Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:3925

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
04-04-2018
Datum publicatie
16-05-2018
Zaaknummer
C/15/259277 / HA ZA 17-380
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

verzekeringsrecht. Fraude niet vast komen te staan. Onterechte opname in incidentenregister verzekeraar en extern verwijzingsregister. Verwijdering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rolnummer: C/15/259277 / HA ZA 17-380

Vonnis van 4 april 2018

in de zaak van

1. de vennootschap onder firma

TAXI ZEEWIJCK V.O.F.,

gevestigd te IJmuiden,

2. [eiser],

wonende te [woonplaats 1] ,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. T.W. Phea te Arnhem,

tegen

1. de naamloze vennootschap

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

2. [gedaagde],

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

advocaat mr. J.E.G. Joosten te Zwolle.

Eisers sub 1 en 2 zullen hierna afzonderlijk aangeduid worden als Taxi Zeewijck en [eiser] en tezamen als Taxi Zeewijck c.s. Gedaagden sub 1 en 2 worden hierna afzonderlijk aangeduid als Achmea en [gedaagde] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaardingen van 26 april 2017 en 3 mei 2017 met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie met producties van de zijde van Achmea;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie met producties van de zijde van Taxi Zeewijck;

  • -

    het tussenvonnis van 30 augustus 2017 waarbij een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    het proces-verbaal van de op 16 februari 2018 gehouden comparitie en de daarin genoemde stukken en proceshandelingen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Op 9 oktober 2015 heeft een aanrijding plaatsgevonden tussen een door [eiser] bestuurde Audi A8, eigendom van Taxi Zeewijck, en een door [gedaagde] bestuurde Kia, die was verzekerd bij Achmea.

2.2.

Diezelfde dag heeft [eiser] telefonisch contact gehad met Achmea over de afhandeling van de schade. Aansluitend heeft [eiser] , mede namens Taxi Zeewijck, per brief aan Achmea onder meer het navolgende bericht:

“Vandaag is de Audi (..) aangeboden voor reparatie bij de desbetreffende garage. De garage heeft na expertise van de schade vastgesteld (bijlage pagina 2) en heeft alle benodigde onderdelen besteld die volgende week (..) zullen worden geleverd door de dealer. (..) Dit betekent dat ik 7 dagen geen arbeid kan verrichten, waardoor ik inkomsten misloop. Ik verzoek u dan ook de inkomstenderving te compenseren van totaal 7x € 258,55 netto omzet per kalenderdag (..)

Vooralsnog is er telefonisch besloten om deze schade niet te melden bij mijn eigen verzekering omdat uw cliënt heeft aangegeven dat zij aansprakelijk is voor de veroorzaakte schade. U heeft aangegeven dat de schadebedrag zal worden vergoed zodra ik alle stukken heb aangeleverd.

Gaarne vraag ik u het totaalbedrag van € 7.840,85 excl. BTW over te maken op

Reparatie kosten € 6.031,00 excl.

Inkomsten bederving € 7 x 258,55= € 1.809,85

Totale schade bedrag: € 7.840,85

(..)”

2.3.

[eiser] is tezamen met de heer [naam 1] vennoot van Taxi Zeewijck.

2.4.

De schade aan de Audi is niet voorafgaand aan de reparatie door een expert van Achmea beoordeeld.

2.5.

De schade aan de Audi is hersteld door Auto Centraal te Velsen-Noord (hierna: de garage) met gebruikmaking van gebruikte onderdelen. Van der Bilt Autogas B.V. (hierna: Van der Bilt Autogas) heeft onderdelen geleverd voor de reparatie.

2.6.

De garage heeft haar werkzaamheden op 16 oktober 2015 als volgt aan Taxi Zeewijck gefactureerd:

Taxi Zeewijck heeft deze factuur op 16 oktober 2015 geheel betaald.

2.7.

[eiser] heeft op 12 november 2015 telefonisch contact opgenomen met Achmea over het uitblijven van betaling. In dat gesprek heeft Achmea bij monde van haar medewerkster mevrouw [naam 2] -kort gezegd- erkend dat [eiser] ten onrechte in het gesprek van 9 oktober 2015 is voorgehouden dat de schade voorafgaand aan de reparatie niet beoordeeld behoefde te worden door een expert van Achmea, dat de Audi alsnog door een expert zal worden bekeken en dat na ontvangst van diens rapport tot uitbetaling zal worden overgegaan.

2.8.

Bij brief van 11 december 2015 is de schadeclaim van Taxi Zeewijck c.s. afgewezen in welk kader Achmea onder meer het navolgende aan Taxi Zeewijck bericht:

“De nota is door onze expert beoordeeld

Op basis van zijn bevindingen zullen wij niet tot vergoeding van dit bedrag overgaan.

Dit zijn zijn bevindingen:

(..)

Ik constateer het volgende:

  • -

    factuur klopt niet.

  • -

    Schadebeeld veroorzakende auto komt niet overeen

geclaimde schade , kleine auto tegen een veel zwaardere auto.”

2.9.

Op 8 januari 2016 heeft [eiser] onderstaande vervangende factuur aan Achmea verzonden:

2.10.

In opdracht van Achmea heeft haar expert, de heer [naam 3] (hierna: [naam 3] ), op

25 februari 2016 een rapport opgemaakt waarin onder meer het navolgende is opgenomen:

“Het voertuig van de tegenpartij bleek inmiddels hersteld zodat een goede expertise niet meer mogelijk was. Er bleven geen onderdelen bewaard en werden geen goede foto’s gemaakt.

Het voertuig van verzekeringnemer (rechtbank: lees [gedaagde] ) heeft een lichte schade aan de rechtervoorzijde waarbij spatscherm en koplamp beschadigde. (..)

Omdat het voertuig van de tegenpartij een taai aluminium spatscherm heeft mag verwacht worden dat dit deel een stuk steviger was dan het spatscherm van verzekeringnemer.

Verder blijkt uit de sporen dat de linker voorband van de tegenpartij voornamelijk het spatscherm van verzekeringnemer en ook het koplampglas heeft geraakt. (..)

De voorbumper en de koplamp met linker spatscherm van de tegenpartij kunnen licht geraakt zijn tijdens de aanrijding. Het is niet aannemelijk dat de intercooler, en sensor van de cruise controle geraakt zijn tijdens de aanrijding. De sensor van de cruis controle is midden achter de grille gemonteerd die oude schade laat zien. De intercooler is weg gebouwd achter frontdelen en steunen die niet zijn opgevoerd als schade en ook geen afwijkingen lieten zien tijdens de inspectie.

De schade die veroorzaakt zou kunnen tijdens de aanrijding, maar tot op heden niet goed is gepresenteerd is als volgt. (..)

Totale schade EUR 1.550,-- incl. BTW

Gezien bovenstaande waarnemingen en al voorgelegde schadeberekeningen door de tegenpartij is er sprake van een ernstig vorm van majoreren.”

2.11.

Bij brief van 29 februari 2016 heeft Achmea de woongarantverzekering van [naam 1] per de eerstvolgende prolongatiedatum opgezegd en hem bericht dat zijn gegevens zullen worden opgenomen in het incidentenregister van Achmea.

2.12.

Op 7 maart 2016 is [eiser] in verband met de geclaimde schade geïnterviewd door een toedrachtsonderzoeker van Achmea, de heer [naam 4] (hierna: [naam 4] ). In dat interview heeft [eiser] onder meer verklaard dat de Audi is gerepareerd met gebruikte onderdelen en dat de herkomst van de gebruikte onderdelen hem niet bekend is. Ten aanzien van de onder 2.9 vermelde vervangende nota heeft [eiser] het navolgende verklaard:

“Ik kreeg in eerste instantie een factuur van de garage, na herstel van de Audi. Deze nota heb ik betaald. Ik had al snel een discussie met het bedrijf ivm kleurverschil in het spuitwerk. Vervolgens bleek dat de auto met gebruikte delen hersteld was en dat de intercooler ook vervangen moest worden. Nadat de schade-expert de controle heeft gedaan moest de reparatie worden aangepast ivm het gebruik van de 2e hands delen. Ik heb nog geen geld van Auto Centraal terug ontvangen.”

2.13.

Op 17 maart 2016 heeft de heer [naam 5] , verbonden aan Post Crash Voertuig Diagnose, in opdracht van Achmea de voertuigelektronica van de Audi uitgelezen en bij brief van 24 april 2016 onder meer het navolgende gerapporteerd:

“Getuige de aanwezigheid van de storing “C110300: Sensor voor automatische afstandsregeling versteld” en storingsinformatie (datum, tijd en kilometerstand) in het storingsgeheugen van de linker afstandssensor (sensor en regeleenheid voor afstandsregeling) werd de linker afstandssensor van de Audi na de aanrijding niet vervangen. Het is namelijk niet mogelijk dat de storing en storingsinformatie – die is ontstaan tijdens of ten gevolge van de gemelde aanrijding – in het storingsgeheugen van de vervangen/gebruikte linker afstandssensor is opgeslagen.”

2.14.

[naam 4] heeft in zijn rapport van 10 mei 2016 onder meer het navolgende geconcludeerd:

“• Tijdens de schadevaststelling krijgt schade-expert [naam 6] een reparatienota van tegenpartij [eiser] waaruit blijkt dat de Audi A8 is hersteld met nieuwe onderdelen.

• [naam 6] stelde vast dat er geen nieuwe onderdelen op de Audi A8 zijn gemonteerd, vervolgens werd de herstelnota aangepast zodat de reparatiekosten € 1763,06 lager uitvielen.

• Uit de verklaring van zowel Fatih [eiser] , Auto Centraal en Van Der Bilt Autogas blijkt dat tegenpartij Fatih [eiser] op de hoogte was van de gebruikte onderdelen welke zouden zijn gemonteerd op de Audi A8 toen hij de reparatienota claimde bij Centraal Beheer Achmea.

• Fatih [eiser] verklaarde op 7 maart 2016 dat hij niet wist waar de gebruikte onderdelen gekocht zijn.

• Uit de contacten met Auto Centraal en met Van Der Bilt Autogas blijkt dat Fatih [eiser] de onderdelen zelf geregeld heeft.

• Uit onderzoek gedaan door [naam 3] blijkt dat de door tegenpartij geclaimde schade nooit ontstaan kan zijn door de aanrijding met de Kia van verzekerde. Hij geeft aan dat er sprake is van een ernstige vorm van majoreren.

• Uit technisch onderzoek gedaan door [naam 5] blijkt dat vast staat dat de afstandssensor in de voorbumper na de aanrijding op 9 oktober 2015 niet is vervangen, terwijl deze sensor wel op de herstelnota staat voor een bedrag van €850,- exclusief btw en montage. In eerste instantie is dit onderdeel als nieuw opgevoerd voor een bedrag van € 1236,- exclusief btw en montage.

Gezien bovenstaande moet worden geconcludeerd dat tegenpartij, de heer [eiser] , een herstelnota heeft ingediend welke niet overeenkomt met de werkelijk uitgevoerde reparatie.

Naast het opvoeren van prijzen van nieuwe onderdelen, terwijl er later met gebruikte onderdelen blijkt te zijn hersteld, is ook vast komen te staan dat de afstandssensor op de herstelnota staat terwijl deze niet is vervangen.”

2.15.

Bij brief van 2 juni 2016 heeft Achmea aan Taxi Zeewijck en [eiser] onder meer het navolgende bericht:

“Wij vergoeden de schade niet

De reden hiervoor is dat er sprake is van majoreren van de schadeclaim. Dit houdt in dat er meer schade wordt geclaimd dan er daadwerkelijk is geleden. Tevens stellen wij vast dat ter onderbouwing van de schadeclaim een onjuiste factuur is ingediend. (..)

Conclusie

Gezien bovenstaande kunnen wij niet anders dan dat er onjuiste facturen zijn ingediend ter onderbouwing van de schadeclaim en dat er sprake is van het claimen van meer schade dan daadwerkelijk is geleden. Uit onze administratie is verder gebleken dat u één of meerdere verzekeringen bij Achmea hebt afgesloten.

Verzekeringen en schadeclaims zijn gebaseerd op wederzijds vertrouwen. Als maatschappij moeten wij ervan uit kunnen gaan dat u direct juiste informatie verstrekt over schades. Nu het vertrouwen is geschaad, zijn wij van mening dat dit niet zonder gevolgen kan blijven.

Beëindiging verzekeringsovereenkomst

  • -

    Uw woongarantverzekering (..) zullen wij per eerstkomende prolongatiedatum (..) beëindigen.

  • -

    Uw verkeersverzekering (..) zullen wij per eerstkomende prolongatiedatum (..) beëindigen.

Wij vorderen de gemaakte onderzoekskosten op u terug. (..)

Incidentenregister

Op grond van voormelde feiten heeft Centraal Beheer Achmea besloten uw gegevens op te nemen in het Incidentenregister.(..)

Melding Extern Verwijzingsregister voor de duur van 8 jaar

Wij hebben uw personalia en de gegevens van Taxi Zeewijck opgenomen in het Extern Verwijzingsregister. (..)

CBV-melding

Voorts hebben wij het Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit (CBV) van het Verbond van Verzekeraars op de hoogte gebracht van de registratie in het Incidentenregister. (..)”

2.16.

Per e-mail van 17 juni 2016 bericht Van der Bilt Autogas aan [eiser] onder meer het navolgende:

“In oktober hebben wij onderdelen geleverd voor een audi a8 aan auto centraal zie factuur. In januari ben jij langs gekomen om te vragen of er onderdelen geleverd zijn aan auto centraal voor een audi A8. Ik heb toen al verteld dat ik niks met jou te maken had alleen met auto centraal. (..) Graag wil ik in deze kwestie met rust gelaten worden.”

2.17.

Bij brief van 17 november 2016 heeft de raadsman van Taxi Zeewijck c.s. Achmea -kort gezegd- onder meer gesommeerd om de registraties van Taxi Zeewijck c.s. in het incidentenregister en het extern verwijzingsregister ongedaan te maken. Daaraan heeft Achmea geen gehoor gegeven.

2.18.

Bij brief van 16 maart 2017 is [gedaagde] door de raadsman van Taxi Zeewijck c.s. aansprakelijk gesteld voor de door Taxi Zeewijck geleden schade en gesommeerd tot vergoeding daarvan onder aanzegging van buitengerechtelijke incassokosten.

2.19.

Nadat partijen over en weer hebben gecorrespondeerd over de wederzijdse standpunten heeft de raadsman van Taxi Zeewijck bij brief van 16 maart 2017 Achmea gesommeerd tot betaling van de geleden schade, binnen 14 dagen na dagtekening van de brief onder aanzegging van het verschuldigd zijn van buitengerechtelijke incassokosten bij niet of niet tijdige betaling.

2.20.

Achmea is aangesloten bij de Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Financiële Instellingen (hierna: de gedragscode) en bij het Protocol Incidenten waarschuwingssysteem Financiële Instellingen (hierna: het protocol). De gedragscode stelt regels voor het verwerken door banken en verzekeraars van persoonsgegevens. In de gedragscode is onder meer het navolgende bepaald:

“5.5.1 Ten behoeve van de veiligheid en integriteit van de Financiële sector kunnen gegevens, waaronder Persoonsgegevens, die betrekking hebben op: (i) gebeurtenissen die gelet op het bijzondere karakter van de Financiële sector de zorg en aandacht behoeven van de Financiële instelling; (..) worden opgenomen in een Gebeurtenissenadministratie gehouden door Veiligheidszaken of een daartoe aangewezen afdeling van de betreffende Financiële instelling. Op deze Gebeurtenissenadministratie is de Gedragscode van toepassing.

5.5.2

Indien een in het eerste lid bedoelde gebeurtenis voldoet aan de criteria als opgenomen in het Protocol worden de met deze gebeurtenis verband houdende gegevens opgenomen in het incidentenregister en is opname in het EVR mogelijk (..)”

2.21.

In het protocol zijn regels vastgelegd ten aanzien van gegevensuitwisseling tussen de aangesloten financiële instellingen. Het protocol bepaalt in artikel 3.1 dat iedere deelnemer een incidentenregister heeft, met daaraan gekoppeld het extern verwijzingsregister (EVR). Als een gebeurtenis voldoet aan de criteria als opgenomen in het protocol worden de met deze gebeurtenis verband houdende gegevens volgens artikel 5.5.2 van de gedragscode opgenomen in het incidentenregister en is opname in het Extern Verwijzingsregister (hierna: EVR) mogelijk. Het incidentenregister en het EVR bevatten identificerende gegevens van (rechts)personen met een verhoogd risico voor de financiële sector. Het incidentenregister is slechts te raadplegen voor de organisatie van de deelnemer zelf. Het EVR is tevens raadpleegbaar voor andere deelnemers aan het Incidentenwaarschuwingssysteem.

In het protocol is onder meer het navolgende bepaald:

“(..)

2. Begripsbepalingen

(..)

Incident

een gebeurtenis die als gevolg heeft, zou kunnen hebben of heeft gehad dat de belangen, integriteit of veiligheid van de cliënten of medewerkers van een Financiële Instelling, de Financiële Instelling zelf of de financiële sector als geheel in het geding zijn of kunnen zijn, zoals het falsificeren van nota’s, identiteitsfraude, skimming, verduistering in dienstbetrekking, phishing en opzettelijke misleiding.

Incidentenregister

de gegevensverzameling(en) van de Deelnemer, waarin gegevens zijn vastgelegd voor het in artikel 4.1.1 Protocol genoemde doel, naar aanleiding van of betrekking hebbend op een (mogelijk) Incident;(..)

3.1

Incidentenregister en Extern Verwijzingsregister

3.1.1

Iedere Deelnemer heeft een Incidentenregister, waarin door de betreffende Deelnemer gegevens van (rechts)personen worden vastgelegd ten behoeve van het in artikel 4.1.1 Protocol genoemde doel, naar aanleiding van of betrekking hebbend op een (mogelijk) Incident.(..)

4.1

Doel Incidentenregister

4.1.1

Met het oog op het kunnen deelnemen aan het Waarschuwingssysteem is iedere Deelnemer gehouden de volgende doelstelling voor het vastleggen van gegevens in het Incidentenregister te hanteren:

“Het geheel aan verwerkingen ten aanzien van het Incidentenregister heeft tot doel het ondersteunen van activiteiten gericht op het waarborgen van de veiligheid en de integriteit van de financiële sector, daaronder mede begrepen (het geheel van) activiteiten die gericht zijn:

op het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van gedragingen die kunnen leiden tot benadeling van de branche waar de financiële instelling deel van uitmaakt, van de economische eenheid (groep) waartoe de financiële instelling behoort, van de financiële instelling zelf, alsmede van haar cliënten en medewerkers;(..)

5.2.1

De Deelnemer dient de Verwijzingsgegevens van (rechts)personen die aan de hierna onder a en b vermelde criteria voldoen en na toepassing van het onder c genoemde proportionaliteitsbeginsel op te nemen in het Extern Verwijzingsregister.

a. a) De gedraging(en) van de (rechts)persoon vormden, vormen of kunnen

een bedreiging vormen voor (I) de (financiële) belangen van cliënten en/of medewerkers van een Financiële instelling, alsmede de (Organisatie van de) Financiële instelling(en) zelf of (II) de continuïteit en/of de integriteit van de financiële sector.

b) In voldoende mate staat vast dat de betreffende (rechts)persoon betrokken is bij de onder a bedoelde gedraging(en). Deze vaststelling betekent dat van strafbare feiten in principe aangifte of klachten wordt gedaan bij een opsporingsambtenaar.

c) Het proportionaliteitsbeginsel wordt in acht genomen. Dit houdt in dat Veiligheidszaken vaststelt, dat het belang van opname in het Externe Verwijzingsregister prevaleert boven de mogelijk nadelige gevolgen voor de Betrokkene als gevolg van opname van zijn Persoonsgegevens in het Extern Verwijzingsregister.

(..)

5.3

Verwijdering van gegevens uit het Extern Verwijzingsregister

5.3.1

Indien niet langer aan de voorwaarden van artikel 5.2.1 Protocol wordt voldaan draagt de Deelnemer zorg voor verwijdering van de door de Deelnemer opgenomen Verwijzingsgegevens uit het Extern Verwijzingsregister.(..)”

2.22.

Achmea heeft per prolongatiedatum van 1 november 2016 de woongarant-verzekering (polisnummer 41582971) en per prolongatiedatum van 1 augustus 2016 de verkeersverzekering (polisnummer 107508990) op naam van [eiser] beëindigd.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

Taxi Zeewijck vordert -samengevat en na wijziging van eis- dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:

A. primair Achmea en [gedaagde] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 6.973,85 bestaande uit reparatiekosten ad € 5.164,00 exclusief BTW en inkomstenderving ad € 1.809,85 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 oktober 2015, althans vanaf een door de rechtbank te bepalen datum, tot de dag der algehele voldoening;

subsidiair Achmea veroordeelt om uiterlijk 14 dagen na betekening van het vonnis de schaderegeling met een door eisers aan te wijzen contra-expert af te ronden en

de daaruit voortvloeiende schadevergoeding aan eisers uit te keren, op

straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,--, althans een door de rechtbank te bepalen dwangsom, voor elke dag of deel daarvan dat Achmea niet aan het gevorderde voldoet;

Achmea veroordeelt om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de registraties ten name van eisers ongedaan te maken en ongedaan gemaakt te houden, door over te gaan tot het indienen van een daartoe strekkend schriftelijk verzoek aan het Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit van het Verbond van Verzekeraars en aan de Stichting CIS te Zeist, en voorts alle medewerking te verlenen om de ongedaanmaking van de genoemde registraties te realiseren, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom ten bedrage van € 500,--, voor elke dag of deel daarvan, dat Achmea met de nakoming van dit gebod, al dan niet gedeeltelijk, in gebreke blijft;

Achmea veroordeelt om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis over te gaan tot het ongedaan maken en ongedaan gemaakt houden van de registraties ten name van eisers en de heer [naam 1] in het Incidentenregister van Achmea, evenals het per gelijke post verzenden van een bevestiging van voornoemde ongedaanmaking aan eisers en de heer [naam 1] , zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom ten bedrage van € 500,-- voor elke dag of deel daarvan, dat Centraal Beheer (de rechtbank begrijpt : Achmea) met de nakoming van dit gebod, al dan niet gedeeltelijk, in gebreke blijft;

Achmea gebiedt om de beëindiging van de tussen Achmea en de heer [eiser] afgesloten woongarantverzekering met polisnummer 41582971 en de verkeersverzekering met polisnummer 107502990 binnen twee dagen na betekening van het te wijzen vonnis ongedaan te maken, met de bepaling dat de heer [eiser] geen premie is verschuldigd over de periode vanaf de aanvankelijke beëindiging van de verzekeringen (respectievelijk 1 november 2016 en 1 augustus 2016) tot aan de dag der ongedaanmaking, en zulks schriftelijk aan de heer [eiser] te bevestigen, zulks op straffe van een dwangsom;

Achmea en [gedaagde] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 723,69 althans een door de rechtbank te bepalen bedrag;

Achmea en [gedaagde] hoofdelijk veroordeelt in de kosten van het geding, vermeerderd met de wettelijke rente indien de voldoening niet binnen 14 dagen na dagtekening van het onderhavige vonnis heeft plaatsgevonden;

Achmea en [gedaagde] hoofdelijk veroordeelt in de nakosten van het geding;

Achmea gebiedt om de beëindiging van de tussen Achmea en de heer [naam 1] afgesloten woongarantverzekering met polisnummer 41278885 binnen twee dagen na betekening van het onderhavige vonnis ongedaan te maken met de bepaling dat de heer [naam 1] geen premie is verschuldigd over de periode vanaf de aanvankelijke beëindiging van de verzekering tot aan de dag der ongedaanmaking en zulks aan [naam 1] te bevestigen, zulks op straffe van een dwangsom.

3.2.

Achmea voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

Achmea vordert -samengevat- dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:

A. Taxi Zeewijck c.s. veroordeelt tot betaling van :

  • -

    € 45,18 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 november 2015;

  • -

    € 63,67 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 december 2015;

  • -

    € 1.512,75 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 mei 2016;

  • -

    € 943,19 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 mei 2016;

  • -

    € 532,00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 augustus 2017.

Taxi Zeewijck c.s. veroordeelt in de (na)kosten van het geding.

3.5.

Taxi Zeewijck c.s. voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

In conventie

4.1.

onbevoegdheid

Naar de rechtbank constateert heeft Achmea in haar antwoord in conventie summierlijk betoogd dat de rechtbank niet bevoegd zou zijn om van de vorderingen van Taxi Zeewijck c.s. kennis te nemen. Hoewel Achmea daar ter zitting geen aandacht meer voor heeft gevraagd en onduidelijk is of zij haar standpunt heeft willen handhaven, zal de rechtbank niettemin dit verweer als een opgeworpen exceptie van onbevoegdheid beschouwen

-waarmee naar de rechtbank begrijpt- verwijzing naar de kantonrechter is beoogd. Daarin kan Achmea echter niet in worden gevolgd. De vorderingen van Taxi Zeewijck c.s. onder 3.1B tot en met 3.1C weergegeven, zijn naar hun aard van onbepaalde waarde terwijl gesteld noch gebleken is dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat deze tezamen een lagere waarde vertegenwoordigen dan € 25.000,= in de zin van artikel 93 sub b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

4.2.

benadeelde/positie [eiser]

De rechtbank constateert dat tussen partijen niet in geschil is dat de aanrijding is te wijten aan [gedaagde] en dat zij voor de daaruit voortvloeiende schade aansprakelijk is, zij het dat de benadeelde daarnaast ook een eigen recht op vergoeding jegens Achmea als verzekeraar van [gedaagde] heeft verkregen (artikel 6 Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (WAM)).

4.3.

Anders dan [eiser] betoogt, kan hij gelet op de navolgende omstandigheden niet als benadeelde in de zin van artikel 6 WAM aangemerkt worden. Ter zitting heeft [eiser] toegelicht dat de Audi op naam van Taxi Zeewijck is gesteld, dat de auto ook eigendom is van Taxi Zeewijck en dat de materiële schade door Taxi Zeewijck is gedragen nu zij de reparatienota aan de garage heeft voldaan. Wat betreft de door Taxi Zeewijck c.s. gevorderde loonderving (waarover hierna meer) leidt de rechtbank uit de door Taxi Zeewijck c.s. gegeven onderbouwing af dat ook deze schade is geleden door Taxi Zeewijck en niet door [eiser] . Tegen die achtergrond is de vordering onder 3.1A voor zover mede ingesteld door [eiser] reeds daarom niet voor toewijzing vatbaar en zal deze afgewezen worden.

4.4.

fraude? (vordering onder 3.1A)

In de verhouding tussen Taxi Zeewijck en Achmea heeft het partijdebat zich vervolgens hoofdzakelijk toegespitst op het door Achmea gevoerde verweer dat zij door Taxi Zeewijck, althans haar vennoot [eiser] , opzettelijk misleid zou zijn bij de afwikkeling van de schade en dat daarom geen recht bestaat op vergoeding van de vermeende schade. Deze misleiding heeft erin bestaan dat op basis van onjuiste gegevens een te hoge schadeclaim is ingediend en dat Taxi Zeewijck, althans [eiser] als betrokken vennoot, van die onjuistheid op de hoogte was. Als gevolg van deze misleiding is analoog aan het bepaalde in artikel 7:941 lid 5 BW het recht op een schade-uitkering komen te vervallen, aldus Achmea.

4.5.

Gelet op artikel 150 Rv is het aan Achmea om feiten en omstandigheden te stellen - en indien daaraan wordt toegekomen: te bewijzen - waaruit kan volgen dat sprake is van misleiding in vorenbedoelde zin. Gelet erop dat Achmea verstrekkende rechtsgevolgen heeft verbonden aan de door haar aangevoerde misleiding, dienen hoge eisen gesteld worden aan haar stelplicht en de onderbouwing daarvan.

4.6.

Dit alles geldt eens te meer nu ten gevolge van de eigen nalatigheid van Achmea het exacte schadebeeld van de Audi niet meer met zekerheid is vast te stellen. Vaststaat immers dat Achmea de schadeafwikkeling niet overeenkomstig haar eigen procedure ter hand heeft genomen nu zij na de eerste schademelding op 9 oktober 2015 (2.1) -anders dan gebruikelijk- de schade aan de Audi niet vooraf door een expert heeft laten vaststellen. Dat in deze sprake was van een fout aan de zijde van Achmea is in het daaropvolgende telefonisch contact tussen partijen op 12 november 2015 (2.7) ook door Achmea erkend. Bij die gelegenheid is voorts namens Achmea een betalingstoezegging gedaan nadat de Audi door een expert alsnog zou zijn bekeken. De inmiddels al lang herstelde Audi is vervolgens pas 3 maanden na de aanrijding alsnog door de door Achmea ingeschakelde experts ( [naam 6] en [naam 4] ) bekeken. Tegen die achtergrond moeten de stellingen van Achmea worden beoordeeld.

4.7.

Het betoog van Achmea strekt er -naar de rechtbank begrijpt- in essentie toe dat de schademelding willens en wetens is gedaan op basis van onjuiste gegevens. Die onjuistheid ziet enerzijds op de omvang van de materiële schade aan de Audi en anderzijds op herstel met gebruikte onderdelen in plaats van de geclaimde nieuwe onderdelen. Achmea heeft ter onderbouwing van deze stellingen verwezen naar de bevindingen van [naam 3] (2.10), [naam 5] (2.13) en [naam 4] (2.14).

4.8.

omvang van de schade

In het licht van hetgeen de rechtbank hiervoor onder 4.6 heeft overwogen geven de summier onderbouwde bevindingen van [naam 3] en die van [naam 5] onvoldoende invulling aan de op Achmea rustende stelplicht ten aanzien van de vermeend onjuist opgegeven omvang van de materiële schade aan de Audi. In ieder geval volgt daaruit onvoldoende dat de intercooler en de afstandssensor bij de aanrijding niet beschadigd kunnen zijn, zoals door Achmea is betoogd. Of de afstandssensor daadwerkelijk is vervangen kan daarom in het midden blijven.

4.9.

gebruikte onderdelen

Dat Taxi Zeewijck, althans haar vennoot [eiser] , een schadebegroting op basis van nieuwe onderdelen bij Achmea heeft ingediend in de wetenschap dat deze met gebruikte en door hemzelf bijeengezochte onderdelen zou worden gerepareerd met het oogmerk om Achmea op onjuiste gronden te bewegen tot een te hoge schade-uitkering, is van de zijde van Achmea evenmin voldoende gemotiveerd gesteld. De verklaringen zoals opgenomen in het rapport van [naam 4] zijn daartoe onvoldoende concreet en betreffen bovendien een door [naam 4] zelf opgestelde (summiere) weergave van het contact dat hij met de garage en Van der Bilt Autogas heeft gehad. Daargelaten dat niet vastgesteld kan worden dat de verklaringen correct en volledig zijn weergegeven, zijn deze door Taxi Zeewijck gemotiveerd weersproken met de door haar in het geding gebrachte andersluidende verklaringen van de garage en Van der Bilt Autogas (2.16). Daar komt bij dat Van der Bilt Autogas volgens [naam 4] ook verklaard heeft dat onderdelen zijn geleverd voor een bedrag van € 3.400,= zodat het ook op de weg van Achmea had gelegen om nader toe te lichten waarom en in welke mate dit bedrag zich niet zou verhouden tot de door Taxi Zeewijck ingediende facturen. Nu Achmea geen andere feiten en omstandigheden aan haar stelling ten grondslag heeft gelegd, komt de rechtbank aan bewijslevering niet toe.

4.10.

hoogte van de schade

Ter onderbouwing van de hoogte van de gevorderde materiële schade, heeft Taxi Zeewijck verwezen naar de onder 2.9 weergegeven factuur. De rechtbank constateert dat Achmea de daarop weergegeven schadeposten overigens niet gemotiveerd heeft bestreden. Aan het hiervoor onder 2.10 vermelde rapport van [naam 3] komt in dit verband geen gewicht toe nu het door hem genoemde totale schadebedrag van € 1.550,00 niet wordt toegelicht. Voorts is iedere uitleg van de kant van Achmea achterwege gebleven hoe het door [naam 3] genoemde bedrag zich verhoudt tot het bedrag van € 3.400,00 dat betaald zou zijn voor de gebruikte onderdelen. Dit brengt met zich dat de onder 3.1A gevorderde materiële schade van

€ 5.164,00 (exclusief BTW) voor toewijzing vatbaar is.

4.11.

Ter onderbouwing van de door haar gevorderde inkomstenderving € 1.809,85 heeft Taxi Zeewijck onder verwijzing naar het door haar boekhouder opgestelde overzicht gesteld dat zij als gevolg van de reparatie van de Audi, de auto 7 dagen niet als taxi heeft kunnen inzetten met als gevolg dat zij 7 dagen á € 258,55 per dag aan inkomsten is misgelopen. Achmea heeft uitsluitend ter zitting de hoogte van het gevorderde bedrag bestreden, en heeft daartoe -kort gezegd- aangevoerd dat de misgelopen omzet op basis van specifieke regelgeving berekend dient te worden. Nu Achmea dat verweer niet nader concreet heeft onderbouwd, met name niet door overlegging van relevante bescheiden, zal daaraan voorbij gegaan worden. Dit brengt met zich dat het gevorderde bedrag van

€ 1.809,85 geheel zal worden toegewezen.

4.12.

wettelijke rente

Nu gesteld noch gebleken is dat Achmea reeds per 9 oktober 2015 in verzuim is geraakt met de betaling van de onder 3.1A gevorderde schadevergoeding, zal de rechtbank aanknopen bij de vergeefse sommatie door Taxi Zeewijck van 16 maart 2017 (2.19), zodat aangenomen zal worden dat Achmea na het verstrijken van de daarin gegeven termijn op 30 maart 2017 in verzuim is komen te verkeren. Gelet erop dat [gedaagde] geen zelfstandig verweer heeft gevoerd tegen de gevorderde wettelijke rente, zal de rechtbank ook in haar geval aansluiting zoeken bij laatstgenoemde datum zodat zowel Achmea als [gedaagde] de wettelijke rente met ingang van deze datum verschuldigd zijn geworden, als hierna nader in het dictum bepaald.

4.13.

registratie van Taxi Zeewijck en [eiser] in EVR en incidentenregister (vorderingen onder 3.1B en 3.1C)

Bij de beoordeling van de vraag of Achmea op basis van het Protocol en de Gedragscode terecht heeft besloten tot (handhaving) van de registratie van Taxi Zeewijck en [eiser] in het incidentenregister en het EVR, stelt de rechtbank voorop dat gesteld noch gebleken is dat de Gedragscode en/of het Protocol op enigerlei wijze in strijd zouden zijn met de WBP. De rechtbank zal de handelwijze van Achmea dan ook toetsen aan het Protocol en de Gedragscode.

4.14.

EVR

De rechtbank begrijpt de vordering onder 3.1B aldus dat deze uitsluitend gericht is op de verwijdering van de gegevens van Taxi Zeewijck en [eiser] uit het EVR. Bij de beoordeling daarvan wordt vooropgesteld dat aan opname in het EVR -dat te raadplegen is via de Stichting CIS- strengere eisen verbonden zijn dan aan opname in het incidentenregister, omdat opname in het EVR voor de betrokkene verdergaande consequenties kan hebben. Alle deelnemende financiële instellingen kunnen immers door toetsing in het EVR vaststellen dat sprake is van opname in het incidentenregister van een andere deelnemer. Vervolgens is het mogelijk dat zij om nadere informatie omtrent de opname vragen. Het gevolg hiervan kan zijn dat niet alleen de deelnemer die tot opname in het incidentenregister is overgegaan, maar ook andere deelnemers hun (financiële) diensten aan de opgenomen (rechts)persoon zullen weigeren. Tegen deze achtergrond dienen hoge eisen te worden gesteld aan de gronden voor opname in bedoeld register, zoals ook volgt uit artikel 5.2.1 van het Protocol (2.21).

4.15.

Op grond van vaste jurisprudentie (onder meer HR 29 mei 2009, LJN BH4720) is een redelijk vermoeden van een strafbaar feit, zoals fraude, niet voldoende voor registratie in het EVR. De verzekeraar moet de gerechtvaardigde overtuiging hebben gekregen dat de betrokkene heeft gefraudeerd en voldoende bewijs van betrokkenheid moet voorhanden zijn. Deze overtuiging en het bewijs moeten er zijn op het moment van opname in het EVR, omdat alleen dan opname in het EVR toelaatbaar is. Nu -zoals hiervoor overwogen- niet is vast komen te staan dat Taxi Zeewijck en [eiser] betrokken zijn bij de door Achmea gestelde fraude, is daarmee de grondslag aan hun opname in het EVR komen te ontvallen. Gelet daarop is de vordering van Taxi Zeewijck en [eiser] uitsluitend voor zover de opname verband houdt met de onderhavige aanrijdingskwestie, toewijsbaar een en ander op straffe van een dwangsom als hierna nader in het dictum vermeld.

4.16.

incidentenregister

Aan Achmea kan worden toegegeven dat voor opname in de interne registers in beginsel niet nodig is dat is vastgesteld dat Taxi Zeewijck, [eiser] en [naam 1] (in zijn hoedanigheid van vennoot van Taxi Zeewijck) zich tezamen dan wel ieder afzonderlijk aan verzekeringsfraude hebben schuldig gemaakt. Voor opname in het incidentenregister is, conform het Protocol, voldoende dat een verzekeraar – Achmea in dit geval – onderzoek doet naar een (mogelijk) incident in de zin van het Protocol, zoals in het onderhavige geval het (mogelijk) oneigenlijk gebruik van een verzekering.

Opname in het incidentenregister kan aan de orde zijn gedurende een periode van maximaal acht jaar en zolang voldaan is aan de voorwaarden voor opname, derhalve hetzij zolang nog onderzoek gaande is naar het oneigenlijk gebruik van de verzekering, hetzij als na afronding van dat onderzoek blijkt dat er sprake is van een gegronde verdenking van fraude als bedoeld in artikel 5.2.1 van het Protocol (2.21). Nu uit vorenstaande overwegingen volgt dat van een gegronde verdenking geen sprake (meer) is, en Achmea ook overigens niet heeft toegelicht dat zij desondanks nog steeds een (onderzoeks)belang bij instandhouding van de registratie heeft, dan wel dat de registratie op een andere grond in overeenstemming is met de doelstelling en bepaling van het Protocol en de Gedragscode, is niet vast komen dat thans nog een grond aanwezig voor instandhouding van de registratie. Daar tegenover staat het evidente en niet weersproken belang van Taxi Zeewijck, [eiser] en [naam 1] bij verwijdering van de registratie, nu deze het afsluiten van mogelijk toekomstige verzekeringen binnen de Achmea groep (ernstig) zal bemoeilijken.

Gelet daarop zal de vordering -uitsluitend voor zover de registratie in het incidentenregister verband houdt met de in geschil zijnde aanrijding- zowel ten aanzien van Taxi Zeewijck, [eiser] als [naam 1] op straffe van een dwangsom worden toegewezen onder de verplichting van Achmea om daarvan tevens melding te doen aan het CBV, een en ander als hierna in het dictum bepaald.

4.17.

woongarantverzekering/verkeersverzekering [eiser] (vordering onder 3.1D)

Niet in geschil is dat uitsluitend [eiser] als verzekeringnemer heeft te gelden ten aanzien van de in geschil zijnde woongarantverzekering en verkeersverzekering (2.22). Aan zijn vordering heeft [eiser] ten grondslag gelegd dat Achmea op ondeugdelijke gronden de polissen eenzijdig heeft beëindigd nu van opzettelijke misleiding geen sprake is geweest.

4.18.

De rechtbank volgt Achmea in haar verweer dat zij als verzekeraar het recht heeft om een verzekering tegen het einde van een verzekeringsperiode op te zeggen (artikel 7:940 lid 1 BW) met inachtneming van een opzegtermijn. Of de vermeende fraude voor Achmea wel of niet aan de opzegging ten grondslag heeft gelegen doet niet af aan deze bevoegdheid. Nu [eiser] niet heeft bestreden dat Achmea tegen de prolongatiedatum van 1 november 2016 de verzekeringsrelatie heeft opgezegd en geen andere feiten en omstandigheden heeft aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat deze opzegging in strijd is gedaan met de geldende regelgeving dan wel de polisvoorwaarden, kan Achmea niet gedwongen worden de verzekeringsrelatie alsnog te herstellen. Deze vordering ligt derhalve voor afwijzing gereed.

4.19.

woongarantverzekering [naam 1]

Niet in geschil is dat uitsluitend [naam 1] als verzekeringnemer heeft te gelden ten aanzien van de in geschil zijnde woongarantverzekering met polisnummer 41278885. Nu [naam 1] geen (formele) partij is in deze procedure, ligt de vordering -wat daar ook van zij- voor afwijzing gereed. Dat neemt niet weg dat de rechtbank, gegeven hetgeen hiervoor ten aanzien van de positie van [eiser] is overwogen en beslist, erop vertrouwt dat Achmea ook ten aanzien van [naam 1] op gelijke wijze zal handelen.

4.20.

buitengerechtelijke incassokosten

Taxi Zeewijck c.s. vordert een bedrag dat is gebaseerd op het bepaalde in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De onderhavige vordering heeft echter geen betrekking op één van de situaties waarin genoemd besluit van toepassing is. De rechtbank zal de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn daarom toetsen aan de eisen voor dergelijke vorderingen zoals deze zijn geformuleerd in het Rapport BGK-integraal. De hoogte van het gevorderde bedrag is in overeenstemming met de tarieven die zijn weergegeven in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en worden geacht redelijk te zijn. De vordering is daarom toewijsbaar.

4.21.

nakosten

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

4.22.

proceskosten

Achmea en [gedaagde] zullen als de in het ongelijk gestelde partijen in de kosten van het geding aan de zijde van Taxi Zeewijck worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Taxi Zeewijck worden begroot op:

- dagvaarding € 106,83

- griffierecht € 1.924,00

- salaris advocaat € 904,00 (2 punten × € 452,00) +

Totaal € 2.934,83

4.23.

hoofdelijke veroordeling

De rechtbank constateert dat Taxi Zeewijck c.s. in meerdere gevallen hoofdelijke veroordeling van Achmea en [gedaagde] heeft gevorderd. Gelet op het uitgangspunt in artikel 6:6 lid 1 BW dat Achmea en [gedaagde] in beginsel voor gelijke delen verbonden zijn tot betaling van de hiervoor overwogen bedragen, had het op de weg van Taxi Zeewijck c.s. gelegen nader toe te lichten welke juridische grond bestaat hen hoofdelijk te veroordelen. Bij gebreke van enige toelichting van de zijde van Taxi Zeewijck c.s. is daarvoor geen plaats.

In reconventie

4.24.

Aan het gevorderde in reconventie heeft Achmea -kort gezegd- ten grondslag gelegd dat Taxi Zeewijck c.s. heeft gefraudeerd bij de afwikkeling van de schade, hetgeen onrechtmatig is jegens Achmea en dat Taxi Zeewijck c.s. daarom gehouden is het gevorderde bedrag aan onderzoeks- en expertisekosten te vergoeden.

4.25.

Gelet op de uitkomst in conventie is de grondslag aan de vorderingen in reconventie komen te ontvallen en zullen deze afgewezen worden.

4.26.

proceskosten

Achmea zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding aan de zijde van Taxi Zeewijck c.s. veroordeeld worden. De kosten aan de zijde van Taxi Zeewijck c.s. worden begroot op € 768,00 aan salaris advocaat (2 punten × € 384,00).

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

veroordeelt Achmea en [gedaagde] tot betaling aan Taxi Zeewijck van een bedrag van in totaal € 6.973,85 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 maart 2017 tot de dag der algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt Achmea om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de registraties voor zover deze verband houden met de aanrijding van 9 oktober 2015, ten name van Taxi Zeewijck en [eiser] in het EVR ongedaan te maken en ongedaan gemaakt te houden, en voorts alle medewerking te verlenen om de ongedaanmaking van de genoemde registraties te realiseren waaronder begrepen een onverwijlde melding aan het CBV en de Stichting CIS, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom ten bedrage van € 250,--, voor elke dag dat Achmea met de nakoming van dit gebod, al dan niet gedeeltelijk, in gebreke blijft met een maximum van € 10.000,=;

5.3.

veroordeelt Achmea om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de registraties voor zover deze verband houden met de aanrijding van 9 oktober 2015, ten name van Taxi Zeewijck, [eiser] en [naam 1] in het Incidentenregister van Achmea ongedaan te maken en ongedaan gemaakt te houden, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom ten bedrage van € 250,--, voor elke dag dat Achmea met de nakoming van dit gebod, al dan niet gedeeltelijk, in gebreke blijft met een maximum van € 10.000,=;

5.4.

veroordeelt Achmea en [gedaagde] in de buitengerechtelijke kosten aan de zijde van Taxi Zeewijck c.s. van € 723,69;

5.5.

veroordeelt Achmea en [gedaagde] in de kosten van het geding aan de zijde van Taxi Zeewijck c.s. tot op heden begroot op € 2.934,83 te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van veertien dagen na betekening van het onderhavige vonnis tot aan de voldoening;

5.6.

veroordeelt Achmea en [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten aan de zijde van Taxi Zeewijck c.s., begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Achmea en [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot aan de voldoening;

5.7.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

in reconventie

5.9.

wijst de vorderingen af;

5.10.

veroordeelt Achmea in de kosten van het geding aan de zijde van Taxi Zeewijck c.s. begroot op € 768,00;

5.11.

verklaart vorenstaande proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Haverkate en in het openbaar uitgesproken op 4 april 2018.1

1 type: coll: