Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:3898

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
09-05-2018
Datum publicatie
09-05-2018
Zaaknummer
C/15/271865 / KG ZA 18-215
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Korte omschrijving vordering:

Vorderingen met betrekking tot het opleggen van een contactverbod, het verwijderen en verwijderd houden van diverse artikelen gepubliceerd op een website, een verbod op het publiceren en verspreiden van een boek, het verwijderen van foto’s, het plaatsen van een rectificatie en een voorschot op schadevergoeding.

Samenvatting vonnis:

Aan een publicist die op zijn website artikelen heeft geplaatst waarin hij eiser beschuldigt van betrokkenheid bij dan wel van het zijn van getuige van de moord op X, wordt een contactverbod opgelegd. Daarnaast dient hij een aantal artikelen van zijn website te verwijderen en verwijderd te houden. Bij diverse artikelen zijn foto’s geplaatst waarop eiser en vrienden van hem herkenbaar zijn afgebeeld, gedaagde dient deze foto’s eveneens te verwijderen. De beschuldigingen aan het adres van eiser zijn ook vervat in een boek. Verdere publicatie en te koop aanbieden van dit boek wordt gedaagde verboden. Daarnaast dient gedaagde op zijn website een rectificatie te plaatsen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/389
PS-Updates.nl 2018-0419
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rolnummer: C/15/271865 / KG ZA 18-215

Vonnis in kort geding van 9 mei 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. M.J. Hoogendoorn te Utrecht,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

verschenen in persoon.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de mondelinge behandeling dd. 25 april 2018

  • -

    de pleitnota van [eiser]

  • -

    de pleitnota van [gedaagde]

  • -

    het wrakingsverzoek van [gedaagde] dd. 1 mei 2018

  • -

    de intrekking van het wrakingsverzoek van [gedaagde] dd. 2 mei 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] beheert de website [website] (hierna: de website). Op deze website schrijft [gedaagde] over geruchtmakende moordzaken waaronder de moord op [A.] , de Deventer moordzaak en de moord op [B.] .

[gedaagde] houdt zich sinds 2009 bezig met onderzoek naar de moord op [B.] .

2.2.

Na een DNA-onderzoek is in november 2012 [C.] . aangehouden voor de moord op [B.] . Hij heeft vervolgens een bekennende verklaring afgelegd en is bij onherroepelijk geworden vonnis van 19 april 2013 veroordeeld voor deze moord.

[gedaagde] is er – kort gezegd - van overtuigd dat [C.] . niet de moordenaar van [B.] is, maar dat deze moord is gepleegd door een asielzoeker. In verschillende op zijn website geplaatste artikelen suggereert [gedaagde] dat [B.] om het leven is gebracht in een caravan tijdens het maken van opnames voor een film en dat [eiser] bij deze opnames aanwezig is geweest. Daarnaast suggereert [gedaagde] dat [eiser] al kort na de moord daarover verklaringen heeft afgelegd bij de politie en tegenover derden. Volgens [gedaagde] wordt dit geheim gehouden door hooggeplaatste ambtenaren bij justitie en is een doofpot gecreëerd.

2.3.

Naar aanleiding van het door [gedaagde] uitgebrachte dagboek van de moeder van [B.] dan wel van bewerkingen daarvan zijn diverse veroordelingen gevolgd waarin – kort gezegd - [gedaagde] is veroordeeld tot het zich onthouden van publicaties van (delen van) het dagboek en het plaatsen van verschillende rectificaties. Daarnaast is [gedaagde] een contactverbod opgelegd met moeder van [B.] . Deze veroordelingen hebben tot gevolg gehad dat [gedaagde] vele tonnen aan dwangsommen heeft verbeurd.

2.4.

Ook jegens de eigenaar van de caravan waarin volgens [gedaagde] de moord op [B.] is gepleegd, is [gedaagde] veroordeeld tot verschillende rectificaties en tot het staken van het publiceren van artikelen waarin deze caravaneigenaar wordt beschuldigd van betrokkenheid bij diverse misdrijven. Naar aanleiding van deze veroordelingen heeft [gedaagde] dwangsommen verbeurd. Bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 13 september 2017 zijn nadere dwangsommen opgelegd aan [gedaagde] .

2.5.

[gedaagde] is inmiddels tevens strafrechtelijk meermalen veroordeeld in verband smaad. In het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 5 juli 2016, waarin [gedaagde] is veroordeeld voor smaad jegens de caravaneigenaar, staat onder meer het volgende te lezen:

‘Uit de verklaring van aangever en mailberichten die in het boek zijn opgenomen volgt daarnaast dat is overwogen aangever als anonieme bron weer te geven, mits hij een verklaring zou afleggen die paste in het plot van het boek. Nu aangever hieraan niet wilde voldoen, is hij, in de wetenschap welke gevolgen een dergelijke publicatie voor aangever zou kunnen hebben, bewust met naam en toenaam aangeduid. Gelet daarop en in aanmerking genomen de inhoud en vorm van de uitingen gedaan jegens aangever, is de rechtbank van oordeel dat verdachte en de medeverdachte ook opzettelijk en onnodig grievend hebben gehandeld.’

En

‘Door de beschuldigingen in de vorm van een boek te verspreiden heeft verdachte de indruk gewekt dat men met de uitkomsten van een gedegen onafhankelijk onderzoek te maken heeft dat de lezer geneigd is serieus te nemen en betrouwbaar te achten. De schade voor aangever is daardoor des te groter.


(…)

De rechtbank overweegt dat verdachte er ter zitting blijk van heeft gegeven geen enkel inzicht te hebben in het kwalijke van zijn handelen. Verdachte blijft actief op internet om door hem ‘geconstateerde misstanden’ aan de kaak te stellen. Hij heeft zich met grote vasthoudendheid vastgebeten in de zaak, ongeacht de gevolgen die ook hij daarvan persoonlijk ondervindt.’

2.6.

[gedaagde] heeft diverse boeken geschreven over de moord op [B.] , waaronder in 2015 het boek met de titel: ‘ [titel] ’. In dit boek staat het volgende:


Pagina 145: ‘Snapt u dan ook dat wij stellen wettig en overtuigend te kunnen bewijzen dat de moordenaars van [B.] [eiser] en [D.] zijn en dat deze moordenaars beschermd worden door onze eigen justitie?’

Pagina 215 gericht tot [E.] : ‘Als je meent dat ik betrokkenen blijf beschuldigen en belagen (jouw woorden), waarom leg je dan niet uit waarom [F.] , van wie ik stel dat zij weet dat [eiser] en [D.] [B.] hebben vermoord, haar door het OM beweerde aangifte wegens ‘smaad en laster’ tegen mij heeft ingetrokken?’

Pagina 282: ‘De vraag rijst waarom [E.] meent dat ik excuses zou moeten maken voor iets wat gewoon de waarheid is. De vraag is ook waarom deze mensen zelf niet om excuses vragen. De vraag is waarom deze mensen schitteren door afwezigheid op de rechtszitting van [C.] ., nu zij hun ‘gelijk’ (is ons ‘gelijk’) met een andere dader dan [eiser] en [D.] konden vieren’

2.7.

Sinds enkele jaren nemen [gedaagde] en enkele van zijn medestanders op diverse wijzen contact op met [eiser] . Op 2 december 2015 heeft [gedaagde] [eiser] benaderd via de website [website] . In zijn bericht van 13.17 uur die dag schrijft [gedaagde] het volgende:

‘Je kunt wel doen alsof er niets aan de hand is en ik mijn tijd beter zou kunnen besteden, maar ik meen dat er zeer veel aan de hand is, belangrijk genoeg om mijn tijd aan te besteden. Misschien is het in Irak normaal dat Justitie verkrachters/moordenaars beschermt en vrijgeleides geeft, het volk belazert en miljoenen belastinggeld aan neponderzoeken uit de zak klopt, maar hier nog niet. Daarom wordt het ook zo geheim gehouden. Dat ze jou onderdeel van dat geheim hebben gemaakt, weet je zelf het beste. Dat het zwaar op je drukt ook. Want anders hoef je niet zo raar te doen door je foto’s weg te halen, je facebooknaam te veranderen, te zeggen dat [eiser] iemand anders is dan ED enzovoort. Je weet heel goed dat ik al jaren stel dat jij getuige was van de moord en dat op dag 1 hebt verteld aan de politie.

(…)
Gezien je voornoemde gedrag wil je niet aan die feiten herinnerd worden en niet in verband worden gebracht met de zaak. Toch zal ik dat blijven doen in het algemeen maatschappelijk belang. Ik kan dat op een voor jou sympathieke manier doen. (…)

(…)

Ik heb jou iets te bieden waar je beter van wordt. Wat dat is wil ik je vertellen in een persoonlijk gesprek. Waarom zou je dat niet doen?’

En in zijn bericht van die dag om 20.39 uur schrijft [gedaagde] aan [eiser] :

‘Als je oorlog met me wilt, dan kun je die krijgen. Dat ga jij niet leuk vinden, [eiser] . (…)


Maar het kan ook anders, [eiser] . Wat kies je? Wat wil je nu? Een succesvolle zaak met [bedrijf] met als trotse eigenaar [eiser] ? Of als eigenaar [eiser] die getuige was van de moord op [B.] en zich daarom in allerlei bochten wringt om niet te melden dat hij de eigenaar van [bedrijf] is?

(…)

Doe dan maar aangifte tegen mij, [eiser] ! Het is toch allemaal onzin volgens jou? Dat gaat je echt heel veel meer opleveren dan een persoonlijk gesprek met mij. Maar niet heus!’

En in zijn bericht van 23.17 uur:

‘Wil je dat ik onze conversaties publiceer? Je foto’s die je hebt weggehaald?

(…)
Het is dat ik geloof dat je alleen maar getuige was van de moord op [B.] . Anders had ik je allang afgemaakt. (…) Ik gun jou alles met [bedrijf] , maar het is een peulenschil om die naam en jouw naam in een ander daglicht te stellen.

(…)
Wil je me nog verder uitdagen door het pedante mannetje te spelen? Of gaan we nu een afspraak maken?’

2.8.

In ieder geval in de periode voorjaar 2015 tot en met september 2017 hebben [gedaagde] en [G.] , uitgever van de boek van [gedaagde] en medestander alsmede [H.] , kennelijk ook een medestander van [gedaagde] , diverse malen telefonisch contact gezocht met [eiser] . Tijdens deze telefoongesprekken is getracht [eiser] tot het afleggen van een verklaring over zijn betrokkenheid bij de moord op [B.] te bewegen.

2.9.

[gedaagde] heeft op enig moment, medio 2017, contact opgenomen met [I.] een zakelijk relatie van [eiser] en deze relatie laten weten dat [eiser] betrokkenheid had bij de moord op [B.] .

2.10.

[gedaagde] heeft aan de deur gestaan bij de woning waarvan hij

dacht te weten dat [eiser] daar woonde. Daarnaast is [gedaagde] bij de vader van [eiser] langsgegaan.

2.11.

Op 14 augustus 2017 heeft [eiser] aangifte gedaan tegen [gedaagde] . In het proces-verbaal van aangifte staat onder meer het volgende:

‘(…)
In het jaar 1999 zat ik in het asielzoekerscentrum AZC te [plaats] en was ongewild betrokken bij de zaak van [B.] . Zij werd op [datum] vermoord en ik werd ooit als verdachte in deze moordzaak gezien. Ik heb altijd meegewerkt met de politie om zo ook mijn onschuld te bewijzen. In 2013 is de daadwerkelijke moordenaar van [B.] door een dna match gevonden in de persoon van [C.] ., die de moord ook heeft bekend.


(…)

Deze [gedaagde] stelt in alles wat hij uitgeeft met betrekking tot [B.] dat ik zou weten wie de moordenaar is. Hij stelt dat ik een getuige ben geweest. Dit schrijft hij niet alleen in zijn boek maar ook op zijn website genaamd ‘ [website] ’. (…)

[gedaagde] is mij na de moord op [B.] gaan stalken en gaan bedreigen. Dit doet hij inmiddels al drie jaar. Hij weet mij overal te vinden, waardoor ik diverse malen moest verhuizen. Ook valt hij mijn vader lastig (…). Hij plaatst zonder mijn toestemming foto’s op zijn website waardoor mensen mij weten te vinden en herkennen. Ook zet hij foto’s van mijn vrouw en mijn vrienden op zijn website (…).

[gedaagde] stuur mij al drie jaar brieven, e-mails en is zeker zes tot zeven keer op mijn huidige adres aan de deur geweest. Ook op mijn vorige woonadressen is hij bij mij aan de deur geweest. (…)

De andere keer dat hij bij mij aan de deur van mijn woning was zei hij: ‘Als ik jou was zou ik meewerken, anders maak je mij heel erg boos en als ik boos ben dan heb je een oorlog met mij.

(…)
Ik ben zakelijke klanten kwijtgeraakt drie van hen financierden mijn bedrijf genaamd [bedrijf] (…). Ik weet dat [gedaagde] mijn financierders heeft benaderd. Zij vertelden mij namelijk dat [gedaagde] heeft gezegd dat ik betrokken was bij een moordzaak en hij niet snapte waarom zij zich zakelijk met mij ophielden.

(…)’

2.12.

[gedaagde] heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoekschrift ingediend teneinde een voorlopig getuigenverhoor in een zaak tegen [eiser] te houden. [eiser] heeft in die zaak een brief geschreven aan de rechtbank gedateerd 4 september 2017 waarin – onder meer - het volgende staat:

‘Dhr [gedaagde] is al enkele jaren bezig met een boek, waarbij hij mijn naam steeds gebruikt als getuige op de moordzaak. Hij geeft aan in zijn pleidooi dat ik hem nooit een antwoord heb gegeven toen hij mij vroeg over die zaak. Dit is onjuist, want vanaf dag één dat hij contact opnam met mij heb ik hem duidelijk gemaakt dat ik niets van de zaak af weet en als ik iets had geweten had ik het allang doorgegeven. (…) , maar toen begon hij met de oorlog tegen mij, mijn gezin, mijn vrienden, mijn familie en ook nog eens tegen mijn zakelijke contacten.

(…)

Door zijn dreigbrieven en e-mails (stalking) aan mij en aan mijn omgeving ben ik nu aan het scheiden.

(…)

Ook ben ik nu financieel zwaar achteruit gegaan omdat hij langs mijn compagnon is gegaan en mijn naam helemaal zwart heeft gemaakt en dat allemaal omdat ik niet wil zeggen wat hij wilt horen. Hij heeft mij paar keer zelfs geld aangeboden als ik vertel wat hij wilt horen (...)


Hij is zo ver gegaan in zijn oorlog tegen mij dat hij een papieren verklaring van mij heeft vervalst en deze ook nog op zijn site gepubliceerd. Daardoor denkt iedereen dat ik een leugenaar ben die zo veel weet, maar niets zeg. Hij heeft mij naam erg misbruikt en niet alleen mijn naam, ook mijn foto’s en foto’s van me vrienden. (…) Alles is te vinden op zijn website (…)’

2.13.

Op 15 februari 2018 heeft [gedaagde] een artikel op zijn website geplaatst met de titel ‘ [titel] ,’. Bij dit artikel is een foto geplaatst waarop [eiser] is te zien. In het artikel staat onder meer het volgende:

‘Moeten jij en [eiser] niet even excuses aan [J.] maken? Moeten jullie niet even zeggen:

Sorry [J.] , wij hadden u allang moeten zeggen waar en door wie [B.] is vermoord. Wij waren toen 15-jarige rotjochies, maar inmiddels zijn wij dat niet meer! (…) en mijn beste vriend [eiser] verdient ook eerlijk zijn brood met zijn [bedrijf] . Wij weten beiden dat [B.] is vermoord door [D.] en [K.] in de caravan van X. Dat kunnen wij u bevestigen. Uw dagboek is geweldig! Daar staan wij achter! Maar begrijpt u ons ook? Wij hebben een stilzwijgende afspraak met Justitie gemaakt om onze mond te houden. Dat gaan wij vanaf nu niet meer doen! Begrijpt u dat wij niks mochten zeggen, omdat wij afhankelijk waren van een verblijfsvergunning van datzelfde Justitie? Begrijpt u dat [eiser] de waarheid op dag 1 de waarheid heeft verteld aan de instanties waaraan dat moest? Begrijpt u dat niet wij maar die instanties de waarheid onder de pet hebben gehouden? Neemt u van mij aan dat [eiser] een enorm trauma heeft opgelopen van het feit dat hij getuige is geweest van de moord op uw dochter. (…)’

2.14.

Bij e-mail van 27 februari 2018 aan de toenmalige advocaat van [gedaagde] is [gedaagde] gesommeerd zijn gedragingen te staken. Deze e-mail heeft [gedaagde] op zijn website geplaatst tezamen met een afwijzende reactie op het verzoek.

2.15.

Op 1 maart 2018 heeft [gedaagde] op zijn website het artikel met de titel ‘ [eiser] ’ gepubliceerd, met daarin een screenshot van de Facebookpagina van [eiser] . In het artikel staat onder meer het volgende:

‘Waarom heb je je naam op facebook veranderd in [L.] ? Terwijl het eerst gewoon [eiser] was? Waarom is [M.] van facebook verdwenen? Is je huwelijk met haar werkelijk op de klippen gelopen? Waarom dan, [eiser] ? Door mij? Wist [M.] dan nog niet dat ik zeg dat jij getuige bent van de moord op [B.] ? En dat op dag 1 aan de politie hebt verteld? Als dat niet waar is, dan hoeft [M.] toch helemaal niet van je te scheiden? Dan zegt zij toch: Waarom vertel je dat niet gewoon, [eiser] ? [eiser] , ik geloof er helemaal niets van dat [M.] van je wil scheiden?

(…)

Denk je nu werkelijk dat ik wil dat [M.] je verlaat? En dat je business teloor gaat? Dat komt dan door mij? De enige vriend van jou, die ik ooit gesproken heb is [I.] .

(…)

Waarom lieg je dan, [eiser] ? Zeg even tegen [N.] : Sorry [J.] . Ik heb [O.] op [datum] verteld dat ik getuige ben geweest van de moord op uw dochter in de caravan van aangever tegen mijnheer [gedaagde] . Ik kan u nog veel meer vertellen. Dat moet ik eigenlijk doen. Maar omdat ik dat niet doe, verlies ik mijn vrouw, althans volgens uw advocaat [N.] .

(…)’

2.16.

Op 3 maart 2018 schrijft [gedaagde] in een artikel getiteld ‘ [titel] ’ onder meer het volgende:

‘Beste [eiser] ,


(…)
Jij weet heel goed dat ik begin 2014 niet betrokken ben geweest bij het tot stand komen van je verklaring dat je getuige bent geweest van de moord op [B.] . Je weet perfect dat je dit verklaard hebt aan [G.] . Of die verklaring nu bij een notaris is gedeponeerd, doet er niet toe. Het is elk geval bewijsbaar dat dit de bedoeling was en dat jij daarin meeging, aan de hand van email-correspondentie met bijvoorbeeld notaris [P.] . Met andere woorden: Als er iemand iets uit zijn duim heeft gezogen of een verklaring heeft vervalst, dan weet jij donders goed dat het [G.] is. Dan had je dus aangifte kunnen doen tegen [G.] , niet tegen mij. Met je gedrag verraadt je dat er helemaal niets uit de duim gezogen is. Jij, [G.] en ik weten dat je hebt verklaard onder de belofte dat je anoniem zou blijven. Ik heb jou uit de anonimiteit gehaald, dat is het enige wat je mij kwalijk kunt nemen. Je zult moeten verklaren waarom jij al die tijd op zeer vriendelijke wijze in contact bent gebleven met [G.] , de man van wie [Q.] en [N.] stellen dat hij jouw verklaring uit de duim heeft gezogen en vervalst. Kun je dan bovenstaande gesprekken van een jaar geleden met [G.] verklaren? Nee, dat kun je niet, [eiser] . Je maakt het alleen maar erg voor jezelf. Kijk even naar mijn toelichting binnen de gesprekken in rood.’

(Hierna volgt in het artikel een transcript van een telefoongesprek dat [eiser] met [G.] heeft gevoerd)

‘(…)

Wat hadden jij en [G.] afgesproken, [eiser] ? Dat jullie naar jouw advocaat zouden gaan om te bespreken hoe je alsnog kunt verklaren over je kennis van de moord op [B.] ? En dat spreek je af met de man die een verklaring van jou zou hebben verzonnen of vervalst? In plaats van aangifte tegen hem te doen? Het wordt toch gewoon lachwekkend, [eiser] ? Zie je echt niet dat dat dit nooit gaat redden?

(…)
Als je dan toch bezig bent, geef ze dan ook even een getekende verklaring [M.] dat ze van je wil scheiden en de redenen waarom. Leg je dan ook even uit dat voor een kort geding een spoedeisend belang nodig is? Waarom dat spoedeisende belang er nu plotseling is, als je al sinds 2014 weet dat ik [G.] en ik stellen dat je getuige bent geweest van de moord op [B.] ? Je dreigde toch al in 2016 met aangifte, [eiser] ? Of ik moet ik die gesprekken ook publiceren? Weet je nog dat je me klem reed in april 2017 nadat ik je vader had bezocht? Totdat de politie kwam? Waarom deed je toen geen aangifte?

(…)’

Vervolgens staat in het artikel een e-mail van [gedaagde] aan mr. [N.] weergegeven. In deze e-mail staat onder meer het volgende:

‘(…)
Waarom wilt u voorkomen dat [eiser] zou moeten getuigen? Nogmaals vraag ik u of u namens uw cliente [J.] spreekt als u zegt u niet wilt dat [eiser] onder ede moet getuigen. Is dat werkelijk de wens van [J.] ? Zij wil dus niet horen dat [eiser] onder ede stelt dat hij getuige is geweest van de moord op haar dochter door [D.] , niet door [C.] , in de caravan van (….)? Dat zegt u namens haar? De verklaring van [eiser] is volgens u toch ‘onzin’? Wat heeft u dan te vrezen van de verklaring van [eiser] in de rechtbank? Waarom wilt u deze verklaring van [eiser] dan tegenhouden? U zou het dan toch juist moeten willen, als het ‘onzin’ is? Als het onzin is, dan krijgt u toch gelijk? Dan bewijst u toch dat u namens uw cliente spreekt als u zegt dat de verklaringen van [eiser] en anderen allemaal ‘onzin’ zijn? Waarom zou u deze verklaringen onder ede in de rechtbank dan willen tegenhouden? Waarom zou uw cliënte dat willen doen?’

2.17.

In het op 4 maart 2018 door [gedaagde] op de website gepubliceerde artikel ‘ [titel] ’ staat onder meer het volgende:

‘(…)
Dan weet [R.] , die na 18 jaar nog steeds je beste vriend is, ook niet dat je getuige bent geweest van de moord op [B.] ? Dat heb je dan ook nooit aan hem verteld? Wanneer houden jullie eens op met jullie geklets? Je begrijpt er helemaal niets van, hè, [eiser] ? En [R.] ook niet? Beste [eiser] , Jij hebt op dag 1 verteld door wie en waar [B.] is vermoord. Aan de instanties waaraan dat moest. Jij kan het toch niet helpen dat die instanties je verklaring in de doofpot hebben gestopt? Jij kan het toch niet helpen dat Justitie de [familie] en het Nederlandse volk al die jaren hebben voorgelogen? Dat was jouw plan toch niet? Jij hebt je plicht toch gedaan? Niemand kan je toch wat maken? Jij kunt toch zeggen dat je op dag 1 de waarheid hebt verteld?


Het is nu alleen maar een morele kwestie geworden, [eiser] . Voor jou en [R.] . Die morele vraag waar jullie voor staan is: Moeten we nu de waarheid vertellen? Of moeten we Justitie blijven steunen in hun doofpot? En die vraag kunnen jullie nog steeds niet beantwoorden? Jullie begrijpen niet dat hoe langer jullie je mond houden, hoe onsympathieker jullie worden? Is het dan nog niet duidelijk dat jullie weten wat er met [B.] is gebeurd? Waar en door wie ze is vermoord?

(…)’

2.18.

Op 12 maart 2018 heeft [gedaagde] het artikel ‘ [titel] ’ op zijn website geplaatst. Bij dit artikel is een foto geplaatst waarop [eiser] herkenbaar is afgebeeld alsmede enkele van zijn vrienden. In het artikel staat onder meer het volgende:

‘(…)

Dat [eiser] , en ook [R.] , de ware toedracht van de moord op [B.] kennen, en deze toedracht aan [N.] cliënt, [J.] , [S.] of wie het ook is, kunnen vertellen, is zonneklaar.

(…)’


Vervolgens reageert [gedaagde] in het artikel op hetgeen [G.] aan hem zou hebben verteld.

‘Ik weet als geen ander dat [eiser] aan mij heeft verklaard – mondeling en schriftelijk – dat hij getuige is geweest van de moord in de caravan van uw cliënt en dat op dag 1 aan de politie te Buitenpost heeft opgebiecht. En dan meent u dat u kunt aantonen dat ik dat uit mijn duim heb gezogen?


Ten tweede wil ik gewoon dat [eiser] en [R.] een verklaring afleggen in rechte als getuigen onder ede. Precies zoals [eiser] zelf zegt:

Ik heb tegen [gedaagde] gezegd van eh…ik zeg alles in het openbaar en wanneer ik naar de rechter moet, zeg maar, wanneer… [gedaagde] , breng me naar de rechter, dan pas kan ik verder wat zeggen daarover.

En dan nog even over die foto’s. Waarom wordt [eiser] er doorziek van? Het zijn allemaal gezellige foto’s, zoals miljoenen Nederlanders die op hun facebook pagina zetten. Zo [eiser] . Foto’s met vrienden, met vrouw, kinderen, toen we kleuter waren, familie, opa en oma. Vakantiefoto’s zoals bovenstaand. (…)


Er is niks mis met dergelijke foto’s. Wat wil ik nu aantonen? Waarom worden die foto’s nu opeens verwijderd, zodra ik [eiser] in verband breng met zijn kennis over de moord op [B.] ? Als hij niets weet over de moord op [B.] , dan verwijdert hij toch niet?

(…)’

In het artikel richt [gedaagde] zich vervolgens tot de (voormalig) partner van [eiser] en schrijft:

‘Vind je het niet okay dat [eiser] heeft verklaard dat hij ongewild getuige is geweest van de moord op [B.] ? Ben je niet meer verliefd en trots op [eiser] ? Voeg je je dan even samen met [eiser] en [R.] bij het KG van [N.] ? Ik ben toch de oorzaak van al deze bezwerende ellende?

(…)’

2.19.

[gedaagde] heeft naast bovengenoemde artikelen nog diverse artikelen op zijn website geplaatst met een soortgelijke inhoud als hiervoor vermeld. Het gaat om de volgende artikelen:

- [titel] ! (gepubliceerd op 15 februari 2018);

- [titel] (gepubliceerd op 1 maart 2018);

- [titel] ? (gepubliceerd op 2 maart 2018);

- [titel] (gepubliceerd op 8 maart 2018);

- [titel] (gepubliceerd op 10 maart 2018);

- [titel] (gepubliceerd op 11 maart 2018);

- [titel] . (gepubliceerd op 13 maart 2018);

- [titel] (gepubliceerd op 29 maart 2018);

2.20.

Daarnaast heeft [gedaagde] op 28 februari 2018 het artikel ‘ [titel] ’ gepubliceerd. Boven dit artikel prijkt een foto van [eiser] met zijn vrouw met als onderschrift ‘ [eiser] with his lovely wife [M.] , who want a divorce. NOT!’

2.21.

Ook bij de artikelen:

- [titel] ;

- [titel] ;

- [titel] ,

zijn (vakantie)foto’s van [eiser] geplaatst.

2.22.

De artikelen zijn recent van de website verwijderd.

2.23.

Ter zitting in het kader van onderhavig kort geding heeft [eiser] met diens instemming alsmede met instemming van zijn advocaat een verklaring onder ede afgelegd. In het proces-verbaal van dit verhoor is het volgende te lezen:

‘Ter zitting heeft de voorzieningenrechter aan [eiser] gevraagd of hij bereid is onder ede een verklaring als getuige af te leggen waarbij hem door de voorzieningenrechter een drietal vragen zal worden gesteld, te weten:

1) Weet u uit eigen waarneming iets over de moord op [B.] ?

2) Bent u getuige geweest van de moord op [B.] ?

3) Heeft u ooit tegen iemand gezegd dat u getuige was van de moord op [B.] ?

(…)

De getuige [eiser] , (…) antwoordt als volgt:

Vraag 1) Nee

Vraag 2) Nee

Vraag 3) Nee’

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – na vermindering van eis – ‘bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut en alle dagen en uren,

(contactverbod)

Het gedaagde te verbieden om in persoon, telefonisch, per post, per e-mail, of ander elektronisch medium, of op welke wijze dan ook, in contact te (doen) treden met eiser, zulks op straffe van een dwangsom van € 20.000,00 per overtreding, met een maximum van 500.000,00, althans een zodanige voorziening te treffen zoals U E.A. in goede justitie mag vernemen te behoren;

(verwijderen & verwijderd houden)

Gedaagde te gelasten de artikelen:

- [titel]

- [titel]

- [eiser] ’

- [titel] ,

- [titel] !

- [titel] .

- [titel]

- [titel] ?

- [titel]

- [titel]

- [titel]

- [titel]

- [titel]

van zijn website [website] en facebookpagina te verwijderen en verwijderd te houden en het gedaagde te verbieden deze artikelen of delen daaruit op enigerlei wijze te (doen) publiceren, zulks op een straffe van een dwangsom van € 20.000,00 per dag met een maximum van € 500.000,--, althans een zodanig bedrag als U E.A. Heer/Vrouwe Voorzieningenrechter in goede justitie zal bepalen, alsmede eiser ex. art 3:299 BW te machtigen om op kosten van gedaagde, zelf te verrichten waartoe gedaagde is gehouden indien deze ondanks executie van de dwangsom het gebod niet ten uitvoer leg, althans een zodanige voorziening te treffen zoals U E.A. in goede justitie mag vermenen te behoren.

Verbod [titel]

Gedaagde te verbieden het boek ‘ [titel] ’ te publiceren, aan te bieden, te doen aanbieden, derden toestemming te (blijven) verlenen of anderszins toe te staan het aan te bieden op welke wijze of via welk kanaal dan ook, zulks op een straffe van een dwangsom van € 20.000,00 per dag met een maximum van € 500.000,00 althans een zodanig bedrag als U E.A. Heer/Vrouwe Voorzieningenrechter in goede justitie zal bepalen, alsmede eiser ex art 3:299 BW te machtigen om op kosten van gedaagde, zelf te verrichten waartoe gedaagde is gehouden indien deze ondanks executie van de dwangsom het gebod niet ten uitvoer leg, althans een zodanige voorziening te treffen zoals U E.A. in goede justitie mag vermenen te behoren.

Gedaagde te veroordelen alle exemplaren van ‘ [titel] ’, te (doen) vernietigen onder afgifte van een schriftelijke verklaring van de uitvoerende instantie dat tot volledige vernietiging was overgegaan, alsmede gedaagden, althans gedaagde sub 1 en/of sub 2, te veroordelen tot betaling van de kosten van deze vernietiging, zulks op een straffe van een dwangsom van € 20.000,00 per dag met een maximum van € 500.000,--, althans een zodanig bedrag als U E.A. Heer/Vrouwe Voorzieningenrechter in goede justitie zal bepalen, alsmede eiser ex. art 3:299 BW te machtigen om op kosten van gedaagde, zelf te verrichten waartoe gedaagde is gehouden indien deze ondanks executie van de dwangsom het gebod niet ten uitvoer leg, althans een zodanige voorziening te treffen zoals U E.A. in goede justitie mag vermenen te behoren.

(verbod onjuiste suggesties)

Het gedaagde te verbieden om in woord of geschrift enige uiting te publiceren via welk medium dan ook, waarin eiser bij naam genoemd wordt, al dan niet aangeduid als [eiser] , [eiser] , [eiser] , [eiser] , [eiser] , [eiser] , of enige combinatie of variatie daarop, of anderszins herkenbaar opgevoerd wordt, waarin contactgegevens van eiser gepubliceerd worden, en waarin gesteld wordt dat eiser op welke wijze dan ook direct of indirect, als getuige, als (mede)dader, of medeplichtige, betrokken zou zijn geweest van de moord op [B.] en/of getuige of deelnemer zou zijn geweest bij het opnemen van een film van welke aard dan ook, zulks op een straffe van een dwangsom van € 20.000,00 per dag met een maximum van € 500.000,--, althans een zodanige voorziening te treffen zoals U E.A. in goede justitie mag vermenen te behoren;

(verbod portretrecht)


Gedaagde te gelasten alle portretten van eiser van zijn website [website] en facebookpagina te verwijderen en verwijderd te houden en het gedaagde te verbieden enig portret van eiser te publiceren via welk medium dan ook, zulks op een straffe van een dwangsom van € 20.000,00 per dag met een maximum van € 500.000,00 althans een zodanig bedrag als U E.A. Heer/Vrouwe Voorzieningenrechter in goede justitie zal bepalen, alsmede eiser ex art 3:299 BW te machtigen om op kosten van gedaagde, zelf te verrichten waartoe gedaagde is gehouden indien deze ondanks executie van de dwangsom het gebod niet ten uitvoer leg, althans een zodanige voorziening te treffen zoals U E.A. in goede justitie mag vermenen te behoren.

Gedaagde te gelasten een rectificatie te plaatsen, bovenaan op zijn website [website] en facebookpagina in tenminste 11 punts lettertype met de navolgende inhoud:

‘RECTIFICATIE

Op deze website en elders heb ik in diverse schrijfsels gesuggereerd dat [eiser] getuige zou zijn geweest van de moord op [B.] of anderszins direct bij de moord betrokken zou zijn. Deze suggestie is onjuist. Ik heb in de omstreeks tien jaar dat ik mij met deze zaak beziggehouden heb, geen enkel deugdelijk bewijs voor deze suggestie kunnen vinden.’

Althans een door uw rechtbank in goede justitie te bepalingen bewoordingen, zulks op een straffe van een dwangsom van € 20.000,00 per dag met een maximum van € 500.000,--, althans een zodanige voorziening te treffen zoals U E.A. in goede justitie mag vermenen te behoren;

(voorschot schadevergoeding)

Gedaagde, te veroordelen tot betaling van een voorschot op de immateriële schadevergoeding aan eiser ten bedrage van € 5000,-, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding althans een zodanig bedrag met wettelijke rente vanaf een zodanige datum als uw rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.’

3.2.

Tenslotte vordert [eiser] [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure waaronder ook de nakosten.

3.3.

[gedaagde] heeft ter zitting een uitgebreide pleitnotitie voorgedragen. In deze pleitnotitie heeft [gedaagde] uitgebreid stil gestaan bij de in zijn ogen kwalijke rol die (de kantoorgenoot van) de advocaat van [eiser] in eerdere procedures heeft vertolkt. Dit betreffen echter stellingen die niet raken aan waar het in dit geding om draait, zodat de voorzieningenrechter daar in het vervolg niet op in zal gaan. Daarnaast heeft [gedaagde] uitvoerig zijn inhoudelijke reactie gegeven op de aangifte die [eiser] tegen hem heeft gedaan. Met wat goede wil kunnen hierin enkele voor deze zaak relevante verweren in worden gelezen. De voorzieningenrechter zal daarop hierna nader ingaan.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Ontvankelijkheid

4.1.

[gedaagde] heeft als meest verstrekkende verweer naar voren gebracht dat onderhavig kort geding nodeloos (vexatoir) wordt gevoerd, dat sprake is van een valse dagvaarding gebaseerd op aantoonbare leugens en dat mr. [N.] (de rechtbank begrijpt: [eiser] ) om die redenen niet in de vorderingen kan worden ontvangen, althans zo begrijpt de voorzieningenrechter [gedaagde] .

4.2.

De voorzieningenrechter verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende. De stelling van [gedaagde] dat de dagvaarding vol leugens zou staan laat zich moeilijk rijmen met het feit dat [gedaagde] het overgrote deel van de feitelijke stellingen die aan de vorderingen ten grondslag worden gelegd niet betwist. Zo betwist [gedaagde] niet dat hij alle hiervoor bij de feiten genoemde artikelen heeft gepubliceerd. Evenmin betwist [gedaagde] dat hij bij enkele van die artikelen foto’s van [eiser] heeft geplaatst zonder diens toestemming. Ook betwist [gedaagde] niet dat hij de gewraakte passages in zijn boek heeft opgenomen. Kennelijk zouden de leugens erin bestaan dat wordt gesteld dat [gedaagde] dreigbrieven heeft gestuurd, dat hij meerdere keren bij [eiser] aan de deur is geweest en dat hij meerdere zakelijke relaties van [eiser] zou hebben benaderd. Dat dit onjuistheden zijn die aan de ontvankelijkheid van de vorderingen van [eiser] raken, is echter door [gedaagde] onvoldoende onderbouwd. Wel zal de voorzieningenrechter bij de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen ingaan op de feitelijke stellingen die wel door [gedaagde] worden betwist. De voorzieningenrechter zal waar nodig met inachtneming van de regels rondom de bewijslastverdeling en met alle beperkingen die in dat verband gelden in het kader van een kort geding procedure, moeten beoordelen of stellingen voldoende aannemelijk zijn gemaakt. Dat sprake zou zijn van een dagvaarding vol leugens en onjuistheden en dat dit kort geding onnodig is, is echter allerminst gebleken.

Contactverbod

4.3.

[eiser] legt aan zijn vordering met betrekking tot het contactverbod ten grondslag dat de pogingen van [gedaagde] om met hem in contact te komen hinderlijk zijn en aan belaging grenzen. [eiser] heeft gesteld dat [gedaagde] diverse keren bij hem aan de deur is geweest, dat [gedaagde] bij zijn vader aan de deur is geweest, dat verschillende van zijn zakelijke relatie zijn benaderd door [gedaagde] en dat telefonisch, via whatsapp en via de website [website] contact met hem is gezocht door [gedaagde] en enkele van zijn medestanders. Deze contactpogingen hebben uitsluitend als doel om hem te bewegen een verklaring te laten afleggen over zijn betrokkenheid bij of wetenschap omtrent de moord op [B.] , zo stelt [eiser] . Daarnaast is een deel van de correspondentie die [gedaagde] aan [eiser] heeft doen toekomen, bedreigend. Gevreesd wordt dat [gedaagde] zijn pogingen om in contact te komen niet zal staken, nu hij in het verleden bij anderen ook niet uit eigener beweging is gestopt, zo is door [eiser] aangevoerd.

4.4.

[gedaagde] heeft betwist dat hij meerdere keren bij [eiser] aan de deur is geweest. Daarnaast heeft [gedaagde] betwist dat hij meerdere zakelijke relatie van [eiser] heeft benaderd en dat hij dreigbrieven aan [eiser] heeft gestuurd.

4.5.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat toewijzing van het gevorderde contactverbod een inbreuk vormt op het grondrecht van [gedaagde] om vrijelijk contact op te nemen met de buitenwereld. Daartegenover staat het grondrecht van [eiser] op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer. Een contactverbod is een ingrijpend middel dat met terughoudendheid moet worden toegepast. Onderzocht moet worden of het gestelde handelen en de onrechtmatigheid ervan in hoge mate aannemelijk is geworden en de vrees voor toekomstig onrechtmatig handelen dient reëel te zijn. De vraag of de verboden zoals verzocht noodzakelijk zijn dient te worden beantwoord met inachtneming van de belangen van beide partijen.

4.6.

Niet in geschil is dat [gedaagde] dan wel een van zijn medestanders zoals [G.] of [H.] , verscheidene malen telefonisch contact heeft gezocht met [eiser] . Evenmin is in geschil, mede op basis van hetgeen [gedaagde] zelf ter zitting heeft verklaard, dat [gedaagde] tenminste eenmaal bij [eiser] aan de deur is geweest, althans is langsgegaan op het adres waarvan hij dacht dat [eiser] daar woonde. Ook heeft [gedaagde] toegegeven dat hij met [I.] contact heeft opgenomen, een zakelijke relatie van [eiser] . Uit de stukken van het dossier komt naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende naar voren dat [gedaagde] ook de overige genoemde relaties van [eiser] heeft benaderd. Evenmin is voldoende aannemelijk geworden dat [gedaagde] , gelet op zijn betwisting daarvan, meerdere malen bij [eiser] aan de deur is geweest. Dat neemt echter geenszins weg dat de pogingen van [gedaagde] om met [eiser] in contact te komen, begrijpelijkerwijs door [eiser] als hinderlijk worden ervaren. Met name uit de berichten die [gedaagde] via de website [website] aan [eiser] heeft gestuurd, zoals weergegeven onder 2.7, alsmede uit de door [gedaagde] zelf overgelegde woordelijke uitwerkingen van de telefoongesprekken, komt genoegzaam naar voren dat [gedaagde] op deze wijze tracht om [eiser] te bewegen een verklaring af te leggen over zijn betrokkenheid bij de moord op [B.] . Met name ook uit deze telefoongesprekken blijkt dat [eiser] bij herhaling heeft aangegeven niet met [gedaagde] of [G.] in gesprek te willen. Zo zegt [eiser] in een van de gesprekken met [G.] ‘hij (vzr: de advocaat van [eiser] ) heeft me geadviseerd om niet in gesprek te gaan met jou en niet met [gedaagde] , zeg maar. Met niemand moet ik een gesprek aangaan.’ En in zijn telefoongesprek met [H.] zegt [eiser] ‘het is mijn verantwoording, maar uh…daarom..eh ik ga stappen ondernemen maar ik wil niet…mensen spreken zeg maar die niets met de zaak te maken hebben ok?’ En in een telefoongesprek met [gedaagde] zegt [eiser] ‘Als je dat wilt, waarom ga je dan niet gewoon netjes op de dinges uhh aangifte wachten en mij niet meer bellen?’ en ‘Ja, maar als je mij niet meer belt, dan heb ik wat rust.’ In september 2017 zegt [eiser] in het telefoongesprek met [gedaagde] ‘als je vragen hebt, bij de rechter! Doeg!’. Uit deze voorbeelden, waarvan zich in de overgelegde stukken nog talloze voorbeelden bevinden, blijkt dat [eiser] telkenmale aangeeft geen contact te willen, niet met [gedaagde] in gesprek te willen en niet gebeld wenst te worden.

4.7.

Of de berichten van [gedaagde] als dreigend kunnen worden bestempeld, zoals [eiser] stelt en [gedaagde] betwist, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter in het midden blijven. Wel volgt uit de stukken dat [gedaagde] op minst genomen zeer intimiderende wijze probeert [eiser] te bewegen om met hem tot een afspraak te komen. De hiervoor weergegeven berichten op [website] spreken in dat kader boekdelen, maar ook uit de telefoongesprekken doemt een soortgelijk beeld op. Daarbij dringt zich bovendien de gedachte op dat zich jegens [eiser] hetzelfde aftekent als destijds door de rechtbank Noord-Nederland in haar vonnis van 5 juli 2016 is geconstateerd en in de strafmaatoverweging is opgenomen en zoals hiervoor onder 2.5 weergegeven.

4.8.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter staat op grond van het voorgaande voldoende vast dat [gedaagde] in de afgelopen jaren ondanks verzoeken daartoe en sommaties van de advocaat van [eiser] om daarmee op te houden vooral door middel van telefoontjes contact met hem heeft gezocht. [eiser] heeft bij herhaling aangegeven dat hij geen contact wil. Nu [gedaagde] kennelijk heeft gemeend om ook via de vader van [eiser] te moeten trachten met [eiser] in contact te komen en gelet op het feit dat [gedaagde] , zoals hijzelf ook heeft aangegeven, een zakelijke relatie van [eiser] heeft benaderd en deze relatie heeft verteld over betrokkenheid van [eiser] bij de moord op [B.] , komt het de voorzieningenrechter voor dat [gedaagde] in zijn niet aflatende pogingen om [eiser] tot het afleggen van een verklaring te bewegen, steeds verder gaat. De hinder die [eiser] hiervan ondervindt blijkt wel uit zijn aangifte tegen [gedaagde] en uit zijn brief aan de rechtbank zoals hiervoor bij de feiten weergegeven. Het belang van [eiser] bij een contactverbod is daarmee evident.

4.9.

In het vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 7 augustus 2017 is overwogen: ‘Gelet op het hiervoor geschetste patroon erop neerkomend dat [gedaagde] ondanks sommaties zijn pogingen tot contact te staken en ondanks zijn toezeggingen daartoe, telkens opnieuw contact opneemt en gelet op het feit dat bij [gedaagde] , moet worden gevreesd dat [gedaagde] ook in de toekomst onrechtmatig zal handelen.’ Gelet op dit vastgestelde patroon acht de voorzieningenrechter ook in onderhavige zaak de vrees dat [gedaagde] zijn pogingen met [eiser] in contact te treden niet vrijwillig zal staken gerechtvaardigd.

De voorzieningenrechter acht de handelwijze van [gedaagde] onder die omstandigheden een ongerechtvaardigde inbreuk op zijn privacy en dus onrechtmatig. Het belang van [gedaagde] om contact op te nemen met [eiser] is erin gelegen dat [gedaagde] wil dat [eiser] een verklaring aflegt over zijn betrokkenheid bij de moord op [B.] . [eiser] heeft ter zitting onder ede verklaard dat hij uit eigen waarneming niets weet van deze moord en hij daarvan geen getuige is geweest. Gelet hierop is naar het oordeel van de voorzieningenrechter, voor zover al zou kunnen worden aangenomen dat [gedaagde] een gerechtvaardigd belang had, aan zijn belangen tegemoet gekomen. Er is dan ook geen enkele reden meer voor [gedaagde] om contact op te nemen met [eiser] . Om er zoveel als mogelijk zeker van te zijn dat [gedaagde] niet opnieuw pogingen zal ondernemen met [eiser] in contact te komen, zal een contactverbod worden opgelegd.

verwijderen van artikelen, verbod boek, verbod onjuiste suggesties, rectificatie

4.10.

Aan de vordering tot het verwijderen van de hiervoor genoemde artikelen van de website van [gedaagde] , de vordering tot het verbieden van het boek ‘ [titel] ’, de vordering tot het doen van onjuiste suggesties en de vordering tot rectificatie, legt [eiser] ten grondslag dat hij door de uitingen van [gedaagde] op zijn website en in genoemd boek in zijn goede naam en eer wordt aangetast en dat [gedaagde] daarmee onrechtmatig handelt. [eiser] stelt dat [gedaagde] hem in zijn artikelen betrokkenheid bij de moord op [B.] toedicht en hem aanwijst als getuige van deze moord die de ware toedracht kent. Als gevolg van het handelen van [gedaagde] hebben zakelijke contacten zich van hem afgekeerd, is zijn huwelijk op de klippen gelopen, kan hij niet meer actief zijn op social media en lijdt hij aan depressieve klachten, aldus nog steeds [gedaagde] .

4.11.

Bij de beoordeling van deze vordering en de overige vorderingen die op de publicaties van [gedaagde] betrekking hebben, dient voorop te worden gesteld dat ook hier twee hoogwaardige rechten tegenover elkaar staan, te weten enerzijds het recht van [eiser] op bescherming van de goede naam tegen kwetsende uitingen en lichtvaardig gepubliceerde beschuldigingen en anderzijds de vrijheid van [gedaagde] om zijn mening te uiten over hetgeen hij in de maatschappij waarneemt. Welke van deze rechten in dit geval de doorslag behoort te geven, hangt af van de in onderling verband te beschouwen omstandigheden, waaronder de aard van de publicaties, de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie de publicatie betrekking heeft, de ernst van de misstand welke de publicatie aan de kaak beoogt te stellen, de mate waarin ten tijde van de publicatie de betreffende uitingen steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal en de inkleding van de feiten. (vgl. Hoge Raad 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9230).

4.12.

[gedaagde] heeft niet betwist dat hij in de in de dagvaarding genoemde artikelen en in zijn boek ‘ [titel] ’ [eiser] met naam en toenaam heeft genoemd en daarin heeft aangegeven dat [eiser] getuige is geweest van de moord op [B.] dan wel dat [eiser] daar op andere wijze betrokkenheid bij heeft gehad. Het verweer van [gedaagde] komt er, naar de voorzieningenrechter begrijpt, op neer dat [gedaagde] op deze wijze een beroep heeft willen doen op het geweten van [eiser] om een verklaring af te leggen waarin hij “de ware toedracht” van de moord op [B.] uit de doeken doet.

4.13.

Het belang van [gedaagde] is dat hij zich in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend moet kunnen uitlaten over kwesties van algemeen belang. Het belang van [eiser] is dat hij niet lichtvaardig wordt blootgesteld aan voor hem schadelijke publiciteit. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [gedaagde] , door in een groot aantal artikelen en in een boek te suggereren dat [eiser] getuige is geweest van de moord op [B.] en dat – kort gezegd – door het weigeren een verklaring daarover af te leggen de ware toedracht van deze moord wordt achtergehouden, onrechtmatig jegens [eiser] handelt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter gaat het hier om een vergaande beschuldiging aan het adres van iemand waarvan een ieder zich moet realiseren dat de gevolgen daarvan verstrekkend zijn. Niet alleen zullen bekenden hiervan op de hoogte raken met alle gevolgen van dien, maar het zal mensen die hiervan het slachtoffer worden doorgaans veel moeite kosten om dergelijke beschuldigingen te ontkrachten. Indien een ‘publicist’ over wenst te gaan tot publicaties zoals [gedaagde] doet en daarmee kennelijk beoogt een misstand aan de kaak te stellen, dan moeten de daarin vervatte beschuldigingen op feiten zijn gebaseerd. [gedaagde] heeft de voorzieningenrechter er niet van weten te overtuigen dat er feiten aan de beschuldigingen ten grondslag liggen. De voorzieningenrechter ziet ook niet in dat het uiten van deze beschuldigingen op de wijze zoals [gedaagde] dat doet, een bijdrage kan leveren aan het maatschappelijk debat dan wel kan bijdragen aan het aan de kaak stellen van een misstand. Kort en goed is de voorzieningenrechter van oordeel dat [eiser] lichtvaardig wordt blootgesteld aan voor hem schadelijke publiciteit. Het feit dat de artikelen mogelijk al van de website zijn verwijderd staat niet aan toewijzing van de vordering in de weg, aangezien de vordering ook inhoudt dat [gedaagde] de artikelen verwijderd dient te houden.

4.14.

Daar komt bij dat als [gedaagde] werkelijk meent dat hij een misstand of complot op het spoor is, er andere middelen zijn om daar aandacht voor te vragen dan ongefundeerde beschuldigingen te uiten. Dat [gedaagde] , zoals hijzelf zegt, slechts wil bewerkstelligen dat [eiser] een verklaring aflegt over zijn betrokkenheid bij de moord op [B.] , komt de voorzieningenrechter niet aannemelijk voor. Gelet op de intimiderende wijze waarop hij [eiser] tot een verklaring tracht te bewegen en gelet op de inhoud van zijn artikelen, moet het ervoor worden gehouden dat [gedaagde] slechts wil bereiken dat [eiser] een verklaring aflegt die past binnen de visie die [gedaagde] erop na houdt.

4.15.

Het voorgaande brengt met zich dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat [gedaagde] met het publiceren van zijn artikelen onrechtmatig jegens [eiser] handelt door zijn goede naam en eer aan te tasten. De vordering tot het verwijderen en verwijderd houden van de genoemde artikelen zal dan ook worden toegewezen. Ook de vordering tot rectificatie ligt voor toewijzing gereed nu [gedaagde] daartegen geen verweer heeft gevoerd en de inhoud van de artikelen en de suggesties die daarin worden gedaan ook overigens daartoe aanleiding geven.

4.16.

Met betrekking tot de vordering die ertoe strekt dat [gedaagde] wordt verboden het boek ‘ [titel] ’ te publiceren is de voorzieningenrechter van oordeel dat nu [eiser] met naam en toenaam in het boek wordt genoemd, een zeer negatief beeld van hem wordt geschetst waardoor hij schade ondervindt.

4.17.

In het kader van de beoordeling van de vraag of verdere publicatie van het boek moet worden verboden is onder meer een belangrijke omstandigheid die in de afweging moet worden betrokken, of hetgeen in het boek over [eiser] staat vermeld voldoende steun vindt in het beschikbare feitenmateriaal. Zoals hiervoor reeds overwogen is dat niet het geval. Dat heeft tot gevolg dat ook de vordering tot het verbod op het publiceren en verspreiden van het boek zal worden toegewezen.

4.18.

De voorzieningenrechter zal echter de vordering van [eiser] om [gedaagde] te veroordelen om alle exemplaren van het boek te doen vernietigen, hoewel hiertegen geen verweer is gevoerd, afwijzen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is onduidelijk hoe [gedaagde] aan een dergelijke veroordeling zou kunnen voldoen. Kennelijk is dit boek al enige tijd te koop. Gesteld noch gebleken is hoeveel exemplaren er zijn verkocht en wie deze exemplaren dan in bezit hebben. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien hoe [gedaagde] zou kunnen bewerkstelligen dat alle exemplaren van dit boek worden vernietigd. Daarmee staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter vast dat een dergelijke veroordeling slechts zal leiden tot het executeren van dwangsommen en daarmee niet wordt bereikt wat [eiser] met deze vordering beoogt.

4.19.

Aan de vordering om [gedaagde] te veroordelen om foto’s van [eiser] van zijn website en facebookpagina te verwijderen en [gedaagde] te verbieden enig portret van [eiser] te gebruiken, legt [eiser] ten grondslag dat [gedaagde] onrechtmatig handelt omdat hij geen toestemming had om deze foto’s openbaar te maken. Ter onderbouwing heeft [eiser] aangevoerd dat voor de foto die bij het artikel ‘Wraking van de wrakingskamer’ is geplaatst geldt dat dit een portret in opdracht betreft waarvoor toestemming nodig was als bedoeld in artikel 19 en 20 van de Auteurswet. Voor de overige foto’s die [gedaagde] heeft gebruikt geldt dat [eiser] een redelijk belang als bedoeld in artikel 21 van de Auteurswet heeft om openbaarmaking daarvan te voorkomen aangezien dit allemaal vakantiefoto’s en andersoortige foto’s uit de privésfeer betreffen. Publicatie van deze foto’s heeft slechts tot doel om [eiser] niet alleen bij naam maar ook qua uiterlijk herkenbaar te maken met als doel hem ertoe te bewegen een verklaring af te leggen, zo heeft [eiser] naar voren gebracht.

4.20.

Tegen deze vordering is geen verweer gevoerd. De vordering komt de voorzieningenrechter ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voor. Integendeel, het plaatsen van foto’s waarop [eiser] herkenbaar is afgebeeld kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen enkel in redelijkheid te respecteren belang dienen. De vordering zal worden toegewezen.

4.21.

Aan de vordering [gedaagde] te veroordelen tot het betalen van een voorschot op een immateriële schadevergoeding, legt [eiser] ten grondslag dat hij gedurende lange tijd en tegen zijn wil publiekelijk in verband wordt gebracht met de moord op [B.] , als dader of als getuige. Onder verwijzing naar een andere zaak waarin [gedaagde] is veroordeeld tot vergoeding van € 2.500,- per publicatie, vordert [eiser] € 5.000,- als voorschot.

4.22.

Ook tegen deze vordering is geen verweer gevoerd en ook deze vordering komt de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor. De negatieve gevolgen van het handelen van [gedaagde] heeft [eiser] uiteengezet in zijn brief aan de rechtbank zoals overgelegd in een andere procedure tussen partijen en zijn vergaand. De hoogte van het gevorderde voorschot komt de voorzieningenrechter alleszins redelijk voor.

4.23.

De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als volgt.

4.24.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 98,01

- griffierecht 79,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.157,01

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

verbiedt [gedaagde] om in persoon, telefonisch, per post, per e-mail, of ander elektronisch medium, of op welke wijze dan ook, in contact te (doen) treden met [eiser] ;

5.2.

gelast [gedaagde] , binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis, de artikelen:

- [titel]

- [titel]

- [eiser] ’

- [titel] ,

- [titel] !

- [titel] .

- [titel]

- [titel] ?

- [titel]

- [titel]

- [titel]

- [titel]

- [titel]

van zijn website [website] en facebookpagina te verwijderen en verwijderd te houden en verbiedt [gedaagde] deze artikelen of delen daaruit op enigerlei wijze te (doen) publiceren;

5.3.

verbiedt [gedaagde] het boek ‘ [titel] ’ te publiceren, aan te bieden, te doen aanbieden, derden toestemming te (blijven) verlenen of anderszins toe te staan het aan te bieden op welke wijze of via welk kanaal dan ook;

5.4.

verbiedt [gedaagde] om in woord of geschrift enige uiting te publiceren via welk medium dan ook, waarin eiser bij naam genoemd wordt, al dan niet aangeduid als [eiser] , [eiser] , [eiser] , [eiser] , [eiser] , [eiser] , of enige combinatie of variatie daarop, of anderszins herkenbaar opgevoerd wordt, waarin contactgegevens van eiser gepubliceerd worden, en waarin gesteld wordt dat eiser op welke wijze dan ook direct of indirect, als getuige, als (mede)dader, of medeplichtige, betrokken zou zijn geweest van de moord op [B.] en/of getuige of deelnemer zou zijn geweest bij het opnemen van een film van welke aard dan ook;

5.5.

gelast [gedaagde] , binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis, alle portretten van eiser van zijn website [website] en facebookpagina te verwijderen en verwijderd te houden en het gedaagde te verbieden enig portret van eiser te publiceren via welk medium dan ook;

5.6.

gelast [gedaagde] , binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, een rectificatie te plaatsen, bovenaan op zijn website [website] en facebookpagina in tenminste 11 punts lettergrootte met de navolgende inhoud:

‘RECTIFICATIE

Op last van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland in zijn vonnis van 9 mei 2018 verklaart

Op deze website en elders heb ik in diverse schrijfsels gesuggereerd dat [eiser] getuige zou zijn geweest van de moord op [B.] of anderszins direct bij de moord betrokken zou zijn. Deze suggestie is onjuist. Ik heb in de omstreeks tien jaar dat ik mij met deze zaak beziggehouden heb, geen enkel deugdelijk bewijs voor deze suggestie kunnen vinden.’

5.7.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 1.000,- per dag voor iedere overtreding van de hiervoor onder 5.1 tot en met 5.6 uitgesproken veroordelingen tot een maximum van € 100.000,- is bereikt;

5.8.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een voorschot op de immateriële schadevergoeding aan [eiser] ten bedrage van € 5000,-;

5.9.

machtigt eiser ex artikel 3:299 BW om op kosten van gedaagde, zelf te verrichten waartoe [gedaagde] , op grond van hetgeen onder 5.2, 5.3 en 5.5 is gehouden indien hij ondanks executie van de dwangsom het gebod niet ten uitvoer legt;

5.10.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.157,01, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.11.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.12.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.13.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.S. Röell en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.P. de Klerk op 9 mei 2018.1

1 Conc.: