Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:3786

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-04-2018
Datum publicatie
14-05-2018
Zaaknummer
HAA 16/3458
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanslag inkomstenbelasting 2011. In geschil is of verweerder bij het vaststellen van de aanslag terecht een bedrag van € 100.000 niet in aftrek heeft toegelaten als premies voor lijfrente wegens de omzetting van stakingswinst in een lijfrente. De rechtbank komt tot het oordeel dat niet voldaan is aan de vereisten die artikel 3.129 in verband met artikel 3.124 van de Wet IB 2001 stelt.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 3.129
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/1027
Viditax (FutD), 15-05-2018
FutD 2018-1334
V-N 2018/39.28.1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 16/3458

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 april 2018 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser,

(gemachtigde: mr. A.S.J.M. Tax)

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Aan eiser is voor het jaar 2011 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 181.152 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.093, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van verweerder is gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2018 te Haarlem.

Namens eiser is ter zitting verschenen zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Laansma en mr. W.Y. Ip.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is directeur van en enig aandeelhouder in [A] B.V. (hierna: de B.V.). In de jaarrekening voor 2012 is opgenomen een voorziening uit hoofde van een stamrecht ten behoeve van eiser.

2. Op 31 december 2011 heeft eiser zijn – als eenmanszaak gedreven – onderneming gestaakt. De koper van de onderneming heeft de koopsom van € 250.000 in januari 2012 op verzoek van eiser overgemaakt naar een bankrekening van de B.V. De reden die aan dat verzoek ten grondslag lag, was de door eiser gewenste risicospreiding gelet op de toen actuele bankencrisis.

3. In juli 2012 heeft eiser met [B] N.V. (hierna: [B] ) een overeenkomst “Banksparen OntslagVergoeding Aanvullende Uitkering” gesloten. Uit deze overeenkomst blijkt dat door eiser € 150.000 zal worden gestort bij [B] .

4. Op 29 juni 2012 is tweemaal € 50.000 overgemaakt door de B.V. naar de rekening van [B] met nummer [# 1] onder vermelding van “ [X] / [geboorte datum] / va [# 2] STAMRECHT”. Op dezelfde datum is naar deze rekening € 50.000 overgemaakt ten laste van de bij de [C] Bank N.V. aangehouden betaalrekening met nummer [#3] . Deze betaalrekening staat op naam van eiser en/of [D] .

5. Op 2 juli 2012 heeft [B] aan “ [X] ” het volgende geschreven:

“Een van uw klanten, de heer [X] , wil het contract [# 3] bij u geheel of gedeeltelijk beëindigen en het geld onderbrengen in een van de producten van [B] .

We hebben uw klant gevraagd het overdrachtsformulier in te vullen en naar u te sturen. Wilt u zo vriendelijk zijn na ontvangst van dit formulier de overdrachtswaarde over te maken op rekeningnummer [# 4] van de heer [X] onder vermelding van betalingskenmerk: [X] , geboortedatum: [geboorte datum] . Uw klant ziet de storting graag binnen veertien dagen tegemoet.

Misschien kunt u het geld nog niet storten, omdat de looptijd van contract [# 3] momenteel nog niet verstreken is. In dat geval willen wij u vragen om de overdrachtswaarde binnen veertien dagen na het verstrijken van de looptijd op de rekening te storten.

Verklaring overdracht lijfrenteverplichting

[B] N.V. (…) verklaart, dat de overdrachtswaarde van de onder contractnummer [# 3] (polis- of lijfrenterekeningnummer) bij [X] gevestigd te [Z] , door de heer [X] , geboren [geboorte datum] en wonende te [Z] gesloten verzekering/stamrechtrekening na ontvangst zal worden aangewend voor een stamrechtrekening welke voldoet aan de regelgeving voor periodieke uitkeringen zoals bedoeld in artikel 11a van de Wet op de [l]oonbelasting 1964. Wij zullen elke uitkering uit deze stamrechtrekening beschouwen als loon (dus geen pensioen) en daarop de vereiste wettelijke inhoudingen verrichten.

Inhouding van loonbelasting/premieheffing kan achterwege blijven als bij overdracht geen omstandigheid voordoet zoals bedoeld in artikel 19b, eerste lid van de Wet op de [l]oonbelasting 1964 en als de overdracht plaatsvindt volgens 19b, tweede lid tweede volzin van de Wet op de [l]oonbelasting 1964.”

6. Eiser heeft op 12 juli 2012 het overdrachtsformulier ingevuld en daarbij “ [X] ” toestemming gegeven de gehele overdrachtswaarde van het contract met nummer [# 3] te storten op zijn bankspaarrekening bij [B] met nummer [# 5] .

7. Blijkens het verslag van een gesprek van 11 november 2013 tussen partijen, is namens eiser verklaard dat ten onrechte bij [B] een product voor een ontslagvergoeding is aangevraagd in plaats van een product voor de omzetting van stakingswinst in een lijfrente.

8. Kort daarvoor, namelijk op 9 oktober 2013, heeft [B] een e-mailbericht aan eiser gestuurd waarin het volgende wordt opgemerkt:

“Als [B] toestemming krijgt van de Belastingdienst zullen zij [de rechtbank leest: wij] het fiscale etiket wijzigen.”

9. In zijn brief van 21 oktober 2013 merkt verweerder het volgende op aangaande het op 29 juni 2012 ten laste van de betaalrekening van eiser en/of [D] betaalde bedrag:

“U hebt zelf een bedrag van € 50.000 overgemaakt naar [B] . Ik heb reeds eerder vastgesteld dat dit bedrag niet is gestort in een lijfrente zoals omschreven in artikel 1.7 Wet IB 2001 en daarom niet aftrekbaar is als premies voor lijfrente wegens omzetting stakingswinst zoals omschreven in artikel 3.129 Wet IB 2001.

Voorstel

Ik stel voor dat het bedrag van € 50.000 met terugwerkende kracht tot 29 juni 2012 (moment van betalen) wordt overgezet naar een ander product dat aan dusdanige voorwaarden voldoet, zodat aftrek van dat bedrag op grond van artikel 3.129 Wet IB 2001 wel mogelijk is.”

10. [B] heeft op 6 december 2013 een nieuwe rekening geopend op naam van eiser. Naar die rekening is ten laste van eisers bankspaarrekening met nummer [# 5] een bedrag van € 44.809 overgemaakt. De nieuwe rekening is geopend in verband met het tussen eiser en [B] gesloten contract voor het product “Aanvullende PensioenUitkering”. Uit de bijbehorende productvoorwaarden blijkt dat de aanspraak uit hoofde van dat product kan worden aangemerkt als een lijfrente in de zin van artikel 1.7 van de Wet IB 2001 (tekst 2011).

11. Bij het vaststellen van de aanslag voor het onderhavige jaar heeft verweerder een bedrag van € 50.000 in aftrek toegelaten wegens omzetting van stakingswinst in een lijfrente in de zin van 3.129 van de Wet IB 2001.

12. Tijdens de bezwaarfase heeft verweerder aan eiser de mogelijkheid geboden om de op 29 juni 2012 door de B.V. aan [B] betaalde bedragen van in totaal € 100.000 eveneens aan te wenden voor een lijfrente als bedoeld in artikel 1.7 van de Wet IB 2001. In dat kader is namens eiser met dagtekening 24 september 2014 een brief geschreven aan [B] die – voor zover van belang – als volgt luidt:

“In de maand juli van het jaar 2012 heeft de heer [X] een bedrag ad € 150.000 ingelegd op een bij uw verzekeringsmaatschappij geopende rekening nummer [# 4] . De daarbij gehanteerde omschrijving was “ontslagvergoeding”.

In januari 1914 [de rechtbank leest: 2014] is een gedeelte van het op voornoemde rekening gestorte bedrag overgeboekt naar rekening nummer [# 6] en wel met omschrijving “aanvullend pensioen”.

In 2011 had de heer [X] winst behaald met en bij de staking van zijn onderneming.

Die stakingswinst wenste hij voor een gedeelte groot € 150.000 om te zetten in een recht op periodieke uitkeringen.

Door zijn verzekeringsadviseur werd de aankoop van dat recht echter bij uw maatschappij aangemeld als een storting ter verwerving van aanspraken op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon.

(…)

De belastingdienst is thans met mij van mening, dat de heer [X] uitdrukkelijk de intentie had om € 150.000 aan stakingswinst om te zetten in een recht op periodieke uitkeringen en is dan ook onder voorwaarde bereid om het over het jaar 2011 vastgestelde belastbare inkomen te verlagen met € 100.000.

Die voorwaarde is, dat ook het deel ad € 100.000 (rekening nummer [# 4] ) alsnog omgezet wordt in een recht hetwelk voldoet aan de vereisten gesteld aan premies voor lijfrenten ter omzetting van stakingswinst in een lijfrente.

Ik verzoek u mij mede te delen, of, en zo ja, op welke condities een dergelijke omzetting thans (nog) mogelijk is.”

13. Eiser heeft van de door verweerder geboden mogelijkheid om het bedrag van € 100.000 aan te wenden voor een lijfrente als zojuist bedoeld uiteindelijk geen gebruik gemaakt.

Geschil
14. Tussen partijen is in geschil of verweerder bij het vaststellen van de aanslag terecht een bedrag van € 100.000 niet in aftrek heeft toegelaten als premies voor lijfrente wegens de omzetting van stakingswinst in een lijfrente. Eiser beantwoordt deze vraag in ontkennende en verweerder in bevestigende zin.

Beoordeling van het geschil

15. Artikel 3.129, lid 1, van de Wet IB 2001 bepaalt – kort gezegd en voor zover hier van belang – dat een ondernemer die zijn onderneming staakt, vanwege de omzetting van de stakingswinst in een lijfrente tot een bepaald bedrag premies voor lijfrenten als bedoeld in artikel 3.124, lid 1, aanhef en letter a, van die wet, in aanmerking kan nemen (uitgaven voor inkomensvoorzieningen).

16. Op grond van laatstgenoemde bepaling in verbinding met artikel 1.7, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet IB 2001 wordt onder lijfrente verstaan een aanspraak volgens een overeenkomst van levensverzekering op vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen die eindigen uiterlijk bij overlijden, welke aanspraak niet kan worden afgekocht, vervreemd, prijsgegeven, of formeel of feitelijk tot voorwerp van zekerheid kan dienen, anders dan op grond van artikel 3.126, lid 1, aanhef en letter d, onder 2°, van de Wet IB 2001, of ten behoeve van uitstel van betaling op grond van artikel 25, lid 5, van de Invorderingswet 1990, alsmede de met een zodanige aanspraak verband houdende aanspraak op winstuitkeringen.

17. De betaling op 29 juni 2012 aan [B] van een bedrag van € 50.000 ten laste van de betaalrekening van eiser en/of [D] dient, naar tussen partijen niet in geschil is, te worden aangemerkt als uitgaven voor inkomensvoorzieningen vanwege de omzetting van stakingswinst in een lijfrente. Verweerder heeft deze betaling bij de vaststelling van de aanslag dan ook in aftrek toegelaten.

18. Aangaande de vraag die partijen nog verdeeld houdt, namelijk de vraag of naast het zo-even bedoelde bedrag op dezelfde grond nog een bedrag van € 100.000 ten laste van het belastbaar inkomen uit werk en woning kan worden gebracht, overweegt de rechtbank het volgende.

19. Tussen partijen is niet in geschil dat de betalingen ten belope van € 100.000 door de B.V. aan [B] op 29 juni 2012 zijn verricht uit hoofde van de overeenkomst “Banksparen OntslagVergoeding Aanvullende Uitkering”. Evenmin is tussen hen in geschil dat de aanspraak van eiser uit hoofde van die overeenkomst niet kan worden aangemerkt als een lijfrente in de zin van artikel 1.7, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet IB 2001. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan de vereisten die artikel 3.129 in verband met artikel 3.124 van de Wet IB 2001, stelt aan het in aanmerking nemen van uitgaven voor inkomensvoorzieningen in verband met de omzetting van stakingswinst in een lijfrente. Verweerder heeft het door de B.V. aan [B] betaalde bedrag dan ook terecht niet in aftrek toegelaten.

20. Hieraan kunnen niet afdoen de stellingen van eiser dat (i) de uitgaven door de B.V. namens hem zijn verricht en – naar de rechtbank begrijpt – op hem hebben gedrukt, (ii) de B.V. geen bestaande lijfrenteverplichting aan [B] heeft overgedragen en (iii) noch eiser, noch de B.V. ooit een voornemen daartoe heeft gehad. Ook indien veronderstellenderwijs wordt uitgegaan van de juistheid van deze stellingen, doen zij niet eraan af dat de vermelde uitgaven niet kunnen worden aangemerkt als premies voor lijfrenten als bedoeld in artikel 1.7, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet IB 2001.

21. Tot slot verwerpt de rechtbank de niet nader onderbouwde stelling van eiser dat verweerder gelet op een ‘redelijke belastingheffing’ gehouden was hem eerder dan in de bezwaarfase te wijzen op de mogelijkheid om het bedrag van € 100.000 alsnog aan te wenden voor een lijfrente die voldoet aan de wettelijke vereisten. Ook overigens valt niet in te zien waarom verweerder op dit punt gehouden was anders te handelen dan hij heeft gedaan.

22. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

Proceskosten

23. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. van Scharrenburg, voorzitter, en mr. A.A. Fase en
mr. S.K.A. Efstratiades, leden, in aanwezigheid van mr. R.A. Brits, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 april 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.