Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:3770

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
30-04-2018
Datum publicatie
14-05-2018
Zaaknummer
AWB - 16 _ 5175
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Nadeelcompensatie

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 7:1
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 16/5175 en HAA 18/1794

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 april 2018 in de zaak tussen

[eiser] handelend onder de naam visserijbedrijf [eiser] , te [vestigingsplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. F.E. de Neef),

en

Het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, verweerder

(gemachtigde: M. Bregman).

Procesverloop

Bij brief van 30 juni 2015 heeft verweerder het verzoek van eiser om nadeelcompensatie deels ingewilligd en hem nadeelcompensatie toegekend tot een bedrag van € 17.256,- (exclusief btw).

Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij brief van 4 oktober 2016 heeft verweerder het verzoek van eiser om nadeelcompensatie deels ingewilligd en hem nadeelcompensatie toegekend tot een bedrag van € 17.265,- (exclusief btw).

Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer HAA 16/5175.

Op 23 januari 2018 heeft een regiezitting van de enkelvoudige kamer plaatsgevonden. Tijdens deze regiezitting stond de vraag centraal of sprake is van een beroep tegen een beslissing op bezwaar of van een beroep tegen een besluit in primo. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op 22 maart 2018 heeft het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer plaatsgevonden. Eiser is verschenen, bijstaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser exploiteert een zeevisserijbedrijf en vist hoofdzakelijk op harder en zeebaars in het gebied tussen Hargen aan Zee en het meest noordelijke punt van de Hondsbossche Zeewering bij Petten. Hij heeft verweerder op 1 november 2013 verzocht om nadeelcompensatie tot een bedrag van € 29.795,- en bij brief van 22 april 2015 aangevuld tot 36.619,-, omdat zijn bedrijfsvoering significant nadelig wordt beïnvloed door de door verweerder uitgevoerde kustversterking Camperduin – Callantsoog in het kader van het projectplan versterking van de primaire waterkering Zwakke Schakels Noord-Holland.

2. Bij brief van 30 juni 2015 heeft verweerder het verzoek om nadeelcompensatie op grond van de Verordening nadeelcompensatie Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier 2010 gedeeltelijk ingewilligd en aan eiser nadeelcompensatie toegekend tot een bedrag van € 17.256,-. Aan dit besluit heeft verweerder - voor zover van belang - ten grondslag gelegd dat de aankoopkosten van motorvermogen en tonnage niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat het totale vermogen van eiser direct na de aanschaf niet is geraakt. Om voor nadeelcompensatie in aanmerking te komen dient er sprake te zijn van vermogensschade in de zin van artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (BW), dus schade die het vermogen raakt: een verlies. Omdat de door eiser aangeschafte paardenkrachten / motorvermogen en tonnage beide een waarde vertegenwoordigen (vermogensbestanddelen zijn) en weer verkocht kunnen worden, is geen sprake van een vermogensvermindering, maar enkel van een omzetting van de ene vermogenssoort in een andere, aldus verweerder. Verweerder heeft de door eiser gemaakte kosten om motorvermogen en tonnage te kunnen kopen (financieringskosten / rendementsderving), begroot op € 1.673,-, wel als redelijke kosten ter voorkoming van schade vergoed.

3. Bij brief van 4 oktober 2016 heeft verweerder het verzoek om nadeelcompensatie gedeeltelijk ingewilligd en aan eiser nadeelcompensatie toegekend tot een bedrag van
€ 17.265,-. Verweerder heeft ter toelichting daarvan aangegeven dat naar aanleiding van het bezwaar van eiser tegen de brief van 30 juni 2015 is gebleken dat die brief niet in overeenstemming is met hetgeen feitelijk is besloten in een vergadering van verweerder op 23 juni 2015. In die vergadering is besloten aan eiser een voorschot toe te kennen. Op eisers verzoek moest dus nog definitief worden beslist. De brief van 4 oktober 2016 bevat volgens verweerder het definitieve voor bezwaar vatbare besluit op het verzoek om nadeelcompensatie. De motivering van de gedeeltelijke inwilliging van het verzoek is gelijkluidend aan de in de brief van 30 juni 2015 gegeven motivering. Het bedrag is € 9,- hoger.

4.1

De rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld of de brieven van 30 juni 2015 en 4 oktober 2016 moeten worden aangemerkt als besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.2

Op grond van artikel 1:3 van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

4.3

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van 22 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:99) heeft een beslissing rechtsgevolg en is dus sprake van een rechtshandeling, indien zij er op is gericht een bevoegdheid, recht of verplichting voor een of meer anderen te doen ontstaan of teniet te doen, dan wel de juridische status van een persoon of een zaak vast te stellen.

4.4

De rechtbank is van oordeel dat de brief van 30 juni 2015 moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Gelet op de inhoud van de brief en de bewoordingen ervan, is met de brief van 30 juni 2015 concreet en ondubbelzinnig op het verzoek van eiser om nadeelcompensatie beslist, doordat aan hem nadeelcompensatie is toegekend. Van het toekennen van een voorschot, vooruitlopend op een nog te nemen beslissing, is in de brief - en het voorafgaand daaraan aan eiser toegezonden concept bestuursvoorstel - geen sprake. De bewoordingen rechtvaardigen dus de conclusie dat beoogd is op het verzoek om nadeelcompensatie te beslissen. Dat mogelijk sprake is van een onbevoegd genomen besluit, zoals verweerder ter zitting betoogd heeft, omdat mededeling is gedaan van een besluit dat niet genomen zou zijn, doet aan het voorgaande niet af. De vraag of met een handeling een rechtsgevolg is beoogd moet worden onderscheiden van de vraag of degene die de op rechtsgevolg gerichte handeling heeft verricht bevoegd was namens een bestuursorgaan dat besluit te nemen. Het mogelijk aan het besluit van 30 juni 2015 klevende bevoegdheidsgebrek doet derhalve niet af aan het besluitkarakter van de brief.

4.5

De rechtbank is voorts van oordeel dat de brief van 4 oktober 2016 niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De brief betreft slechts een herhaling van het besluit van 30 juni 2015 en levert derhalve niet opnieuw een besluit op de aanvraag op, vanwege het ontbreken van rechtsgevolg. Voorts is de brief van 4 oktober 2016 niet op te vatten als besluit in heroverweging zoals bedoeld in artikel 7:11 Awb. Hierbij gaat de rechtbank ervan uit dat ten aanzien van het toegekende bedrag aan nadeelcompensatie, dat € 9,- hoger is, een verschrijving heeft plaatsgevonden. Gelet op het voorgaande is de brief van 4 oktober 2016 niet aan te merken als besluit. Het door eiser ingestelde beroep gericht tegen de brief van 4 oktober 2016 (HAA 16/5175) is daarom niet-ontvankelijk.

5. Het voorgaande betekent dat verweerder tot op heden op heden nog niet heeft beslist op het door eiser ingediende bezwaar gericht tegen het besluit van 30 juni 2015. Ter zitting hebben beide partijen, met het oog op finale afdoening, ingestemd met rechtstreeks beroep overeenkomstig artikel 7:1a van de Awb. De rechtbank acht de zaak daartoe ook geschikt en merkt het bezwaar van eiser dan ook aan als een rechtstreeks beroep. Dit beroep is geregistreerd onder nummer HAA 18/1794.

6.1

Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte de kosten die hij heeft gemaakt voor het aanschaffen van motorvermogen en tonnage ter hoogte van € 11.150,- niet heeft vergoed. Hij voert hiertoe aan dat hij die kosten heeft moeten maken om zijn bedrijfsvoering aan te passen ter voorkoming of beperking van de schade als gevolg van het project Zwakke Schakels Noord-Holland. Hij is overgestapt naar lijnvisserij en is verder uit de kust gaan vissen, om zo de exploitatie van zijn visserijbedrijf te kunnen voortzetten. De daarmee gemoeide kosten zijn aan te merken als te vergoeden vermogensschade in de zin van artikel 6:96, tweede lid, sub a, van het BW.

6.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de vermogenswaarde die het scheepstonnage en het motorvermogen zelf vertegenwoordigen niet is aan te merken als kosten in de zin van artikel 6:96, tweede lid, sub a, van het BW. De financieringskosten voor de aankoop ervan zijn dat wel en die zijn dan ook vergoed.

6.3

Op grond van artikel 6:96, eerste lid, van het BW omvat vermogensschade zowel geleden verlies als gederfde winst.

Op grond van artikel 6:96, tweede lid, sub a, van het BW komen als vermogensschade mede voor vergoeding in aanmerking redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade die als gevolg van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, mocht worden verwacht.

6.4

Niet in geschil is dat eiser zijn bedrijfsvoering als gevolg van het project Zwakke Schakels Noord-Holland diende aan te passen van staandwantvisserij naar lijnvisserij. De rechtbank overweegt dat de kosten die eiser heeft gemaakt voor het aanschaffen van extra motorvermogen en tonnage geen vrije investeringskosten betreffen, maar kosten die eiser noodzakelijkerwijze heeft moeten maken voor de aanpassing van zijn bedrijfsvoering naar lijnvisserij ter voorkoming of beperking van inkomensschade. Immers, zonder extra motorvermogen en tonnage was de overstap naar lijnvisserij voor eiser niet mogelijk geweest en had hij de exploitatie van zijn visserijbedrijf niet kunnen voortzetten. Deze aanpassing in de bedrijfsvoering is naar aanleiding van het verzoek om nadeelcompensatie in overleg met verweerder tot stand gekomen en is ook door verweerder akkoord bevonden. Het standpunt van verweerder dat de door eiser gemaakte kosten voor het aanschaffen van extra motorvermogen en tonnage geen kosten zijn omdat zij in waarde gelijk blijven, kan de rechtbank niet volgen. Dat het aangeschafte zijn waarde behoudt is hierbij niet relevant, het gaat er om dat kosten gemaakt zijn ter voorkoming of vermindering van schade, die anders niet gemaakt zouden zijn. Verder is van belang dat het verschil tussen deze kosten en de overige door eiser in dit kader gemaakte kosten (waaronder de gevraagde aanschafkosten van een tractor en een boot) die door verweerder wel zijn vergoed onverklaarbaar is gebleven.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de kosten die eiser heeft gemaakt voor het aanschaffen van extra motorvermogen en tonnage zijn aan te merken als kosten ter voorkoming of beperking van schade als bedoeld in artikel 6:96, tweede lid, sub a, van het BW. De kosten komen derhalve in beginsel voor vergoeding in aanmerking.

6.5

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de door eiser gemaakte kosten redelijk zijn. De redelijkheidseis ziet zowel op het nemen van de maatregel op zichzelf als op de daaraan verbonden kosten.

6.6

Nu verweerder zich ter zitting desgevraagd op het standpunt heeft gesteld dat - als voornoemde kosten aan te merken zijn als kosten bedoeld in artikel 6:96, tweede lid, sub a, van het BW - de door eiser genomen maatregel en de daaraan verbonden kosten redelijk zijn te achten, is de rechtbank van oordeel dat de door eiser gemaakte kosten de dubbele redelijkheidstoets kunnen doorstaan.

6.7

Uit het voorgaande volgt dat verweerder de kosten voor het aanschaffen van extra motorvermogen en tonnage ten onrechte niet aan eiser vergoed heeft. De beroepsgrond slaagt.

7. Het beroep is gegrond. De rechtbank herroept het besluit van 30 juni 2015 wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb . De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank betrekt daarbij dat de thans geldende Verordening nadeelcompensatie Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier 2015, zoals verweerder bevestigd heeft, geen inhoudelijke wijzigingen bevat ten opzichte van de Verordening uit 2010.De rechtbank stelt de door verweerder aan eiser toe te kennen nadeelcompensatie vast op € 25.311,45 exclusief btw. Dit bedrag is als volgt tot stand gekomen:

€ 17.256,- : toegekende nadeelcompensatie bij besluit van 30 juni 2015

- € 1.422,05 : de toegekende financieringskosten/rendementsderving (€ 1.673 minus de in
het besluit van 30 juni 2015 toegepaste - door eiser niet betwiste – korting
van 15% wegens normaal maatschappelijk risico = € 1.422,05)

+ € 9.477,50 : € 11.150 aan aanschafkosten extra motorvermogen en tonnage
motorvermogen minus de in het besluit van 30 juni 2015
toegepaste - door eiser niet betwiste - korting van 15% wegens normaal
maatschappelijk risico.

De rechtbank bepaalt voorts dat deze uitspraak in de plaats treedt van het herroepen besluit van 30 juni 2015.

8. De rechtbank stelt vast dat verweerder eiser reeds een bedrag van € 17.256,- betaald heeft, waardoor het nog te betalen bedrag € 8.055,45,- bedraagt, vermeerderd met de (nog verschuldigde) wettelijke rente.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.252,50,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor de regiezitting, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

10. Omdat de rechtbank het beroep met nummer HAA 18/1794 gegrond verklaart, ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiser het door hem in de zaak met nummer HAA 16/5175 betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep tegen de brief van 4 oktober 2016 (HAA 16/5175 niet-ontvankelijk;

- verklaart het rechtstreekse beroep tegen het besluit van 30 juni 2015 (HAA 18/1794) gegrond;

- herroept het besluit van 30 juni 2015 ;

- bepaalt dat verweerder aan eiser nadeelcompensatie toekent ten bedrage van
€ 25.311,45,- exclusief btw betaalt, te vermeerderen met de (nog verschuldigde) wettelijke rente;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het herroepen besluit van 30 juni 2015;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.252,50,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.B. de Vries – van den Heuvel, voorzitter,
mr. S.A. Steinhauser en mr. S.M. van Velsen, leden, in aanwezigheid van mr. M. van Excel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 april 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.