Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:4007

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
09-05-2018
Datum publicatie
15-05-2018
Zaaknummer
15/871751-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen van opzetheling van een grote hoeveelheid professioneel gereedschap. Zes maanden gevangenisstraf opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 15/871751-17 en 23/001144-15 (vordering tul) (P)

Uitspraakdatum: 9 mei 2018

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 26 april 2018 in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. S.H.S. Ayre en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. M.J. Lamers, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na aanpassing van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, voor zover toegelaten, ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 17 september 2017 tot en met 20 oktober 2017 te Obdam, gemeente Koggenland, en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een goed, te weten een quad, merk Yamhaha (YFM 700R) althans, een of meer onderde(e)l(en) van voornoemde quad heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

2.

hij op of omstreeks 18 september 2017 te Wijdenes, gemeente Drechterland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal

een of meer goederen, te weten:

- een koffer met daarin glasplaatjes (geheel of gedeeltelijk toebehorend aan [aangever] ), [zaak 2];

- een gereedschapstas (merk stanley) en/of een schroefmachine (merk Bosch) en/of een schroefmachine (merk Hilti) (geheel of gedeeltelijk toebehorend aan [aangever] ) [zaak 3];

- een kranensleutel en/of een pijpsnijder en/of een accu (geheel of gedeeltelijk toebehorend aan [aangever] ) [zaak 4]

- drie, althans een of meer, kistje(s) (met inhoud) en/of een elektrische brander en/of een fein multitool (geheel of gedeeltelijk toebehorend aan [aangever] ) [zaak 5];

- een waterpas en/of twee boormachines (merk Makita) en/of een stanleyhamer en/of één of meer accu's en/of een winkelhaak (geheel of gedeeltelijk toebehorend aan [aangever] ) [zaak 6];

- een afkortzaag (merk DeWalt) en/of een boprenkoffer (merk Profit) en/of een houten koffer en/of een koffer (merk Festool) en/of een waterpas (merk Stanley) (geheel of gedeeltelijk toebehorend aan [aangever] ) [zaak 7];

- een koffer (merk festool, opschrift "zaagmachine) en/of een frezenset en/of een koffer (merk makita) (geheel of gedeeltelijk toebehorend aan [aangever] ) [zaak 8]

- een koffer (geheel of gedeeltelijk toebehorend aan de [aangever] ) [zaak 9] ;

- een zaaggeleider (geheel of gedeeltelijk toebehorend aan [aangever] ) [zaak 10]

- een motor (geheel of gedeeltelijk toebehorend aan [aangever] ) [zaak 11],

heeft verworven, voorhanden gehad (in elk geval in een loods aan de [loods] ) en/of overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) (telkens) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Standpunten van partijen

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 1 in de variant van schuldheling en feit 2 in de variant van het medeplegen van schuldheling. Zij heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 70 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

3.2.

Standpunt van de verdediging

Met betrekking tot feit 1 heeft de raadsman aangevoerd dat er geen bewijs is dat verdachte wist dat de quad (gedeeltelijk) van diefstal afkomstig was, zodat hij moet worden vrijgesproken van opzetheling. Ook voor schuldheling is in de ogen van de raadsman onvoldoende bewijs voorhanden. Verdachte heeft bij de aankoop van de quad het voertuigidentificatienummer (VIN) en het kenteken gecontroleerd en hij heeft een marktconforme prijs betaald. Dat het VIN niet in het frame was ingeslagen maar op een op het frame gelast plaatje stond, hoefde geen wantrouwen te wekken. In dat verband heeft de raadsman opgemerkt dat toen verdachte na zijn aankoop van de quad op enig moment door de politie werd gecontroleerd, dit de politie ook niet is opgevallen c.q. dit ook niet bij de politie wantrouwen heeft gewekt. De raadsman heeft benadrukt dat het er bij heling om gaat dat de verdachte op het moment van het verwerven of het voorhanden krijgen van het goed wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het goed van misdrijf afkomstig was. Nu dit niet kan worden bewezen, heeft de raadsman geconcludeerd tot vrijspraak van feit 1.

Met betrekking tot feit 2 betwist de raadsman primair dat verdachte feitelijke beschikkingsmacht had over de in de loods van verdachte aangetroffen gestolen gereedschappen en deze spullen, in juridische zin, voorhanden heeft gehad. De spullen waren niet van verdachte, maar van anderen. De verklaring van verdachte dat anderen ook gebruik maakten van de door hem gehuurde loods, wordt ondersteund door de vermelding op het huurcontract dat er twee sets sleutels zijn verstrekt.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat ook ten aanzien van dit feit geldt dat er geen bewijs is dat verdachte op het moment van het voorhanden krijgen van deze goederen weet had van de criminele herkomst daarvan, althans dit redelijkerwijs moest vermoeden. Naar de verklaring van verdachte zijn anderen verantwoordelijk voor die goederen.

Wat betreft de in de loods aangetroffen Aprilia motor heeft de verdediging zich ook op het standpunt gesteld dat er onvoldoende bewijs is dat verdachte wist of had moeten vermoeden dat het een gestolen goed betrof. Het is niet vreemd dat verdachte geen vragen heeft gesteld of onderzoek heeft gedaan toen een vriend hem vroeg of hij de motor in zijn, verdachtes, loods mocht stallen. Verdachte dient daarom ook van feit 2 te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

Mocht het toch tot een strafoplegging komen, dan is de raadsman van mening dat het niet passend is om verdachte nog een aanvullende (onvoorwaardelijke) straf op te leggen bovenop de tijd die hij al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

4 Oordeel van de rechtbank ten aanzien van het bewijs

4.1.

Vrijspraak feit 1
Onder 1 wordt verdachte verweten de opzet- dan wel schuldheling van een quad of onderdelen daarvan.

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte op het moment van het verwerven of het voorhanden krijgen van de quad (of onderdelen daarvan) wist dat deze van diefstal afkomstig was (waren). Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van de impliciet primair ten laste gelegde opzetheling.

Met betrekking tot de impliciet subsidiair ten laste gelegde schuldheling overweegt de rechtbank het volgende.

In de nacht van 13 op 14 augustus 2016 is de quad van [benadeelde 1] gestolen. Dit betrof een Yamaha 700rt uit 2010 met kenteken [kenteken 1] en chassisnummer [chassisnummer] . Op 17 september 2017 – meer dan een jaar later – zag aangever [benadeelde 1] op Facebook een advertentie waarin verdachte een quad te koop aanbood die aangever herkende als zijn gestolen eigendom. Hierop is uiteindelijk, na onderzoek door de politie, een pseudokoop-operatie op touw gezet, waarbij de door verdachte te koop aangeboden quad in beslag is genomen. Bij nader onderzoek aan die quad bleek dat het originele voertuigidentificatienummer (VIN) was verwijderd en dat daarvoor in de plaats een plaatje was aangelast met een ander VIN. Bovendien was het motornummer weggeslepen. De quad was voorzien van kenteken [kenteken 2] . Aangever [benadeelde 1] heeft de quad bekeken en bevestigd dat het zijn quad was.

Het kenteken [kenteken 2] en het daarbij behorende quadframe blijkt in 2015 door [betrokkene 1] te zijn verkocht aan [betrokkene 2] . [betrokkene 2] heeft het vervolgens in mei 2017 verkocht aan verdachte. [betrokkene 2] heeft bij de politie verklaard dat hij enkel het frame en kenteken heeft doorverkocht aan verdachte. Verdachte heeft daarentegen verklaard dat hij van [betrokkene 2] niet alleen een frame maar een complete quad heeft gekocht, in de staat zoals deze door de politie is aangetroffen en in beslag is genomen, afgezien van andere banden. Verdachte heeft verklaard dat hij na de aankoop andere banden op de quad heeft gezet. Deze verklaring vindt steun in het feit dat de banden die op de quad zaten toen deze werd gestolen, in de loods van verdachte zijn aangetroffen. Op verzoek van de verdediging is [betrokkene 2] opgeroepen voor een (nader) verhoor bij de rechter-commissaris. [betrokkene 2] heeft bij die gelegenheid (nadere) vragen omtrent hetgeen hij aan verdachte heeft verkocht, niet willen beantwoorden. [betrokkene 2] heeft zich toen kennelijk op zijn verschoningsrecht beroepen, ook op de vraag of hij bij de politie op alle punten de waarheid heeft gesproken.

Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld wie de bij pseudokoop-operatie aangetroffen quad heeft of hebben gemodificeerd tot de staat waarin deze is aangetroffen. Bij die stand van zaken moet uitgegaan worden van de verklaring van verdachte, die er op neerkomt dat hij de quad, zoals die op 20 oktober 2017 is aangetroffen (afgezien van de banden), heeft gekocht van [betrokkene 2] . Gelet op het verhoor van [betrokkene 2] door de rechter-commissaris zal de rechtbank ook uitgaan van de verklaring van verdachte dat hij de quad voor een bedrag van € 4.500,- heeft gekocht en dat hij vóór de aankoop het VIN aan de hand van het kentekenbewijs heeft gecontroleerd, waarna de quad ook officieel op zijn naam is overgeschreven. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat verdachte niet heeft voldaan aan zijn onderzoeksplicht. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het bedrag dat verdachte voor de quad zegt te hebben betaald, niet onredelijk laag is en dat de omstandigheid dat het VIN op een plaatje was gelast in plaats van ingegraveerd, voor verdachte niet onmiddellijk aanleiding hoefde te geven om te vermoeden dat het om een vervalsing ging. Ook voor het ontbreken van het motorbloknummer geldt dat dit de gemiddelde consument niet direct hoeft op te vallen, in aanmerking ook genomen dat dit nummer doorgaans niet direct van buitenaf zichtbaar is.

De rechtbank acht alles overziende niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op het moment van het verwerven of het voorhanden krijgen van de quad redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het voertuig of onderdelen daarvan van misdrijf afkomstig was/waren. Verdachte zal daarom ook van de schuldheling, en daarmee van geheel feit 1 worden vrijgesproken.

4.2.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

4.3.

Bewijsmotivering feit 2

Onder 2 wordt verdachte de opzet- dan wel schuldheling verweten van een grote hoeveelheid gereedschappen en een motorfiets, die van diefstal afkomstig bleken. Deze goederen zijn aangetroffen in een door verdachte gehuurde loods c.q. bedrijfsunit aan de [loods] in Wijdenes.

Verdachte heeft verklaard dat hij niet alleen van de loods gebruik maakte, maar dat twee ‘maten’ van hem, van wie hij de namen niet wil noemen, daar eveneens gebruik van maakten en dat zij de gestolen gereedschappen in de loods moeten hebben gelegd. Deze maten betaalden hem elk honderd euro per maand voor het gebruik van de loods en zij beschikten elk over een eigen sleutel van de loods, aldus verdachte.

De verhuurder van de loods, [betrokkene 3] , heeft, gelet op het huurcontract, bevestigd dat aan verdachte bij het afsluiten van het huurcontract twee sets sleutels zijn verstrekt. [betrokkene 3] heeft voorts verklaard dat verdachte vaak samen met anderen bij de loods was. De rechtbank acht, gelet hierop, aannemelijk dat verdachte niet de enige was die gebruik maakte van de loods.

Uit de bewijsmiddelen volgt echter dat de van diefstal afkomstige gereedschappen in de loods in een open stellage lagen, waartoe verdachte volledige toegang had. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij bijna dagelijks in de door hem gehuurde loods kwam, dat hij de betreffende gereedschappen (die in feit 2 zijn opgesomd) heeft zien liggen en dat die gereedschappen door elkaar lagen met zijn eigen gereedschap. Gelet op deze omstandigheden passeert de rechtbank het verweer van de raadsman dat verdachte geen feitelijke beschikkingsmacht over de gereedschappen had. Verdachte had deze gereedschappen wel degelijk voorhanden, evenals de Aprilia motor.

Het gestolen gereedschap betrof een groot en gevarieerd aantal elektrische (hand)gereedschappen en een groot aantal gereedschapskoffers van professionele merken. De hoeveelheid gereedschap was vele malen groter dan voor een normale bedrijfsvoering van één of zelfs drie zzp’ers in de bouw noodzakelijk kan worden geacht en vertegenwoordigde een aanzienlijke waarde. Het gestolen gereedschap lag zichtbaar in de door verdachte gehuurde loods, waar hij bijna dagelijks kwam. Verdachte wist van de aanwezigheid van het gereedschap; hij heeft het zien liggen. Deze omstandigheden acht de rechtbank op zichzelf redengevend voor het bewijs van opzetheling. Daarbij betrekt de rechtbank dat uitgangspunt is dat de eigenaar/huurder tevens gebruiker van een ruimte weet heeft van wat er zich in die ruimte bevindt (de inhoud) en waar dat van afkomstig is.

Verdachte heeft daarentegen verklaard dat zijn maten voor de gereedschappen verantwoordelijk zijn en dat hij daar verder niks van weet. Nu verdachte door zijn weigering openheid van zaken te geven over deze ‘maten’ geen redelijke en verifieerbare, de redengevendheid van genoemde feiten en omstandigheden ontzenuwende verklaring heeft gegeven, is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich als medepleger heeft schuldig gemaakt aan de opzetheling van de in de tenlastelegging genoemde gereedschappen. Minst genomen heeft verdachte het voorwaardelijk opzet daarop gehad, door ondanks de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn genoemd, en die zonder meer aanleiding geven tot het stellen van vragen over de herkomst van de vele dure gereedschappen, dergelijke vragen niet te stellen en toe te staan dat de gereedschappen in de loods werden gelegd.

Met betrekking tot de motorfiets heeft verdachte verklaard dat hij deze op verzoek van een vriend, wiens naam hij niet wil noemen, in zijn loods had gestald. Het was hem daarbij opgevallen dat de motorfiets niet was voorzien van een kenteken. De rechtbank is van oordeel dat dit laatste een omstandigheid betreft die verdachte aan het denken had moeten zetten. Verdachte heeft er naar eigen zeggen echter niet over nagedacht of de motorfiets van diefstal afkomstig was en hij heeft geen vragen gesteld aan zijn vriend over de herkomst van de motor en/of de reden van het ontbreken van een kenteken. Verdachte heeft hierdoor minst genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de motorfiets van misdrijf afkomstig was. Ook wat betreft de motorfiets geldt dat verdachte geen redelijke en verifieerbare, de redengevendheid van genoemde feiten en omstandigheden ontzenuwende verklaring heeft gegeven, hetgeen de rechtbank in haar overwegingen betrekt. De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich als medepleger – meerderen maakten gebruik van de loods en hadden de daarin liggende spullen voorhanden – heeft schuldig gemaakt aan de opzetheling van genoemde motorfiets.

4.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

2.

hij op 18 september 2017 te Wijdenes, gemeente Drechterland, tezamen en in vereniging met anderen, goederen, te weten:

- een koffer met daarin glasplaatjes, toebehorend aan [aangever] ;

- een gereedschapstas (merk Stanley) en een schroefmachine (merk Bosch) en een schroefmachine (merk Hilti), toebehorend aan [aangever] ;

- een kranensleutel en een pijpsnijder en een accu, toebehorend aan [aangever] ;

- drie kistjes met inhoud en een elektrische brander en een Fein multitool, toebehorend aan [aangever] ;

- een waterpas, toebehorend aan [aangever] ;

- een afkortzaag (merk DeWalt) en een borenkoffer (merk Profit) en een houten koffer en een koffer (merk Festool) en een waterpas (merk Stanley), toebehorend aan [aangever] ;

- een frezenset en een koffer (merk Makita), toebehorend aan [aangever] ;

- een koffer, toebehorend aan de [aangever] ;

- een zaaggeleider, toebehorend aan [aangever] ;

- een motor, toebehorend aan [aangever] ,

voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededaders ten tijde van het voorhanden krijgen van die goederen wisten, dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van opzetheling, meermalen gepleegd.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7 Motivering van de sanctie

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met anderen een gestolen motorfiets en een grote hoeveelheid gestolen gereedschappen voorhanden gehad. Het gereedschap betrof veelal prijzige professionele apparatuur, die was weggenomen uit bedrijfsauto’s van kleine ondernemers en zelfstandigen. Verdachte en zijn mededaders hebben op deze manier bijgedragen aan het in stand houden van een afzetmarkt die diefstal lonend maakt. Indirect hebben zij ook meegewerkt aan het duperen van de bestolenen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij geen enkele verantwoordelijkheid heeft willen nemen voor hetgeen in zijn loods is aangetroffen.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 27 maart 2018, waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder wegens vermogensdelicten onherroepelijk tot vrijheidsbenemende straffen is veroordeeld. Verdachte liep bovendien ten tijde van het bewezen verklaarde feit in twee proeftijden van eerdere voorwaardelijke veroordelingen. De rechtbank weegt deze omstandigheden ten nadele van verdachte mee bij de straftoemeting.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van het over verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies gedateerd 17 april 2018 van mevrouw L. Kok, reclasseringswerker verbonden aan GGZ Reclassering Fivoor. In dit advies constateert de reclassering dat eerder opgelegd reclasseringstoezicht weinig meerwaarde lijkt te hebben. Het contact met de reclassering lijkt amper een bijdrage te leveren aan gedragsbeïnvloeding en het reduceren van de kans op recidive. Verdachte zal wel binnenkort starten met een behandeling bij de forensische polikliniek De Waag. Om die reden ziet de reclassering meerwaarde in het voortzetten van het reclasseringstoezicht. Opnieuw adviseren van bijzondere voorwaarden wordt echter niet geïndiceerd geacht, omdat het lopende plan van aanpak doorgang kan vinden in het kader van het eerder opgelegde toezicht. Het advies luidt dan ook om een onvoorwaardelijke straf op te leggen.

De rechtbank acht, gelet op de ernst van het feit en met name de grootschaligheid daarvan, alsmede gelet op het strafblad van verdachte en de omstandigheid dat eerdere (voorwaardelijke) veroordelingen hem niet hebben weerhouden van het wederom plegen van een strafbaar feit, de door de officier van justitie gevorderde deels voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf geen passende sanctie. Dit te meer, nu verdachte ook geen verantwoordelijkheid heeft getoond. De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan één die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Daarom zal een gevangenisstraf van na te noemen duur worden opgelegd.

8 Beslissing omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, zoals vermeld op de door de officier van justitie overgelegde en aan dit vonnis aangehechte ‘lijst van in beslag genomen voorwerpen’, gedateerd 25 april 2018, dienen te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbenden, aangezien tot nu toe – op basis van het dossier en de in een laat stadium overgelegde kennisgevingen van inbeslagneming – geen personen als rechthebbenden kunnen worden aangemerkt.

9 Vorderingen benadeelde partijen

9.1

[benadeelde 1]

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.783,36 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden. Nu niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan verdachte onder 1 is tenlastegelegd, kan de benadeelde partij niet in de vordering worden ontvangen.

9.2.

[benadeelde 2]

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 856,- ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De gestelde schade betreft ‘eigen risico polis gereedschap’, ‘eigen risico autoverzekering’ en ‘16 niet gewerkte uren door inbraak’.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van het thans voorliggende dossier niet kan worden vastgesteld dat de gestelde schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 2 bewezen verklaarde feit, te weten de opzetheling en niet de diefstal. De benadeelde partij kan daarom niet in de vordering worden ontvangen.

10 Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij arrest van 5 augustus 2015 in de zaak met parketnummer 23/001144-15 heeft het gerechtshof Amsterdam verdachte ter zake van – kort gezegd – vermogensdelicten en wederspannigheid veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden, waarvan één maand voorwaardelijk. Ten aanzien van dat voorwaardelijk strafdeel is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Het arrest van het gerechtshof is op 20 september 2016 onherroepelijk geworden.

De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 6 oktober 2016 aan verdachte toegezonden.

De bij genoemd arrest vastgestelde proeftijd is ingegaan op 20 september 2016 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie nog geen drie maanden geëindigd.

De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank zal gelasten dat de voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering dient te worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De artikelen 47, 57 en 416 van het Wetboek van Strafrecht zijn van toepassing.

12 Beslissing

De rechtbank:

 Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

 Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

 Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

 Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering.

 Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering.

 Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbenden van de voorwerpen, zoals vermeld op de door de officier van justitie overgelegde en aan dit vonnis aangehechte ‘lijst van in beslag genomen voorwerpen’, gedateerd 25 april 2018.

Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 23/001144-15 en gelast de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde gevangenisstraf voor de duur van één maand, opgelegd bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 5 augustus 2015.

 Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. P. de Mos, voorzitter,

mr. N.O.P. Roché en mr. S. Jongeling, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier A. Helder,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 mei 2018.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de bewijsmiddelen