Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:3994

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-05-2018
Datum publicatie
22-05-2018
Zaaknummer
6035280 \ CV EXPL 17-5023
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Luchtvaartclaim (EPGV), Geen buitengewone omstandigheden. Weersomstandigheden op zichzelf hebben vlucht en/of voorgaande vlucht niet verhinderd. Algemene beperkingen luchtverkeersleiding zijn inherent aan het voeren van een luchtvaartonderneming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 6035280 \ CV EXPL 17-5023

Uitspraakdatum: 16 mei 2018

Beschikking in de zaak van:

[passagier]

wonende te [woonplaats]

verzoekende partij

verder te noemen: de passagier

gemachtigde: mr. S. Hempenius (Aviclaim)

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

British Airways PLC.,

gevestigd te Cardiff, Wales (Verenigd Koninkrijk)

verwerende partij

verder te noemen: British Airways

gemachtigde: mr. J.W.A. Lameijer

1 Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

  • -

    het vorderingsformulier (formulier A), ingekomen ter griffie op 23 mei 2017;

  • -

    het antwoordformulier (formulier C), ingekomen ter griffie op 21 december 2017.

2 De feiten

2.1.

De passagier heeft met British Airways een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan British Airways de passagier diende te vervoeren van Amsterdam naar Londen (vluchtnummer BA441) op 7 juni 2016 en vervolgens van Londen naar Johannesburg (vluchtnummer BA57) en ten slotte op 8 juni 2016 van Johannesburg naar Phalaborwa (Zuid-Afrika, vluchtnummer SA8853).

2.2.

De vlucht vanuit Amsterdam (BA441) is met een vertraging van 1 en uur 49 minuten vertrokken en is 1 uur en 46 minuten later dan gepland in Londen geland om 20:11 GMT. De passagier heeft hierdoor haar aansluitende vluchten van Londen naar Johannesburg en van Johannesburg naar Phalaborwa gemist. Zij is vervolgens omgeboekt naar een andere vlucht en is 18 uur en 10 minuten later op de eindbestemming aangekomen dan volgens het oorspronkelijke vluchtschema was gepland.

2.3.

De passagier heeft compensatie en vergoeding van additionele kosten van British Airways gevorderd in verband met voornoemde vertraging.

2.4.

British Airways heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

De passagier verzoekt British Airways te veroordelen tot betaling van:

- € 600,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 januari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

- € 537,50 aan additionele kosten,
- € 171,90 aan buitengerechtelijke incassokosten,
- de proceskosten, nakosten daaronder begrepen.

3.2.

De passagier baseert haar vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening). De passagier stelt dat British Airways vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is haar te compenseren conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 600,00. Voorts stelt de passagier dat zij is omgeboekt naar een vervangende vlucht op de volgende dag en in verband hiermee € 537,50 aan bijkomende kosten heeft gemaakt en dat British Airways gehouden is deze te vergoeden. Daarnaast maakt de passagier aanspraak op betaling door British Airways van de buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente.

3.3.

British Airways betwist de verschuldigdheid en de hoogte van de vordering. Op haar verweer wordt - voor zover relevant - bij de beoordeling van het geschil ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat zij in deze zaak bevoegd is van de vordering kennis te nemen.

4.2.

Vast staat dat de passagier met een vertraging van meer dan drie uur is aangekomen op de eindbestemming, zodat British Airways op grond van de Verordening in beginsel gehouden is de compensatie als bedoeld in de Verordening te voldoen. Dit is anders indien British Airways kan aantonen dat de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van de Verordening.

4.3.

British Airways heeft aangevoerd dat op 7 juni 2016 sprake was van extreme neerslag in Londen en omstreken en dat als gevolg hiervan de luchtverkeersleiding en het luchtverkeersbeheer zware beperkingen hebben ingesteld ten aanzien van het aantal toegestane landingen op Schiphol Airport en op Londen Heathrow. British Airways heeft ter onderbouwing hiervan diverse producties overgelegd, waaronder een “TC Service Provision Daily Report” van de luchtverkeerleiding, het zogeheten “OPNL Legs Report” en het “Eurocontrol CFMU Report”. Voorts heeft British Airways een intern onderzoeksrapport overgelegd. De zware beperkingen die waren ingesteld ten aanzien van het aantal vluchten dat mocht landen op Schiphol Airport en op Londen Heathrow moeten volgens British Airways worden aangemerkt als buitengewone omstandigheid als bedoeld in de zin van artikel 5 lid 3 van de Verordening.

4.4.

In de punten 14 en 15 van de considerans van de Verordening staat dat omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van de Verordening zich onder meer kunnen voordoen in geval van weersomstandigheden die de uitvoering van de vlucht in kwestie verhinderen en wanneer een besluit van de luchtverkeersleiding voor een specifiek toestel op een specifieke dag een langdurige vertraging, een vertraging van een nacht of de annulering van één of meer vluchten van dat vliegtuig veroorzaakt.

4.5.

Uit het door British Airways als productie 5 overgelegde interne onderzoeksrapport blijkt dat het toestel dat de vlucht van Amsterdam naar Londen heeft uitgevoerd daaraan voorafgaand (onder andere) vlucht BA440 van Londen naar Amsterdam heeft uitgevoerd. Over deze voorafgaande vlucht wordt in voormeld onderzoeksrapport het volgende vermeld:

Time was again made up on the ground and the aircraft was ready to depart to AMS as BA440 with all doors closed at 15:09z. We’d normally expect departure 3 minutes after doors are closed. So a RA or rotational delay of 12 minutes was recorded.

However at 15:10z, the Eurocontrol Centralised Flow Management Unit report shows that BA440 was assigned a slot delay of 121 minutes due to “Aerodrome Capacity” issues at EHAM, the International Civil Aviation Organisation code for AMS. This type of regulation is generally applied when ATC at a specific airport is struggling to cope with the demand for fligths. (…) At 16:38z, a 16:47z airborne slot was received and local ATC at LHR gave the flight clearance to take off at 16:51z, 1 hour 41 minutes behind schedule. Time was made up en route and the aircraft finally arrived into AMS 1 hour 21 minutes late at 17:41z.”

Vervolgens vermeldt het interne onderzoeksrapport over de onderhavige vlucht van Amsterdam naar Londen (BA441) het volgende:

However at this point, the airbone slot for the flight was 20:04z. (…) there was still a 36/60 restriction and slot delays were still 83 minutes according to the Traffic Manager’s Log. (…)

However at 18:38z, the slot improved dramatically to 19:10z and the fligth departed with a delay of 1 hour 49 minutes at 18:59z. Again, time was made up en route and the flight arrived 1 hour 46 minutes behind schedule at 20:11z. (…) ”

4.6.

Uit het voorgaande blijkt dat vlucht BA440 is later aangekomen in Amsterdam vanwege de restricties ten aanzien van het aantal landingen op Schiphol Airport en dat vlucht BA441 hierdoor later uit Amsterdam is vertrokken. Voorts waren er kennelijk ook restricties ten aanzien van het aantal vertrekkende vluchten vanuit Schiphol Airport, die eveneens hebben bijgedragen aan de vertraging van vlucht BA441 van Amsterdam naar Londen. Naar het oordeel van de kantonrechter blijkt echter niet dat sprake is geweest van een besluit van de luchtverkeersleiding dat specifiek was gericht aan het toestel waarmee de vlucht in kwestie werd uitgevoerd. Daar komt nog bij dat algemene beperkingen opgelegd door de luchtverkeersleiding naar het oordeel van de kantonrechter inherent zijn aan het voeren van een luchtvaartonderneming. Gesteld noch gebleken is dat sprake was van weersomstandigheden die de oorspronkelijke uitvoering van de vlucht in kwestie en/of de daaraan voorafgaande vlucht(en) verhinderden. British Airways heeft weliswaar voldoende aangetoond dat op de luchthavens van Londen Heathrow en Amsterdam Schiphol door de luchtverkeersleiding op 7 juni 2016 beperkingen waren ingesteld, maar ondanks de neerslag was wel degelijk vliegverkeer mogelijk naar beide luchthavens.

4.7.

Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat niet is voldaan is aan de vereisten van punt 14 of 15 van de considerans van de Verordening en dat daarom geen sprake is van een buitengewone omstandigheid. De kantonrechter komt daarom niet toe aan de beantwoording van de vraag of British Airways voldoende redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging te voorkomen. Nu British Airways voor het overige geen verweer heeft gevoerd, zal de vordering tot betaling van de gevorderde compensatie ad € 600,00, vermeerderd met wettelijke rente, worden toegewezen. British Airways is in verzuim geraakt vanaf het moment waarop de vertraging van de passagier is ontstaan, te weten op 7 juni 2016. Nu de passagier met ingang van een latere datum wettelijke rente heeft gevorderd, zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf de gevorderde datum, te weten 27 januari 2017.

4.8.

Ten aanzien van de gevorderde bijkomende kosten stelt de kantonrechter vast dat zich hier geen situatie als bedoeld in artikel 6, lid 1 van de Verordening voordoet. De kantonrechter oordeelt echter dat, nu de passagier door de vertraging van het eerste deel van de vlucht haar aansluitende vluchten heeft gemist, artikel 6, lid 1 van de Verordening in deze situatie overeenkomstig kan worden toegepast, zodat de passagier in beginsel aanspraak heeft op de verzorging zoals vermeld in artikel 9 lid 1 en 2 van de Verordening. Gelet op het arrest van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak McDonagh / Ryanair (C 12/11) kan de passagier als compensatie voor de niet-nakoming door de luchtvaartmaatschappij van de op haar rustende verplichting tot verzorging, enkel de betaling verkrijgen van de bedragen die, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, noodzakelijk, passend en redelijk waren.

4.9.

In de toelichting in het A-formulier heeft de passagier vermeld dat zij een bedrag van € 537,50 aan kosten heeft gemaakt. Zij heeft deze kosten niet verder gespecificeerd. Blijkens de bijlagen bij het A-formulier betreft het een bedrag van € 431,00 aan hotelkosten en vervoer van en naar de luchthaven, een bedrag van € 74,00 aan drinken, eten en internet en een bedrag van € 41,00 voor het omboeken van het ticket van Johannesburg en Phalaborwa. Ten aanzien van de hotel- en transferkosten heeft British Airways aangevoerd dat de passagier een hotelovernachting heeft geboekt in een hotel (London Heathrow Marriott Hotel) in de hoogste prijsklasse in Londen en omstreken en dat dit hotel een shuttlebus aanbiedt aan gasten, zodat de hiervoor gemaakte kosten niet noodzakelijk, redelijk en passend waren. Subsidiair meent British Airways dat de kosten voor de hotelovernachting tot ten hoogte 50% dienen te worden gematigd. British Airways heeft in dit verband informatie van het betreffende hotel overgelegd. De passagier heeft gesteld dat in Londen haar vlucht naar Johannesburg bij de balie is omgeboekt, maar dat daar geen kamers meer beschikbaar waren en dat zij is verwezen naar het British Hotel Reservation Center (BHRC) om zelf een hotelkamer te boeken. Bij het BHRC was er nog maar één kamer beschikbaar in Londen centrum, te weten het Marriott. De passagier stelt deze kamer te hebben geboekt, omdat het inmiddels 23:30 uur was. British Airways heeft dit niet weersproken. Gelet hierop acht de kantonrechter de kosten van € 431,00 voor de hotelkamer inclusief transfer noodzakelijk, redelijk en passend. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat uit de informatie van het Marriott hotel zoals overgelegd door British Airways niet blijkt dat de shuttleservice van het hotel gratis is. Zoals British Airways ook heeft aangevoerd, biedt het hotel volgens dezelfde informatie wel gratis Wifi aan, zodat de gevorderde kosten voor het gebruik van het internet zullen worden afgewezen. Dit zijn ook geen kosten als bedoeld in artikel 9 van de Verordening. Hetzelfde geldt voor de kosten van het omboeken van het ticket. Deze kosten komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking. De kosten voor het eten, drinken en het internet heeft de passagier niet verder uitgesplitst. Als bijlagen bij het A-formulier zitten twee facturen voor een lunch en drankjes voor een totaalbedrag van £ 49,69, omgerekend ongeveer € 56,00. Hiervan heeft de passagier niet toegelicht waarom deze kosten noodzakelijk, passend en redelijk waren. Deze kosten zullen voor de helft worden toegewezen, derhalve tot een bedrag van € 28,00. In totaal zal daarom aan bijkomende kosten een bedrag van € 459,00 (€ 431,00 + € 28,00) worden toegewezen.

4.10.

In de brief van 13 januari 2017 die is overgelegd als productie bij het A-formulier en als ingebrekestelling kan worden beschouwd, wordt British Airways gesommeerd binnen 21 werkdagen na de datum van deze brief te betalen. Derhalve is de gevorderde wettelijke rente over het bedrag van € 459,00 toewijsbaar vanaf 21 werkdagen na 13 januari 2017, nu een eerdere verzuimdatum is gesteld noch gebleken.

4.11.

De passagier heeft een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. Nu de onderhavige vordering geen betrekking heeft op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is, zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen, omdat niet is gesteld of gebleken dat kosten zijn gemaakt dan wel (voldoende) werkzaamheden zijn verricht anders dan die ter voorbereiding van de gedingstukken en ter instructie van de zaak, waarvoor de artikelen 237 tot en met 240 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een vergoeding plegen in te sluiten.

4.12.

De proceskosten komen voor rekening van British Airways, omdat zij grotendeels ongelijk krijgt.

4.13.

Op verzoek van de passagier zal een certificaat betreffende een beslissing in de Europese procedure voor geringe vorderingen (formulier D van bijlage IV van de verordening) aan deze beschikking worden gehecht.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt British Airways tot betaling aan de passagier van € 600,00 te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 27 januari 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt British Airways tot betaling aan de passagier van € 459,00 te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 21 werkdagen na 13 januari 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening;

5.3.

veroordeelt British Airways tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagier tot en met vandaag worden begroot op € 223,00 aan griffierecht en € 200,00 aan salaris gemachtigde;

5.4.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gewezen door mr. W. Aardenburg, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open