informatie te reageren, welk bericht uiterlijk op 27 december 2017 door de rechtbank ontvangen dient te zijn;

- de behandeling van de verzoeken van verzoekster pro forma aangehouden tot 27 december 2017.

1.5

De voortgezette behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 13 februari 2018 in aanwezigheid van verzoekster, bijgestaan door mr. Wemmers en haar dochter [dochter] , en [belanghebbende] , bijgestaan door mr. Postma en haar echtgenoot [echtgenoot] . Voorafgaand aan deze zitting heeft de rechtbank – naast stukken die de lijkopgraving betreffen - een schriftelijke verklaring van mevrouw [nicht] ontvangen, een volle nicht van verzoekster. Deze verklaring dateert van 24 oktober 2016 en is abusievelijk niet eerder in het geding gebracht.

1.6

De rechtbank is na afloop van de zitting op 13 februari 2018 tot de conclusie gekomen dat het onderzoek niet volledig is geweest. Gelet hierop heeft de rechtbank besloten het onderzoek te heropenen om mevrouw [nicht] te horen als getuige over de door haar op 24 oktober 2016 afgelegde verklaring over het vaderschap van de heer [naam] .

1.7

Op 20 maart 2018 heeft het verhoor van de getuige mevrouw [nicht] plaatsgevonden. Hiervan is een proces-verbaal getuigenverhoor opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om zich desgewenst voor 4 april 2018 uit te laten over de wijze van voortzetting van de procedure.

1.8

Bij brief van 23 maart 2018 heeft verzoekster de rechtbank verzocht om een beschikking af te geven.

1.9

Bij brief van 27 maart 2018 heeft mevrouw [belanghebbende] de rechtbank eveneens verzocht om een beschikking af te geven.

1.10

De rechtbank ziet aanleiding om zonder nadere behandeling ter zitting thans een beslissing te nemen op de verzoeken van verzoekster.

2 Beoordeling

2.1

Op grond van artikel 1:207, eerste lid, van het BW is – voor zover thans van belang – bepaald dat het ouderschap van een persoon, ook indien deze is overleden, op de grond dat deze de verwekker is van het kind, door de rechtbank kan worden vastgesteld op verzoek van het kind. De wet verbindt geen termijn aan het indienen van een verzoek tot vaststelling van het ouderschap door het kind.

2.2

Verzoekster heeft de rechtbank verzocht om het vaderschap van de heer [naam] vast te stellen via DNA-onderzoek na lijkopgraving. Verzoekster heeft ter aanvulling van haar verzoek ter zitting verklaard dat zij geen twijfel heeft dat de heer [naam] haar verwekker is, maar dat ze een sterke behoefte voelt om dit ook te kunnen aantonen naar de buitenwereld. Om die reden is ze deze procedure gestart. Zij heeft zich nooit helemaal geaccepteerd gevoeld en erbij voelen horen. Het is emotioneel gezien daarom van grote waarde dat ze aan vrienden en familie met een schriftelijk stuk kan aantonen dat zij óók een vader heeft. Als dit onomstotelijk vast zou komen te staan met een uitspraak van de rechtbank zou dat verzoekster veel rust geven.

2.3

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat DNA-onderzoek niet nodig is, omdat verzoekster reeds op andere wijze is geslaagd in de bewijslevering dat de heer [naam] haar verwekker is. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

2.4

De rechtbank acht de door verzoekster overgelegde verklaring van mevrouw [nicht] van 24 oktober 2016 en de getuigenverklaring die zij daarna bij de rechtbank heeft afgelegd van grote betekenis. In de schriftelijke verklaring geeft mevrouw [nicht] aan dat de moeder van verzoekster gedurende vijf jaar een verhouding heeft gehad met de heer [naam] en dat verzoekster uit deze relatie is geboren. Volgens mevrouw [nicht] was de hele familie op de hoogte van het feit dat de heer [naam] de biologische vader van verzoekster is. Verder verklaart mevrouw [nicht] dat de heer [naam] alimentatie voor verzoekster betaalde aan de moeder van verzoekster. Tijdens het getuigenverhoor op 20 maart 2018 heeft mevrouw [nicht] hierop aangevuld dat haar vader en de moeder van verzoekster broer en zus zijn. Tijdens de oorlogsjaren woonden haar moeder en de moeder van verzoekster in bij haar oma. Mevrouw [nicht] heeft van haar moeder vernomen dat de moeder van verzoekster en de heer [naam] op dat moment een verhouding hadden die vijf jaar zou duren en dat verzoekster uit deze relatie is geboren. De heer [naam] kwam vaak bij de oma van mevrouw [nicht] over de vloer om samen te zijn met de moeder van verzoekster. Na de oorlog keerde de vader van mevrouw [nicht] terug uit krijgsgevangenschap en ook hij heeft de heer [naam] nog leren kennen. Dat de heer [naam] de biologische vader is van verzoekster was volgens mevrouw [nicht] verder bekend bij oom [oom] (broer van haar vader en de moeder van verzoekster) en zijn echtgenote, bij haar ouders, bij de moeder van verzoekster en bij [zus] (de zus van de heer [naam] ). Inmiddels zijn zij allemaal overleden. Ook heeft mevrouw [nicht] van haar moeder vernomen dat de heer [naam] alimentatie voor verzoekster betaalde tot zij eenentwintig was. Soms zag mevrouw [nicht] dat de moeder van verzoekster verdrietig was. Hierover vertelde haar moeder dat de heer [naam] de grote liefde van de moeder van verzoekster was. Het was de bedoeling dat zij in het huwelijk zouden treden, maar door omstandigheden is het hier niet van gekomen. Dit leidde volgens de moeder van mevrouw [nicht] tot veel verdriet bij de moeder van verzoekster.

2.5

Naast voormelde verklaring van mevrouw [nicht] slaat de rechtbank ook acht op de door verzoekster overgelegde verklaringen van mevrouw [achternicht] van 3 november 2016 (achternicht van verzoekster) en van mevrouw [halfzusje] van 7 november 2016 (halfzusje van verzoekster). Uit deze verklaringen maakt de rechtbank op dat er binnen de familie vanuit werd gegaan dat de heer [naam] de biologische vader van verzoekster is. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat verzoekster onbetwist heeft verklaard dat de heer [naam] tot haar 21ste levensjaar alimentatie voor haar heeft betaald, dit gegeven ook binnen de familie bekend was en dat verzoekster bij de heer [naam] en zijn echtgenote langs is geweest in hun woning in [plaats] . Bovendien beschikt verzoekster over een foto van de heer [naam] op middelbare leeftijd.

2.6

Tot slot slaat de rechtbank acht op het feit dat mevrouw [belanghebbende] thans ook van mening is dat op grond van de door verzoekster vermelde feiten en omstandigheden is komen vast te staan dat de heer [naam] de verwekker van verzoekster is. De rechtbank is in deze procedure ook niet gebleken van feiten of omstandigheden die erop zouden kunnen duiden dat een ander dan de heer [naam] in aanmerking komt als mogelijke biologische vader.

2.7

Op grond van het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank vast komen te staan dat de heer [naam] de verwekker van verzoekster is. Nu ook overigens is voldaan aan hetgeen is bepaald in artikel 1:207 van het BW zal de rechtbank het verzoek van verzoekster tot vaststelling van het vaderschap van de heer [naam] toewijzen. Aangezien nadere bewijslevering middels een DNA‑onderzoek in dit geval niet nodig is zullen de overige verzoeken van verzoekster worden afgewezen. Gelet op het bepaalde in het vijfde lid van dit artikel werkt de beschikking, mits daartoe in kracht van gewijsde gegaan, terug tot het moment van de geboorte van verzoekster.

3 Beslissing

De rechtbank:

3.1

stelt vast het ouderschap (vaderschap) van de heer [naam] , geboren op [datum] en overleden op [datum] , van:
- [verzoekster] , geboren op [datum] te [plaats] ;

3.2

draagt de griffier – op grond van artikel 1:20e, eerste lid, van het Burgerlijk

Wetboek – op niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking – en indien daartegen geen hoger beroep is ingesteld – een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [plaats] ;

3.3

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.L. Roubos, voorzitter, en mrs. M.E. Allegro en

mr. W. Schrama, rechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.C. Horio op 16 mei 2018.