Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:3805

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
26-04-2018
Datum publicatie
04-05-2018
Zaaknummer
C/15/267135 / HA RK 17-214
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Deelgeschil - eigen risico zorgverzekering - inkomensverlies - beroep op voorbehoud in vaststellingsovereenkomst afgewezen - verjaring van de vorderingen - kantoorkosten afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0406
JA 2018/111
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rekestnummer: C/15/267135 / HA RK 17-214

Beschikking van 26 april 2018

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

advocaat mr. M.J. Snijder te Alphen aan den Rijn,

tegen

naamloze vennootschap

N.V. DELTA LLOYD,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster,

advocaat mr. J. Boer te 's-Gravenhage.

partijen zullen hierna [verzoeker] en DL genoemd worden.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift van 16 november 2017 met 10 producties

  • -

    het verweerschrift met twee producties

  • -

    de mondelinge behandeling van 13 maart 2018 waar zijn verschenen; [verzoeker], bijgestaan door mr. Snijder voornoemd; namens DL mr. Boer, advocaat thans in dienst van Nationale Nederlanden advocaten.

  • -

    ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is van de zijde van [verzoeker] overgelegd: de aantekeningen ten behoeve van de zitting van mr. Snijder; de aantekeningen van [verzoeker]; de begeleidende brieven van 24 maart 2014, januari 2010 en 30 oktober 2008 behorend bij productie 9 bij verzoekschrift.

2 De feiten

2.1.

[verzoeker] heeft op 20 september 1996 een ernstig bedrijfsongeval gehad waarbij hij is gevallen van een hoogte van meer dan 16 meter. Daarbij heeft [verzoeker] bekkenfracturen en een luxatiefractuur van de voetwortel rechts opgelopen. De aansprakelijkheid werd door de naamloze vennootschap Erasmus N.V., voorganger van DL, aanvaard.

2.2.

Eind 2004 is de letselschade van [verzoeker] met een vaststellingsovereenkomst afgewikkeld. De vaststellingsovereenkomst van eind november/begin december 2004 luidt voor zover relevant als volgt:

“Artikel 1:

De maatschappij betalende voor zich als namens haar verzekerde, voldoet aan benadeelde een bedrag van in totaal EUR 125.040,00 (…) zulks ter vergoeding van alle door benadeelde geleden en/of te lijden materiële en immateriële schade ten gevolge van het in de considerans bedoelde ongeval;

(…)

Artikel 3:

Benadeelde verklaart, dat met genoemde (slot)betaling ad EUR 33.275,00 is voldaan aan alle aanspraken welke benadeelde of diens rechtsopvolgers kunnen doen gelden ter zake van schade bekend of onbekend, materieel of immaterieel, geleden of nog te lijden, als gevolg van genoemd ongeval;

Artikel 4:

Benadeelde verleent na ontvangst van de betaling ad EUR 33.275,00 (…) de maatschappij, aan haar verzekerde De Kroon B.V., alsmede aan allen die uit welke hoofde dan ook (mede) aansprakelijk zouden kunnen zijn voor de door benadeelde geleden en/of nog te lijden schade, hoe ook genaamd en welke aard dan ook, volledige kwijting en decharge;

Artikel 5:

Een voorbehoud voor de hiervoor genoemde finale kwijting geldt ten aanzien van eventueel in de toekomst door benadeelde te lijden verlies aan verdienvermogen, waarvan door benadeelde dient te worden aangetoond , dat een en ander in direct causaal verband kan worden gebracht met de gevolgen van dit ongeval en nog niet in de thans overeen gekomen regeling is verdisconteerd. Mocht in een dergelijke situatie blijken dat benadeelde hogere inkomsten genereert dan op grond van de thans overeengekomen regeling wordt aangehouden dan zal benadeelde tot terugbetaling van het teveel betaalde bedrag aan de maatschappij overgaan.

Eveneens wordt een voorbehoud gemaakt voor de hiervoor genoemde finale kwijting ten aanzien van de niet benoemde en begrote schadecomponenten waarvan wordt aangetoond, dat deze in direct causaal verband kunnen worden gebracht met de gevolgen van dit ongeval.

2.3.

Bij brief van 4 juli 2013, gericht aan DL, heeft [verzoeker] kenbaar gemaakt dat hij gebruik wil maken van zijn voorbehoud.

2.4.

Op 11 mei 2015 heeft de schadebehandelaar van DL, mevrouw [naam], een bezoek aan [verzoeker] afgelegd.

2.5.

Bij brief van 21 maart 2016 heeft [verzoeker] zijn vordering gestuit.

2.6.

DL heeft een voorschot van € 4.500,- aan [verzoeker] betaald.

2.7.

Bij email van 5 juli 2017 heeft DL laten weten zich primair op verjaring te beroepen.

3 Het geschil

3.1.

[verzoeker] verzoekt te bepalen dat er geen sprake is van verjaring, en de kosten van deze procedure te begroten tegen een tarief ter hoogte van € 255,- per uur, te vermeerderen met 6% kantooropslag en btw, of althans een in goede justitie te bepalen bedrag. Afhankelijk van het verloop van de procedure kunnen de daarmee gemoeide werkzaamheden geschat worden op ongeveer 14 uur, zodat aanspraak gemaakt wordt op
€ 3.570,00 te vermeerderen met 6% kantooropslag en btw, of althans een in goede justitie te bepalen vergoeding, te vermeerderen met de griffierechten.

3.2.

Aan dit verzoek heeft [verzoeker] - kort samengevat - het volgende ten grondslag gelegd. In verband met het optreden van niet benoemde en begrote schadecomponenten komt [verzoeker] een beroep toe op het voorbehoud in de vaststellingsovereenkomst van 2004. In 2008 is namelijk het verplichte eigen risico in het kader van de zorgverzekeringen ingevoerd. Daardoor zijn de werkelijke kosten voor de aanschaf van orthopedisch schoeisel veel hoger dan het bedrag waarmee destijds bij het opstellen van de vaststellingsovereenkomst rekening is gehouden. Het eigen risico is in de onderhandelingen niet besproken en niet verdisconteerd in de overeengekomen regeling, reden waarom deze post alsnog dient te worden vergoed.

Naast deze medische kosten bestaat de kans dat [verzoeker] de vergoeding voor woon-werkverkeer zal verliezen. In verband met zijn letsel is [verzoeker] aangewezen op eigen vervoer. Tot heden is er een uitzondering voor hem gemaakt maar de vraag is of dit bestendig is voor de toekomst, aldus [verzoeker]. Daarnaast wordt de uitkering die [verzoeker] van het UWV ontvangt gecorrigeerd zodra zijn salaris toeneemt. Hierdoor staat zijn salaris al 16 jaar stil. Omdat hiermee bij het opstellen van de vaststellingsovereenkomst geen rekening is gehouden, dient zijn inkomensverlies nader te worden begroot.

Omdat DL zich vervolgens heeft beroepen op verjaring heeft [verzoeker] zich genoodzaakt gezien het onderhavige verzoek in te dienen.

3.3.

DL heeft gemotiveerd verweer gevoerd en tot afwijzing van het verzoek geconcludeerd.

4 De beoordeling

4.1.

DL heeft als verweer gevoerd dat de vorderingen verjaard zijn en heeft daartoe aangevoerd dat, voor zover [verzoeker] de vaststellingsovereenkomst uit 2004 wil aantasten, hij daarmee te laat is.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] verklaard dat hij de vaststellingsovereenkomst niet wil aantasten en heeft hij erkend dat een vordering tot vernietiging van de vaststellingsovereenkomst zou zijn verjaard. Dit geschilpunt behoeft daarom geen verdere bespreking.

4.2.

DL heeft ten aanzien van het beroep op het voorbehoud ter zitting gesteld dat haar primaire standpunt is dat alle schade is geregeld en dat [verzoeker] geen beroep op een voorbehoud toekomt. Over beide posten, het orthopedisch schoeisel en het inkomensverlies, is door partijen destijds onderhandeld en is de schade begroot en vastgelegd in de overeenkomst. Het mogelijk eindigen van het gebruik van een auto voor woon-werkverkeer valt niet onder het voorbehoud, net zo min als het missen van 16 jaar inkomensgroei. De inkomensschade is in de ogen van [verzoeker] achteraf kennelijk te laag ingeschat, maar het voorbehoud is niet bedoeld voor elke achteraf verwezenlijkte kwade kans.

Voor zover [verzoeker] wel een beroep op het voorbehoud zou toekomen stelt DL zich op het standpunt dat de vordering betreffende het orthopedisch schoeisel is verjaard, nu de schade langer dan vijf jaar voor de datum van het beroep op het voorbehoud (4 juli 2013) bij [verzoeker] bekend was. Omdat het gemiste extra inkomen al 16 jaar bij [verzoeker] bekend is, is ook deze vordering verjaard, aldus DL.

4.3.

De rechtbank ziet zich, gelet op de stellingen van partijen, allereerst voor de vraag gesteld of [verzoeker] een beroep op de voorbehouden toekomt. Wordt deze vraag bevestigend beantwoord, dan zal vervolgens moeten worden beoordeeld of de vorderingen tot schadevergoeding zijn verjaard.

Orthopedisch schoeisel/eigen risico

4.4.

De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker] wat betreft de kosten van het in 2008 ingevoerde eigen risico geen beroep op het voorbehoud toekomt en overweegt daartoe het volgende.

Dit beroep op het voorbehoud rust op de gedachte dat het na de vaststellingsovereenkomst van 2004 in 2008 ingevoerde eigen risico een niet benoemde en niet begrote schadecomponent is, die de kosten voor Van de Burg ten behoeve van zijn orthopedisch schoeisel aanmerkelijk hebben vergoot. Op zich is juist dat het in 2008 ingevoerde eigen risico een nieuwe kostenpost voor [verzoeker] is. DL heeft dit ook niet betwist. Echter, staat de invoering van het eigen risico niet, zoals - gelet op de tekst van het voorbehoud - is vereist, in direct causaal verband met de gevolgen van het ongeval. Reeds hierom komt [verzoeker] naar het oordeel van de rechtbank geen beroep op dit voorbehoud toe.

4.5.

De enkele reden dat het eigen risico niet expliciet is meegenomen in het overeengekomen bedrag betekent niet dat de goede en kwade kansen niet in de vaststellingsovereenkomst zijn verdisconteerd. Daarbij verdient opmerking dat ontwikkelingen in de ziektekostenverzekeringen als deze niet uitzonderlijk zijn. Het pakket van verzekerde zorg wordt regelmatig veranderd, net als de polisvoorwaarden. Als door zo’n wijziging orthopedisch schoeisel volledig zou worden vergoed, zou dit tot de kwade kansen voor DL behoren.

Overigens blijft de mogelijkheid bestaan, zoals DL ter zitting ook heeft verklaard, om bij toenemende ongeval gerelateerde klachten en beperkingen die tot extra schade leiden een beroep op het voorbehoud te doen.

4.6.

Bovendien blijkt uit de stellingen van [verzoeker] en de overgelegde producties dat de wens van [verzoeker] om een voorbehoud op te nemen destijds was ingegeven door zijn onzekerheid over een mogelijke verslechtering van zijn fysieke conditie, waardoor zijn beperkingen groter zou worden en hij daardoor meer (inkomens) schade dan voorzien zou ondervinden. De overgelegde correspondentie geeft geen aanknopingspunten voor de conclusie dat het opnemen van het voorbehoud de bedoeling had dat er bij elke ontwikkeling die tot financieel nadelige gevolgen leidt een beroep op zou kunnen worden gedaan.

4.7.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat zowel de tekst als de bedoeling van het voorbehoud aan een beroep daarop met de kosten van het in 2008 ingevoerde eigen risico in de weg staat.

4.8.

Omdat het beroep van [verzoeker] met het eigen risico op het voorbehoud niet slaagt, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of deze vordering is verjaard. Het verzoek ter zake zal daarom worden afgewezen.

Inkomensverlies

4.9.

De rechtbank stelt voorop dat de mogelijke afschaffing van het gebruik van een auto voor woon-werkverkeer zich kennelijk nog niet heeft gerealiseerd, zodat deze post geen grond voor een beroep op het voorbehoud kan opleveren.

Ten aanzien van het gedurende 16 jaar gelijk gebleven salaris als gevolg van - kort gezegd - de compensatie met de uitkering door het UWV, overweegt de rechtbank dat dit niet kan worden beschouwd als inkomensverlies dat, zoals de tekst van het relevante voorbehoud vereist: “in direct causaal verband kan worden gebracht met de gevolgen van dit ongeval en nog niet in de thans overeen gekomen regeling is verdisconteerd”. Verwijzend naar de overwegingen onder 4.4. e.v. met betrekking tot de tekst van het voorbehoud betekent dit reeds dat [verzoeker] hiermee geen beroep op het voorbehoud kan doen. Nog daargelaten de vraag of gelijk blijven van inkomen kan worden gelijkgesteld aan verlies van inkomen, was het bovendien voor [verzoeker] ten tijde van het opstellen van de vaststellingsovereenkomst bekend dat een verhoging van zijn inkomen uit arbeid zou worden gecompenseerd met de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering van het UWV. Dat het gestelde verlies van inkomen als gevolg van de compensatie niet was voorzien, kan dan ook niet worden volgehouden. Overigens geldt ook hier dat indien als gevolg van toenemende invaliditeit [verzoeker] nieuwe schade heeft, hij een beroep kan doen op het voorbehoud.

4.10.

Het voorgaande betekent dat ook ten aanzien van het gestelde inkomensverlies [verzoeker] geen beroep op het daarvoor bedoelde voorbehoud toekomt. De vraag of deze vordering is verjaard behoeft dan ook geen beantwoording. Ook dit onderdeel van het verzoek zal worden afgewezen.

Kosten

4.11.

[verzoeker] heeft verzocht de kosten van het deelgeschil te begroten op € 3.570, te vermeerderen met 6% kantoorkosten en BTW.

4.12.

DL heeft de verzochte begroting bestreden. Zij acht de omvang van de verzochte begroting niet redelijk. Een deel van de declaratie, ongeveer drie uur, betreft minnelijk overleg met DL. Afgezien hiervan acht DL 7 uur voldoende voor het onderhavige deelgeschil. De daarnaast door [verzoeker] begrote 4 uur voor nog te volgen werkzaamheden lijkt DL bovenmatig. Voor zover hierin de reisduur tegen een tarief van
€ 255,- is betrokken maakt DL hiertegen bezwaar. Ook maakt DL bezwaar tegen de kantoorkosten. Door digitalisering zijn deze kosten inmiddels relatief beperkt geworden, aldus DL. DL ziet de reden van 6% kantoorkosten bovenop een fors uurtarief niet in. Een begroting van maximaal € 2.856,- wordt door DL redelijk geacht.

4.13.

De rechtbank overweegt dat een totaal aantal uren van 14 voor een deelgeschilprocedure, inclusief mondelinge behandeling, niet onredelijk voorkomt. Uit de door mr. Snijder overgelegde urenspecificatie (productie 10 bij dagvaarding) kan niet worden opgemaakt dat, zoals DL stelt, van de tien gespecificeerde uren drie uur aan minnelijk overleg is besteed. De vier nadere uren voor de zitting en de voorbereiding daarvan, waarbij kennelijk ook de reistijd is begrepen, komt de rechtbank ook niet onredelijk voor. De bezwaren van DL tot zover zullen dan ook niet worden gehonoreerd.

Met betrekking tot het uurtarief overweegt de rechtbank het volgende. Hoewel het uurtarief boven het landelijk gemiddelde van € 225,- tot € 240,- ligt, ziet de rechtbank daarin op zichzelf geen grond om dit te matigen. Wel geeft dit tarief de rechtbank aanleiding om de verzochte kantoorkosten van 6% af te wijzen, omdat deze kosten verdisconteerd mogen worden geacht in genoemd uurtarief.

Dat betekent dat de kosten van dit deelgeschil begroot zullen worden op een bedrag van
€ 4.606,70 (€ 3.570,- vermeerderd met 21% BTW en het betaalde griffierecht van € 287,-).

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

begroot de kosten van dit deelgeschil op € 4.606,70;

5.2.

wijst het verzoek voor het overige af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.S. Reid en in het openbaar uitgesproken op 26 april 2018.